Willen zij met Jan samenzweren om mij dien dubbelen triomf te bezorgen,
goed. Doch er moet goed vermeden worden er op te doelen als of ik
voor mij alleen winst vraag. Want behalve dat dit onedel wezen zou,
komt hier nog bij dat ik meer winst behaal door mijn boek te laten
drukken. Jan kan aan Van Hasselt zeggen (niet als bedreiging maar
als eenvoudige waarheid) dat ik mijn boek in 't Fransch, Duitsch en
Engelsch vertalen zal. Als mijn oogen het toelieten was ik al begonnen.
Hoe het zij, ik vind goed dat Jan naar Van Hasselt gaat. Doch dit
staat vast, als Van Hasselt of Van Lennep niet willen of kunnen
bewerken, dat aan mijn dubbel verlangen koninklijk wordt voldaan,
dan zal het gedrukt worden, en als ik daartoe geen geld heb, dan zal
ik het afschrijven en rondzenden in manuscript. Doch in Frankrijk
zal ik de vertaling wel gedrukt kunnen krijgen, en in Duitschland ook."
Den 20sten November daaraanvolgende kende Dekker het oordeel van
Van Lennep over zijn werk, aan wien Van Hasselt het had gegeven. Hij
schrijft op dien datum:
"Maar nu ben ik in grooten tweestrijd wat ik doen moet. Jan namelijk
zendt mij f50, en stelt voor het boek aan Rochussen (den toenmaligen
minister van koloniën, opdat die de uitgave nog zou kunnen voorkomen)
te vertoonen. Van Lennep zegt: ik moet zoo dwaas niet zijn het voor
niet aan een boekverkooper te geven. Hij maakt zich sterk een prijs
te bedingen. Nu moet ik kiezen tusschen schrijven in Holland of eene
betrekking in Indië.
Zooals de zaken nu staan houd ik het er voor dat ik slaag in wat ik
ook kies.
Maar ik ben in vreeselijken tweestrijd.
Jan vraagt antwoord met ommegaande en ik kàn van avond niet
antwoorden. Ik wilde u zoo gaarne spreken. De schulden jagen mij naar
Indië, de kinderen houden mij in Europa. Je begrijpt de spanning.
Ik heb nagedacht. Ik hel over naar Rochussen, doch conditiën: