Maar, Excellentie, anders dienen dan ik diende te Lebak kan ik niet!"

Mevrouw Dekker teekent hierbij aan: "De heer Van Twist heeft niet

geantwoord."

Men kan er zich al weder niet van onthouden het zwijgen van den heer

Van Twist zeer verklaarbaar te vinden. De lezer van Multatuli's

werken,--het is natuurlijk niet uit te maken of juist álle lezers

hierin overeenstemmen--door de vaste overtuiging en den doordringenden

stijl van den kunstenaar dermate overreed, dat hij niet eens de

gelegenheid heeft kalm na te denken, heeft, bij de vele sentimenten

en gevoelens, die Multatuli u dwingt van hem over te nemen, stellig

ook bespeurd het gevoelen, dat de heer Van Twist een slecht mensch

was en het gevoel van bitteren wrevel tegen dien heer. Dit gevoelen

en dit gevoel zal echter tegen latere, onpartijdige overweging niet

bestand blijken.

Immers, van tweeën één: òf (wat het waarschijnlijkste is) de heer Van

Twist dacht dat hij met een halven gek te doen had en achtte het,

van die veronderstelling uitgaande, niet eens de moeite waard de

waarachtigheid der overgelegde bescheiden te kontroleeren; òf hij had

kennis genomen van Dekker's mededeelingen, hield het voor mogelijk,

dat zij juist waren, hoewel te veel gegeneraliseerd, te voorbarig van

den bijzonderen toestand te Lebak tot een algemeen Nederl.-Indischen

toestand gekonkludeerd, maar achtte het nu zijn plicht niet meer

persoonlijk handelend op te treden, en wenschte bovendien zich niet

in betrekking te stellen met ambtenaren, nog minder met voormalige

ambtenaren, die zich op zulk een zonderlinge, ongeregelde, manier

tot hem wendden.

Stelt u voor, dat een minister op zijn bureau te werken zit, en dat

een man van de straat het departementsgebouw komt binnengeloopen,

in weêrwil van portiers en klerken binnendringt en den minister

toeroept: Excellentie, daar is onrecht gepleegd, zie eens hier, en

daar, hier heb ik de bewijzen. Elke minister zoude zoo een indringer

antwoorden: vriend, het is mogelijk dat gij gelijk hebt, maar wil u

op de gebruikelijke wijze tot mij wenden, dit is geen manier van doen.

Stelt u voor, dat een voormalig minister in zijn buitenverblijf zit

te dejeuneeren, en er wordt iemand aangediend, die in de gang reeds

staat te roepen: onrecht gepleegd, daar is onrecht gepleegd, ik moet

den heer des huizes spreken!

De minister zal zijn huisknecht gelasten dien man den weg naar het hek

te wijzen met de aanmaning zich op de gepaste wijze tot de bevoegde

autoriteit te wenden, indien hij meent verongelijkt te zijn.

En nu zeggen wij: ook dán, indien de man, die zich indringt, ware

grieven heeft mede te deelen, ook dán, indien werkelijk het grootste

onrecht is gepleegd, zal de minister gelijk hebben met hem de deur te

wijzen, want: nadat hij één persoon op die wijze zou hebben te woord

gestaan, die in zijn recht was, zullen er zich negen-en-negentig

op dezelfde manier aanmelden, wien slechts denkbeeldig onrecht is

geschied. En de minister zou geen oogenblik tijd meer over hebben om

's lands zaken te bestieren, of, in het buitenplaats-geval, om zich

met zijn voor hem belangrijke partikuliere zaken te bemoeien.

Het is beter dat aan één mensch onrecht geschiedt dan dat, door

verwaarloozing van 's lands zaken, aan duizenden onrecht zou worden

gedaan.

In het voorjaar van 1858 kwam de heer Jan Dekker van Rembang naar

Europa, bezocht zijn broeder Eduard te Brussel en betaalde de rekening

in den Prince Belge.

