NEGENDE HOOFDSTUK.

Zeevolk, vreemd volk.

Spoedig was de boodschap door de twee bruine Afgezanten overgebracht, en

terstond lieten de Admiraals al de vlaggen hijschen, die ze bij de hand

hadden. De andere schepen volgden dit voorbeeld en toen de Edellieden

aan de Koningin gezegd hadden, dat de Admiraal haar wachtte en de

prauwen zich daarop in beweging zett'en naar het Admiraalsschip, werd

vandaar het sein gegeven tot een eere-saluut uit het grof geschut.

"Is dat eiland Solor dan zoo groot, dat wij aan die Koningin, en dan nog

wel aan zulk eene vogelverschrikster zooveel hulde moeten bewijzen?"

vroeg Dirk aan Joost.

"Welneen, jongen! Solor met nog eenige eilandjes erbij vormt maar een

heel klein Koninkrijkje, dat voor de Compagnie in het jaar '13 door den

Zeekapitein Appollonius Schot op de Portugeezen veroverd werd. Als er in

het geheel tienduizend menschen op wonen, zal het mooi zijn. Bovendien

is de grond niet best bebouwd, en men heeft er veel last van vulkanische

uitbarstingen, zoodat ze ons al heel weinig voordeel opleveren. Alleen

bij het vervallen fort Frederik Hendrik komt zoo nu en dan een

Compagnie-scheepje om er wat zwavel en salpeter te halen. Bamboe kan men

er krijgen zooveel men hebben wil."[22]

"Maar wat hebben we er dan toch voor doel mede om aan de Koningin van

zulk een nestig landje zooveel eer te bewijzen?" vroeg Garrit.

"Wie het kleintje niet eert, is het groote niet weerd," hernam Oude

Joost. "En al is dat land nu niet zoo heel groot, alle beetjes helpen.

Bovendien bestaat slechts het kleinste gedeelte der bewoners uit

Maleiers, die Mohammedanen zijn en dus heulen kunnen met dien mooien

Sultan van Makassar. Het andere deel bestaat uit Alfoeren."

"Wat zijn dat voor luî?" klonk hierop de vraag van een' der

luisteraars. "Alfoeren, wat een naam!"

"Alfoeren zijn donkerbruine, groote en sterke menschen, die niemendal

van de Mohammedanen willen weten en Heidenen zijn. Ze zijn in den oorlog

verbazend vlug en weten met hunne groote zwaarden vreeselijk huis te

houden. Lafhartig is er niet één; maar van koppensnellen bij den vijand

zijn ze groote liefhebbers. Voor het overige leven ze vreedzaam en ze

zijn minder valsch dan Maleiers, die niet altijd te vertrouwen zijn."

Nadat men op die wijze een tijdlang had staan praten, kwam Kapitein

Londenaar, die inmiddels aanboord van het Admiraalsschip geseind was

geworden en er natuurlijk heengebracht was, alweer terug en zeide tot

het verzamelde volk: "Mannen, thans kan ik u mededeelen waarheen de

tocht is."

"Dat weten we al, Kapitein," zeide Meester Troost der Armen. "Onze

vriend Oude Joost kan nog beter ruiken dan een hond. Hij heeft ons al

eenige dagen geleden verteld, dat de tocht naar Makassar ging om daar

den Sultan eens even te leeren, wat meer achting en eerbied voor de

Compagnie te hebben."

"Dan heeft Oude Joost goed geroken," hervatte Kapitein Londenaar.

"Maar alles kan hij toch niet geroken hebben, daarom zal ik u een en

ander mededeelen. De Koningin der Solor-eilanden kwam ons verzoeken weer

eene nieuwe sterkte te bouwen of de oude te herstellen, teneinde haar

tegen den overmoed ter Portugeezen te beschermen. Admiraal Truytman

heeft haar beloofd hieraan te voldoen, zoodra we de Makassaren

getuchtigd en onderworpen hebben."

