(Juli 1290-1292?)
§ XXVIII.
Quomodo sedet sola civitas plena populo! facta est quasi vidua domina
gentium [77]. Ik was nog bezig aan deze canzone en had eerst de
bovenstaande stanza ervan voltooid, toen de Heer der Gerechtigheid
deze Allerlieflijkste opriep om te stralen onder het teeken dier
gebenedeide Koningin, de Maagd Maria, wier naam steeds in hoogste
eere geweest was in de woorden der zalige Beatrice. En ofschoon het
misschien gepast zoude schijnen hier iets van haar verscheiden van
ons te verhalen, is het toch niet mijne bedoeling daarover hier te
spreken om drie redenen: de eerste is dat het niet in het plan ligt,
indien wij slechts letten op de voorrede, welke dit boekske voorafgaat;
de tweede is, dat, aangenomen dat het wèl in mijnen opzet lag, mijne
taal toch niet bij machte zoude zijn dit te behandelen naar behooren;
de derde is dat het, aangenomen het een zoowel als het ander, het
mij toch niet zoude betamen hierover te handelen, omdat ik, er over
handelende, mijzelf zoude moeten prijzen, hetgeen bovenal laakbaar is
in wie zulks doet [78]; en ik laat dus deze behandeling over aan eenen
anderen uitlegger [79]. Evenwel, aangezien herhaaldelijk het getal
negen voorkwam in de voorgaande regelen, zoodat het duidelijk is dat
dit niet zonder reden het geval is, en bij haar verscheiden ditzelfde
getal eveneens eene belangrijke beteekenis schijnt te hebben gehad,
past het dààrover hier iets te zeggen, omdat dit wèl bij het plan
behoort. Zoodat ik allereerst zal zeggen welke rol het speelde bij
haar verscheiden en vervolgens eene reden zal aanwijzen waarom dit
getal nauw met haar verbonden was.
§ XXIX.
Ik zegge dan dat, volgens den kalender van Arabië, hare edele ziel
verscheidde in het eerste uur van den negenden dag der maand; en
volgens den kalender van Syrië verscheidde zij in de negende maand
des jaars, omdat de eerste maand aldaar is Tisirin de Eerste, welke
bij ons is October. En volgens onze eigen tijdrekening verscheidde
zij in dàt jaar van onze aanwijzing--dat wil zeggen van de jaren
des Heeren--waarin het volmaakte getal negen malen vervuld was in
die eeuw waarin zij in deze wereld werd geplaatst; en zij behoorde
tot de christinnen der dertiende eeuw [80]. Waarom dit getal zoo
nauw met haar verbonden was; deze zou de reden hiervan kunnen zijn:
aangezien er volgens Ptolomaeus en volgens de christelijke waarheid
negen bewegelijke hemelen zijn, en aangezien volgens de gewone
astrologische opvatting genoemde hemelen hier beneden invloed
uitoefenen naar gelang van hunnen stand ten opzichte van elkaar,
was dit getal aan haar verbonden om te verstaan te geven dat bij
hare geboorte alle negen bewegelijke hemelen in het meest volmaakte
evenwicht met elkaar stonden. Dit is ééne reden ervan; maar wanneer
men er scherper over nadenkt en volgens de onbedriegelijke waarheid,
was zijzelf dit getal, ik meen vergelijkenderwijs gesproken, en ik
bedoel dit aldus: Het getal drie is de wortel van negen, zoodat het
zonder hulp van eenig ander getal, met zichzelf vermenigvuldigd,
negen uitmaakt, gelijk wij klaarblijkelijk zien dat driemaal drie
is negen. Dus, gezien dat drie de schepper-uit-zichzelf van negen
is en de schepper der wonderen uit zichzelf drie is, dat wil zeggen
Vader, Zoon en Heilige Geest, welke drie één zijn--werd deze Vrouwe
begeleid door het getal negen om te verstaan te geven dat zijzelve
eene negen was, dat wil zeggen een wonder, welks wortel alleenlijk
de wonderbaarlijke Drie-eenheid is [81].
Misschien dat een scherpzinniger persoon hiervoor nóg dieper redenen
zou vinden: maar deze is het welke ik er in zie en welke mij het
meeste behaagt.
§ XXX.
Nadat deze allerlieflijkste Vrouwe uit dit leven was verscheiden,
bleef de bovenbedoelde stad achter als eene weduwe en als beroofd
van alle waardigheid; zoodat ik, nog weenende in deze verlaten stad,
iets schreef aan de voornaamste burgers der stad [82] over haren
toestand, nemende tot begin deze woorden van den profeet Jeremia:
"Quo modo sedet sola civitas, etc". En ik zeg dit opdat niemand zich
er over verwondere dat ik dit hierboven heb aangehaald als het ware
als eene intrede tot de nieuwe stof welke volgt. En indien iemand
mij wilde verwijten dat ik niet nederschrijf wat op de aangehaalde
woorden volgde, verontschuldig ik mij hiermede dat het van begin af
niet mijne bedoeling was eene andere dan de volkstaal te schrijven:
zoodat, aangezien de woorden welke volgden op de aangehaalde, allen in
het Latijn waren, het buiten mijne bedoeling zoude vallen wanneer ik
ze nederschreef: en ik weet dat deze mijn grootste vriend, tot wien
ik dit schrijf, dezelfde bedoeling heeft, dat wil zeggen dat ik hem
schrijve alleenlijk in de volkstaal.
