Opeens riep de uitkijk in den mast: "Zes zeilen vooruit!"

De bevelhebbers wapenden zich met hunne kijkers en Heer Johan van Dam

was de eerste, die zeide: "Dat zijn zes Portugeesche karveelen, die

gereed liggen om te vertrekken!"

Zes karveelen! En wij waren met ons tweeën!

Geen wonder, dat bij velen de moed in de schoenen zonk, en dat er

algemeen gemompeld werd, maar te vertrekken en de hoofdvloot weer op te

zoeken.

"Hoort eens, jongens," dus begon nu Admiraal Truytman, "wij zijn hier

niet gekomen om uit de verte een kijkje te nemen en dan weg te loopen.

Dan zouden de Portugeezen ons met de vingers nawijzen en tot de

Makassaren zeggen: "Ziet gij wel, dat wij gelijk hebben gehad en dat de

Hollanders laffe zeeschuimers zijn, die het dadelijk op een loopen

zetten, als er gevaar van klappen deelen is?" Neen, mannen, we moeten

toonen, dat we geene lafaards zijn, maar kerels, die durven, als het er

op aankomt. Ze gaan hunne tegenstanders niet eerst tellen om nauwkeurig

te becijferen of de kansen wel gelijk staan; ze laten Chineezen tellen,

die houden ervan, maar inplaats van te gaan cijferen, vallen ze aan!"

"Niemand zal mij ooit van lafhartigheid beschuldigen," sprak nu de

Kapitein van de "Breukelen", die met eenigen zijner Officieren bij ons

aanboord was, "maar ik zou den Admiraal toch wel willen vragen, hoe er

eenige mogelijkheid bestaat, dat wij er niet slecht afkomen?"

"Wel, Kapitein, dat wil ik niet alleen u, maar allen zeggen. Die

karveelen zijn zwaar geladen en log gebouwd, zoodat ze zich heel

moeielijk bewegen kunnen. De "Mars" is een vlug schip, en de

"Breukelen" ligt als eene veêr op het water. Wat we in talrijkheid

verliezen, dat winnen we meer dan dubbel uit door de vlugheid van onze

bewegingen."

"Toegegeven, Admiraal! Maar zullen de kanonnen van het Portugeesche

kwartier ons niet deerlijk toetakelen? En zullen de Makassaren niet

wakker mede helpen? Na al wat ik er van gezien en gehoord heb, zijn ze

daartoe wel gedwongen. De overmacht wordt dus zóó groot, dat ik vragen

durf: Zijn wij wel lafaards, als we nu toch eerst eens gaan tellen?"

Op deze laatste vraag van den Kapitein zeide Heer Johan van Dam, die

werkelijk een man is, die durft: "Kapitein, ik ken die van Makassar een

weinig, want ik kwam er menigmaal mede in aanraking. En als ik nu

ronduit zeggen moet, wat ik denk, dan is het dit: Ik houd het er voor,

dat de Koning van Makassar stilletjes toekijken zal om te zien hoe de

zaak afloopt. Met een oud Hollandsch spreekwoord gezegd: De slimmerd zal

heel eenvoudig de kat uit den boom kijken."

"En wat de kanonnen van het Portugeesche kwartier betreft, ook daarvoor

ben ik zoo bang niet," hernam Admiraal Truytman op geruststellenden

toon, "wij overrompelen de luiden, en bij den vijand zal alles wel niet

tot eene onverwachte verdediging gereed zijn. Vooral hier niet, waar ze

meenen volkomen veilig te zijn. Ik ben dus voor een' flinken aanval, en

gelukt het ons, de karveelen te overwinnen, wie weet welk een' rijken

buit wij dan vinden, want hoogstwaarschijnlijk komen zij van Macao en

liggen ze gereed om naar Goa te vertrekken. Ziet, ziet, ze maken al

aanstalten om ons te ontwijken!"

"Dan er maar op los!" riep de Kapitein van de "Breukelen" nu

uit. "En hoe eer hoe liever!"

"Toch zullen we genoodzaakt zijn den volgenden dag af te wachten,"

zeide de Admiraal. "Zoo op het oogenblik valt de nacht in en het

vaarwater is hier voor ons onveilig, omdat we er nog geene kaarten van

hebben. Als we omhoog kwamen te zitten, waren we verloren. In de vrije

vaart moet onze kracht liggen."

"Maar als die schoone buit ons nu van nacht ontsnapt," liet een der

Officieren zich ontvallen.

"Hiervoor kunnen wij zorgen, man," antwoordde Truytman. "Als ze

ontvluchten willen, moeten ze hier voorbij, en zoo donker is de nacht

niet, of we zullen dat zien!"

Algemeen begreep men, dat de Admiraal den besten voorslag deed, die

gedaan kon worden en daarom besloot men dien aan te nemen.

Er kwam dien nacht natuurlijk niet veel van slapen. Iedereen was in de

weer en nauwelijks begon het licht der starren wat te verbleeken, of men

riep al het volk op het dek bij elkander tot het gebed. Dit gebeurde ook

op de "Breukelen", dat zagen we, want we lagen zóó dicht bij

elkander, dat we zonder te schreeuwen heel gemakkelijk met elkander

spreken konden.

Na alzoo in den gebede moed verzameld te hebben, begaf ieder zich op

zijn' post en de morgenschemering was pas begonnen of de Admiraal gaf

het teeken tot den aanval.

Zoodra men de karveelen genoeg genaderd was, zeide de Admiraal tot de

lieden, die het geschut bedienden: "Mannen, wenscht den luiden op die

logge karveelen eens zoo hartelijk mogelijk met een paar flinke kogels,

op Oud-Hollandsche manier, goeden morgen! Vuur!"