"Nu, dat zullen we dezen keer toch wel klaar spelen, meen ik," dus liet

Dolf zich hooren. "Onze vloot is sterk en er is volk genoeg aanboord

ook!"

"Volk genoeg, Stuurman, daarin hebt gij gelijk! Maar niet ieder staat

zijn' man, als het er op aankomt."

Een ontevreden gemompel liet zich hooren en Kreeft, vooruit tredend,

zeide: "Kapitein, krom ben ik; maar sedert wanneer ben ik een lafaard?"

"Wij zijn ook geen lafaards," lieten zich nu een paar andere stemmen

hooren.

"En wij ook niet! Neen, wij ook niet!" klonk het in koor.

Kapitein Londenaar lachte even en hernam: "Gijlieden roept haring vóór

Sint-Jan[23]. Als ik zeg, dat niet iedereen zijn' man staat, dan bedoel

ik er niet één van het Compagniesvolk. Maar wij hebben op de vloot

verscheidene compagnies Amboineezen en het is de groote vraag maar, wat

we daaraan hebben zullen, hulp of tegenstand."

"Hoor eens, Kapitein," waagde Oude Joost te zeggen, "die soldaatjes

zullen de kaas niet van hunne boterham laten halen. Er leeft in heel den

Archipel geen moediger en dapperder volkje."

"Oude Joost meent er niet één van," riep een uit het volk. "Aan

heel zijn gezicht kan men zien, dat hij een loopje met ons neemt."

"Neen, Oude Joost spreekt waarheid," liet Meester Troost der Armen zich

hooren, doch zijne bevestiging diende alleen maar om het volk er nog

minder aan te laten gelooven.

"Het zijn zeker even groote helden als u, Meester," zeide een matroos.

"Of ik een held ben weet ik niet," zeide de Scheepsbarbier kalm,

"ik ben nog nooit bij een zeegevecht tegenwoordig geweest. Maar die

Amboineezen hebben onze Joost en ik bezig gezien en ik verzeker je, dat

menig Europeaansch Compagnie-soldaat er een voorbeeld aan nemen kon. Ze

zijn dapper in den aanval, bij tegenspoed standvastig en zoo trouw aan

hun vaandel als een Christenmensch er maar trouw aan zijn kan."

"Wat onze barbier daar vertelt, Kapitein, is waar," sprak Oude Joost.

"En als we aan den dans moeten gaan, dan zal u, ja, dan zullen allen

zien, dat de barbier en ik u geene onwaarheden wijs maakten."

"Nu, Joost, ik hoop, dat je het bij het rechte einde zult hebben,"

zeide de Kapitein.

"Ja," vervolgde Oude Joost, "en het is beter ook dat u, Kapitein

en al de anderen dat nu al weten ook."

"Waarom?" vroeg de Kapitein.

"Omdat ze uiterst gevoelig zijn voor beleedigingen, Kapitein! Worden ze

vriendelijk en voorkomend behandeld, dan vinden ze dat blijkbaar

aangenaam, maar bemerken ze, dat ze door de Europeanen met minachting

aangezien en behandeld worden, dan hebben ze de bokkenpruik op en, we

hebben het op zee gezien, een mensch hoe goed anders ook, wordt een

onding, als hij die op heeft. En om u nu nog allen te overtuigen, dat ik

waarheid spreek, ben ik bereid een' eed te doen op hetgeen ik gezegd

heb."[24]

"En ik ook," sprak de barbier.

"Nu, dan trek ik mijne beschuldigingen in," zeide de Kapitein, "en ik

beloof je dat ik het volk zal voorgaan in het bewijzen van achting aan

mannen, die achting verdienen. En waar ik voorga, dat weet je, daar

volgen al de anderen."

Nog maar even had Kapitein Londenaar dit gezegd toen de Amboineezen

aanboord gebracht werden. De aanvoerder van die afdeeling trad op

Kapitein Londenaar en vroeg hem:

"Jy Kapitan?"

Kapitein Londenaar knikte bevestigend.

"Ik ook Kapitan," vervolgde de Officier, "en helpen maak kopje

kleiner dat vijand."