§ XXXI.
Nadat mijne oogen een tijdlang geweerd hadden en zòò vermoeid waren
dat ik door hen niet langer mijn droefenis kon uitstorten, bedacht
ik te trachten haar uit te storten door eenige klagelijke woorden;
en daarom nam ik mij voor eene canzone te maken, in welke ik klagende
zou verhalen van haar, door wie eene zoo groote smart tot verwoesteres
van mijne ziel gemaakt was, en ik begon toen eene canzone welke begint:
"Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart...." En opdat deze canzone
aan het slot meer verweduwd moge lijken, zal ik haar verdeelen vòòr
ik haar neerschrijf: en deze manier zal ik in het vervolg volhouden.
Ik zeg dat deze ongelukkige canzone drie gedeelten heeft: het
eerste is eene voorrede; in het tweede spreek ik over hààr;
in het derde spreek ik medelijdend tot mijn lied. Het tweede
begint hier: "Zoo woont de zaalge...."; het derde hier: "Mijn
klaaglijk Lied...." Het eerste gedeelte kan worden verdeeld in
drieën; in het eerste zeg ik wat mij beweegt te spreken; in het
tweede zeg ik tot wie ik spreken wil; in het derde zeg ik van wie
ik spreken wil. Het tweede begint hier: "En wijl ik weet....";
het derde hier: "En u verhalen....". Vervolgens, wanneer ik zeg:
"Zoo woont de zaalge....", spreek ik van hààr; en hierover maak
ik twee gedeelten: in het eerste zeg ik de reden waarom zij ons
ontnomen werd; daarna zeg ik hoe men klaagt over haar verscheiden,
en dit gedeelte begint hier: "Haar zuivre ziel...." Dit gedeelte
kan worden verdeeld in drieën: in het eerste zeg ik wie haar
niet beweent; in het tweede zeg ik wie haar wel beweent;
in het derde verhaal ik mijnen eigen toestand. Het tweede
begint hier: "Maar om zijn diepe smart...."; het derde hier:
"Met zuchten zwaar". Vervolgens, wanneer ik zeg: "Mijn klaaglijk
lied...." spreek ik tot mijne canzone, haar aanwijzend tot welke
vrouwen zij gaan moet, en dat zij bij hen moet blijven.
Mijn oogen, droevend om 't gepijnigd hart,
Hebben zooveel geleden door lang weenen,
Dat voor altijd hun werking schijnt verstoord;
Dus, wil ik mij bevrijden van die smart
Die langzaam, langzaam leidt ten doode henen,
Moet ik 't beproeven met mijn klagend woord.
En wijl ik weet hoe 't ééns mij heeft bekoord
Van mijn Meestres, nog niet van de aard ontweken,
Tot u te zingen, vrouwen, schoon en zacht,
Wil 'k, naar ik vroeger placht,
Ook nu tot eedler vrouwen harten spreken
En u verhalen in mijn droeve klacht,
Hoe ze onverwacht ten hemel is getogen
En met mij Amor liet van smart gebogen.
Zoo woont de zaalge Beatrice [83] omhoog;
In 't rijk der englen toeft ze in eeuwgen vrede
En liet ook u, gij vrouwen, hier alleen.
Geen kou noch hitte was 't die haar bedroog
En nam, als zooveel anderen, haar mede;
Maar 't was haar groote nedrigheid alleen,
Die straalde zulk een glorie rond haar heen
En zoo den hemel met haar glans doorlichtte,
Dat God, verbaasd om 't wonder dat hij schiep,
Voor zijn verlangen diep
Naar zooveel heil en heerlijkheden zwichtte
En haar van de aard voor altijd tot zich riep. [84]
Want wèl ook wist hij dat dit moeizaam leven
Niet waardig was een schoonheid zòò verheven.
Haar zuivre ziel, vol van genade [85] leeft,
Nu zij het lieflijkst lichaam heeft verlaten,
Verklaard in 't harer schoonheid waardig oord.
Wie niet om haren dood moet weenen heeft
Een hart van steen, zoo slecht en zoo verwaten
Dat het naar ootmoed nimmer heeft gehoord.
Geen laag gemoed, door hoogste kunst gespoord,
Kan zich maar iets verbeelden van haar wezen;
Zoodat geen rouw noch weedom het benart.
Maar om zijn diepe smart
Zuchtend en klagend moet te sterven vreezen,
En van àl troost berooft zijn droevend hart,
Wie gansch doorgrondt in zijn verlaten droomen,
Hoe schoon zij was en hoe ze ons werd ontnomen.
Met zuchten zwaar beklage ik mijnen nood,
Wanneer mijn geest, van droefenis bevangen,
Herroept het beeld dat dus mijn hart verscheurt.
En dikwijls wen ik peins over den dood,
Welt in mij op zòò smachtend-zoet verlangen,
Dat mijn gelaat reeds als ten doode ontkleurt.
En vat ik gansch waarom mijn ziele treurt,
Dan kwelt me een heir van smarten van al zijden,
Zoodat ik krimp van pijn om wat ik lijd
En zinloos klaag en krijt
En moet de menschen diepbeschaamd vermijden.
En weenend roep ik in mijn eenzaamheid:
"O Beatrice, gingt ge waarlijk henen?"
