II. MULTATULI EN "DE MENSCHEN".

Nu wij de plaats omschreven hebben, welke Multatuli, naar onze

opvatting, als openbare persoonlijkheid in de beschavings-geschiedenis

van Nederland inneemt, rust, met groote duidelijkheid aangewezen,

de taak op ons, de compositie van het beeld dat wij begonnen zijn te

schetsen, te vervolledigen, door er de bijzondere trekken aan toe te

voegen, die Multatuli als mensch in het private leven kenmerkten. En

hiertoe bieden de Brieven het niet genoeg te waardeeren materiaal. Zoo

ergens, dan is bij Multatuli de privaat-mensch de aanvulling, de

wederhelft van de publieke persoon. Niet alleen om dat hij steeds

uit zijn omgeving, uit zijn eigen lotgevallen, uit zijn toevallige

omstandigheden en ontmoetingen op reis en te huis, bijna uitsluitend de

stof putte voor zijne artistieke fantasieën en wij dus de geschiedenis,

den oorsprong van zijn kunstwerk in zijn partikulier leven moeten

opsporen; maar ook om dat hij zelf nagenoeg zijn geheele partikuliere

leven, qua historie, qua belang inboezemende, verontwaardiging wekkende

lotgevallen, heeft gepubliceerd, maar niet altijd,--en hierop komt

het aan--met zooveel nauwkeurigheid en algeheele helderheid, dat

omtrent den waren aard zijner ondervindingen bij den lezer niets meer

in het duister bleef. Velen ongetwijfeld zullen pas in deze Brieven

de volkomen opheldering van zoo menigen geestelijken en stoffelijken

toestand in des schrijvers leven vinden, waarnaar zij in de heftige

uitlatingen der Ideën en andere geschriften te vergeefs hebben gezocht.

De vrouwen zijn voorzeker de zachtste, de liefste, de aangenaamste,

in vele gevallen de meest menschelijke, helft der menschheid. Het

is dus allerminst om de vrouwen van deze kategorie van wezens uit te

sluiten, indien wij, na Multatuli in zijne verhouding tot "de menschen"

beschouwd te hebben, gaarne een afzonderlijk hoofdstuk zouden wijden

aan Multatuli's verhouding tot "de vrouwen", en in verband met deze

verklaring moet dus wel de titel der hier aanvangende afdeeling

van dit opstel eene anticipatie schijnen op dien der volgende. Toch

zullen wij er ons op toeleggen dit slechts schijn te doen zijn. Want

het onderscheid moet zijn: dat wij nu Multatuli's bijzondere en

buitensporige persoonlijkheid in haar gevoelens en gedragingen ten

opzichte van de menschen in 't algemeen willen nagaan, om vervolgens

uitsluitend het bijzondere in die persoonlijkheid te overwegen,

dat haar eigen werd zoodra zij speciaal met vrouwen in kontact kwam.

Om een juist denkbeeld van Multatuli's karakter te krijgen, zoo als

het zich in zijn omgang met menschen, in zijn houding tegenover de

maatschappij, openbaarde, toen hij eenmaal een publiek persoon begon

te worden, moeten wij aanvangen met zijn karakter te beschouwen

zoo als het vóor dien tijd was, want het karakter heeft zich wel

niet veranderd, maar heeft zich uitgedijd, en, om zijn latere

ontwikkeling te begrijpen, moet men daarvan de oorzaken in de kiem

naspeuren. Multatuli's karakter, zoo als dat was vóór de verschijning

van zijn eerstuitgekomen werk, den Max Havelaar, heeft de houding

bepaald die de maatschappij, vertegenwoordigd door hare met hem in

betrekking staande leden, tegen hem aannam, en waarvan zijne, latere,

houding weêr de terugslag was.

Wie was Douwes Dekker vóór dat Multatuli bestond, wat voor een man

was die Douwes Dekker in de waardeering dergenen, die over hem te

oordeelen hadden,--ziedaar de vraag, waarvan de beantwoording het

gedrag der "menschen" jegens hem volkomen zal verklaren.

De waardeering, waarin Dekker bij de menschen, hier in 't bijzonder

zijne familieleden, bijv. zijn in de Brieven dikwijls genoemden

broeder Jan Dekker en zijn zwager Van Heeckeren van Waliën, stond,

had zich natuurlijk gevormd uit wat zij wisten van zijne handelingen

en gedachten, van de feiten zijns levens, van zijn gedrag als mensch,

ambtenaar, echtgenoot, huisvader.

