Eene Joffer om een' Barbier.
De vloot, vier en dertig zeilen sterk, vertrok den achtentwintigsten Mei
van de eilandjes, die het Koninkrijkje Solor vormden, en zette koers
naar het Noordwesten. De tocht moest evenwel met alle omzichtigheid
plaats hebben, want in de nabijheid dezer eilanden zijn zeer veel blinde
klippen, en het was er in dien tijd nog verre af, dat zelfs geleerde
vreemdelingen onze zeekaarten prijzen konden. De meeste schippers
zeilden met geteekende kaarten en moesten die aan het einde der reis
weder terug geven. Men liet ze niet drukken uit vrees, dat andere
volkeren dan ook van deze kaarten zouden gebruik maken en gemakkelijk in
onze Koloniën komen.[27]
De vloot kwam echter gelukkig buiten de gevaarlijke zeeëngte en door
een' voorspoedigen wind geholpen, had men weldra het Saleyer-eiland, of
zooals het nu op de kaarten heet, Silajara, ten Zuiden van Celebes, en
niet zoo heel ver van het Rijk van Makassar, bereikt.
Er woei een flinke doorstaande oostenwind, zoodat de vaart vrij snel
ging. Vrij snel echter en ook niet meer. Bij de heele vloot was slechts
één schip, dat niets anders was dan een oorlogsschip. Het was de
"Mars" en de Bevelhebber van Dam was hier aanboord. De andere schepen
waren niet veel anders dan Oostindie-vaarders, die als oorlogsschepen
moesten dienst doen. Dat kon ook wel, want de onveiligheid niet alleen
in de Indische wateren, maar ook door onze voortdurende oorlogen met
Spanje, Portugal, Engeland, Zweden en Denemarken, op den Atlantischen
Oceaan en in de Europeesche wateren, was zóó groot, dat elke
Oostindie-vaarder zeer veel volk aanboord medenam, en ook zorgde
kanonnen, geweren, kogels en kruit te hebben om zich te kunnen
verdedigen, als men aangevallen werd. Zulk een Oostindie-vaarder was dus
meestal heel wat mans, maar toch had hij veel tegen. Men had die schepen
gewoonlijk al te zeer gebouwd met het oog op eene groote laadruimte, en
daardoor hadden ze inplaats van een' ranken, een' loggen vorm. Zóó
scherp bij den wind zeilen, dat de boeg het water, als het ware sneed,
was niet mogelijk. De boeg was er veel te breed voor en moest dus het
water wegduwen, waardoor zeer veel kracht van den wind verloren ging.
Dezelfde logge vorm was ook oorzaak, dat het schip zich niet gemakkelijk
wenden kon; het was traag in elke beweging en dat was in een zeegevecht
of bij een' aanval op kust-sterkten niet weinig in het nadeel.
Niettegenstaande de wind goed was en flink doorstond, had men aanboord
tijd genoeg om alles, wat men zag, goed op te nemen. Vooral had het volk
er veel schik in, dat er nu en dan een vliegende visch zich zien liet,
en enkele malen was het ook gelukt er een te vangen.
Terwijl Dirk en Garrit zoo naar vliegende visschen stonden uit te
kijken, riep Garrit opeens en wees naar eene plek niet verre van hem
af: "Kijk eens, Dirk, wat al visschen! Gauw, roep Ouwe Joost eens, dan
kan die ons zeggen, welke visschen dat zijn."
"Laat Ouwe Joost maar bij zijn werk," zeide de barbier, die daar in de
nabijheid was, "dat kan ik ook wel zeggen. Dat zijn tonynen en boniten!
Die visschen schijnen van gezelligheid te houden, want even als de
haringen zwemmen ze in groote scholen. Of ze onder mekaêr wel eens ruzie
hebben, dat zou ik niet kunnen zeggen, maar dat ze wel eens krijgertje
met mekaêr spelen, dat zie je, want een heel troepje springt zoo nu en
dan boven het water uit."