Dan troost haar naam me, als waar' zij zelf verschenen.
Tranen van rouw en zuchten van verdriet
Waar ik ook toef mijn eenzaam hart verweeken,
Dat elk zou weenen die mijn lijden zag.
Hoe nu mijn leven in droefnis vervliedt
Sinds mijn Meestres ten hemel is ontweken:
Geen tong die 't ooit te schilderen vermag.
Daarom, gij Vrouwen, zou geen zelfbeklag
U kunnen zeggen hoe mij 't harde leven
Verwondt en met herinnring kwelt en pijnt
En hoe mijn ziel dus kwijnt
Dat iedereen: "U heb ik opgegeven"
Ziet hij mijn lippen veeg, te zeggen schijnt.
Maar zoo mijn woorden 't u al niet vertelden:
Zìj ziet mijn leed en zal 't mij ééns vergelden.
Mijn klaaglijk Lied, van tranen zwaar, nu ga,
En zoek opnieuw die maagdekens en vrouwen,
Wier liefelijk vertrouwen
Uw zusters menigmaal hebben verblijd.
Nu ga! maar gij, die Droefnis' dochter zijt,
Blijf gij bij hen, ontroostbaar, voortaan rouwen.
§ XXXII.
Nadat deze canzone geschreven was, kwam er iemand tot mij die volgens
de graden der vriendschap mijn vriend was onmiddellijk volgende op
dien grootsten: en deze was door bloedverwantschap zoo nauw verbonden
aan de glorierijke, dat niemand haar nader stond [86]. En toen hij
bij mij was om mij te spreken, verzocht hij mij of ik voor hem iets
wilde zeggen over eene dame die gestorven was; en hij veinsde zijne
woorden, opdat het zou schijnen alsof hij over eene andere sprak,
die korteling gestorven was: waarop ik, bemerkende dat hij alleenlijk
sprak over de gebenedeide, hem toezegde te zullen doen wat zijn verzoek
mij vroeg. Waarop ik, hierover nadenkende, mij voornam een sonnet te
schrijven, waarin ik ietwat klaagde en dit te geven aan dezen mijnen
vriend, opdat het schijnen zou als hadde ik het voor hem gemaakt; en
ik schreef daarop dit sonnet: "O komt en luistert naar mijn zuchte'
en klachten...."
Hetzelve heeft twee gedeelten: in het eerste roep ik de getrouwen
der Liefde aan opdat zij naar mij luisteren mogen; in het tweede
verhaal ik van mijnen ellendigen toestand. Het tweede begint hier:
"Hen dank ik 't...."
O komt en luistert naar mijn zuchte' en klachten,
Gij eedle harten: Meelij roept u aan!
Hen dank ik 't, die zoo gansch ontroostbaar gaan,
Dat ik in stille smart niet moet versmachten.
Want ach, mijn oogen zijn niet meer bij machte
Te storten schuldgen tol van traan op traan,
En zoo mijn leed--zij hebben 't lang gedaan--
Om mijne Vrouwe rouwend te verzachten.
Zoo luistert hoe mijn wanhoop rustloos krijt
Om haar, wier schoone lieflijkheden gloren
Daar, waar alleen haar deugd vond waardge woon.
En raadloos zult ge mij beklagen hooren
Het leven dat mijn eenzaam harte lijdt
Nu al zijn heil en zaligheid ontvloôn.
§ XXXIII.
Toen ik dit sonnet geschreven had, overwegende wie degene was wien
ik het wilde geven als ware het voor hem gemaakt, leek het mij toe
dat deze dienst armelijk was en schamel jegens iemand die zoo nauw
verwant was aan de glorierijke. En daarom schreef ik, alvorens ik
hem het bovenstaande sonnet gaf, nog twee stanza's eener canzone; de
eene werkelijk voor hem en de andere voor mijzelf, ofschoon beide voor
éénzelfden persoon geschreven lijken voor wie niet scherp toeziet. Maar
wie ze scherp beschouwt, ziet zeer goed dat er twee verschillende
personen in spreken; voorzoover de een niet spreekt als van zìjne
Vrouwe, doch de ander wel, gelijk duidelijk blijkt. Deze canzone en
dit sonnet gaf ik hem, hem zeggende dat ik ze voor hem gemaakt had.
De canzone begint: "Altijd, eilaas!" en heeft twee gedeelten:
in het eene, dat wil zeggen in de eerste stanza, klaagt deze
mijn dierbare vriend, aan haar vermaagschapt; in het tweede
klaag ik zelf, dat wil zeggen in de tweede stanza, welke begint:
"Zoo mengen zich...." En zoo blijkt het dat in deze canzone
twee personen klagen, de een van welke klaagt als haar broeder,
de ander als haar dienaar. En dit is de canzone, welke begint:
Altijd, eilaas! wanneer ik val aan 't peinzen
Dat ik hier nimmermeer
De Vrouwe weer zal zien die mij ontviel,
Ziet zulk een heir van pijnen rondom grijnzen
Mijn overdroeve ziel,
Dat ik mijzelven vraag: "Waarom begeer
Ik nog dit leed te dragen dat zoozeer
Mij pijnt en tot een last maakt heel dit leven,
Dat ik, vervuld van smart en vreeze groot,
Aanroep den zoeten Dood,
Of hij mij eindlijk rust en vree zal geven;
Zeggend: O kom! zòò gaarn ben ik bereid,
Dat ik nu elken stervende benijd."