"Dat is uitnemend, Kapitein!" zeide Kapitein Londenaar, die werkelijk

met welgevallen de flinke houding van de uitnemend gewapende Amboineezen

opnam.

Nu wilde onze Amboinees zeggen, dat hij zelfs een' eed gezworen had de

Compagnie trouw te dienen, en hij drukte dat uit door te zeggen: "En ik

gedaan opsteken twee vingers."

De koddige manier van spreken was oorzaak, dat bijna al het scheepsvolk

in een luid gelach uitbarstte, doch Kapitein Londenaar keek allen zóó

ernstig aan, dat ze het niet waagden te doen.

"Ik wil hopen," zeide IJzeren Neptunus nu, "dat we elkander niet

tegenvallen. Ik zal u nu de plaats voor uwe manschappen laten aanwijzen

en u, Meneer de Kapitein, zal, zoo lang u hier aanboord is, tot de

Officieren gerekend worden! Joost, jij kunt nog wat van die menschen

verstaan, wijs hun logies!"

Ondertusschen kwamen de bewoners van Solor van alle kanten in hunne

prauwen opdagen om allerlei eetwaren aan de schepelingen te verkoopen;

doch daar de vloot meer in de nabijheid van het kleine eiland Serbiette

het anker had laten vallen, zoo werd er besloten de schepen op dit

eiland van water te voorzien.

Niet ver van het vlek Lamahal was eene kleine rivier met heerlijk

drinkwater, en daar werden de booten heengezonden. De manschappen namen

ook allerlei snuisterijen mede om deze te verruilen voor dingen van

waarde, doch de bewoners van dit eilandje waren niet rijk en bezaten

zeer weinig kostbaarheden, zoodat er bitter weinig te ruilen viel.

Een der eilanders vertelde evenwel, dat niet verre van Lamahal een put

was met kokendheet water, dat afgekoeld, bijzonder heilzaam was voor

allerlei wonden. Zoodra Meester Pruymius dit vernam, besloot hij van dat

heilzame water zooveel mede te nemen, als hij maar bergen kon. Wat zou

hij er eene eer in stellen om na het gevecht, dat denkelijk wel bloedig

zijn zou, de gekwetsten met zijn wonderwater te genezen! Wie weet of hij

daardoor geen kans liep lijfarts van den Gouverneur-Generaal te worden.

Hij ging daarop naar Kapitein Londenaar en vroeg hem eene boot met

eenige mannen om van dat wonderwater te gaan halen, en hoewel de

Kapitein er niet veel van geloofde, zoo gaf hij hem er toch vergunning

toe.

Ik schreef daar met opzet dat de Kapitein er niet veel van geloofde, en

dat bewijst juist, dat hij het niet tegenspreken durfde ook. De leer der

geneesmiddelen was toen en nog zeer vele jaren daarna, al eene heel

vreemde leer. Ze is het voor een deel nog, want hoevele onnoozele

menschen leggen bij eene wonde er papier van een tabakszakje of spinrag

op. Het eerste dient om de wond af te sluiten en het tweede om het

bloeden tegen te gaan. Beide middelen zijn intusschen zeer gevaarlijk en

veroorzaken niet zelden bloedvergiftiging. Op het platteland van

Walcheren gebruikte men bij eene verwonding een linnen doekje,

doortrokken met sla-olie, waarin men een paar maanden vroeger veenmollen

geworpen had om die er in te laten aftrekken. En als men zoo iets nu nog

in onze eeuw ziet doen, dan is het immers niet te verwonderen, dat in

het midden der zeventiende eeuw, zelfs Scheepskapiteins geheime

geneeskundige krachten aan sommige dingen toeschreven?

Tot de matrozen, die Meester Pruymius vergezelden, behoorden ook Garrit,

Dirk, Hoepel en Kreeft. Dolf zat aan het roer en onze goede

scheepsbarbier zat voor in de boot tusschen een twintig groote

stoopskruiken[25].