In den herfst van hetzelfde jaar bevond Eduard zich in Cassel, waar

hij Saïdjah's lied in het Maleisch dichtte, veel op de Casseler Aue

wandelde, en bij den... logementhouder en vrienden schulden maakte,

die hij nooit heeft kunnen afdoen.

In het voorjaar van 1859 kwam zijn vrouw, met twee kinderen en eene

baboe, eveneens naar Europa, en zagen de echtgenooten elkander weder

te Luik. Den zomer van dat jaar, tot in het laatst van Augustus,

vertoefde het gezin in den omtrek van Luik en Maastricht, met name

in het dorp Visé, waar de hoogst onaangename bejegening hen trof,

dat zij van den burgemeester dier gemeente eene aanzegging kregen om

binnen tweemaal vier-en-twintig uur zijn grondgebied te verlaten. Het

was juist kermis in Visé, en de omstandigheid, dat zij er sjofel

uitzagen, geen geld en geen legitimatiepapieren hadden en in kleine

herbergen vertoefden, gevoegd bij de donkere gelaatskleur van een

gedeelte van 't gezin, van de baboe vooral, had de achterdocht van 't

gemeentebestuur opgewekt en was oorzaak, dat zij voor saltimbanques

van verdacht allooi werden gehouden en als zoodanig behandeld. Men

kan begrijpen, hoe zulk een lotgeval den zeer gevoeligen Dekker,

vooral ook wijl de smaad zijne vrouw niet minder trof dan hem zelven,

moest aandoen. Gelukkig woonde te Maastricht eene vriend van Dekker,

de heer J. J. M de Chateleux, dien hij in 1843 had leeren kennen,

toen Dekker Natal verlaten had en te Padang op Sumatra vertoefde;

het krediet van dezen heer, die hem toch al reeds naar de betrekkelijk

helaas geringe krachten van zijn vermogen had bijgestaan, kon hem ook

nu uit den nood redden. Maar weldra raakte ook die bron uitgeput en

den 23sten Augustus 1859 trok het gezin, in den toestand der diepste

armoede, naar Antwerpen, voor welke reis nauwelijks nog het noodige

geld beschikbaar was.

In Antwerpen was het gezin nog slechts enkele dagen vereenigd. Den

27sten Augustus bleef Dekker alleen met hun koffers en de onbetaalde

rekening in het Hôtel du Temple aldaar achter, terwijl zijne vrouw

met de kinderen en de baboe den laatsten uitweg insloeg, die hun nog

overbleef en op reis ging naar Den Haag, naar hare zuster Henriëtte

van Heeckeren van Waliën. Dit waren, voor zoover wij kunnen nagaan, de

bitterste dagen, die Dekker en de zijnen doorleefden. Want,--inderdaad

deze toestand was vreeselijk--er was letterlijk volstrekt geen

geld meer over, zoodat Dekker's echtgenoote met de haren met ledige

portemonnaie zich op de Rotterdamsche boot inscheepte. Om zich uit

de verlegenheid te redden, had zij--arme vrouw!--een list bedacht,

die gelukte. Zij veinsde namelijk, toen de bootbeambte rondging

om de passagegelden op te halen, met voorgewenden schrik, hare

portemonnaie te hebben vergeten en zeide in Rotterdam hem het geld

te zullen bezorgen. In Rotterdam was een hôtel waar Dekker vroeger

eens gelogeerd had, en toen, daar aangekomen, de bootbeambte mevrouw

Dekker ter aangeduide plaatse vergezelde, leende de logementhouder

haar vijftien gulden om haar passage te betalen en met de haren de

reis naar Den Haag voort te zetten.