Zoo mengen zich mijn mijmerdroeve zuchten
Tot ééne stage klacht,
Die in den Dood mijn eenge troost begroet.
Tot hèm voortaan al mijn verlangens vluchten,
Sedert mijn Vrouwe zoet
Mij werd ontnomen door zijn wreede macht
En harer schoonheid heerelijke pracht
Omhoog, nu zij van ons gezicht moest scheiden,
Ontbloeide tot een blanke heiligheid,
Die Liefde's licht verspreidt
Eeuwig tot aller engelen verblijden:
Want zelfs hun hoogen, zuivren geest verheugt
Het wonder van zòò liefelijke deugd.
§ XXXIV.
Op dien dag waarop een jaar vervuld was sinds deze Vrouwe onder de
burgers van het eeuwig Rijk werd opgenomen, was ik ergens gezeten
alwaar ik, in herinnering aan haar verzonken, een engel teekende
[87] op een zeker tafeltje; en terwijl ik deze teekende sloeg ik de
oogen op en zag naast mij eenige mannen, welken ik eerbied behoorde
te betoonen. En zij keken naar hetgeen ik deed en, naar wat mij later
gezegd werd, hadden zij daar reeds eenigen tijd gestaan eer ik hen
bemerkte. Toen ik hen zag stond ik op, en groetende zeide ik tot
hen: "Een ander was juist bij mij en daarom peinsde ik." Waarop ik,
nadat deze vertrokken waren, tot mijne bezigheid terugkeerde, dat wil
zeggen tot het teekenen van engelengedaanten. Zulks doende kwam mij
de gedachte woorden op rijm te zeggen als ter verjaring van hààr en
te schrijven tot hen die tot mij gekomen waren: en ik schreef toen
dit sonnet, hetwelk begint: "Weer zag mijn ziel...." en hetwelk twee
beginkwatrijnen heeft [88], zoodat ik het zal verdeelen volgens het
eene en volgens het andere.
Ik zeg dat volgens het eerste dit sonnet drie gedeelten heeft:
in het eerste zeg ik dat mijne Vrouwe reeds in mijne herinnering
was; in het tweede zeg ik wat de Liefde mij dientengevolge aandeed;
in het derde spreek ik van de uitwerkingen der Liefde. Het tweede
begint hier: "Ook Amor voelde...."; het derde hier: "Zij togen
uit mijn borst...." Dit gedeelte kan worden verdeeld in tweeën:
in het eene zeg ik dat alle mijne zuchten sprekende uittogen; in
het tweede zeg ik hoe enkele zekere woorden spraken verschillend
van de andere. Het tweede begint: "Maar zij die 't diepste...." Op
dezelfde wijze kan het worden verdeeld volgens het tweede begin,
behalve dat ik dan in het eerste gedeelte zeg op welk oogenblik
mijne Vrouwe in mijne herinnering was gekomen, en dit zeg ik niet
in het andere begin.
Eerste begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen
Dier Vrouwe, die om haar ootmoedigheid,
God wonen deed waar hoogst-gebenedeid
Maria troont onder de nedrigst-vroomen.
Tweede begin.
Weer zag mijn ziel de lichte heugnis doomen
Dier Vrouwe om wie de Liefde zelve schreit;
Toen gij, als lokte u hare lieflijkheid,
Kwaamt tot me en zaagt wat mij zoo stil deed droomen.
Ook Amor voelde die herinnring komen,
En in mijn hart ontwaakt, vol droevigheid,
Sprak tot mijn zuchten hij: "Nu gaat en schreit"
En nauwlijks konden zij hun smart betoomen.
Zij togen uit mijn borst weenende heen,
En telkenmale als ik hen hoorde bracht
Hun droeve roep de tranen mij in de oogen;
Maar zij die 't diepste leden zeiden zacht:
"O eedle geest! 't is heên een jaar geleên
Dat gij verklaard ten hemel zijt getogen."
§ XXXV.
Eenigen tijd hierna, toen ik mij bevond op eene plaats alwaar ik
mij den vervlogen tijd in herinnering bracht, was ik zeer peinzend
en zoozeer vervuld met smartelijke gedachten dat zij mij uiterlijk
deden vertoonen een gelaat vol schrikkelijke verbijstering. Waarop ik,
mijne verandering gevoelend, de oogen opsloeg om te zien of iemand mij
gezien had. Toen zag ik dat eene edele dame, jong en zeer schoon, voor
een venster zeer medelijdend, naar haren aanschijn te oordeelen, naar
mij keek; zoodat alle deernis in haar vereenigd scheen [89]. Vandaar
dat,--aangezien ongelukkigen, wanneer zij medelijden met hen bij
anderen zien, spoediger beginnen te weenen, alsof zij met zichzelf
medelijden hebben--ik in mijne oogen het verlangen gevoelde te gaan
weenen; en dus, vreezende mijn ellendig leven te toonen, ging ik
heen uit de oogen dier teedere; en ik zeide daarop in mijzelf:
"Het kan niet anders of bij deze deernisvolle Vrouwe woont de
edelste liefde." En hierop nam ik mij voor een sonnet te schrijven,
in hetwelk ik zou spreken tot haar en in hetwelk ik vervatten zou
al wat ik hier verhaald heb. En omdat het door deze verklaring reeds
voldoende duidelijk is, zal ik het niet verdeelen. Het sonnet begint:
Mijn oogen zagen 't zoete mededoogen
Lichten over uw stil en bleek gelaat,
Toen gij aanschouwdet mijn verslagen staat
En mijn gestalte, door de smart gebogen.