"Maar wat is dat toch, Meester?" vroeg Dirk en hij wees op eenigen
afstand naar een paar dingen, die boven het water uitstaken en
voortdreven. "Het gelijken wel plankjes op den kant."
"Rare plankjes, jongen," antwoordde de barbier lachend, "je zoudt er
niet heel veel van timmeren, als je er bij waart."
"Wat zijn het dan?"
"Dat zijn de rugvinnen van haaien, mijn jongen! Boven water zie je hun
lijf maar zelden, doch ze komen toch zóó dicht bij de oppervlakte, dat
de scherpe rugvin er boven uitsteekt. Er is daar een aardig troepje van
die vreeselijke dieren bij mekaêr. Ze hopen zeker op een' storm, die een
schip doet vergaan, dan hebben ze alweer wat te eten."
"En dat daar, Meester," riep Garrit, die nu weer in eene andere
richting wees, "dat is net als eene fontein!"
"Eene fontein is het toch niet, vriendje! Het is een walvisch!"
"Och kom, Meester, de walvisschen leven immers in de Noordelijke
zeeën," merkte Garrit aan. "Je moet ons niet wat wijs maken!"
"Ik maak je niets wijs, Garrit! Het zijn werkelijk walvisschen, en wie
je verteld heeft, dat die dieren alleen in de Noordelijke zeeën leven,
die weet er niets van. Ze leven in de Zuidelijke zeeën ook en in heele
scholen trekken ze soms den Atlantischen of den Stillen Oceaan door, om
uit de Noordelijke in de Zuidelijke IJszee te komen. Op dien tocht maken
ze bitter weinig haast en inplaats van rechtuit, rechtaan te zwemmen,
doen ze precies als de honden op de straat, en zijn nu hier dan daar.
Hier in de Moluksche zeeën komen ze veel voor, en het is eene bijzondere
soort, bekend onder den naam van potvisschen."
Het fluitje van den bootsman, dat nu op het oogenblik klonk, maakte aan
het gesprek een einde, want alle man werd het want ingestuurd om zoo
vlug, als het maar kon, alle razeilen te bergen. Men zag dat op al de
andere schepen ook doen en nauwelijks nog waren al die zeilen in de
lijken geslagen, of de vloot werd overvallen door een' hevigen
noordoostenwind.
"Hoe vreemd is dat nu," zeide Dolf tot Kapitein Londenaar.
"Niet zoo heel vreemd, mijn vriend! Dat gebeurt in de Moluksche zeeën
maar al te vaak. Op zijne tellen passen is hier zaak."
"Hoe komt dat zoo?"
"Ja, men vermoedt dat dit de oorzaak is. In de binnenlanden van het
Makassaarsche Rijk moeten hooge gebergten zijn. Op die bergen nu heeft
eene sterke warmte-uitstraling plaats, die eene verkoeling teweeg brengt
op de lucht, die op deze bergen rust. Die afgekoelde lucht nu wordt
zwaarder dan de onderste, die warm is en daalt snel naar beneden. Gij
zijt geleerder dan ik en zult dus wel weten, dat wind niets anders is
dan eene verplaatsing van warme en koude lucht. Doch stil, ik word
aanboord van de "Mars" geseind. Er zal zeker algemeene scheepsraad
gehouden moeten worden."
Henri Quatre werd nu gelast eene boot neer te laten en die te bemannen,
waarna hij Kapitein Londenaar naar het zoogenaamde Admiraalsschip
bracht, waar weldra de heele krijgsraad vergaderd was. In het eerst ging
het er in dien raad niet zeer ordelijk toe, wat misschien wel een gevolg
mocht heeten van den onverstandigen maatregel, dien men genomen had om
twee personen, beiden met hetzelfde gezag bekleed, aan het hoofd der
scheepsmacht te plaatsen. Gelukkig waren van Dam en Truytman nog al
inschikkelijk ten opzichte van elkander, en duurde het niet lang of de
beraadslagingen geschiedden in orde, en de besluiten werden zonder veel
geharrewar geregeld genomen.
Nadat men alzoo het plan voor den aanval op de stad, de versterking van
Makassar en de Portugeesche vloot ontworpen had, werd er ten slotte nog
besloten, dat de beide Admiraals met de schepen de "Breukelen" en de
"Mars" vooruit zouden stevenen om te trachten den Koning van Makassar
met vriendelijke woorden over te halen voortaan der Compagnie terwille
te zijn.
"Dan weet ik toch wel, wat het einde van het lied zal zijn," sprak
Kapitein Londenaar.
"Wat dan, Kapitein?" vroeg Admiraal Truytman.
"Wel, als ze dan de heele vloot daarginder ook in het gezicht krijgen,
dan laat de Koning u bij zich aan het Hof roepen; hij overlaadt u met
geschenken, bewijst allerlei beleefdheden en doet duizend beloften, de
eene al fraaier dan de andere. Hij, die complotten smeedt met den
Soesoehoenan van Java om al de Nederlanders uit den heelen Archipel te
verdrijven, is een slimme vogel, die meer met list dan met krijgsgeweld
gedaan krijgt."
"Wij weten, Kapitein," dus begon nu Johan van Dam, "dat die Sultan of
Koning van Makasser dat verraderlijk plan koestert en er zelfs heel veel
verwachting van heeft. Was den Gouverneur-Generaal dat plan niet bekend
geworden, dan zouden wij hier niet met zulk eene groote vloot zijn om
dat rumoerige en valsche heerschap eens goed op zijn nummer te zetten. U
begrijpt dus wel, dat wij ons door hem geene knollen voor citroenen in
de handen zullen laten stoppen. Bovendien, als Landvoogd van Amboina,
waar ik lang genoeg geweest ben, geloof ik, dat ik meer gelegenheid had
om achter de schermen te kijken, dan een zeeman, die hier tamelijk
vreemd in deze streken is."
Niet uit het veld geslagen door den hoogen toon, dien van Dam aansloeg,
zeide nu IJzeren Neptunus kalm: "Heer van Dam houde het mij ten goede,
dat ik nog eens het woord neem. Ik verdenk u niet van domheid, maar ik
meen zoo, dat de knapste kop van de wereld niet instaat zou zijn om uit
te maken of het "ja" van den Koning gemeend of niet gemeend is, als hij
dat woord uitspreekt in het gezicht van eene vloot van vierendertig
schepen."
"Hierin moet ik Kapitein Londenaar gelijk geven," zeide een der andere
Scheepskapiteins.
"En wat zoudt gij dan meenen, dat er gedaan moet worden, Kapitein
Londenaar?" vroeg Admiraal Truytman, die wel een weinig korzelig was,
dat een der beste Scheepskapiteins zoo uit de hoogte neergezet was
geworden. "Ik hecht heel veel waarde aan uw' raad, want ik weet, dat
gij een praktisch en moedig man zijt. Wij kennen den IJzeren
Neptunus."
"Als ik een' raad geven mag, dan zal het deze zijn: Heer Johan van Dam
als Landvoogd van Amboina, en Heer Truytman als Admiraal der
Oost-Indische Compagnie zeilen vooruit met twee of drie schepen, en...."
"Is het dan Kapitein Londenaar in het hoofd geslagen?" riep een jong
Kapitein uit, die de Gezagvoerder van de fluit "Edam" was. "Dat is
immers al aangenomen? Ik dacht niet dat de gewezen Stuurman van de
"Leerdam" aan het suffen was. Het blijkt evenwel dat dit toch het geval
is, anders zou hij niet zoo onbeholpen uit den hoek komen."
IJzeren Neptunus keek den jongen man aan en zeide zoo bedaard mogelijk:
"Zoolang de Kapitein van de fluit "Edam" zich nog op de zeekaarten
den weg moet laten wijzen door zijn' Tweeden Stuurman, zoolang moest
dezelfde Kapitein in een' krijgsraad het niet wagen om een' gewezen
Eersten Stuurman op hoogen toon de les te lezen, en moest hij tenminste
zooveel weten, dat hij het woord niet neemt vóór een ander uitgesproken
is." Hierop wendde Kapitein Londenaar zich tot de twee Bevelhebbers en
zeide: "En als u dan met uwe schepen vooruitzeilt, dan kiezen wij zee,
om uit het gezicht van den vijand te zijn."
"En zorgen vooraf dat er nu al geene verklikkers vooruitgaan om den
Koning te vertellen, dat we hem foppen," zei Truytman en wees door een
raam van de kajuit, waarin de raad gehouden werd, naar buiten.
"Dat zijn twee Chineesche jonken! Zij hebben ons gezien en houden nu met
alle macht van de vloot af. Wij moeten jacht maken op die schelmen,"
sprak van Dam.
"Dat wordt al gedaan, zie ik," zeide de Kapitein van de "Breukelen"
en wees op eenige zeilbooten, die de zware jonken met vlugheid nazaten.
"Het is de vraag of men ze nog krijgen zal," meende van Dam. "De
Chineezen zijn wakker zoowel op het land als op het water."
"In alle gevallen wordt op het oogenblik het beste gedaan, wat er gedaan
kan worden," zeide Truytman. "Halen de onzen de jonken in, dan zullen
ze die schelmsche Chineezen wel meevoeren. Halen zij ze niet in, welnu,
dan in vredesnaam. Maar om op het voorstel van Kapitein Londenaar terug
te komen, mij dunkt, dat is zoo kwaad niet bedacht."
"Zoo kan alleen een held als Admiraal Truytman spreken," zeide nu de
jonge Kapitein van de "Edam" met vleiende stem. "Maar ik ben er
tegen, en ik zal duidelijk maken waarom. Terwijl wij in zee zijn, slaan
ze u en al de onzen dood en maken de schepen prijs."
"U schijnt al heel weinig ondervinding te hebben van Makassaarsche
zaken, Kapitein," antwoordde Truytman, die een veel te flink zeeman was
om het niet onaangenaam te vinden, dat dit jonge kereltje, die door
gunst van een' der Heeren Bewindhebbers Kapitein van eene fluit geworden
was op een' leeftijd, dat een ander nauwelijks voor derden stuurman
vaart kon krijgen, nu hier in den krijgsraad eene borst zette, alsof hij
wijsheid en moed in pacht had. En daarom vervolgde hij snijdend scherp,
ja, beleedigend: "U voegt het in deze zaak alleen te hooren en dan te
doen, wat er besloten is, want raad geven kunt gij niet, daar ge nog
nimmer in deze streken geweest zijt. Het is volkomen waar, wat Kapitein
Londenaar zeide, dat de Koning van Makassar een uitgeslapen slimmerd is,
die de huik heel aardig naar den wind weet te hangen. Hij weet zeer goed
dat de tijd voor hem nog niet gekomen is om handelend tegen de Compagnie
op te treden, en dat hij, door ons aan te vallen, zijn heele plan in
duigen werpen zou. Wat u dus daar zegt, dat hij die twee schepen nemen
en de onzen dooden zal, raakt kant noch wal. Zijne heele kracht en al
zijne macht zitten in zijne slimheid. Ik weet zeker dat er voor ons geen
gevaar bestaat. Ja, al toonden wij terstond onze tanden en gingen
gewapenderhand te werk, dan nog zou er voor ons leven in de eerste dagen
geen gevaar bestaan. Ik stel dus voor dat wij, Heer Johan van Dam, als
Landvoogd van Amboina, en ik, als Admiraal der Compagnie, met de "Mars"
en de "Breukelen" vooruitzeilen om te beproeven, wat we gedaan kunnen
krijgen. De andere tweeëndertig zeilen kiezen zee, doch zorgen over twee
dagen, geheel slagvaardig bij het eiland Tanah-kéké[28] te liggen. Wij
komen dan zelven daar bericht van ons wedervaren brengen, of sturen eene
boodschap. Wie heeft hierin nog wat te zeggen?"
Niemand antwoordde.
"Welnu," sprak toen Heer van Dam, "wij zullen het dan als eene
aangenomen zaak beschouwen. Maar nu kom ik ook nog met een verzoek. De
"Mars" waarop onze Admiraals-vlag waait, is een oorlogs-jacht en wél
bewapend, dat is zoo. Ik zal het niet tegenspreken. Maar ik wilde toch,
ziet ge, ik wilde...."
Heer van Dam viel in eene gemaakte hoestbui en al de anderen zagen
elkander lachend aan.
"Als u soms meent dat twee schepen toch te weinig zijn, Heer van Dam,
dan kunnen we nog altijd ons besluit intrekken en een ander nemen,"
sprak nu Truytman, die meende dat van Dam twee schepen toch wel wat
weinig vond, maar aarzelde om dat te zeggen, omdat men dan mogelijk aan
zijn' moed zou twijfelen.
Dat woord scheen te helpen.
"U verstaat mij verkeerd, of liever, ge legt mijn stotteren verkeerd
uit, Admiraal!" zeide nu van Dam. "Zie, ik ben wel lang op Amboina en
heel lang uit Nederland geweest, maar de warmte van de Indische zon
heeft er daarom den Hollandschen moed nog niet uitgebraden, en ik beloof
u dat ik, als we van leer trekken, toonen zal dat van Dam wel groote
woorden spreekt, maar ook groote daden verricht."
Truytman bloosde en antwoordde verlegen: "Ik verdenk u niet van
lafhartigheid, goede vriend! Maar uwe zonderlinge rede deed me denken,
dat er iets in het besluit tegen uw' zin was. Ik bid u daarom, als ge
wat op het gemoed hebt, dat ge dan vrij spreekt, en wat ge ook
voorstellen moogt, niet één onzer zal u ook maar een enkel oogenblik van
lafhartigheid verdenken. Ik bidde u, spreekt dus."
"Welnu, ik ben begonnen met A te zeggen, ik zal voortgaan tot Z. Eenigen
tijd geleden is Heer Simon Cos, Landvoogd van Ternate gestorven."
"Dat weet ik," zeide Truytman. "Hij stierf te midden van het hoogste
geluk; want hij was nog jong en pas geleden gehuwd met het liefste en
mooiste vrouwtje, dat ik ooit gekend heb. Het leven is als eene bloeme
des velds overal, maar hier in de Oost met die verraderlijke
ingewandsziekten en dikwerf ook nog vele andere, is dat nog veel meer
het geval. Heer Simon Cos was al heel schielijk uit zijn' tijd. Maar
Heer van Dam houde het mij ten goede, dat ik hem eerlijk verklaar, dat
ik niet weet, wat de schoone weduwe Cos met de Makassaarsche zaken te
maken heeft."
"U zal dat weten, Admiraal, en de andere Heeren zullen het nu ook
weten," zeide van Dam, "want eigenlijk valt de zaak toch moeielijk om
nog langer geheim gehouden te worden. De jonge weduwe van vriend Cos
kwam op Amboina aan, Heeren! Ik leerde haar daar kennen, en ...."
Hier hield hij weer een oogenblik op, alsof hij verlegen was met de zaak
voort te gaan.
"U maakt ons nieuwsgierig, Heer Landvoogd," sprak een Kapitein.
"Hoe is het verder met haar gegaan?"
"Het kwam ten laatste zoover, dat wij elkander trouw beloofden. Maar zoo
lang ik nog Landvoogd van Amboina ben en zoo dag aan dag in allerlei
zaken zit, kan ik aan geen huwen denken. Ik heb daarom met haar
goedvinden besloten haar naar Batavia te zenden. De Gouverneur-Generaal
is, zooals ge weet, een mijner beste vrienden, en ik stel haar onder
zijne bescherming tot mijn diensttijd als Landvoogd verstreken is. Dan
ga ik ook naar Batavia en huw haar!"
"Goede vriend," zeide Truytman en stak van Dam de hand toe, "wees dan
langer jaren gelukkig met haar dan de arme Simon Cos was. Maar u moet
het mij niet euvel duiden, dat ik nog niet inzie, wat deze zaak met ons
besluit te maken heeft. Wees zoo goed en leg dat eens uit."
"Dat zal ik," vervolgde van Dam. "Deze weduwe is hier op de
"Mars" aanboord en zij bewoont de hut, die anders voor mij bestemd
was geweest."
"Ha, nu begrijp ik waarom gij u met de ellendigste hut van de "Mars"
tevreden steldet!" zeide Admiraal Truytman. "Ik wist waarlijk niet dat
de "Mars" zulk eene eêle lading in had. Nu zou u zeker voor de
"Mars" liever een ander schip nemen, om haar buiten alle mogelijke
gevaren te houden en de "Mars" dadelijk naar Batavia willen zenden!"
"Gij raadt het niet, Admiraal," hernam van Dam. "Neen, de
"Mars" is, als het er op aankomt, het eenige schip, dat geheel ten
oorlog uitgerust is. Wij kunnen het niet missen. Maar als wij nu te
Makassar aankomen, wij, de "Mars" en de "Breukelen", en het gaat
eens niet naar wensch, alles kan gebeuren, welnu, dan moeten we kunnen
toonen, dat we bijten durven. Die vrouw nu zou ons misschien in onze
bewegingen belemmeren. En daarom heb ik nog dit voorstel te doen. De
weduwe van den Heer Cos gaat nu over aanboord van een der andere schepen
en blijft daar, ook als het later tot een gevecht komt. Bij den
hoofdaanval met vierendertig zeilen zal zij ons niet in den weg zijn;
zij is eene Hollandsche vrouw. Maar waar we het er op wagen, met twee
schepen op slimme manier ons doel te bereiken, daar kon het toch wel
eens gebeuren, dat de overmacht ons te groot werd. Zónder die vrouw zou
ik kunnen zeggen: "Liever de lucht in dan gevangen!" Of ik het ook
zeggen zou mét die vrouw aanboord, dat durf ik niet verzekeren."
"Heer van Dam, laat de schoone weduwe aanboord van de "Edam" komen
en ik zal haar tegen tienduizend vijanden beschermen," riep de jonge
Kapitein en zette bij voorbaat een gezicht, alsof er tenminste al
vijfduizend vijanden voor hem op den loop gegaan waren. "Ik ben van
oud-adellijke afkomst, en een mijner Stamvaders, die onder Hertog
Godfried van Bouillon den Eersten Kruistocht mede maakte en na den
dapperen Hertog het eerst op de muren van Jeruzalem stond, had tot
wapenspreuk: "Trouw aan de vrouwen en het zwaard!" Hij sloeg met de
vlakke hand tegen de borst en riep nu, bijna kraaiend van dapperheid:
"En ik, zijn nazaat, heb dezelfde spreuk."
"Zoo iets heb ik precies bij ons te Amsterdam in den schouwburg hooren
zeggen," zeide een oud Scheepskapitein zoo leuk voor zijn' neus weg.
"Ze gaven den Gijsbreght van Aemstel, en de Ridder, die voor van
Egmond speelde, zag er uit, alsof hij de heele wereld aandurfde en
zeide ook, dat kwam zoo in het stuk te pas, weet je,
"Zoo yemant streeft na eer, ick toon hem 't rechte pad."