"Wel, Meester," dus begon Dolf lachend, "als ge al die kruiken vol

hebt, dan kunt ge wel twintig vloten bedienen."

"Beter te veel dan te weinig, Stuurman," gaf Meester Troost ten

antwoord. "Ik weet ook niet hoeveel ik moet gebruiken. Dat zal de

ondervinding mij nog moeten leeren."

"In alle gevallen, Meester, ik hoop dat ge met uw wonderwater van mijn

lijf zult blijven, hoewel ik er geen oogenblik aan twijfel of we zullen

eene harde noot te kraken hebben. Ik denk zoo, dat er bloed genoeg

vloeien zal."

"Meer dan roode wijn, Stuurman," zeide Meester Troost der Armen met

een' diepen zucht; want hoewel op zee voor geen klein geruchtje

vervaard, had hij, zooals men dat noemt, aan vechten toch een broertje

dood.

"Je zucht alsof de Makassaren allen amok-makers waren," zeide Garrit,

en onwillekeurig dacht hij aan die geschiedenis te Batavia, waar hij met

Meester Pruymius hard aan den haal gegaan was en waarbij Dirk, zonder

den Keulschen pot, zeker het mannetje van de rekening zou geworden zijn.

"Als we geene Keulsche potten genoeg hebben, dan kunnen we het met

stoopskruiken probeeren," zeide Dirk, en op dat oogenblik werden de

riemen ingehaald en stapte men aan wal, waar de kruiken voorzichtig

neergezet werden.

Dolf, Kreeft en Garrit bleven gewapend bij de boot; want hoewel de arme

inwoners nog geen enkel teeken van vijandigheid gegeven hadden, deed men

toch goed dien lieden niet al te veel vertrouwen te schenken. Dirk en

Hoepel, óók gewapend, zouden den barbier vergezellen. Maar hoe twintig

volle stoopskruiken van de bron bij de boot te krijgen, waar men met de

twintig ledige al geen' weg wist?

"Misschien dat de mannen van het eiland je wel helpen willen," zeide

Dolf. "In alle gevallen hebt ge toch iemand noodig, die u den weg

wijst!"

"Dat is waar ook," zei Meester Pruymius en een' half naakten eilander

terzijde tredend, zei hij tot dezen: "Bawa gindi-gindi soemoer panas

ajer!"

"Wat zeg je toch?" vroeg Dolf, toen hij zag dat de Serbietter hem niet

verstond.

"Wel, ik zeide in goed Maleisch: Draag de kruiken naar den put met warm

water!"

"Ik geloof dat je al even goed Maleisch spreekt, als ik, maat, en ik

spreek het als een Zeeuwsche boer. Wacht maar, ik zal wel zeggen, wat we

willen."

Dolf ging hierop naar den Serbietter en klopte hem op den schouder. De

man zag om en Dolf wenkte hem naar den waterkant te volgen. Hierop stak

hij de handen in het water en schudde van neen. Daarop stak hij

andermaal de handen in het water, doch trok ze er schielijk uit en deed,

alsof hij zich gebrand had. Toen knikte hij van ja en wees op de kruiken

en in de richting waarin die bron moest liggen.

De Serbietter scheen hem te begrijpen, doch op de kruiken, wijzend en

deze tellend, stak hij tweemaal beide handen op en schudde het hoofd.

Dolf wees toen op hem en stak vijf vingers op.

De Serbietter scheen zoo dom niet te zijn, als hij er uit zag, want hij

liep naar de naaste huizen en kwam weldra met nog drie man terug. De man

stak, ten bewijze dat hij Dolf goed begrepen had, ook de handen in het

water, trok een afschuwelijk leelijk gezicht en schreeuwde

allerakeligst: "Au! Au!" Daarop wees hij naar de kruiken en vervolgens

naar het bosch, dat achter Lamahal lag.

Dolf knikte hem toe en toen staken de vier mannen een' langen stok door

de ooren van de tien kruiken en daarna een' anderen stok door de ooren

der overige tien. De uiteinden der stokken werden op de schouders gelegd

en daarop zett'en ze het op zoo'n aardig sukkeldrafje, dat Meester

Pruymius, Dirk en Hoepel genoodzaakt waren mede te draven.