Ik dacht: "Dus heeft mijn donker leed bewogen
Haar, die zoo deernisvol mij gadeslaat."
En vreezend in mijn hart voor het verraad
Van gansch mijn zwakheid door mijn weenende oogen,
Wendde ik van u mijn angst-beschaamde blikken,
Wijl traan op traan van niet te stillen smart
Opwelde als door uw deerenis ontkluist.
En tot mijn droeve ziel zeide ik: "Wel huist
De Liefde in dezer Vrouwe teeder hart,
Dat hij haar blik zoo overdroef doet snikken."
§ XXXVI.
Het geviel nu dat telkenkeer dat deze Vrouwe mij zag, zij een
medelijdend gelaat en eene bleeke kleur, als van liefde, aannam:
zoodat zij mij herhaaldelijk deed herinneren aan mijne edele Vrouwe,
die steeds diezelfde kleur vertoonde. En het is een feit dat ik
dikwijls, niet kunnende weenen, noch mijne droefenis uitstorten,
heenging om deze deernisvolle Vrouwe te zien, die naar het scheen
door haren blik de tranen uit mijne oogen trok. En daardoor kwam
mij ook de begeerte iets er over te zeggen, sprekende tot haarzelf;
en ik schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Nooit deden Liefde...." en
het is begrijpelijk zonder dat ik het verdeel, door zijne voorgaande
verklaring. En dit is het:
Nooit deden Liefde en Medelijden bleeken
Een schooner aanschijn, meer bewondrenswaard,
En nooit heeft zulk een teedre glans verklaard
Stil-droevende oogen, 'wijl hun tranen leken,
Dan wen, als woudt ge om hulpe voor mij smeeken,
Uw blik op mijn ellendig wezen staart,
Zoodat mijn hart soms vreezen moet als waar 't
Om u verdeeld en van zijn heil geweken.
Ik kan mijn brandende oogen niet verweren
Dat zij verlangend dikwijls wenden heen
Tot u, wier blik hun tranenvloed bevrijdt;
Want u aanschouwend is weenen alleen
't Hen ganschelijk verteerende begeeren,
Schoon onvervuld zoolang ge aanwezig zijt.
§ XXXVII.
Ik kwam tot zoover door den aanblik dezer Vrouwe dat mijne oogen
begonnen zich al te zeer te verheugen wanneer zij haar zagen; zoodat
ik dikwijls mij er over kwelde in mijn hart en mijzelf wel voor zeer
laag hield; en nog herhaaldelijker vloekte ik de ijdelheid mijner
oogen en zeide tot hen in mijne gedachten: "Vroeger placht ge te doen
weenen al wie uwen droevigen toestand zagen en nu schijnt ge dit te
willen logenstraffen door deze Vrouwe, die u aanziet, die u echter
alleenlijk aanziet voorzooverre zij denkt aan de glorierijke Vrouwe
over wie gij placht te weenen; doch wat ge doen kunt doet dat maar,
want ik zal u dikwijls genoeg aan haar herinneren, vermaledeide oogen;
want nooit, dan slechts na den dood, behoordet ge uwe tranen te doen
verdrogen". En toen ik in mijzelf aldus tot mijne oogen had gesproken,
besprongen mij wederom zware en bange zuchten. En opdat deze strijd
welke in mij gevoerd werd niet slechts alleen bekend bleve aan den
ongelukkige die hem gevoelde, nam ik mij voor een sonnet te maken
en in hetzelve dezen verschrikkelijken toestand te vervatten, en ik
schreef dit sonnet, hetwelk begint: "Gij oogen mijn....",
en het heeft twee gedeelten: in het eerste spreek ik tot mijne
oogen zooals mijn hart in mijzelf sprak; in het tweede neem
ik een zekeren twijfel weg door te openbaren wie het is die
aldus spreekt; en dit gedeelte begint hier: "Zoo spreekt mijn
hart...." Men zoude ook zeer wel meerdere verdeelingen kunnen
aannemen, maar zij zouden overbodig zijn, omdat het duidelijk is
door de voorgaande verklaring.
Gij oogen mijn, die om mijn droefnis schreiden
Zoo bitterlijk en staag nu reeds zoo lang,
Ge zaagt hoe dikwijls ge ook langs andrer wang
Deedt tranen vloeien van diepst medelijden.
Vergeten hebt ge, schijnt wel, heel uw lijden;
Want ach, ik heb, voor zooveel pijnen bang,
U niet genoeg herinnerd aan dien drang
Tot hààr, aan wie ge alleenlijk u moest wijden.
Zoozeer ontrust nu mijn beschaamd geweten
Uwe ijdelheid dat ik in vreeze groot
Den aanblik ducht dier deernisvolle vrouw.
Want nooit behoordet, dan slechts in den dood,
Gij onze doode Vrouwe te vergeten.--
Zoo spreekt mijn hart en zucht in zwaar berouw.