Vóór het geweldige feit, het enorme fait accompli zijner

ontslagneming als Assistent-Resident te Lebak, had Dekker (naar uit

de Brieven blijkt) in zijne familie de reputatie van te zijn een

zeer begaafd man, maar tevens wat zonderling, wat heet-hoofdig,

en een slecht financier. Vóór Lebak reeds, lezen wij, waren de

financiëele omstandigheden der familie Douwes Dekker alles behalve

gunstig. Dekker had zelf van huis uit geen geld, hij was gehuwd met

eene onbemiddelde baronesse Van Wijnbergen, hij verdiende in 's lands

dienst wel betrekkelijk veel, maar de verteringen overtroffen steeds

de inkomsten, zoodat men links en rechts in schulden kwam.

In 1846 was Dekker gehuwd, in 1852 kwam hij met verlof naar Europa,

om in 1855 weder naar Indië terug te keeren. In die drie jaren

verloftijd, dus nog vóór zijn zenuwgestel door zijn ontslag en de

daardoor veroorzaakte ellende den grooten schok had gekregen, toonde

hij reeds, vooral in uitspannings-tijd, slecht met geldelijk beheer

overweg te kunnen; want niet alleen bij zijne vrienden, maar ook bij

zijne Wageningsche tantes, en zelfs bij den hôtelhouder Fuhri in

's-Gravenhage maakte hij schulden, die in 1856, het jaar van het

ontslag, nog lang niet aangezuiverd waren, want jaren later nog

"maakte", zooals de uitgeefster der Brieven het mededeelt, "Fuhri

het hem daarover lastig."

Al dat schulden maken wordt natuurlijk in 't algemeen verontschuldigd

door Dekker's stellige en zeer oprechte voornemens om het geleende

geld terug te geven, misschien wel met de rente er bij; het leenen

bij de tantes in 't bijzonder wordt vergoelijkt door het feit,

dat Dekker deze dames geregeld ondersteunde, zoodat hij niet ten

onrechte, maar wel wat weinig delikaat, later beweerde: het was zijn

eigen geld, dat hij van de tantes had geleend; doch het leenen van de

tantes komt aan den anderen kant weer in een minder fraai daglicht,

als men verneemt, dat die tantes zelve uiterst onbemiddeld waren, zoo

onbemiddeld, dat, ter beantwoording van verzoekschriften hunnerzijds,

prins Frederik hun eens vijftig gulden ten geschenke zond, terwijl zij

van het ministerie een gratificatie van zestig gulden ontvingen. De

schuld bij den hôtelhouder is van nog bedenkelijker aard, par ce qu'il

faut laver son linge sale en famille. (Want Dekker was toen nog niet

behoeftig, hij had zijn verlofstraktement).

Zóó was dus de toestand, toen, nadat Dekker 4 Jan. 1856 benoemd was

tot Assistent-Resident, de familie in de lente van dat jaar plotseling

verrast en verbaasd en, ja geërgerd werd door het bericht, dat hij,

in wiens promotie zij zich waarschijnlijk juist zeer verheugde, op 4

April van die hooge positie had afstand gedaan en uit die lukratieve

betrekking zijn ontslag had genomen. Waarom, dus vroeg men zich in

ontsteltenis af, waarom heeft hij dat gedaan? Was het om elders in

nog betere betrekking te komen, was het om op andere wijze, door het

beginnen eener partikuliere onderneming, zijne levensomstandigheden en

die van zijn gezin nog meer te verbeteren, was het wegens onvermogen,

wegens ziekte? Niets van dat alles. Toen dus de familie de reden

vernam, kon zij, die natuurlijk naar de algemeen in de maatschappij

gangbare begrippen oordeelde, er onmogelijk iets anders van vinden,

dan dat hij, die zoo handelde, rijp was voor de gevangenis of voor het

krankzinnigen-gesticht. Want wát was er gebeurd, wat was de aanleiding

geweest, die Dekker tot dezen stap had gebracht? Hij had eene berisping

van hooger hand ontvangen over Dienstzaken en, meenende zijn plicht

te hebben gedaan, meenende dat zijne superieuren ongelijk hadden en

niet hij, meenende dus dat men een andere wijze van dienen van hem

verlangde dan hij met zijn plichtsbesef kon overeenbrengen, had hij

voor deze moeilijkheid geen andere oplossing geweten dan eenvoudig

uit den Dienst te treden.