Schuddend van het lachen zagen de achterblijvers de dravende zeven

mannen na.

In het begin ging de tocht vrij voorspoedig, doch het duurde niet lang

of ze kwamen op een' steenachtigen bodem waar het loopen minder goed

ging voor onze drie Hollanders, die lage zeemansschoenen aan hadden. Op

het schip zijn die voor alle bewegingen zeer gemakkelijk, doch om er

mede langs scherp gepunte steenen te loopen, zijn de zolen wel wat dun.

De Serbietters liepen blootsvoets en stonden daardoor veel vaster. Nog

nimmer hadden ze kousen of schoenen aan de voeten gehad en daardoor was

de huid onder de voeten harder geworden dan het beste gelooide leder

van paarden en ossen. De voeten zelve waren ook veel beter gevormd dan

die der Europeanen, die al te dikwijls misvormd waren door het dragen

van schoeisel, dat veel te nauw was, omdat breede voeten zoo leelijk

stonden. Men gelooft dat, jammer genoeg, nog al te veel, en duizenden

beschaafde Europeanen loopen met misvormde voeten. Ten laatste werd

Meester Pruymius zóó moede, dat hij bijna niet meer voort kon. Maar hoe

het dien wilden aan het verstand te brengen, dat ze zoo hard niet loopen

moesten? Hij zag daartoe geen' kans, en nadat hij te vergeefs alle

pogingen aangewend had om hen langzamer te laten loopen, dacht hij ten

laatste: "Die luî verstaan me toch niet; ik zal hen maar laten

begaan."

Ongemerkt kwamen de vier Serbietters daardoor een heel eind vooruit en

het duurde niet lang of, bij eene kromming van het ruwe pad, waren ze

uit het gezicht verdwenen en toen de drie Hollanders bij dezelfde

kromming aangekomen waren, zagen ze, dat het pad zich in drieën

splitste.

"Welk pad, Meester?" vroeg Dirk.

"Links, rechts of rechtuit?" vroeg Hoepel.

Meester Pruymius stampvoette van kwaadheid en zeide: "Die vier schelmen

zijn met onze kruiken op den loop. Er zit niets anders op dan terug te

keeren."

"Maar eer we dat heele eind nu alweer terugloopen, wil ik eerst toch wel

eens even uitblazen," zeide Hoepel en zette zich op een' omgevallen,

hollen boom neder.

De andere twee meenden juist dat voorbeeld te volgen toen Hoepel opeens

van den boom sprong en op de vlucht ging, achtervolgd door een' zwerm

bijen op wier nest hij was gaan zitten. Ook Dirk en Meester Pruymius

gingen aan den haal en alle drie kwamen ze, met wonden overdekt en

zonder kruiken, bij de boot aan.

De bijen achtervolgden hare zoogenaamde vijanden niet verder; want

zoodra men in de boot gesprongen en van wal gestoken was, keerden de

diertjes terug. Haar instinct waarschuwde genoeg voor de gevaren, die

haar boven het water dreigden.

Zoodra ze zagen dat de bijen aftrokken, was Dolfs eerste vraag: "En de

kruiken?"

"Breng me naar de Admiraals dan vraag ik hun of ze dit eiland willen

platschieten!" schreeuwde de barbier.

Dolf en de anderen lachten.

"Lacht niet, kerels! Lacht niet! Die lummels, die dieven en afzetters,

die zakkenrollers en straatroovers, ze hebben mij bestolen, mij, Meester

Pruymius, scheepsbarbier bij de Oost-Indische Compagnie! Bestolen voor

twintig spik-splinternieuwe stoopskruiken. Naar het Admiraalsschip,

Stuurman! Naar het Admiraalsschip!"

