Een koningsmiddel.
Door den overvloedig gevallen regen hadden ze de leggers thans vol met
heerlijk regenwater. Levensmiddelen waren in overvloed aanboord en aan
andere zaken had men geen gebrek. Daarom stelde de nieuwe Kapitein voor,
omdat men toch al zooveel ten achteren was, de Kaap maar niet aan te
doen, en, gebruik makende van den gunstigen wind, liever rechtuit naar
Batavia te zeilen. Toen ieder overtuigd was, dat men terwille van water,
levensmiddelen of wat anders niet gedwongen was eene haven op te zoeken,
werd Londenaars voorstel aangenomen en het gevolg daarvan was, dat men,
na zóóveel ondervonden te hebben, slechts zes weken later te Batavia
aankwam dan de "Nieuwpoort", waarmede men uitgezeild was.
De komst op de reede van Batavia van eene Portugeesche karveel onder de
Prinsen- of Statenvlag verwekte daar groote verwondering, en eer de
Javaansche kadraaiers[19] aanboord waren, was de Fiskaal er reeds met
zijn gevolg om het schip en de lading te onderzoeken, en te zien of er
ook iets te vinden was, waarvan de Compagnie den invoer had verboden.
Het spreekt vanzelf dat Kapitein Londenaar terstond alles mededeelde van
hetgeen er met de "Leerdam" gebeurd was, en hoe het kwam dat eene
Portugeesche karveel den naam gekregen had van "De nieuwe Leerdam".
Nadat het onderzoek natuurlijk bevredigend afgeloopen was, ging de
Super-carga met den Fiskaal aan wal. Al de anderen moesten blijven waar
ze waren; niemand mocht het schip verlaten.
"Kijk eens, kijk eens, Garrit, wat rare luî komen daar aan in die kleine
bootjes!" riep Dirk en wees op eenige kadraaiers, die met elkander en
lang niet altijd op eene vreedzame manier, schenen te wedijveren wie het
eerst bij het schip zou zijn.
"Dat zijn Chineesche kadraaiers, jongens," zeide Ouwe Joost. "Als
je nu maar een' vollen buidel hebt, dan is het goed. Dan kunt ge aan
den koop!"
"Ik ga mijne borre halen!" riep Dirk.
"En ik ook," zei Garrit.
Lachend zag de oude matroos de twee jongens na en zeide: "Als ik niet
oppas en een oogje in het zeil houd, dan koopen ze zich aan allerlei
ontuig ineens arm. Ik ken die afzetters!"
Garrit en Dirk waren juist met hunne geldbuidels, of zooals zij deze
noemden, borren, terug toen de eerste Chineezen met hunne waar beneden
bij het schip gekomen waren.
"Hoort eens, mannen," sprak nu Kapitein Londenaar, "ik zal een
paar van deze kerels aanboord laten komen. Maar, betaalt niet wat ze
vragen! Ze overvragen erg. Dingt gerust de helft af en koopt toch niet
al te veel fruit; want wie dat hier veel eet, krijgt eene ziekte in de
ingewanden en moet zijne gulzigheid meestal met den dood bekoopen!"
"Meester Troost der Armen is er toch nog en die zal ons wel zóó
inzalven, dat we er geen hinder van hebben, Kapitein," riep een matroos,
en zoodra een der Chineezen aanboord was, liep hij er heen en haalde
twee groote water-limoenen en vier pisangs uit zijne mand, en betaalde,
dom genoeg, wat de slimme Chinees er voor beliefde te vragen.
De kooplieden waren weldra zóó door het volk omringd, dat de Twee Vromen
er niet bij konden komen, en terwijl ze hierover stonden te klagen,
kwam Ouwe Joost bij hen en zei: "Hebt maar geduld, jongens! Er komt nog
meer van dat volk, en als je mij laat koopen, dan heb je alles voor een
bagatel en bovendien puike waar. Ik weet er mee om te springen!"
Half onwillig lieten Garrit en Dirk zich overhalen, geduld te oefenen.
Zij voelden het water in hun' mond komen, als ze zagen hoe hunne makkers
in de heerlijke, sappige vruchten beten.
Reeds drie kadraaiers hadden al hunne vruchten verkocht; want Kapitein
Londenaar mocht waarschuwen zooveel hij wilde, de meesten sloegen zijn'
goeden raad in den wind en verslonden de eene vrucht na de andere.
Eindelijk schenen ze hunne bekomst te hebben, althans toen een vierde
kadraaier aanboord kwam, waren er maar weinig liefhebbers meer.