Wat de uitwerking van dien barren morgengroet was, kon niemand

ontdekken; want de rook van de laag aan stuurboord was nog niet eens

opgetrokken of de laag van bakboordszijde werd dadelijk daarop

losgebrand. De "Mars" had zich als een vogel zoo vlug gewend. Het is

een prachtig schip, die "Mars". Men kan er mede doen wat men wil.

Ook de "Breukelen" had ons voorbeeld gevolgd.

Maar opeens zagen we verscheidene lichten op de karveelen; spaanders

vlogen van de masten; het water werd door zware, ronde dingen, waarvan

ik je den naam niet behoef te zeggen, felbruisend doorploegd en een

vreeselijk gedreun volgde.

"Ei, de Dom is wakker," riep Truytman. "Houdt hem aan de praat,

mannen! Vuur!"

Ik stond bij den grooten mast te midden van mijne medicamenten en

verbandmiddelen, en ik wil eerlijk bekennen, dat ik niet erg op mijn

gemak was. Ik heb ook nog nooit een echt zeegevecht bijgewoond, want in

de Oostzee was het kloppen juist gedaan toen ik er aankwam, en zou het

weer beginnen toen ik vertrok. Wat ik dus van zeegevechten wist, had ik

van aanhooren, zelf wist ik er niets van, maar nu ben ik door de wol

geverfd en weet ik het. Als men er maar eenmaal door heen is, dan valt

het nog al mee. Maar het duurt nog al een poosje eer men zoo ver is, ten

minste bij mij was dat het geval. Nog nooit had ik zulk een leven

gehoord, dat wil ik wel zeggen. Van met elkander eens een woordje

spreken, geene sprake van. Een had een kogel in zijne borst gekregen en

toen ze hem bij me brachten, zei de arme kerel: "Dat is mijn dood,

Meester!" Ik verstond hem niet goed en vroeg: "Wat? Vraag je om brood?

Vraag liever om troost der armen!" Toen zette de man de hand voor zijne

mond en schreeuwde: "Ik ga dood!" -- De stumperd! Het roepen was boven

zijne krachten geweest want oogenblikkelijk was hij dood ook. Ik zag dat

alles heel kalm aan en om de waarheid te zeggen, ik begreep mezelven

niet. Dat kwam zeker van de kruitlucht. Ik stond al gereed om ook eens

even een kanon te helpen afsteken, toen er opeens een vreeselijk

gerinkinkel bij me gehoord werd.

Eilacie! Een kogel was dwars door mijne medicamenten gevlogen en had al

mijne potten met troost der armen en borreborrie aan gruizels gesmeten.

Aan een gat op het dek kon ik zien, dat die leelijke kogel tusschen

mijne voeten doorgevlogen was. Ik stond te kijken als een haan voor eene

krijtstreep en zei tot mijzelven: "Meester Pruymius hoe is het mogelijk,

dat door zulk eene nauwe opening nog zoo'n baas van een' kogel kan! Pas

maar op, anders heeft de Admiraal straks geen lijfarts meer. Zoek een

beter plaatsje, maat!"

Dat was een verstandige raad, dien ik mijzelven gaf en daarom maakte ik

maar dadelijk aanstalten om mijne flesschen wonderwater en overgebleven

brokken "troost" naar beneden te brengen, toen men juist met een'

matroos kwam aandragen.

"De tweede, Meester," zeide men.

Men legde den gekwetste bij me neer! Deze deed even de oogen open,

stamelde nog flauw: "Dag, Moeder!" en, de arme jongen was dood. Hij had

een' matten kogel tegen de hartstreek gekregen, en dat had hem den dood

gedaan.

Ondertusschen nam het kanongebulder nog in hevigheid toe.

"Daar komt de Portugeesche Admiraal op ons af," klonk het hier, daar en

overal. "Het is niet te houden!"

"Vluchten! Vluchten!" schreeuwde de kok.

"Men voert ons naar de slachtbank!" bulkte de koksmaat.

"Heer Admiraal, de overmacht is werkelijk toch te groot," zeide een

Officier.

Zoo verhieven zich van alle kanten stemmen van luî, die liever aan een'

schotel opgewarmde spinazie zaten, doch de meesten hielden zich cordaat

en bleven pal staan. Dat kwam misschien wel, omdat Admiraal Truytman

zulk een goed voorbeeld op de "Breukelen" gaf, want Sinjeur van Dam

riep nu: "Vluchten? Nooit! Vuur! Vuur!" en hij stak zelf een

kanon af.

Ondertusschen kwam de Portugeesche Bevelhebber, die heel wat mans was,

onze beide schepen al dichter en dichter bij.

"Vuur!" hoorde ik Admiraal Truytman door zijn' roeper schreeuwen en

"Vuur!" riep Sinjeur van Dam.

De konstabels, zwart als schoorsteenvegers, stonden weer gereed, den

Portugees de volle laag te geven, toen....

"Bom, daar lag ik!" --

Een vreeselijk gelach werd nu aanboord van de "Koning van Polen"

gehoord; want Meester Pruymius vertelde zoo vol vuur, dat hij vergat

zich aan het want vast te houden en op het dek neertuimelde. Hij stond

evenwel spoedig weder op en vervolgde zijn verhaal.

"Bom, daar lag ik!

Wat was er gebeurd?

Er volgde een slag, zoo hevig, zoo ontzettend, alsof er een heel

kruitmagazijn in de lucht vloog.

Ons schip werd op en neer, en heen en weer gesmeten.

Stukken hout, ijzer, kogels, vaten, geweren, sabels, hoeden, menschen,

potten, pannen, ja, van alles zoo wat, plofte op ons dek neer. Het lag

in een omzien bezaaid met een' rommel, zooals je dien in heel Amsterdam

bij geen' enkelen uitdrager vindt.

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 39 / 49 题