"De Portugeesche Admiraal is in de lucht gevlogen, Meester," zeide
Sinjeur van Dam. "En dat wij behouden zijn gebleven is een wonder! Op,
op, mannen! Van de verwarring gebruik gemaakt. Leve de Oost-Indische
Compagnie! Vuur! Vuur!" riep hij met donderende stem. De man scheen niet
heesch te kunnen worden en zette alle kersenwachters in Zeeland en in de
Betuwe beschaamd.
"Een doode en drie zwaar gekwetsten, Meester! Wij brengen werk aan den
winkel," zeiden eenige matrozen, die met een' gesneuvelde en drie
anderen, die wonden ontvangen hadden, kwamen aandragen.
Gelukkig waren de twee kruiken met wonderwater heel gebleven. Ik
onderzocht de wonden, wiesch ze met schoon regenwater en na een compres
met wonderwater er op gelegd te hebben, deed ik er verbanddoeken om. De
arme kerels bekwamen er heelemaal van en zeiden, dat het dadelijk
vermindering van pijn gaf.
Na zoo drie gekwetsten geholpen te hebben, werden ze beneden gebracht,
waar ze geruster konden liggen. Een half uur lang had ik niets te doen
dan rondkijken, en ik gaf mijne oogen den kost, want er was heel wat
meer te kijken dan in eene verloopen bakkerij waar de oven afgebroken
is.
Maar op eens, daar stond ik blootshoofds; mijne muts vloog zoo netjes
van mijn hoofd, alsof de wind die er afgeblazen had. Voor kouvatten ben
ik altijd bang geweest, vooral na den tijd, dat de maan door mijne haren
schijnt. Ik ging dus aan het zoeken en eindelijk vond ik mijne muts. Ik
bekeek ze en zag nu, dat er een musketkogel dwars doorheen gegaan was.
Kijk, hier zijn de gaten! Je begrijpt dat ik die muts, als eene
gedachtenis, bewaar. Eene nieuwe zullen de Makassaren mij geven. Maar
laat ik verder vertellen. Ik gaf dan mijne oogen goed den kost en zag
het heele strand bezaaid met bruine, halfnaakte menschen, die verbaasd
schenen te kijken, dat de twee zoogenaamde laffe zeeroovers den strijd
dorsten wagen tegen zes dapperen, die onderdanen van een' Koning waren.
Dat scheen hun begrip te boven te gaan. Hoe kon men geen' Koning hebben
en toch dapper zijn?"
"Meester Jan telt wel voor vier Koningen! Leve Meester Jan!" riep een
Dordtenaar, die op zijne manier een aanhanger of vriend van de
gebroeders de Witt was.
"Vivat, Oranje boven!" klonk het van een' anderen kant.
"Heila, geen Meester Jan en geen Prins van Oranje hier!" riep Henri
Quatre. "Leve Jan Compagnie! Dat is hier =onze= Koning of Koningin, al
naar ge wilt!"
Enkelen riepen: "Leve Jan Compagnie!" doch de meesten zwegen of drongen
er bij Meester Pruymius op aan, dat hij verder zou gaan met zijne
vertelling.
Na zich met een' teug waters de keel gelaafd te hebben, vervolgde onze
scheepsbarbier weer even opgeruimd:
"Zoodra de rook van het in de lucht gevlogen Portugeesche Admiraalsschip
wat opgetrokken was, zag ik, dat door dit ongeval nog twee andere
karveelen in brand geraakt waren. De schepen brandden als pek, en het
volk sprong in zijne radeloosheid overboord.
Met dat al gaven de drie andere karveelen nog zoo gauw geen krimp, en
uit het Portugeesche kwartier schoten ze als dollen; maar juist daardoor
raakten ze zeker meer lucht dan schepen; want bijna geen enkel schot was
raak."
"En de Makassaren? Hadden die geene prauwen? Konden die niets doen?"
"Wel lieve zielen, ze deden wat!