"Ge begrijpt toch, Meester, dat ik zóó dwaas niet zijn zal,"

antwoordde Dolf. "Als gij u te beklagen hebt over de behandeling der

Serbietters, dan dient ge zulks bij onzen Kapitein te doen, en deze zal

dan wel weten of het noodig is, dat voor twintig voddige kruiken een

heel eiland verwoest moet worden. Komtaan, jongens, rechtuit naar de

"Koning van Polen", en flink voortgeroerd ook; want de zon gaat

onder!"

De vier mannen sloegen de riemen in het water en bekommerden zich weinig

om het geraas en getier van Meester Pruymius, die als een dolle tekeer

ging.

Men was evenwel nog heel dicht onder den wal toen men van den kant van

het bosch geschreeuw vernam. Dolf keek om en zeide: "Ik geloof zoo waar,

dat ge u zonder redenen boos gemaakt hebt en dat de vier zoogenaamde

dieven ginder met hunne vracht komen aanloopen."

"Ja, ja, dat zijn ze! Dat zijn ze!" riep de barbier, die nu weer

uitgelaten van blijdschap was, dat hij zijne kruiken terug zou hebben en

misschien wel gevuld bovendien. Men roeide naar den wal terug en spoedig

kwamen de vier dragers, uitgeput van vermoeidheid, bij de boot en gaven

de volle kruiken over. Ze waren nog zóó warm, dat men ze zonder doeken

niet kon aanpakken. Uit dankbaarheid gaf de barbier ieder hunner een'

tinnen lepel en hiermede waren de mannen zóó tevreden, dat ze van pure

pret begonnen te dansen, welk voorbeeld Meester Pruymius heel graag had

willen volgen, nu hij op zulk eene goedkoope en gemakkelijke manier aan

die groote hoeveelheid wonderwater gekomen was.

"Zoudt ge," dus begon Dolf toen ze allen met de kruiken in de boot

waren, "nu eerst dat wonderwater maar niet op jezelven toepassen,

Meester? Helpt dat middel tegen wonden, dan helpt het ook wel tegen de

bulten, die de angels der bijen u bezorgden."

"Hoe dom daaraan niet te denken," riep de barbier. "Zeker, ik doe het

dadelijk."

Hij haalde nu uit een lederen kokertje, dat hij steeds bij zich droeg,

een strookje verbandlinnen, bette dat in het water, liet het boven de

kruik afkoelen en begon er toen de bulten mede te wasschen. Hij zeide

dat hij er soulaas, dat is baat, bij had en begon nu de bulten der

andere twee ook te wasschen met hetzelfde gunstige gevolg. Geen wonder,

dat de man boven de wolken van blijdschap was en verklaarde, dat hij,

als ze weer in Batavia waren, den Gouverneur-Generaal het voorstel zou

doen om eene heele scheepslading van dit water te halen en dan te zorgen

dat iedere scheepsbarbier bij elke reis, vooral als er kans was, dat er

gewonden kwamen, eene flinke hoeveelheid mede kreeg. Naar hem moest dat

wonderwater dan heeten "Aqua Prumii".

Na de wassching met dat water zette men zich aan de riemen en roeide zoo

snel men kon om niet door de duisternis overvallen te worden, naar het

schip terug, waar onze brave barbier, die zoo vol zorg voor het welzijn

der schepelingen was, den kostelijken voorraad dadelijk in zijne hut

borg. Ja, hij ging zelfs zoo ver, dat hij Dirk' een dukaat beloofde, als

hij hem eens eene kleine wonde mocht maken om dan het genoegen te

hebben, de deugdzaamheid van het wonderwater ook in dit opzicht op hem

toe te passen.

Natuurlijk bedankte Dirk daarvoor, zoodat Meester Pruymius niets

overbleef dan de kruiken goed te kurken en met natte blazen te

overdekken.

Het spreekt vanzelf, dat men het op het voorschip dien avond over de

kleine gebeurtenissen van den dag had. Als er niets bijzonders voorvalt,

grijpt men dikwijls het minste aan om toch maar stof tot praten te

hebben. Al heel spoedig kregen Meester Troost der Armen, Hoepel en Dirk

van allen, op één' na, de volle laag over hunne lafhartigheid om voor

zulke kleine diertjes, als de bijen zijn, op den loop te gaan. Ja,

Kreeft ging zoover met te zeggen: "Hij is geen knip voor den neus waard,

die dat doet. Wat zeg gij, Ouwe Joost?"