§ XXXVIII.
De aanblik dezer Vrouwe bracht mij in zulk eenen vreemden toestand, dat
ik dikwijls aan haar dacht als aan iemand die mij al te zeer bekoorde;
en ik dacht over haar aldus: "Deze is eene lieflijke Vrouwe, schoon,
jong en wijs, en wellicht verschenen door den wil der Liefde, opdat
mijn leven rust zoude vinden." En dikwijls genoeg dacht ik over haar
nog teerder, zoozeer dat mijn hart er mede instemde, dat wil zeggen
met deze gedachten. Maar wanneer het aldus had toegestemd, begon
ik, als door de Rede daartoe aangespoord, opnieuw te overpeinzen
en zeide in mijzelf: "Eilaas, welk eene gedachte is deze, welke mij
op eene zoo lage wijze wil troosten en mij haast niets anders laat
denken!" Dan verhief zich eene andere gedachte en zeide: "Nu ge in zoo
groote beproeving geweest zijt, waarom wilt gij u niet terugtrekken
uit zulke bitterheid? Gij ziet dat dit eene inblazing der Liefde is
welke de begeerten der Liefde met zich brengt en welke komt van eene
zoo lieflijke zijde als de oogen dezer Vrouwe die zich zoo deernisvol
heeft betoond." Zoodat ik, na aldus herhaaldelijk in mijzelf te hebben
gestreden, er eenige woorden over zeggen wilde; en omdat diegenen in
dien strijd van gedachten overwonnen welke voor hààr spraken, scheen
het mij dat ik tot haarzelf moest spreken; en ik schreef dit sonnet,
hetwelk begint: "Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte....". En ik
zeg "lieflijke" omdat zij sprak over eene lieflijke Vrouwe, ofschoon
zij overigens allerlaagst was. In dit sonnet onderscheid ik in mijzelf
twee deelen, naarmate mijne gedachten verdeeld waren. Het eene noem
ik hart, dat wil zeggen begeerte; het andere noem ik ziel, dat wil
zeggen Rede; en ik zeg wat het eene aan het andere zegt. En dat het
juist is de Begeerte "hart" te noemen en de Rede "ziel", is duidelijk
genoeg voor hen van wie het mij lief is dat zij het begrijpen. Het
is waar dat ik in het voorgaande sonnet de partij van het hart kies
tegen de oogen, en dit schijnt in strijd met wat ik nu zeg; en daarom
zeg ik dat ik ook dààr het hart als Begeerte heb verstaan, aangezien
mijn verlangen om te denken aan mijne allerlieflijkste Vrouwe toch
grooter was dan dat om die andere te zien, ofschoon ik daartoe wel
eenige begeerte gevoelde, welke echter nog licht scheen; zoodat de
eene uitspraak niet in strijd is met de andere.
Dit sonnet heeft drie gedeelten: in het eerste begin ik met tot
die Vrouwe te zeggen hoe mijn verlangen zich geheel en al tot haar
keert; in het tweede zeg ik hoe de ziel, dat wil zeggen de Rede,
spreekt tot het hart, dat wil zeggen de Begeerte; in het derde
zeg ik hoe dit antwoordt. Het tweede gedeelte begint hier: "Dies
vraagt mijn ziel..."; het derde hier: "En 't antwoordt haar...."
Een lieflijke, teer-fluistrende gedachte,
Van u vervuld, toeft bij mij menigmaal,
En spreekt van liefde zulk een zoete taal
Dat zij mijn hart met haar doet medesmachten.
Dies vraagt mijn ziel aan 't hart: "Wie is die zachte,
Die wil dat troost en vree weer in ons daal'?
Dat niets in ons nog naar iets anders taal',
Tot zulke werking is haar deugd bij machte?"
En 't antwoordt haar: "Eilaas, bezorgde ziel,
Een nieuwe boô der Liefde kwam getogen,
Die van een nieuw verlangen mij vertelt;
En heel zijn leven, heel zijn sterk vermogen,
Straalt uit den blik dier deernisvolle ziel
Wie 't leed om ònze martelingen kwelt.
§ XXXIX.