Ze liepen als mieren, wier nest men verstoord heeft, door mekaêr van hot
naar haar. Ze sloegen op de gong-gong als bezetenen, en op de
oorlogstrommels als dronken nachtwakers. Overal zag men de bloedvlaggen
uitsteken, maar vechten, ja, dat konden de Portugeezen aan hun hart
voelen.[31]
"Meester, Meester, berg je!" riep op eenmaal de bottelier van de
"Mars." Ik keek gek op en -- plof -- daar kreeg me de sukkel zulk
een stuk hout tegen zijn hoofd, dat duizend potten borreborrie en
duizend kruiken wonderwater hem niet meer genezen konden; want de man
was opeens dood, en eer ik nog recht wist, uit welken hoek de wind nu
woei, hoorde ik weer een' vreeselijken slag en geen twee tellens later
nog een!
De twee brandende karveelen waren ook in de lucht gevlogen.
"Mannen," riep nu Sinjeur van Dam uit, "de "Breukelen" heeft
hare partij gevonden en klampt ginder eene karveel aanboord. Eéne van de
overige twee is voor ons! Vooruit! Vuur!"
Van dat losbranden der kanonnen had ik geen' last meer; ik stond zoo
vast op mijne beenen als een reiger in een moeras, en ik hielp hard
meeschreeuwen: "Vooruit! Vooruit!"
"Hei, jij daar met je "vooruit", hier heb je weer een, dien je met je
"troost" pleizier kan doen," zeide de Tweede Stuurman, die met een
gewonden arm bij me kwam.
"Maar, mensch!" schreeuwde ik.
"Ik ben niet doof," zei hij. "Bind er maar een' heelen
ellenwinkel vol lappen om, dan kan ik weer aan den slag."
Hierop stak hij mij den arm toe en ik zag, dat er gelukkig maar een
musketkogel dwars door het vleesch gegaan was. Ik verbond hem dus gauw,
en gebruikte daarbij weer maar een' plas wonderwater, en kijk eens aan,
pas had hij de doeken om, of hij riep: "Vooruit, Mina! Nu weer met
frisschen moed aan den slag! Verdraaid, wat kunnen die dikke Portugeezen
nog loopen, als ze bang zijn voor klapper-olie op hun baaitje!"
Met nieuwen moed ging de wakkere man weer op zijn' post bij het roer;
maar hoe handig hij wist te sturen, de twee karveelen zett'en het met
volle zeilen op het strand aan, en het duurde niet lang, of ze lagen
daar zoo mooi omhoog, als eene turf op eene aschvaalt.
"Nog verder, Admiraal?" vroeg de Stuurman.
"Neen, vriend, het is ver genoeg, anders geraken wij ook omhoog!
Afhouden! Maar eerst nog eens van beide kanten de volle laag!"
Nu, dat deden de konstabels met het grootste genoegen, en andermaal
werden met verwonderlijke snelheid de batterijen afgeschoten.
"De "Breukelen" heeft die karveel overmeesterd! Kijk maar, de
Hollandsche vlag wordt er geheschen!" riep de Eerste Stuurman, die mee
had geholpen, het geschut te bedienen en er nu door buskruit en rook nog
zwarter uitzag dan de zwartste Moor uit het Moorenland.
"Gij hebt gelijk, Stuurman," antwoordde Heer van Dam. "De
"Breukelen" is gelukkiger dan de "Mars." Voor een oorlogsjacht,
als wij hebben, is zulks te bejammeren."
"Ho, ho, Heer van Dam," dus viel de Kapitein hem in de rede. "Mij
dunkt zoo, dat de Portugees zelf wel zeggen zal, dat de "Mars" haar'
naam geene schande heeft aangedaan. Weet ge wel hoeveel kruit we op het
oogenblik nog hebben?"
"Ik weet niet eens hoeveel de "Mars" aanboord heeft gehad, Kapitein!
Maar aardig wat verschoten is er!"
"Er was veel meer kruit dan we noodig hadden, en als we nu nog twee keer
losbranden dan is alles op!"
Na het veroveren van de Portugeesche karveel kwam Admiraal Truytman ook
bij ons aanboord en daar hij gehoord had, wat de Kapitein van de "Mars"
zeide, zoo vroeg Sinjeur van Dam hem: "Zou het dan geene zaak zijn, het
voor vandaag hierbij te laten en de andere schepen op te zoeken?"