Joost, die tot nu maar altijd gezwegen had, keek even op en vroeg zoo

leuk mogelijk: "Wel?"

"Ik zeg dat ieder, die voor bijen aan den haal gaat, geen' knip voor

den neus waard is," hernam Kreeft. "En nu vraag ik jou of ik gelijk heb

of niet!"

"En als je dan niet eens gelijk hebt, ben jij dan wèl een' knip

voor den neus waard?"

Kreeft keek den ouden zeerob eens aan en zei toen lachend:

"Als Ouwe Joost mij één' flink man weet aan te wijzen, die voor

bijen of andere dergelijke diertjes op den loop ging, dan zal ik de

eerste zijn, die een Makassaar, man tegen man, te woord staat."

"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het thans van verscheidene kanten.

"En als Ouwe Joost het niet kan, dan zal hij de man zijn, die dat het

eerst doet."

"Jelui praat als een hoop gekken," hervatte Joost. "Wie het eerst een

Makassaar man tegen man te woord zal staan, hangt niet van ons, maar in

de eerste plaats van de Bevelhebbers der vloot en dan van onzen Kapitein

af. Maar, evengoed, alsof het eene weddenschap gold, zal ik jelui man en

paard noemen. Wie uwer heeft nooit gehoord van Willem IJsbrantsz.

Bontekoe?"

Willem IJsbrantsz. Bontekoe, wie zou van dien man nooit gehoord hebben?

Was er een matroos, die lezen kon, dan had hij "Journaal ofte

Gedenkweerdige Beschrijvinge van de Oost-Indische Reyse van Willem

IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn", gelezen, ja, de lotgevallen van dien

man waren reeds zóó algemeen bekend dat de uitdrukking: "Een reisje van

Bontekoe", als men eene ongelukkige reis gemaakt had, terstond door

ieder begrepen was. Dat boekje was onder het scheepsvolk hetzelfde, wat

later Robinson Crusoe voor de jongens werd. Het werd gelezen en nog eens

gelezen. Maar, men las toen ook al, zooals velen nu nog doen, zóó dat

men vergat, wat men gelezen had. Eene vertelling, vooral als Oude Joost

die deed, bleef veel vaster in het geheugen.

Het algemeene geroep was dus: "Ja, ja, Bontekoe kennen we!" terwijl

enkele lezers van dat boek er zelfs bijvoegden: "Maar die ging toch niet

voor bijen op den loop?"

"Neen, niet voor bijen," zeide Joost, "maar toen onze ongeluks-vogel

van een' Kapitein eindelijk op de thuisreis was, landde hij op het

eiland Madagascar. Hij en zijn volk werden door de inwoners zeer

vriendelijk ontvangen, doch op Bontekoe's vraag, of ze ook rijst te

koop hadden, liet de Koning antwoorden, dat ze geen rijst konden missen,

omdat de heele oogst door de sprinkhanen zoo goed als vernietigd was."

Garrit en Dirk lachten, en de laatste zei: "Och kom, sprinkhanen! Hoe

zouden die kleine beestjes den heelen oogst kunnen vernietigen? Dat is

toch immers niet waar?"