Hij had berisping ontvangen en daarom zijne demissie genomen. De

familie, die wij steeds noemen als vertegenwoordigster der

maatschappij, kon niet anders denken, dan dat Eduard dit uit gekrenkten

trots had gedaan, dat hij, gekrenkt in zijn trots, daarom zich zelf

en zijn vrouw en kinderen tot armoede had gebracht, in het ongeluk

had gestort. Zij kon niet anders denken om drie redenen: ten eerste

zoude zij, als bestaande uit gewone menschen, zich niet hebben kunnen

indenken in den geestestoestand van iemand, die het plichtsbesef op

zulk een eigenaardige heroïeke manier opvatte; ten tweede, al zoude

zij geweten hebben, dat nog heden ten dage individuën met zulke

buitensporige begrippen worden gevonden, had zij toch geen enkelen

grond om te veronderstellen, dat hun familielid Eduard Douwes Dekker,

dien zij wèl echter als zeer hoogmoedig kenden, tot dit slag fanatici

zou behooren; ten derde, al waren zij zich bewust geweest van het

bestaan dezer soort plichtsopvatting en al hadden zij daarbij geweten,

dat die bestond in den geest van Eduard, dan zouden zij toch nog van

meening zijn geweest, dat die plichtsopvatting zich in een geheel ander

gedrag kon uiten dan in het zijne en tot geheel andere handelingen

leiden dan die, welke zij, met leede oogen, hem zagen bedrijven.

Gegeven--dus hooren wij de menschen, zoo de derde der genoemde

beschouwingen de hunne was, redeneeren--gegeven aan den eenen kant,

dat de bevolking van Lebak verkeerd werd behandeld, zoowel tot haar

ongeluk als tot nadeel van Nederland, dat de assistent-resident

dat merkt, dat hij die verkeerde behandeling tracht tegen te gaan,

en over dat trachten berispt wordt van hooger hand in plaats van

aangemoedigd; gegeven aan den anderen kant, dat hij het tegengaan

der verkeerde behandeling, als zijnde plicht, zijn hoogste levenswet

acht, dat hij dus om zijn eenen plicht te volbrengen, zijn anderen

plicht--het gehoorzamen aan zijn meerderen,--zoude moeten verzaken,

dan blijft hem, ook volgens de strengste kasuïstische redeneering,

nog een vierde weg open, behalve de derde (het ontslagnemen), nog

een vierde weg om uit dit dilemma te geraken, de weg dien niet alleen

bijna alle menschen in het gewone leven bewandelen, maar die ook door

buitengewone, dweepzieke personen in zeer bijzondere gevallen, dikwijls

wordt ingeslagen: de weg van het schipperen, van het geven-en-nemen.

Want--en hierop komt het aan ter waardeering van Dekker's daad,

en hierom kunnen wij de menschen, die zoo oordeelen, niet geheel

ongelijk geven, en in verband hiermede gelooven ook wij dat de

trotschheid wel deugdelijk in het spel is geweest en het zijne er toe

bijdroeg om hier het woord plicht zoo eigenaardig te interpreteeren

(en wij kunnen dit des te eerder doen, daar trotschheid in iemand die

later blijkt zoo eene schoone ziel te hebben, niet afkeurenswaardig,

of althans, naast de groote gewrochte dingen, de moeite der afkeuring

niet waard is),--want, zeggen we, we hebben hier niet te doen met zulk

een lijnrecht afgebakende vraag van plicht of geen plicht, van deugd of

zonde, als waarop, bij voorbeeld, in tijden van godsdienstvervolging,

de Roomsche of de Calvinistische geloovigen te beslissen hadden en

waaraan zich die van dood of leven onmiddellijk verbond.

De Roomschen, die wij als voorbeeld nemen, moesten hun geloof afzweren

door het plechtig zeggen van eenige woorden; het uitspreken dier

formule was, dus leerde de Paus: de zonde, het volstrekt zondige; de

Calvinisten moesten hun geloof afzweren, het uitspreken der formule

was, dus leerde Calvijn: het volstrekt zondige. Er was hier dus, even

als bij alle bekentenissen op de pijnbank, een nauwkeurig afgeperkte

daad te verrichten of na te laten. Hem, die het deed, wachtte, na

een leven van wroeging, de eeuwige verdoemenis; hem, die het naliet,

wachtte, onmiddellijk, de eeuwige gelukzaligheid. De geheele zaak, de

daad en het doel, bepaalde zich dus tot het uitspreken of verzwijgen

van eenige woorden.