"Ik meen zoo, dat we zulks zonder schande kunnen doen. En hoe denkt u
dan te handelen?" was het antwoord.
"Wel, morgen aan den dag het kasteel Panakoke vermeesteren, een groot
deel van de stad met het paleis van den Koning in brand steken en het
Portugeesche kwartier plat schieten! Vindt ge dat plan niet uitmuntend,
Admiraal?"
"Ja, Heer van Dam, en als we kans willen hebben, dat plan ook te
volvoeren, dan moet zulks morgen aan den dag gebeuren, eer de vijand
zich geheel met den Portugees verstaat. Deze laatste heeft zich kranig
gehouden. Maar komaan, laten wij nu samen eens gaan zien, wat de
"Breukelen" veroverd heeft; ik kwam u daartoe uitnoodigen."
Wij zett'en nu koers naar onze makkers en zagen dat de veroverde karveel
"Nostra Signora de Remedia" heette, en weldra vernamen we, dat ze eene
kostbare lading in had van zijden stoffen, sandelhout, lakwerk,
porselein en andere Chineesche waren. Wij namen het schip op sleeptouw
mede, doch lieten de Portugeezen aan land gaan, om bij hunne kameraads
de boodschap te brengen, dat hunne boontjes nog in de week lagen, en dat
dit alles nog maar een begin van al de ellende was. En hiermede heb ik
alles verteld. Morgen, bij leven en welzijn, beleven we samen de rest."
"En wat zal er met die karveel gebeuren?" vroeg Henri Quatre. "Ze
zullen zulk een schip toch wel houden?"
"Die zal met Hollandsch volk bemand en verdoopt worden in de
"Hollandsche Remedie". Is er beter naam mogelijk?"
"Als het met ons dan maar niet gaat, zooals het rijmken luidt:
"Pleun wil sich hangen, vind een schat:
Hy laet den strick en kiest het padt;
Maer, die 't begroef, die vind den strick,
Dies hy sich hanght aen eene mick."
dat wil zeggen: Als de "Nostra Signora de Remedia" ten laatste de strik
maar niet wordt, waarin wij ons verhangen," zeide Hoepel. "Ik zou er
althans voor passen alweer op zoo'n karveel te dienen. Met zoo een
gevalletje vaart een fatsoenlijk Hollander zich in den kelder."
"Als Dolf er dan als Kapitein op dient, dan zal "de Nieuwe Leerdam"
in het niet verzinken bij de "Hollandsche Remedie", Hoepeltje!"
sprak Meester Troost, en thans voor goed van het kanon springende, zei
hij: "En nu mijn wonderwater, alsjeblief, dan ga ik jelui weer voor
tijd en wijl groeten."
Daar er onder de matrozen niemand was, die aan de kracht van dat
wonderwater twijfelde, zoo wilden ze niet hebben, dat Meester Pruymius
alles medenam.
"Het zijn toch mijne spulletjes zou ik meenen," bromde de goedige man.
"En wie zal me nu willen beletten ze mede te nemen?"
"Dat is waar; maar jij met je spulletjes behoort tot de "Koning van
Polen". Als wij aan den slag gaan en er vallen hier aanboord gekwetsten,
waarmede zullen wij ons dan laten genezen? Wij gunnen een ander ook wel
wat; maar, het hemd is nader dan de rok, begrepen? Dus, de helft blijft
hier; de andere helft kunt gij medenemen," sprak Hoepel.
Meester Pruymius moest er zich in schikken of hij wilde of niet, doch
toen hij de helft van zijn' voorraad al in de boot had en zelf gereed
stond heen te gaan, kwam Kapitein Londenaar van den krijgsraad terug.