In 's Gravenhage werd zij ten huize harer zuster ontvangen. Men gaf

haar daar "een maal eten", en twintig gulden om de reis voort te zetten

naar Brummen, waar de heer Jan Dekker een buiten, "De Buthe" genaamd,

bewoonde. Tevens liet men haar daar (te 's Gravenhage; wij volgen de

mededeelingen van de uitgeefster der Brieven) een brief aan haar man

schrijven, die geheel tegen haar hart moet geweest zijn, waarin zij hem

de noodzakelijkheid eener scheiding betoogde en hem in overweging gaf

ergens op een schip een betrekking als matroos of hofmeester te zoeken.

Deze daad van de familie schijnt een oogenblik bijzonder

wreedaardig. Wij herinneren er aan, dat Dekker,--van wiens hoogere

gaven nog niets gebleken was--door zijn gedrag der laatste jaren zich

de allerafschuwelijkste reputatie bij die menschen had gemaakt; voorts

dat de Van Heeckerens geen bloedverwanten van hém waren, alleen van

zijn vrouw; dat zijn persoonlijk lot hun dus nagenoeg onverschillig

was, en zij het als de eenige uitkomst voor hunne zuster moesten

beschouwen, dat zij van zulk een echtgenoot als den haren ontslagen

raakte. Hadd' Dekker nog een vader of moeder gehad, nooit zoude hij

van die eene dergelijke behandeling hebben ondervonden. De hulp, hem

telkens en telkens door zijn broeder Jan verschaft, bewijst dat de

verwanten van zijn kant zich nooit geheel van hem afgekeerd hebben. Die

broeder Jan was zelfs een zeer goedhartig en hulpvaardig mensch.

Kort na het ontvangen van dezen brief van zijne vrouw, toen hij haar

hare koffers op haar verzoek had nagezonden, dus in het begin van

September 1859, vertrok Dekker van Antwerpen naar Brussel; hij nam

daar weder zijn intrek in den "Prince Belge", de eenige gelegenheid,

waar hij krediet had. Daar voltooide hij in dien tijd zijn Bruid

daarboven en schreef er zijn Max Havelaar.

De brieven, die den inhoud van het eerste deel der korrespondentie

uitmaken, zijn geschreven in Augustus-November, de allereerste van

Antwerpen, al de overige van Brussel uit.

Voor zoover uit die Brieven Dekker's geestestoestand, het volkomen

bewust worden in hem van zijn talentvollen aanleg, blijkt, hebben wij

er in het eerste hoofdstuk van dit opstel, de passages uit aangehaald,

die ons voorkwamen de meest welsprekende te zijn. Wat Dekker's overige

stoffelijke, levensomstandigheden betreft, brengen zij ons verder

bijzonderheden, waaruit dezelfde toestand blijkt, dien wij reeds

hebben leeren kennen, toen van zijn eerste verblijf in deze herberg

werd melding gemaakt.

Het publiek bestond daar uit ondergeschikte beambten van het aan de

overzijde der straat staande postkantoor en uit "mannen in blousen",

die daar hun faro kwamen drinken. Dekker wist zich in het huis zelf

en in de geheele buurt bemind te maken. Pauline, een gevallen vrouw

met haar zuigeling, die daar ook op kosten van den menschlievenden

waard in de herberg habituée was, de slager Deprez en diens gezin,

waren er zijn vrienden.

Dekker had het er aller-armoedigst. Het koopen van schoenen, van inkt,

van een lampje, waren vraagstukken van belang, die eerst na rijp

beraad konden worden opgelost. Men at in die herberg een "burgerpot";

naar zijn getuigenis was Dekker hiervan overigens een liefhebber;

als zij wist, dat iets hem goed smaakte, maakte de waardin dat voor

hem klaar. Deze tijd was echter in onze schatting, en ongetwijfeld

ook in zijn eigen schatting, de smartelijkste, maar tegelijk de

schoonste, tijd zijns levens. Men kan hem zich voorstellen daar op dat

zolderkamertje gezeten, de vingers krom getrokken van schrijfkramp en

van kou niet zelden, de oogen ontstoken van het bovenmatig werken,

ten prooi aan de hevigste zenuwopwinding, aan de meest verregaande

exaltatie, en zoo het schoone werk voortbrengend, waarmede hij zich

aan zich zelf en aan zijn land ontdekte.

Den 14den September reeds had hij zich voor het eerst in letterkundige

betrekking met eenige zijner landgenooten gesteld. Hij was,

door bemiddeling der logemannen van het Rozekruis, met eene

schouwburgdirektie in onderhandeling getreden over de opvoering van

zijn Bruid daarboven. Zes jaar geleden, in zijn verloftijd,--dus

verhaalt de uitgeefster der Brieven--was Dekker te Gorcum in die orde

opgenomen, "en had er in snelle opvolging vele rangen doorloopen

tot hij een der hoogste sporten bereikt had en benoemd was tot

Prins van het Rozekruis". (Arme Prins!) De heer Eduard de Vries,

schouwburg-bestuurder, was Dekker komen spreken. Deze had zich met

het stuk uiterst ingenomen betoond, zich terstond bereid verklaard

tot de opvoering. Maar van droits d'auteur kon voorloopig weinig of

geen sprake zijn. Bij gelegenheid van dat bezoek las Dekker den heer

De Vries eenige bladzijden voor uit Max Havelaar, waardoor de heer De

Vries zeer getroffen werd. Hij ried Dekker evenwel ten sterkste aan

het handschrift naar den koning te zenden, vóór hij tot openbaarmaking

overging.

Toen Dekker Max Havelaar had voltooid, zond hij het handschrift den

5den November, naar zijne vrouw en broeder te Brummen. Ofschoon zij

het eerst den 9den ontvingen, had hij den 11den 's avonds reeds twee

brieven van zijn vrouw ontvangen, waaruit bleek, dat zij het werk

toen reeds gelezen hadden en er hoog mee ingenomen waren. Aandoenlijk

is de brief, dien Dekker, toen Multatuli geworden, als antwoord

op den haren, den 11den November aan zijne vrouw schreef (1e dl.,

blz. 125). Op hare bewering, dat hij haar, in de persoon van Tine,

te veel geprezen had, antwoordde hij bijv.:

"Neen, neen, waarachtig niet, ik heb u niet in de hoogte

gestoken. Integendeel, je staat veel te veel op den achtergrond. Ik

heb mij dat al verweten, doch ik werd daartoe geleid omdat Max

hoofdpersoon blijven moet (om het doel van 't boek) en voorts dat ik

goed van mijzelf spreek heb ik u vroeger al uitgelegd."

En verder deze regelen, die de geschiedenis van den Max Havelaar

belangrijk toelichten:

"Het was mijn plan Jan te verzoeken naar Van Hasselt (de Br. R + die

met Dekker het eerst over De bruid daarboven had gecorrespondeerd)

en Van Lennep te gaan, of naar den eersten alleen, dan krijgt Van

Lennep het ook...

Maar nu het delicate punt. Als men komt met een boek met de vraag

"wil je dat afkoopen?" dat is chantage, afzetterij. Dat is dus de

bedoeling niet. Ik heb mijn boek geschreven met een dubbel doel:

namelijk verbetering van den boel in Indië, en herstel van mijne

positie. De zaak is dus niet dat ik zeg: geef mij zooveel of zooveel,

dan zwijg ik; want ik meen wat ik op het slot zeg. Ik zal strijden voor

die arme verdrukten, ik heb mij dat nu voor mijn roeping gekozen. De

vromen zouden zeggen dat de Heer mij daartoe dringt, daar hij mij

alle andere uitwegen afsloot.

Doch dat dubbele doel kan bereikt worden door samengaande maatregelen,

namelijk een hoogst-eervolle benoeming van mij met eene considerans dat

Z. M. mijne wijze van handelen approuveert, en die van het toenmalig

bestuur desavoueert. Dat is eene zedelijke triomf van 't principe, en

eene materieele zegepraal voor mij, die ik, God weet het, noodig heb.

Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen · 第 6 / 24 题