[22] Natuurlijk wordt met '13 het jaar 1613 bedoeld. Ook wij laten in
het dagelijksche leven dikwijls het woord achttienhonderd weg.
[23] Tegenwoordig begint men, vooral op de Schotsche kusten den haring
reeds in Mei te vangen, doch in vroegere jaren bestond er eene bepaling
waaraan de haringvisschers van alle landen de hand hielden, en die tot
lang in deze eeuw stand hield, dat men geen haring mocht vangen vóór den
25sten Juni en na den 1sten Januari. Men deed dit om deze visschen niet
uit te roeien. Wanneer ge nu weet, dat men den 24sten Juni in de R. K.
kerk het feest van Sint-Jan viert, dan begrijpt ge wel, dat de
uitdrukking: "haring vóór St.-Jan roepen", zooveel beteekent als
"voor zijne beurt spreken." Een ander spreekwoord: "schreeuwen
vóór men geslagen wordt" beduidt ongeveer hetzelfde.
[24] Het doet me werkelijk genoegen hier eene fout te herstellen, die ik
in de beide vorige drukken van dit verhaal beging. Ik stelde daarin de
Amboineezen als lafaards voor, of althans als mannen, die in het geheel
niet te vertrouwen waren. Zij, die in de Oost en met onze troepen daar
bekend zijn, lichtten mij beter in. De Amboineezen zijn uitnemende
soldaten, trouw, dapper en volhardend. De Regeering erkende dat ook en
waar de Javaansche en Boegineesche soldaten altijd blootsvoets loopen,
als bijna alle Javanen uit de mindere klassen, daar mogen de
Amboineesche of Ambonneesche soldaten, ter onderscheiding van al de
anderen, schoenen dragen. Ze zijn er dan ook niet weinig trotsch op.
Dat ik die fout begaan kon, was wel wat dom, want het is algemeen
bekend, dat de Ambonneesche soldaten dapper en volhardend zijn. Maar om
dit verhaal te schrijven raadpleegde ik zeer veel boeken en in een dezer
vond ik, -- het was de bekende Kapitein Schouten, die dit schreef: --
"Zij waren van schrik beklemd wanneer zij Makassar hoorden noemen. Wij
hadden eene compagnie van zulke helden op ons schip, waarvan de Kapitein
te voren menigmaal gezwetst had, dat hij voorgenomen had geen
pekelvleesch te nuttigen, voor hij van zijne bittere vijanden oogen en
hersenen, over het vuur gebraden, gegeten had. Maar deze kloeke
oorlogsheld nu ziende, dat het waarlijk op Makassar was gemunt, bezweek
van schrik en toonde zich met al zijne helden uitnemend verslagen, niet
anders denkende, dan dat zij gewis ter slachtbank van de wreede
Makkassaren herwaarts waren gevoerd."
Of Kapitein Schouten, wiens werken nog veel geraadpleegd worden, zich
vergist heeft of, wat toch wel vreemd zou zijn, dat hij niets dan
lafhartige Ambonneezen aan boord had, dat weet ik niet. Wel las ik in
een werk van Gerlach, een' man van onzen tijd, dat in 1853 bij de
bestorming van het fort Laäla op Klein-Ceram, 1700 Amboineezen
sneuvelden. Dit klinkt heel wat anders dan ze als lafaards voor te
stellen.
[25] Een stoop was eene ouderwetsche vochtmaat, die omstreeks 2½ Liter
inhoud had.
[26] =Tampik soerak= beteekent krijgsgeschreeuw en het ouderwetsche
zingen, zelfs in de kerk, geleek vaak meer op geschreeuw dan op gezang,
en het zeevolk vooral hield van "draaien" bij het zingen.