"Nu is het onze beurt, jongens!" zei Ouwe Joost. Hij haalde een paar
groote limoenen uit de mand, bekeek ze eens, rook er eens aan en legde
ze toen weer met een verachtelijk lachje neer.
"Bah, wat een uitschot!" zei hij in gebroken Maleisch. "Hoeveel
durf je nog voor die dingen vragen?"
De koopman noemde eene som en Ouwe Joost bood juist het derde deel.
"Je hebt goed slag van afdingen," zeide Dolf, die er bij stond en nog
niets gekocht had, omdat hij de eenige aanboord was, die geen geld had.
Hij wist wel, dat Kapitein Londenaar zorgen zou, dat de Compagnie hem
betalen zou voor het werk, dat hij verricht had, als matroos en als
Stuurman; hij begreep ook wel, dat er nog wel wat extra's op
overschieten zou ook, maar, hij was te trotsch om voorschot te vragen op
eene gage, die ze hem niet behoefden uit te betalen, omdat hij niet op
de monsterrol vermeld stond. Zijn vriend de bootsman was niet aanboord,
want die bracht den Super-carga aanwal. Hij zou spoedig terugkeeren en
misschien dat Dolf dan hem om geld zou vragen.
"Je zult zien," antwoordde Ouwe Joost, "dat ik ze voor dat geld
krijg." Hij deed alsof hij weg wilde gaan.
Zoo was het evenwel door den Chinees niet gemeend. Hij liep hem na,
verminderde steeds den gevraagden prijs en eindigde met de twee
heerlijke limoenen te verkoopen voor een prijsje, waarvoor de haastige
koopers geen uitschot hadden gekregen. Ja, Joost wist het zóó aan te
leggen, dat hij er nog twee grootere bij kocht voor nog minder geld.
"Vooreerst genoeg, jongens," zei hij. "Morgen komt er weer een dag.
Weest maar niet ongerust, dat ze vandaag uitverkocht zullen zijn."
"Voor ieder maar één?" riep Garrit verwonderd. "Of is die vierde
voor Dirk en mij?"
"Neen, niet voor u en niet voor uw broêr," sprak de matroos, en de
mooiste limoen Dolf toereikend, zei hij: "Hier, man! Gewezen boeven
hebben geene duiten. Het geld krijg ik later."
Dolf aarzelde de vrucht aan te nemen en kreeg eene kleur.
"Nu, bloos maar niet als een ijdeltuitig jofferken," riep Joost
lachend. "Denk je dan dat wij niet weten, dat je geen geld hebben kunt.
Als de Sinjeur, de Super-carga, afrekent, zult ge ons beschaamd zetten.
Koop er dan een voor mij, Dolf, en eet nu deze van mij op! Weinig, maar
uit een goed hart, man!"
"Je kunt en moogt veel zeggen, brave vriend," sprak Dolf, geroerd over
den hartelijken eenvoud van den grijzen zeerob. "Ik neem deze vrucht in
dank aan!"
"Dat begreep ik ook wel," hernam de matroos, "en gij, Garritje,
je bent bang dat je er aan één niet genoeg hebt, he? Wacht maar een
uurken, dan zult ge blij zijn, dat ge er geen twee op hebt."
"Hei, hei, nieuwe Dokter," riep Meester troost der Armen, die alles
verstaan had. "Ik ben nu Dokter en ik mag dus een woordje mede spreken,
maar ik zeg, dat ik er nog nooit last van gehad heb, als ik vijf of zes
limoenen achter mekaêr opat. Ik heb er nu eens acht opgegeten en...."
Meester Troost der Armen zweeg opeens, trok een pijnlijk gezicht en
legde de hand op zijn' buik.
"En nu komt het appelmanneke al om zijn geld! Gauw, meester! Ga nu maar
als de wind zoo vlug in een vat troost der armen liggen," riep Ouwe
Joost lachend.
De scheepsbarbier hoorde niet meer, wat de matroos zeide, maar
verwijderde zich zoo schielijk, als hij maar kon.
Tusschen al die bedrijven door was Henri Quatre met de sloep
teruggekomen. Zijne bootsgezellen kochten den kadraaier ledig en deze
maakte zoodoende nog goede zaken.
Een half uurtje later kwam een matroos naar den Kapitein loopen en riep:
"Kapitein, de scheepsbarbier ligt op zijn uiterste. Hij leeft geen uur
meer!"
"Dadelijk naar de stad om hulp te halen," beval de Kapitein, die
vreesde, dat er wel meer zieken zouden komen.
Ouwe Joost, Dirk, Garrit en Henri Quatre, die geen van allen te veel
gegeten hadden, roeiden naar de stad en waren zoo gelukkig Meester
Hermanus Benedictus, den scheepsbarbier van de "Nieuwpoort", mede te
krijgen. Deze begreep wel, wat er gaande was, en nam alvast eene goede
hoeveelheid van een zeker medicament mede om dat de zieken in te geven.
Deze Hermanus Benedictus was de zoogenaamde Meester Jonas, die bij
Meester Troost der Armen zoo slecht aangeschreven stond, omdat men van
den man vertelde, dat hij alles met rabarber wilde genezen. Dit nu was
in het geheel niet waar, ja, de man moet zelfs voor zijn' tijd een zeer
knap geneesheer geweest zijn, want zijn naam wordt met veel lof genoemd.
Zoodra hij aanboord kwam en zag hoe Meester Troost der Armen zich van
pijn in elkander wrong, zei hij: "Jawel, jawel, de pisang-poppekens zijn
aan het dansen en de limoen-joosjes spelen de fluit erbij! Slikken
maat!"[20]
Hij zette hem eene spoelkom vol krachtige medicijnen aan den mond, doch
de zieke weigerde ervan te gebruiken.
"Och, staat me eens een oogenblik bij, mannen," sprak Meester
Benedictus enkele matrozen toe, en dezen waren daartoe dadelijk bereid.
De eerste hield het rechterbeen van den zieke beet, en de tweede het
linker. Twee anderen belastten zich met zijne armen. Henri Quatre trok
hem achterover en hield hem op den rug, en Kapitein Londenaar kneep met
zijne fijne handjes den brullenden scheepsbarbier den neus dicht, en
telkens, als deze gaapte, goot Meester Benedictus hem den mond vol. Zoo
kwam de gansche inhoud van de spoelkom terecht in het lijf van den
zieken scheeps-barbier, en dit scheen zijn behoud te zijn; want spoedig
kwam hij tot rust en reeds twee dagen later was hij instaat zijne kooi
te verlaten. Een paar matrozen evenwel hadden hunne gulzigheid met den
dood moeten bekoopen.
Intusschen werd het schip gelost en naar het eiland Onrust gebracht waar
het tot nadere bevelen moest blijven liggen. Men had ook goed gevonden
het geheel te verbouwen en het volk op een ander schip eene reis te
laten doen. Dat schip was er echter nog niet, en tot zoo lang bleef de
heele bemanning aanboord van "De nieuwe Leerdam".
Eén enkele maal was de Gouverneur-Generaal, die toen een man was van
ruim vijftig jaar, op het schip geweest en had bij die gelegenheid
gezegd, dat hij van den Super-carga vernomen had, dat al het volk zich
zoo cordaat had gehouden. Als eene belooning voor die goede diensten
wilde hij hen allen bij elkander houden. Kapitein Londenaar zou
Kapitein blijven en Dolf zou eene aanstelling krijgen als Stuurman. Van
zijn' neef sprak hij niet, en alleen in het voorbijgaan keek hij hem aan
en zei: "U is bootsman Willem van Aspervelde?"
Henri Quatre boog zeer beleefd en zeide: "Om u te dienen, Heer neef! Ik
ben jonker Willem van Aspervelde."
De Gouverneur-Generaal scheen het niet prettig te vinden aldus
aangesproken te worden, doch bemoedigend en alles behalve onvriendelijk
zeide hij: "Laat dat "neef" voorloopig nog maar weg, bootsman! De
Regeering heeft uitnemende rapporten van u ontvangen, en zoo ik hoop en
vertrouw, zult ge er geen berouw van hebben andermaal in Indië
aangekomen te zijn. Als gij er lust in hebt, zal ik zorgen dat gij als
Kapitein een schip krijgt. Wilt ge op eene andere wijze uw geluk
beproeven, laat mij het weten en ik zal u gaarne voorthelpen!"
Zonder meer te zeggen verwijderde hij zich, doch eer het avond was, had
Willem van Aspervelde zijne aanstelling als Opper-stuurman bij de
Compagnie.
Zoo brak de drieentwintigste Januari aan, en aan den avond van dien dag
zeide Meester Troost der Armen, dat hij zijn' collega Meester Benedictus
eens ging opzoeken om hem dank te zeggen voor de goede behandeling. Als
belooning daarvoor wilde hij hem het recept geven van zijne kostbare
zalf "troost der armen" en tegelijkertijd deed hij er twee groote
Keulsche potten van die zalf bij. Garrit en Dirk waren wel zoo goed
ieder een' dezer potten te dragen.
Meester Troost der Armen stapte heel deftig vooruit. Hij moest hier te
midden van al dat vreemde volk zijne waardigheid toch ophouden! Meester
Petrus Pruymius, zijn ware naam was Pieter Pruym, moest toch toonen, dat
hij aanboord van een schip der Compagnie geen kwâjongen was. Hij had
zich daarom heel deftig aangekleed en voor deze gelegenheid een' degen
aangegespt. Toevallig hing die aan zijne rechterzijde, omdat Meester
Pruymius links was.
Nadat ze reeds een heel eind waren voortgeloopen, zeide Dirk: "Meester,
ik zou wel eens wat willen rusten! Ik word moede van mij door het
gedrang te wringen. Hoe komt het toch dat het vandaag zoo bijster drok
is?"
"Ja, die Chineezen gelijken wel gek," meende Garrit.
Meester Pruymius zocht een stil plaatsje uit en zeide: "Rust hier dan
wat, jongens! En die drukte? Welnu, het is vandaag Nieuwjaarsdag voor de
Chineezen."
"En waar ergens woont Meester Benedictus?" vroeg Garrit. "Zou het nog
ver loopen zijn?"
"Ja, jongen, dat weet ik niet; maar een man als Meester Benedictus
zullen ze hier toch wel kennen. Ik zal het eens aan dien vroolijken
Chinees vragen." Hij ging hierop naar een' Chinees, die zich in een
buffelhuid gestoken en zijn gezicht geel en groen geverfd had. Evenals
zoovele andere Chineezen had deze man zich bij gelegenheid van
Nieuwjaarsdag verkleed en zeker ook wel wat anders gedronken dan slappe
thee.
Meester Pruymius hield hem staande en vroeg in eene taal, die hij
Maleisch noemde: "Mana doekoen Benedictus ajar?"
De Chinees keek den man eens aan, haalde de schouders op, lachte, maakte
een' luchtsprong en liep naar een paar andere Chineezen, die onze drie
vrienden ook eens even aankeken en toen lachend verder gingen.
"Wat heeft u toch gevraagd, Meester?" vroeg Dirk.
"Wel, ik vroeg dien knul in best, heel best Maleisch, waar Dokter
Benedictus was, maar die snoeshaan scheen alleen zijn eigen
Koeterwaalsch te verstaan. We zullen nu maar...."
"Meester, meester, kijk eens wat eene beweging! Wat zou dat zijn?" zei
Garrit opeens.
"Wat loopen ze!" riep Dirk. "Ze schijnen te vluchten!"
Ons drietal ging nu op een' hoop steenen staan om te zien, wat er
gebeurde.
Gillend en schreeuwend kwamen Chineezen, Javanen en enkele Blanken
aanloopen. Ze werden achtervolgd door een' man, die bijna geheel
naakt was en een groot mes zwaaide.
[Illustratie]
Eene der vluchtende vrouwen, door hem ingehaald, stak hij koelbloedig
dood en rende toen weer verder, achtervolgd door eene menigte
gewapenden, die zoo luid mogelijk schreeuwden: "Amok! Amok!"
"O wee!" riep Meester Pruymius, "dat is een amok-maker!" en
hierop zijn degen losgespende ging hij aan den haal zoo hard hij
kon.[21]
Garrit volgde het voorbeeld van den dapperen Dokter en liet den
Keulschen pot in den steek. Ook Dirk wilde op de vlucht gaan, doch het
was, alsof zijne voeten aan den grond vastgegroeid waren. Hij kon niet
van zijne plaats af en zag zijn' broeder en den scheepsbarbier weldra in
de vluchtende menigte verdwijnen.
Daar naderde de vreeselijke man. Het was akelig om dat verwrongen
gezicht en die vreeselijke, dreigende bewegingen te zien. En niet zoodra
kreeg de amok-maker den armen verslagen jongen in het oog, of hij kwam
woedend op hem af.
Dirk beproefde alweer te vluchten; maar hij kon niet.
Het angstzweet liep met stralen langs zijne wangen.
Nog eenige stappen en....
In dat vreeselijk bange oogenblik liet Dirk een' schreeuw hooren, zoo
akelig, dat hij zelf ervan schrikte, en niet wetend, wat hij deed, smeet
hij met de kracht der wanhoop, den Keulschen pot met zalf op goed geluk
af naar het hoofd van den waanzinnige.
En ziet eens aan, als een tweede David trof hij dien kerel zóó goed
tegen den linkerslaap van zijn voorhoofd, dat hij achterover sloeg en
bewusteloos neerviel. Van dat oogenblik maakte Dirk gebruik om den
woesteling het mes uit de hand te rukken. Doch de kerel kwam spoedig
weer bij en reeds was hij gereed zich op te richten, toen Henri Quatre,
Dolf en IJzeren Neptunus kwamen aansnellen en hem geheel onschadelijk
maakten. De handdruk, dien IJzeren Neptunus dien kerel gaf, was zóó
hartelijk, dat hij hem den pols ontwrichtte. Terstond kwam het
vluchtende volk terug en wie gezien had, wat Dirk had gedaan, sloeg den
opgeschoten, baardeloozen knaap met bewondering gade. Ieder meende in
hem een' held te zien, en het scheelde niet veel, of hij werd door de
menigte met gejuich rondgedragen. IJzeren Neptunus zag evenwel zeer
goed, dat de knaap zich overspannen had en nam hem mede zoo gauw hij
kon.
Aanboord viel hij werkelijk in onmacht neder, doch Kapitein Londenaar
wist hem spoedig bij te brengen en liet hem nu vertellen, wat er toch
gebeurd was. Dirk deed dat en toen hij zijn kort verslag uitgebracht
had, was zijne eerste vraag: "En waar is Garrit? Zouden ze hem niet
vermoord hebben?"
"Garrit vermoord?" vroeg Henri Quatre. "Waarom zouden ze dat gedaan
hebben? Er was maar één amok-maker, hoor, en dat was al meer dan genoeg.
Garrit zal best terecht komen. Verheug je maar, dat wij met ons drietjes
zoo toevallig op de wandeling waren. Dat was je geluk, kereltje!"
Ondertusschen werd het avond, maar wie er terugkwamen, Garrit en Meester
Pruymius niet.
"We zullen de luî gaan opzoeken," zeide Henri Quatre, en gevolgd door
Dolf, Hoepel en Kreeft, allen goed gewapend, begaf hij zich op weg.
Het was overal in de stad nog tamelijk onrustig, doch hoe meer men het
Chineesche kwartier naderde, hoe meer de luidruchtigheid toenam.
De Chineezen, die gewapende Hollanders ziende, begrepen niet, wat er
gaande was. Zij waren toch geene amok-makers, dat wist de Regeering ook
wel! Ze vierden maar vroolijk feest, dat was het al.
Henri Quatre zag wel dat hunne verschijning daar niet gewenscht was en
vroeg in het Maleisch, dat de Chineezen best verstonden, want velen
hunner waren met inlandsche vrouwen getrouwd, of ze niet twee Hollanders
gezien hadden.
"Twee Hollanders?" vroeg een oude Chinees, die zich van onder tot boven
met kleine belletjes behangen had, "ja, die zijn in ons kwartier. Gaat
maar mede, ik zal u bij hen brengen."
De Hollanders volgden den Chinees door een' doolhof van armoedige hutten
en stonden eindelijk stil voor eene vrij groote woning waarvoor men een
houten tooneel opgeslagen had. Op dat tooneel vertoonden de Chineezen
allerlei zotternijen en eene groote menigte zat er om heen, en telkens
als men de eene of andere klucht vertoonde, barstte het heele gezelschap
in een luid gelach los.
"Daar zitten ze," zeide de oude Chinees en wees Meester Pruymius en
Garrit aan.
Onze vier vrienden begaven zich er heen.
"Hei, Meester Troost der Armen!" dus begon Henri Quatre, "hoe zit gij
hier en gaapt en laat ons aanboord in angst over uw wegblijven?"
Meester Pruymius keek zijne vrienden aan met een paar schelvisch-oogen
en zeide met dubbelslaande tong: "Vanmiddag, zie je, zei ik, zie je,
tegen Garrit, weet je, we zullen een afzakkertje nemen voor den schrik,
zie je! En dat afzakkertje, zie je, is in onze kuiten gezakt, weet je,
en nu rusten we hier wat uit, zie je!"
"Jij met je zie-je en weet-je! Gaat allebei maar gauw mee," sprak Henri
Quatre. "Dirk is in de grootste ongerustheid over zijn broer en ...."
Krak-krak-krak! klonk het opeens.
Allen keken wat er gebeurde.
Nu, erg was het niet. Er was maar eene plank van het tooneel
doorgebroken en een klein Chineesje was er doorgezakt. Men haalde het
kind spoedig te voorschijn. Het scheen op den neus terecht gekomen te
zijn en bloedde hevig.
"Troost der armen! Troost der armen! Kwâjongen, waar is de Keulsche
pot?" riep opeens Meester Pruymius.
De Chineezen bleven doodbedaard en eene der vrouwen kwam dadelijk met
wat zalf aanloopen. Het kleine Chineesje werd afgewasschen en toen
geheel met die zalf ingesmeerd. Het bloeden van den neus had opgehouden.
Of nu het ventje niet zoo heel hard op den neus terecht gekomen was,
hieraan dacht meester Pruymius niet. Hij meende dat het door de zalf
kwam en vroeg op zijn Hollandsch, dat men beter verstond dan zijn
Maleisch, wat het was.
"Dat is borreborrie," zeide de oude Chinees met bellen.
"Waarvan gemaakt?" vroeg Meester Pruymius.
"Van klapperolie, zaagsel van sandelhout en wat saffraan," luidde het
antwoord.
"Kom, kom, Meester Troost der Armen, mee! Verzin nu maar geen nieuwe
medicament om ons naar de andere wereld te helpen," zeide Dolf, en met
Kreeft, onzen barbier onder den arm nemende, sukkelden ze door de
menigte heen en kwamen omstreeks negen uur aanboord terug. Onderweg had
Meester Pruymius den mond vol van borreborrie, en hij zwoer, dat hij
voortaan alleen die zalf zou gebruiken. Dat was nog eerst een heerlijk
middel!
Toen hij evenwel den volgenden morgen hoorde vertellen hoe Dirk met den
Keulschen pot vol troost der armen den amok-maker zoo netjes suf gegooid
had, wierp hij een der potten van de nieuwe zalf, welke hij al gemaakt
had, overboord en zeî: "Weg met dat poespas borreborrie! Er gaat niets
boven troost der armen!"
"Jawel, Meester," sprak Kapitein Londenaar.
"Wat dan, Kapitein?" vroeg Meester Pruymius.
"Een tochtje naar de Molukken, Meester! Zoo even heb ik bevel gekregen,
ons in te schepen op de "Koning van Polen", die daar ligt. Maak je
boeltje maar gereed!"
Dat gaf eene heele drukte dien dag en ook nog den volgenden, doch eer
Januari uit was, lichtte de "Koning van Polen" het anker, en onder het
losbranden van het geschut, zette men koers naar de nieuwe bestemming.
Meester Pruymius stond over de verschansing gebogen en zag Batavia
langzamerhand verdwijnen, en toen hij eindelijk niets meer van de stad
zag, bleef hij toch staan.
"Hei, Meester! Wat zoekt ge daar in de diepte?" vroeg Dolf, die lachend
hem eene hand op den schouder legde. "Zoekt ge soms borreborrie?"
Meester Pruymius hief zich op en zeide vol waardigheid: "Borreborrie,
kwakzalvers-poespas, niets anders! Troost der armen is de baas! Laat
Dirk maar spreken, die weet er alles af!"
"Meer dan de amok-maker," antwoordde Dolf.
"Ja, die kwam door mijn' troost heel leelijk aan zijn einde,"
antwoordde de knappe Dokter.
Dolf lachte er hartelijk om, doch Joost, die de zalf van Meester
Pruymius niet zien of ruiken kon en toevallig voorbijkwam, zeide: "Je
pakt uit, Meester! Maar ik houd het ervoor dat de Keulsche pot harder
aankwam dan het vette ontuig."
"Vet ontuig, Joost," riep Meester Pruymius opgewonden uit. "Heel de
wereld zal je tegenspreken en je zeggen, dat mijne zalf juist het
tegendeel is van vet ontuig!"
"Heb ik vet ontuig gezegd?" riep Joost lachend uit.
"Ja, wat anders? Ze hebben het allemaal gehoord."
"Vergeving, Meester, ik versprak me en meende "mager ontuig," zie
je," zeide de vroolijke oude, die zich lachend verwijderde.
"Ze mogen mijn troost der armen vet of mager ontuig noemen," bromde
onze barbier, ik noem het een koningsmiddel!"