TWAALFDE HOOFDSTUK.

De Hollandsche Remedie.

Met gejuich werd Meester Pruymius door het volk ontvangen, en alsof hij

twee jaar, inplaats van twee dagen weg geweest was, zoo drukte men hem

van alle kanten de hand.

"Wat kom je doen?"

"Ben je weg gejaagd?"

"Hij is als de katten en zoekt zijn oud huis weer op!"

"Katten? Jongens, laat je hooren, allemaal: Mauw, mauw, miauw!"

Zoo klonk het verward door elkander, maar het gemiauw overwon ten

laatste toch, zoodat Meester Pruymius met een gezicht, alsof hij water

zag branden, uitriep: "Maar houdt toch eens op met dat helsche

geschreeuw! Je lijkt wel bezetenen! Ben ik dan hier in een dolhuis?"

"Pure pret over je terugkomst, man, anders niet," zeide Henri Quatre.

"We kunnen niet zonder onzen goeden Meester!"

"En blijdschap over het vertrek van Joffer Poes," vulde Dolf aan.

"Maar zeg, Meester, wat kom je toch doen? Je...."

"Je riekt naar brand, naar--naar--naar buskruit!" riep Oude Joost.

"Toch niet aan het bakkeleien geweest?"

"Niet zuinig! Kerels, we hebben zoo van laken gegeven. Al mijn

wonderwater is op. Een uitmuntend middel. Hadde ik er maar een

scheepsruim vol van!"

"Zijn er dan gewonden?" vroeg Henri Quatre.

"Acht stuks; maar al bijna klaar! Een heerlijk middel dat wonderwater!

Zóó gebruikt, zóó beter, tenminste, als het boeltje er niet af is, want

er ledematen mede aanplakken, dat gaat niet."

"Ja, maar dat zal dan zeker ook niet noodig geweest zijn," meende

Hoepel. "Zulk eene vaart zal het toch wel niet geloopen hebben."

"Je weet er ook heel wat van," snauwde Meester Pruymius hem toe.

"Terwijl jelui hier bezig waart met bruidstranen drinken en hylikmaker

eten, zijn we zoo even aan den slag geweest, en ik zeg je: niet zuinig!"

"Zag je soms een paar potvisschen raken?" vroeg Kreeft.

"Naar potvisschen zag ik niet, ik had meer dan genoeg te kijken naar de

gewonden. Naar de dooden keek ik maar niet, want die konden zelfs met

troost der armen of wonderwater niet meer tot hun verhaal gebracht

worden."

"Maar kom, dooden! Zijn er dan dooden ook gevallen?" klonk het van

een' anderen kant.

"Maar vier!"

Van alle kanten omringde men nu den barbier, die op het laatst tegen de

verschansing bijna plat gedrukt werd.

"Gaat dan toch op zij! Maakt ruim baan! Ik kom om wonderwater," riep

Meester Pruymius.

"We willen weten, wat er gebeurd is!" schreeuwden eenigen.

"Ja, wat gebeurd is, dat vertel zal!" riep de Kapitein der Amboineezen.

"Maakt dan ruimte, dan zal ik mededeelen, wat er geschied is,"

antwoordde Meester Pruymius.

Met behulp van Dolf en Hoepel kwam de barbier in benauwdheid vrij, en op

een kanon springend en zich aan het want vasthoudend, begon hij op

luiden toon het volgende mede te deelen.

"Zooals gij weet zouden die van Makassar al lang en breed zoete broodjes

bij de Compagnie gebakken hebben, als...."

"De Portugeezen er niet waren," schreeuwde een.

"Die trotsche Doms moeten de Oost uit!" riep een ander.

"Als ge mij in de rede valt moet ik ophouden," zeide Meester Pruymius.

"We kunnen wel allemaal tegelijk zingen, maar niet allemaal tegelijk

praten!"

"Wie het nog één keer waagt, wordt tot scheeps-rattenvanger

aangesteld," liet één uit den hoop zich hooren.

Men lachte, doch kwam spoedig weer tot bedaren.

"Het is zoo, de Portugeezen zijn te Makassar onze ergste vijanden, en ze

hebben daar een kwartier opgeslagen, dat met tal van kanonnen verdedigd

kan worden. Om nu te maken, dat de Makassaren niet naar de Compagnie

overloopen, hebben ze al tal van jaren uitgestrooid, dat de Hollanders

maar laffe zeeroovers zijn, te arm om er een' Vorst op na te houden. Het

spreekt dus vanzelf, dat wij daar te Makassar ook met de Portugeezen een

appeltje te schillen hebben.

Zoodra wij nu de vestiging in het gezicht konden krijgen stonden we

allen over de verschansing te turen.

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 38 / 49 题