"Jelui kent geene andere dan die kleine, grauwe sprinkhaantjes, die bij

ons te lande door het gras hippen. Dat zijn geene sprinkhanen en die

onschuldige, vlugge diertjes doen zooveel kwaad niet. Maar de echte

sprinkhanen, wel een' mansduim lang en bijna even dik, wij noemden ze

thuis "koolhazen", dat zijn wat schadelijke beesten. Die aan de Kaap en

in heel Zuid-Afrika zijn nog grooter en komen soms bij duizenden en nog

eens duizenden aanvliegen. Dan kan het op klaarlichten dag zoo donker

worden, als midden in den nacht. Waar die dieren neerstrijken, daar

wordt, al wat blad of gras is, kaal gegeten. En voor zulk een' zwerm

sprinkhanen ging dezelfde Bontekoe, die voor de grootste gevaren niet

terug gedeinsd was, op de vlucht. Ze vlogen hem op het lijf, zoo

schrijft hij zelf, zoo dik, dat hij geen' adem halen kon. Toen hij

eindelijk bij den Koning van dat land kwam, die hem voor zijne hut zat

af te wachten, begon de Koning hartelijk te lachen en een' sprinkhaan

vangende, at hij hem levend op!"

"Bah! Wat een kost!" klonk het van verscheidene kanten.

"Maar Ouwe Joost heeft het verloren ook," riep Kreeft. "Ik heb gezegd

"bijen of andere dergelijke diertjes"; en wie heeft nu ooit bijen

gezien zoo groot als heele mansduimen?"

"Zoo, Kreeftje," sprak Joost, "zoo; maar ik heb liever met tien

sprinkhanen dan met ééne bij te doen. Eene bij kan venijnig steken, en

een sprinkhaan is zoo goed als weerloos. Maar, het komt er niet op aan,

hoor! Als ge meent, dat ik het verloren heb, dan neem ik van ganscher

harte, en altijd met goedvinden van den Kapitein, den eersten Makassaar,

man tegen man, voor mijne rekening."

"Als ge dat meent, dan zult ge al heel spoedig aan den slag kunnen gaan,

want we gaan er nu rechtstreeks heen. Op het Admiraalsschip wordt het

sein van vertrek gegeven! Komtaan, jongens aan den slag!" Dus sprak

Henri Quatre, die het gezelschap ongemerkt genaderd was en het laatste

gedeelte van het gesprek verstaan had. Spoedig waren de ankers gelicht

en onder een' heerlijken sterrenhemel en een' goeden wind werd de tocht

aangevangen.

Zoodra alles op orde was en dat deel van het scheeps-volk, hetwelk

geene wacht had, ter kooi zou gaan, zei Joost: "Hoor eens, mannen! Het

is wellicht de laatste maal, dat we allen zoo rustig bij elkander zijn.

Wat de dagen, die komen, geven zullen, de Heere weet het; wij weten het

niet. Laten we daarom te zamen nog eens een stichtelijk lied zingen."

"Dat is goed, Joost," zei Kreeft, "maar je haalt je toch geene

muizenissen in het hoofd?"

"Muizenissen, neen, dat niet, maar als men tegen een volkje als de

Makassaren optrekt, dan weet men wel, dat men er heengaat, doch het

wederkeeren is eene groote vraag. Ik verzeker je, het zal er geducht

spannen! En daarom jongens, komtaan, het tiende vers van den

achtenzestigsten psalm!"

Hij zette zelf dadelijk in en niet één onder de mannen was er, of hij

zong niet mede.

Het was een aangrijpend schoon gezicht daar al die ruwe mannen zoo in

ernst te hooren zingen, en nog plechtiger werd het, toen van de dicht

bij zijnde schepen hetzelfde lied door velen mede gezongen werd. De

Amboinneezen wisten niet hoe zij het hadden. Alleen het Opperhoofd

mompelde angstig: "Tampik soerak!"[26]

Kapitein Londenaar hoorde dat, en zeide hem dat dit der Christenen

avond-gebed was. Dit stelde den man wat gerust en deed hem ook met meer

aandacht naar de voortzetting van het lied luisteren.

Onder den indruk van dit lied begaven de meesten zich ter ruste, doch

Dolf, die niet mede gezongen had, omdat hij, daar hij Roomsch was, dezen

psalm, of althans die wijs niet kende, zeide tot Henri: "Ik had niet

gedacht, dat er onder die ruwe kerels nog zooveel vrome zielen gevonden

werden."

"Wat zal ik zeggen, mijn vriend," antwoordde Henri. "Zeevolk, vreemd

volk!"

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 32 / 49 题