In Dekker's geval was dat anders. Hij had geen bepaalde daad te

verrichten, die de stem van het geweten verbood. Hij had zijn gedrag

alleen een weinig te wijzigen, om niet alleen zijn vrouw en kinderen

zoo gelukkig te doen blijven als zij waren, maar om tevens,--wat voor

hem dan de hoofdzaak zoude geweest zijn--zijn zaak beter te dienen,

zijn doel beter te bereiken, dat, door het nemen van zijn ontslag,

geheel voor hem verloren ging. Want hij was toen nog niet van plan

de zaak van Indië door openbare geschriften te bepleiten, en, ware

hij op zijn post gebleven, dan zoude hij, wat hij toch onmiddellijk

voorzien kon, de belangen van Nederlanders en Inlanders niet alleen

hebben kunnen blijven bevorderen, maar tevens zou hij, ware de gedachte

ook in dat geval bij hem opgekomen, door boeken en artikelen, aan de

bevordering dier belangen eene meer algemeene uitgebreidheid hebben

kunnen geven.

Het geval van Multatuli is het best te vergelijken met het geval van

een menschlievend schoolmeester. Veronderstelt dat een onderwijzer

op een armenschool, behalve dat hij de wettelijke voorschriften

ten opzichte der kinderen volbrengt, dien kinderen tevens voedsel

verstrekt voor zijn eigen rekening, hiervoor een gedeelte van zijn

traktement gebruikende. Veronderstelt voorts, dat een lid der bevoegde

autoriteit, het gemeentebestuur of de schoolcommissie, den onderwijzer

aanschrijft daarmede niet voort te gaan door eene, het doet er niet

toe welke, administratieve konsideratie hiertoe gebracht. Moet nu

die onderwijzer, van meening zijnde, dat de kinderen van Staatswege

zouden moeten worden gevoed, en dat hij in elk geval geheel vrij moest

gelaten worden om ze voor zijne rekening te voeden, van meening zijnde,

dat de plicht der menschlievendheid hem die voeding gebiedt,--moet nu

die onderwijzer zijn ontslag nemen en zeggen: anders dienen dan ik

thans dien kan ik niet, zoo doende zijn traktement verliezend, zijn

familie ongelukkig makende, en de kinderen aan de behandelingen van

zijn opvolger blootstellend, die jegens hen wellicht een veel minder

zacht gedrag in praktijk zal brengen dan in het onthouden der niet

voorgeschreven voeding bestaat? Of moet hij op zijn post blijven en

langs een anderen, minder met de inzichten der autoriteiten strijdenden

weg, het harde leven voor de kinderen wat zoeken te verzachten?

Wij wenschen met deze overwegingen te betoogen de redelijkheid van het

oordeel der maatschappij over Multatuli's daad. En daar wij gaarne

het gebeuren van zooveel mogelijk heldenmoedige daden aannemen, om

het genot te kunnen hebben die te bewonderen, willen wij gelooven, wat

niet absoluut zeker is, want hij was zeer opgewonden--dat Multatuli,

op het oogenblik zijner ontslagneming, wist, dat hij zich daardoor

in het ongeluk stortte. Wij erkennen, dat zijn daad dán heldenmoedig

was, maar wij betoogen daarbij, dat die heldenmoedige daad, evenals

die van Van Speyk, voortkwam uit trots, en geenszins uit plichtsbesef

of menschenliefde.

"De menschen", en natuurlijk zijn familieleden in de eerste plaats,

waren dus--wij herhalen: ook om dat niets nog deed vermoeden dat in den

naar hunne meening dwazen Douwes Dekker de later te ontluiken auteur

Multatuli school--ten hoogste ontstemd tegen den man, die, na eerst

eenigen tijd te Batavia te hebben vertoefd, nu, in het voorjaar van

1857, per landmail over Singapore, Ceylon, Suez, Kaïro en Marseille,

naar Europa kwam om ... ja, waarom eigenlijk, waarom anders dan om

als een avonturier rond te zwerven en hun allerwaarschijnlijkst per

slot van rekening nog tot overlast te worden, terwijl hij zijn in

gezegende-omstandigheden verkeerende vrouw en zijn zoontje te Rembang,

op het goed van zijn broeder Jan, had achtergelaten.