Hij zag er niet vroolijk uit en het scheen wel, dat het in dien raad
niet naar zijn' zin was afgeloopen. Later vernam men dat Joffer Cos
eigenlijk de oorzaak was geweest van Londenaars ontevredenheid. Dat
mensch had Heer Johan van Dam zooveel leelijks van "IJzeren Neptunus"
en zijn volk verteld, dat de Landvoogd onmogelijk alles voor verzinsels
kon houden. Het gevolg was geweest, dat hij den braven Kapitein
grof bejegend had, en deze had op zijne beurt toen ook een woordje
gesproken, dat raak was, zoodat Admiraal Truytman genoodzaakt was
geweest, hem te zeggen, dat Heer Johan van Dam, als Landvoogd van
Amboina en Mede-bevelhebber der vloot, te hoog in rang stond om zich in
den vollen krijgsraad door een' Kapitein van de Compagnie de waarheid
te laten zeggen.
Dit had onzen wakkeren Kapitein niet weinig gegriefd, en hij begreep
bovendien, dat de groote Heeren het hem wel inpeperen zouden.
"Gij blijft bij ons aanboord, Meester," dus was Londenaars eerste
woord, en zich hierop tot eenige matrozen wendend, gaf hij dezen bevel
de koffers en kisten van Joffer Cos gereed te zetten, want men zou ze
zoo op het oogenblik halen. De matrozen deden het, en nauwelijks hadden
zij ze op het dek gebracht, of eene boot van de "Mars" kwam er al om.
"Kapitein," zeide de Stuurman van dit vaartuig, "hier heeft u een
briefke van onzen Admiraal, waarin hij u zeker zal zeggen, wat ge ons
moet medegeven."
Kapitein Londenaar opende het briefje en las:
"Goede vriend! Zend de kofferen van Joffer Cos met deze boot mede.
Gedenk mijn woord in den krijgsraad niet langer, en geloof dat ik alleen
zoo sprak om erger te voorkomen. Die Joffer heeft al meer op hare
rekening, ook tusschen mij en den Landvoogd. Edoch, moed gehouden. Deze
week verlaat ze met de "Hollandsche Remedie" de vloot. Uw vriend
Truytman."
Dat vriendelijke briefke bracht Londenaar weer geheel op dreef en toen
de kisten vanboord en de mannen van de "Mars" vertrokken waren, zei
hij: "Ziezoo, nu zijn we weer met ons eigen volkje. Roep de Chineezen,
Stuurman!"
Dolf riep de Chineezen, die meestal op een hoopje bij elkander zaten en
zoodra ze voor Kapitein Londenaar verschenen waren, zeide hij, alweer
met behulp van den tolk natuurlijk: "Mannen, de twist, dien wij met den
Koning van Makassar hebben, heeft ons gedwongen u eenige dagen van uwe
vrijheid te berooven. Thans kunt ge gaan waar ge wilt. Stapt in uwe
jonken over, ziet of er wat uitgenomen is, en als ge aan het een of
ander gebrek hebt, zoo zegt het mij, en als ik kan, zal ik het u geven."
Deze woorden werden met gejuich begroet. De Chineezen stapten op hunne
jonken over en vonden alles in denzelfden toestand. Er werd niets
vermist. Alleen hadden ze behoefte aan musketten, kruit en lood en een
der twee Chineesche Gezagvoerders was zoo vrij, hier om te vragen.
Kapitein Londenaar zag hem lachend aan en zeide: "Zou het niet wat erg
zijn, als wij ons met onze eigen wapenen lieten beoorlogen?"
"De Compagnie zal ons van meer voordeel zijn dan de Portugees of de
Makassaar, Kapitein! Wij zullen de wapenen niet tegen u of tegen de
Hollanders keeren. Ons belang verbiedt ons dat ten zeerste."
"Zult gij ons dan helpen?"
"Ook dat niet. Als we zulks deden, brachten we onze broeders, die te
Makassar zijn, in groot gevaar. Wij gaan naar ons land terug, doch
wenschten ons onderweg, als het noodig was, voortaan te kunnen
verdedigen."
"Welnu, ik wil aannemen dat ik met eerlijke lieden en geene schelmen te
doen heb," sprak Kapitein Londenaar en liet iedere jonk van tien
musketten en een' goeden voorraad van kruit en lood voorzien.
Hierop namen de Chineezen dankbaar afscheid en -- ze hielden woord. Ze
dienden den vijand niet.