Dat was heel mooi gezegd en hij sloeg op zijn borstharnas, dat ik dacht,
dat voel je man! Maar een held ben je! Dan, den volgenden dag langs
straat slenterend, zag ik dienzelfden dapperen man op den loop gaan voor
een keffend hondje! Het was grappig!"
"Zulk een lafaard ben ik niet," riep het jonge Kapiteintje, "en je
zult zien dat...."
"Gij voor geen honderd honden op den loop gaat? Ik mag het lijden,"
zeide de oude Kapitein zonder zich om den jongen man te bekommeren.
"Stil, stil, geen gekibbel," sprak nu van Dam en wendde zich tot den
jongen Kapitein met de woorden: "Vriendelijk dank voor uw aanbod,
Kapitein! Ik heb een ander op het oog. IJzeren Neptunus, mag ik met u
een ruiltje leggen?"
"Met mij een ruiltje leggen, Heer van Dam? Ik begrijp u niet," sprak
Kapitein Londenaar verlegen.
"Ik zal het u uitleggen. Gij hebt aanboord twee gewezen studenten, die
al lichtelijk wat van de medicijn-kist weten. Onze scheepsbarbier is
onderweg gestorven, en nu vraag ik u de weduwe Joffer Cos te ruilen
tegen Meester Pruymius. Wees gij haar Ridder tot de Makassaarsche zaken
aan een' kant zijn, tenminste tot het eerste gedeelte ervan afgeloopen
is. Dan kunnen wij opnieuw ruilen. Kunt ge in dien voorslag treden?
Mogelijk hebt ge vermoed, dat ik iets tegen u had, doch dit is zoo niet;
ik ben geen voorzichtig redenaar en verspreek mij wel eens. Heb ik u
evenwel beleedigd dan wil ik het openlijk goedmaken, en daarom nog eens:
Wilt ge Joffer Cos bij u aanboord nemen en als Ridder terzijde staan?"
Kapitein Londenaar was een wakker man en zag dikwijls zeer diep. Nu
echter liet hij zich om den tuin leiden door van Dams rondborstig woord
en daarom zeide hij, en hij sprak zijne woorden zelfs eenigszins zoo,
dat de oude Scheepskapitein onwillekeurig alweer aan den tooneelheld,
van Egmond, dacht: "U zal Meester Pruymius hebben, Heer van Dam en ik
zal Joffer Cos beschermen. Een man, een man; een woord een woord."[29]
"Dat hadt ge niet gedroomd, IJzeren Neptunus, toen ge als Stuurman met
de "Leerdam" uit het Vaderland vertrokt, dat ge op de "Koning van
Polen", hier in de wateren van Makassar, als Ridder van eene weerlooze
vrouw zoudt optreden. Het is met u gegaan naar de lijfspreuk van onzen
dichter Brederoô: "Het kan verkeeren." Nu, man, de Oost-Indische
Compagnie heeft wel Kapiteins, die met hun vieren niet tegen u alleen
opwegen," zeide Admiraal Truytman, en zich hierop tot al de aanwezigen
wendend, vervolgde hij: "En nu, mannen, gijlieden weet, wat er besloten
is. Ik weet niet of we binnen een paar dagen alweer algemeenen
krijgsraad zullen kunnen beleggen. Daarom zeg ik nu, wat ik nog op het
hart heb. Volbrengt nauwkeurig de bevelen, die u van het Admiraalsschip
gegeven worden. Spreekt allen uw volk moed in en toont ten allen tijde
en in alle gevallen, dat de Oost-Indische Compagnie misschien onervaren
Scheepskapiteins kan hebben, maar lafaards niet één! Leve de
Oost-Indische Compagnie!"
Vol geestdrift werd dat geroep beantwoord en een half uurtje later
bevonden al de Kapiteins zich in hunne booten en lieten zich naar hunne
schepen brengen.