Het gedrag van Dekker, van zijne aankomst te Marseille af tot zijn

verblijf in Brussel, waar hij een paar jaar later den Max Havelaar

schreef, toe, was in alle opzichten dat van een losbandig levend

avonturier, en niemand, die niet in zijne ziel kon lezen, dus

letterlijk niemand, kon hem bij mogelijkheid voor iets anders houden.

In plaats van naar zijne familie te reizen, eene betrekking te

zoeken, desnoods, in afwachting van beter, winkelbediende te worden

(wat ook de familie voor iemand, waarvan zij--wij kunnen dit niet

genoeg herhalen--hoegenaamd niet wist dat er een kunstenaar in stak,

beter zou gevonden hebben dan het leven dat hij verkoos te leiden)

begon hij door Europa te zwerven en schijnt ook nogal eens--men houde

ons de details ten goede, die uit de Brieven zijn geput en waarvan

de vermelding noodzakelijk is om een juist en volledig beeld van den

toestand te krijgen--publieke-huizen bezocht te hebben. Althans uit

een bordeel "kocht" hij in dien tijd, zekere Eugenie "los", een vrouw,

die,--naar de naïeve mededeelingen van de uitgeefster der Brieven,

dl. I, blz. 43--"noch zeer jong, noch zeer schoon, maar fatsoenlijk in

voorkomen en manieren," buitendien "eenvoudig, bescheiden en zacht"

was, terwijl Dekker haar "lief" en Eugenie zelf het "een ramp" vond,

dat zij in dat huis "gebonden" was.

Met deze vrouw reisde Dekker, in den zomer van 1857 (terwijl zijne

vrouw steeds in Indië bij zijn broeder logeerde) tot Straatsburg,

waar zij scheidden, hij, om verder Duitschland in te reizen, zij om in

Fransch land te blijven, waar zij meende, "als française, meer kans

te hebben om een eerbaar middel van bestaan te vinden". Om haar het

bereiken van dit doel gemakkelijk te maken, gaf Dekker haar geld. De

uitgeefster der Brieven gist, in verband met zijn gewone royaliteit,

een "vrij aanzienlijke som" (van het geld, dat waarschijnlijk zijn

broeder Jan hem had voorgeschoten om in Europa een positie te zoeken).

Nu was Dekker's geld-voorraad zeer verminderd en, tweede stadium der

reis door Europa, een tamelijk natuurlijk gevolg van het eerste,

hij reisde naar Homburg, om daar aan de speelbank zijn fortuin te

beproeven. De uitgeefster der Brieven zegt er van:

"Multatuli heeft zijn millioenen-studien geschreven, en noemt daarin

de kansrekening zijn lievelingsstudie. Wie dat boek lazen weten dat dit

zoo was. (Ongetwijfeld, als het er in staat.) Hoe juichend begroet hij

daarin de "simple chance" en de "logos, vol van waarachtigheid." Er was

verband tusschen de kansrekening, zijn millioenen-studien, zijn hooge

droomen vol ongemeten eerzucht, zijn "rekenen en mijmeren" waarvan

hij zoo dikwijls sprak, en zijn verder reizen naar Duitschland,

naar Homburg. Ook het oogenblik drong hem. Nog in het bezit van

een weinig geld, maar zonder uitzicht op verdere inkomsten, zag

hij het afzichtelijke fantoom "geldgebrek" dreigend naderen... Nog

had hij genoeg, nog was het tijd om een kans te wagen, en wie weet,

als nu... In 't kort, hij ging naar de speelbank! Maar hij verloor

daar wat hij had, zoo zelfs, dat hij een of twee dagen later zijn

logementsrekening niet kon voldoen. De hôtelhouder maakte het hem

lastig, en door nood gedreven telegrafeerde hij naar Straatsburg,

evenwel vreezende dat Eugenie van daar vertrokken zou zijn, of althans

dat zij haar geld besteed had. Maar neen. Den ochtend na zijn telegram

stond zij voor hem. Zij had nog geen uitgaven van belang gedaan, en

bracht hem nagenoeg al het geld dat hij haar gegeven had, terug. Met

ingenomenheid kon hij in later jaren vertellen, hoe fier zij den

lastigen logementhouder haar bankjes had toegeworpen met een kort:

"payez-vous!""