Tegen dezen tegenstander der Rede verhief zich op eenen dag, omstreeks
het negende uur, eene sterke verbeelding in mij; het scheen mij
namelijk dat ik de glorierijke Beatrice aanschouwde, met dit lichtroode
kleed, in hetwelk zij voor het eerst mijnen oogen verschenen was;
en zij leek mij zeer jeugdig, van denzelfden leeftijd als toen
ik haar voor het eerst zag. Daarop begon ik over haar te peinzen,
en mij alles herinnerende volgens de orde des tijds, begon mijn hart
smartelijk zijne begeerte te berouwen, door welke het zich zoo lagelijk
eenigen tijd had laten in bezit nemen, in strijd met de bestendigheid
der Rede. En, dusdanige slechte begeerte geheel verdreven hebbende,
wendden zich al mijne gedachten wederom tot hunne allerlieflijkste
Beatrice. En ik zegge dat ik van toen af zoozeer aan haar begon te
denken met heel mijn hart vol schaamte, dat mijne zuchten het dikwijls
openlijk getuigden, aangezien bijna allen bij hun uitgaan zeiden wat in
mijn hart gesproken werd, dat wil zeggen den naam der Allerlieflijkste
en hoe zij van ons verscheidde. En dikwijls gebeurde het dat eene
gedachte zooveel smart medebracht, dat ik haarzelf vergat en eveneens
waar ik mij bevond. Door deze wederopleving mijner zuchten ontwaakte
ook het weenen, hetwelk had opgehouden, op zulk eene wijze dat mijne
oogen twee dingen geleken welke niets anders begeerden dan te weenen:
en dikwijls gebeurde het dat, door hun lang voortgezet weenen, rondom
hen een purperen kleur zich vertoonde, gelijk te verschijnen pleegt bij
iemand die den marteldood sterft: waaruit blijkt dat zij waardiglijk
voor hunne ijdelheid werden gestraft; zoodat zij sindsdien niemand
zouden hebben kunnen aanzien die naar hen mocht kijken op eene wijze
welke hen tot eene dergelijke afdwaling hadde kunnen bewegen. Waarop
ik, wenschende dat het bleek dat deze begeerte en ijdele bedoeling
inderdaad vernietigd waren, en wel zoo, dat de berijmde woorden welke
ik daarvòòr geschreven had, tot geen enkelen twijfel meer aanleiding
zouden kunnen geven, mij voornam een sonnet te maken, in hetwelk ik den
zin van het hier gezegde zou vervatten. En ik schreef toen: "Eilaas,
door veler zuchten stage klacht...." En ik zeide "Eilaas" omdat ik mij
er over schaamde dat mijne oogen aldus ijdellijk gedwaald hadden. Dit
sonnet verdeel ik niet omdat zijne verklaring duidelijk genoeg is.
Eilaas! door veler zuchten stage klacht,
Uit 's harten droef herinneren geboren,
Hebben mijn oogen zwak de kracht verloren
Den blik te zoeken die hun groet verwacht.
't Is of in hen slechts één verlangen smacht:
In tranen iedren lach van vreugd te smoren;
Een vuurgen kring doet Liefde rond hen gloren,
Gelijk de kroon die martelaren wacht.
De zuchten en gepeinzen mijner rouwe
Vervullen zòò mijn weedomzware hart
Dat Amor zwijmt van droefheid overgroot,
Omdat hij hen, de stille boôn der Smart,
Den zoeten naam hoort fluistren mijner Vrouwe
En woorden, ach, over haar vroegen dood.
§ XL.
Na deze beproeving [90] geschiedde het--in dien tijd waarop veel
volks kwam om de gebenedeide beeltenis te zien, welke Jezus Christus
ons heeft achtergelaten van zijn allerschoonst gelaat [91], hetwelk
nu mijne Vrouwe in glorie aanschouwt--dat een aantal pelgrims door
eene straat trokken, welke nagenoeg midden door de stad liep waar de
Allerlieflijkste werd geboren, leefde en stierf; en zij gingen, naar
het mij toescheen, ernstig peinzend. Waarop ik, over hen denkende, in
mijzelf zeide: "Deze pelgrims schijnen mij van zeer verre te komen en
ik geloof niet dat zij zelfs over deze Vrouwe hebben hooren spreken;
zij weten van niets; veeleer zijn hunne gepeinzen over andere zaken
dan over haar hier; misschien denken zij aan hunne verre vrienden,
die wij niet kennen." Daarop zeide ik in mijzelf: "Ik weet dat,
wanneer zij uit eene naburige streek kwamen zij in eenig opzicht
in hun uiterlijk bedroefd zouden schijnen, aldus midden door de
bedroefde stad gaande." Daarop zeide ik in mijzelf: "Indien ik hen
eene wijle kon ophouden, zoude ik hen zekerlijk doen weenen alvorens
zij deze stad verlieten, omdat ik woorden zou zeggen die wien ook
die ze hoorde zoude doen weenen." Waarop ik, nadat zij uit mijn
gezicht waren voorbij gegaan, mij voornam een sonnet te schrijven,
in hetwelk ik zou openbaren datgene, wat ik in mijzelf gezegd had;
en opdat het nog klagelijker zoude schijnen, nam ik mij voor het te
schrijven alsof ik tot hen gesproken had; en ik schreef dit sonnet,
hetwelk begint: "Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat....". En
ik zeide "pelgrims" in de ruime beteekenis van het woord: want
"pelgrims" kan in dubbelen zin verstaan worden, eenen ruimen en
eenen engen; in ruimen voorzoover ieder die buiten zijn vaderland
toeft pelgrim is; in engeren heet slechts diegene pelgrim die naar
het huis van den heiligen Jacobus gaat of er vandaan komt. En voorts
wete men dat de lieden die naar den dienst des Allerhoogsten tijgen
op drie wijzen kunnen worden genoemd: zij heeten "Palmdragers" voor
zoover zij overzee gaan, vanwaar zij dikwijls palmbladen meebrengen;
zij heeten "pelgrims" voor zoover zij naar het huis van Galizia
[92] gaan, omdat het graf van den heiligen Jacobus verder van zijn
vaderland verwijderd ligt dan dat van eenig ander apostel; zij heeten
"Rome-gangers" voor zoover zij naar Rome gaan, waarheen ook zij,
die ik hier pelgrims noemde, togen. Dit sonnet verdeel ik niet,
omdat zijne verklaring het genoeg verduidelijkt.
Ai pelgrims, die zoo ernstig langs mij gaat,
Verdiept wellicht in der herinnring droomen,
Zijt ge uit een land zòò vreemd en ver gekomen--
Als mij getuigt uw aanschijn en gewaad--
Dat niet de tranen langs uw bleek gelaat,
Nu gij doorschrijdt deez' stad der Rouwe, stroomen;
Als lieden die nog niets hebben vernomen
Van haar verlaten, deerniswaardgen staat?
Mijn zuchtend hart zegt mij met zekerheid
Dat, zoo ge bleeft om naar mijn klacht te hooren,
Ge niet dan weenend gaan zoudt van hier henen:
Haar Beatrice heeft zij, ach, verloren!
En ieder woord over haar lieflijkheid
Heeft het vermogen elkeen te doen weenen.
§ XLI.
Hierop zonden twee edele dames tot mij om mij te verzoeken dat
ik hen eenige rijmen zenden mocht; waarop ik, denkende aan hunnen
hoogen stand, mij voornam hen iets te zenden en tevens iets nieuws
te maken, hetwelk ik hen met de andere zenden zou, opdat ik op
meer waardige wijze hun verzoek vervulde. En ik schreef toen een
sonnet, hetwelk mijnen staat verhaalde, en ik zond het hen, van
het voorgaande vergezeld en van nog een ander, hetwelk begint:
"O komt en luistert". Het sonnet, hetwelk ik toen maakte begint:
"Boven die sfeer...."
hetwelk uit vijf gedeelten bestaat: in het eerste zeg ik
waarheen mijn geest gaat, hem noemend bij den naam van een zijner
uitwerkingen. In het tweede zeg ik waarom hij omhoog gaat, dat
wil zeggen wie hem aldus doet stijgen. In het derde zeg ik wat
hij aanschouwt, te weten eene Vrouwe die daarboven geëerd wordt,
en ik noem hem dan "pelgrim-geest" omdat hij geestelijk zoo hoog
stijgt en, gelijk een pelgrim, die buiten zijn vaderland is,
daar toeft. In het vierde zeg ik hoe hij haar aldus ziet, dat wil
zeggen van zulke hoedanigheid, dat ik deze niet kan begrijpen,
dat wil zeggen dat mijn geest opstijgt tot hare hoedanigheid in
zulk een graad dat mijn verstand het niet bevatten kan, aangezien
ons verstand zich verhoudt tot deze gelukzalige zielen gelijk ons
zwakke oog tot de zon; en dit zegt ook de Filosoof in het tweede
boek der Metaphysica. In het vijfde zeg ik dat, ofschoon ik niet
kan begrijpen waarheen mijn geest mij voert, namelijk tot hare
wonderbare hoedanigheid, ik toch tenminste dit begrijp dat heel
deze gedachte is van mijne Vrouwe, aangezien ik herhaaldelijk
haren naam in mijne gedachte hoor. En aan het slot van dit vijfde
gedeelte zeg ik: "Dan, vrouwen dier...." om te verstaan te geven
dat het vrouwen zijn tot wie ik spreek. Het tweede gedeelte
begint hier: "Een nieuw begrip...."; het derde hier: "En daar,
waarheen...."; het vierde hier: "Hij schouwt haar zòò...."; het
vijfde hier: "Maar 'k weet...." Men zoude het nog nauwkeuriger
kunnen verdeelen en nog nauwkeuriger doen begrijpen, maar deze
verdeeling kan volstaan en dus zal ik mij niet ophouden met het
nog verder te verdeelen. En dit is het sonnet, hetwelk hier begint:
Boven die sfeer die 't allerwijdste kringt, [93]
Vermag mijn geest als stille zucht te stijgen;
Een nieuw begrip, dat Liefde in leed verkrijgen
Mij deed heeft hem tot zulk een vlucht bezwingt.
En daar, waarheen heel zijn verlangen dringt,
Ziet hij een Vrouwe voor wie de englen neigen;
Zòò stralend dat mijn pelgrim-geest in d'eigen
Lichtgloed haar schouwt, die uit haar wezen blinkt.
Hij schouwt haar dus, dat wen hij, weergekomen,
't Verhalen wil, 't droef hart dat hem doet spreken
Niet vatten kan een taal zoo wonderbaar.
Maar 'k weet: van Beatrice komt hij spreken;
En heb ik haren zoeten naam vernomen,
Dan, vrouwen dier, is alles tòch mij klaar.
§ XLII.
Na dit sonnet verscheen mij een wonderbaarlijk gezicht [94], in
hetwelk ik dingen zag welke mij deden besluiten niet meer over deze
gebenedeide te spreken alvorens ik op eene waardiger wijze over haar
zou kunnen handelen. En om dit te bereiken, beijver ik mij zooveel
ik kan, gelijk zij wèl weet [95]. Zoodat, indien het Hem, door wien
alles leeft, behaagt dat mijn leven nog eenige jaren dure, ik van
haar hoop te zeggen wat nooit nog van eenige Vrouwe gezegd werd. En
daarna moge het Hem, die de Heer aller Hoofschheid is, behagen dat
mijne ziel henen ga om de glorie harer Vrouwe te zien, dat wil zeggen
dier gebenedeide Beatrice, die verheerlijkt schouwt in het aangezicht
van Hem, "qui est per omnia saecula benedictus" [96]. Amen.