Nu willen wij niet in eene te uitvoerige appreciatie van deze

lotgevallen en handelingen treden. Zoo als zij hier vermeld staan

vernemen de lezers ze op minstens even partijdige wijze voorgesteld,

als de interpretatie dezer zaken door Dekkers familie partijdig

was in tegenovergestelden zin. Het is alleen eene zeer beminnelijke

vooringenomenheid die in al dit gedoe iets anders kan zien dan de lang

niet buitengewone of fijne gebeurtenissen, die een Welt-Umbummler, een

Globetrotter, een kosmopolitisch avonturier, zoo al kunnen overkomen.

Wij, hedendaagsche lezers, wij de bewonderaars van Multatuli's werken,

wij die in Multatuli den man van prachtigen artistieken aanleg, van

grooten hartstocht en ongemeen talent eeren, wij vinden het thans,--al

naar mate wij alleen nieuwsgierig, of fatsoenlijk maatschappelijk,

of zelf eenigszins meer artiestachtig gestemd zijn,--belangrijk,

betreurenswaardig of aardig, dat een gedeelte der biografie van onzen

grooten schrijver aldus gekleurd is, wij vinden deze dingen interessant

om dat zij plaats hadden met den man, die later de schrijver Multatuli

werd, even zoo als wij er ons voor zouden interesseeren of hij

's ochtends bij zijn boterham een gekookt of wel een gebakken ei

pleegde te nuttigen; maar wij kunnen die avonturen op zich zelf niet

belangrijk vinden, en--hiermede passen deze zaken in ons betoog--dat

de familie in Holland, wie alleen de brute mededeeling der feiten ter

oore kwam, het zeer schandelijk vond, dat deze echtgenoot en vader met

publieke vrouwen door Europa rondreisde, het geld dat hij gekregen

had om voor zich en zijn gezin eene broodwinning op te sporen, in

bordeelen en aan speelbanken verkwanselde en voortging het type van

"lastig logementhouder" tot een stereotiepe figuur in zijn leven

te maken,--welnu, wie is er, die dit gevoelen der familie niet zeer

natuurlijk zal achten?

Mevrouw Dekker, de uitgeefster der Brieven, verhaalt, zeiden we,

deze dingen op partijdige wijze. Niet dat zij de feiten onnauwkeurig

opgeeft, maar in den heelen toon van het verhaal is de stem der liefde

waar te nemen, voor wier schoone blindheid wij den meesten eerbied

gevoelen, maar omtrent wie wij, in een historische beschouwing als

deze, ons niet gerechtigd achten te verzwijgen, dat zij in hooge

mate de, aan de liefde trouwens inherente, eigenschap bezit van ook

de minste handelingen der geliefden voor edele en groote daden te

houden, en te meenen, dat de groote en edele geliefde, die onverdiend

ongelukkig is, nu ook, als ware het door de natuur met opzet zoo er

op toegelegd, steeds in aanraking zal komen met andere ongelukkigen,

die zoo al niet groot dan toch óók edel zijn.

Wij zullen, om den wille der waarheid, eenige nuchtere opmerkingen

wagen aan te voeren, die de feiten in kwestie tot hun zuivere

anekdoten-waarde zullen terugbrengen. In de wereld van speelbanken,

bordeelen, en wat dies meer zij, is de uitgeefster der Brieven

natuurlijk eene vreemdelinge, en al zoude zij, langs den weg der

philanthropie, misschien wel met gevallen-vrouwen in gevangenissen of

elders hebben gesproken, dan toch zoude zij van den waren aard der

bordeelen-wereld niet op de hoogte zijn gebracht. Er zijn gevallen

bekend van geestelijke zusters, die tien jaar en langer vrouwelijke

gevangenen hebben bediend, waarbij eene menigte brutale vrouwspersonen,

die zich niet terughielden alles uit te schreeuwen wat hun in 't

hoofd opkwam; en tóch hadden de zusters, in al dien tijd, van den

eigenlijken aard der toestanden, waaruit het verleden dier vrouwen

bestond, niets begrepen.

De korte zin dezer lange rede moet de bewering wezen, dat in Dekker's

gedrag, en ook in Eugenie's gedrag, niets bijzonders gevonden

wordt. Dat een leeglooper, die zijne betrekking is kwijtgeraakt,

zijn gezin in Indië achterlaat, in Europa "en garçon" uitstapjes

maakt, publieke huizen bezoekt, en, toevallig veel geld op zak

hebbende, een vrouw, die hem bevalt, uit een bordeel medeneemt,

na hare schuld in dat etablissement te hebben betaald, om met haar

verder te reizen,--hierin is niets bijzonders, hoegenaamd niet. Menig

gezeten burger, thans huisvader en kapitalist vol respektabiliteit,

zal zich uit zijn jeugd, toen hij de periode onder het devies "il

faut que jeunesse se passe" doormaakte, uit eigen ondervinding of van

hooren zeggen dergelijke gevallen herinneren. Ons is iemand bekend,

in wiens studenten-vriendenkring alleen reeds, eertijds drie zulke

"loskoopingen" hebben plaats gehad.

Dat een avonturen-jager in de grensstad van haar land afscheid neemt

van zijne tijdelijke "mentinee," zooals het plat-Amsterdamsche woord

luidt, dat hij, bepaald eene "toquade" voor die vrouw hebbende en,

gewoon hoe kaler hij is hoe royaler met geld om te springen, haar een

flinken duit als afscheidsgeschenk medegeeft, met de typische vermaning

nu in 't vervolg op het goede pad te blijven,--dit is wederom eene

gebeurtenis, in de annalen der Bohême en der demi-monde zoo frequent

voorkomend als het maar mogelijk is.

Dat iemand, die in goeden doen is geweest en nu op weg naar

"lager wal", zich aftobt om een snelwerkend middel te vinden, dat

zijn fortuin herstellen zal, bezoeker van de speelbank wordt en de

kansrekening zijn lievelingsstudie noemt,--wij zouden haast vragen:

kan het alledaagscher? De kansrekening, het ploeteren in "systemen",

die onvermijdelijk doen winnen, is de voortdurende bezigheid der

stamgasten van speelbanken. Wie, die ooit de speelzalen in Spa of

Monte-Carlo bezocht, heeft ze niet gezien, de bleeke, reeds bejaarde

vrouwen in donkere kleêren, de magere mannen in versleten plunje, die

echter van goeden kom-af nog getuigt,--of wel pas (na een avond van

winst) in een al te nieuw kostuum gestoken, waarvan de weelderigheid

schrille tegenstelling vormt met hun vervallen gelaatstrekken,

waarin de oogen koortsig gloeien? Wie heeft ze niet zien turen en

mijmeren, en, met zenuwachtige bewegingen, op het vel papier of in hun

zakboekje notities schrijvend en berekeningen makend? Elken dag ziet

men er andere, er zijn er te veel dan dat men ze ook maar zou kunnen

onthouden. (Wij herinneren er nogmaals aan: De millioenen-studiën zijn

een fraai boek; uit het minste en geringste uit Douwes Dekker's leven,

zou de kunstenaar Multatuli later iets schoons weten te distilleeren).

En wat nu aangaat Eugenie (hoe men al niet tot den rang van historisch

persoon verheven kan raken!):

Dat een publieke vrouw noch zeer jong noch zeer schoon is, aan zekere

mannen voorkomt lief te zijn, en zich eenvoudig, bescheiden en zacht,

fatsoenlijk in uiterlijk en manieren weet voor te doen,--heeft zij

gemeen met de groote meerderheid van, dat zij het ellendig vindt in

een bordeel gebonden zijn, heeft zij gemeen met voor zoover bekend

is álle hare beroepsgenooten.

Oppervlakkig zoude men zeggen--alle fatsoenlijke vrouwen zullen dit

dus zeggen--dat de meeste publieke vrouwen, door den afschuwelijken

en betreurenswaardigen toestand van verval waarin hun moreele smaak

verkeert, zoo veranderd zijn, dat zij zich heerlijk tehuis gevoelen in

het kermis-paleis voor beestachtige vermakelijkheden, dat het bordeel

voor hen is; voorts, dat eene vrouw, die eenmaal zich in een bordeel is

gaan vestigen, te diep gezonken is om eenvoudig, bescheiden en zacht en

fatsoenlijk in voorkomen en manieren te zijn. Toch moet dit beslist

ontkend worden. Het is alleen eene konventioneele, oppervlakkige

notie van deze personen en zaken, die de oorsprong dezer meening wezen

kan. Ten huize van een onzer bekenden, een deftig en hoogst ingetogen

levend gezin, is twee jaar lang een werkmeid in dienst geweest,--die,

uit eene andere stad, door een misverstand van personenverwisseling

bij het nemen van informaties, in dien dienst was gekomen--en die

bijzonder in de gunst stond van hare meesteres, welke laatste aan

hare kennissen steeds te vertellen had, dat zij nog nooit met zulk

eene in alle opzichten fatsoenlijke en aanbevelenswaardige dienstbode

te doen had gehad: en deze werkmeid bleek later de vijftien aan de

twee voorafgaande jaren als publieke vrouw in bordeelen te hebben

doorgebracht. En dit is een voorbeeld uit vele.

Doch, om op de ontleding van Dekker's avontuur terug te komen: Dat

een publieke vrouw zich zoo edelmoedig gedraagt als Eugenie deed

toen zij, op Dekker's telegram, naar Homburg kwam om hem het geld,

dat hij haar gegeven had, en dat zij naar alle waarschijnlijkheid zelf

best gebruiken kon, terug te geven, nu hij zelf in verlegenheid was,

schijnt zeker een nog zeldzamer verschijnsel. Ongetwijfeld komen daden

als deze ook niet zoo veelvuldig voor. Psychologisch echter is dit

feit niet van belang, daar de karakter-eigenschap, waar de handeling

uit voortkwam, de goedhartigheid namelijk, de edelmoedigheid, den

meesten publieken vrouwen eigen is. Leden der hoogere maatschappelijke

standen weten dat zoo niet; onder het volk echter is de goedhartigheid

en hulpvaardigheid van publieke vrouwen spreekwoordelijk bekend.

Wat nu,--om met deze opmerking de paragraaf over het tweede stadium van

Dekker's reis te besluiten--het toewerpen der bankpapieren betreft,

waarmede Eugenie den hôtelhouder betaalde, wij kunnen dit met Dekker

niet "fier", en zoo heel fatsoenlijk evenmin, vinden. Deze handeling

lijkt ons meer "aanstellerig" dan koninklijk. Ook dat mevrouw Dekker

hôtelhouders, die eenvoudig bij, hun onbekende, gasten op de betaling

der achterstallige rekening aandringen, telkens "lastig" noemt op

eene wijze, alsof zij over bedeljongens sprak, die den voorbijganger

hun lucifers te koop opdringen, achten wij een weinig te studentikoos

voor eene eerwaardige dame, die optreedt als uitgeefster der brieven

van een groot auteur.

Het derde stadium van Dekker's reis bestaat uit zijn tocht naar Brussel

in het najaar van 1857 en zijn verblijf aldaar tot den volgenden

zomer in een kleine herberg, den Prince Belge genaamd, waar hij zeven

maanden den kost schuldig bleef, nu hij geheel van geldelijke middelen

verstoken was. Ook dit gedeelte zijner lotgevallen past geheel in de

loopbaan van een avonturier. "Eerst zijn geld opmaken met publieke

vrouwen en aan speelbanken, daarna, als het geld op is, ergens in een

kleine herberg blijven hangen en teren op den zak van den goedhartigen

waard,--er ontbreekt niets meer aan"--onmogelijk kon de familie in

Holland er anders over denken dan in deze woorden is uitgedrukt.

Het is zeer jammer, dat mevrouw Dekker uit dezen tijd geen brieven

heeft gepubliceerd, daar die ons verklaard zouden hebben waarom Dekker

niet naar Holland ging en waarom hij niet voortging te trachten het

doel, waarmee hij in Europa gekomen was, te bereiken.

Zoo nu, als wij hier beschreven hebben, ging Dekker voort zich te

gedragen tot het najaar van 1859, steeds niets van zijn hoogere gaven

openbarend en zonderling levend, tot voortdurende ergernis der familie.

In Januari 1859 schreef hij, van den Prince Belge uit, zijn brief

aan den Gouverneur-Generaal in ruste, eindigend met de woorden:

"Het verzoek, dat ik Uwer Exc. te doen heb, is dit: de herhaling

mijner bede om dezen brief en de daarbij gevoegde stukken aandachtig te

lezen, en mij wel te willen antwoorden op de vraag of Uwe Exc. daarin

niet aanleiding vindt mij te ondersteunen in de pogingen die ik wil

aanwenden om op de meest eervolle wijze weder te mogen intreden in

Nederlandsch-Indischen dienst.

Multatuli: Multatuli en Mr. J van Lennep; Multatuli en de Vrouwen · 第 5 / 24 题