ACHTSTE HOOFDSTUK.

Een zeer voornaam bezoek.

Meer dan een jaar lang had de "Koning van Polen" reeds in de Molukken

vertoefd en menigen tocht naar Amboina en Ternate gedaan. Het was nu

April en het schip kruiste met nog twee andere Compagnie-schepen op de

hoogte van het eiland Boeroe, een der grootste van de Molukken of

Specerij-eilanden. Bijna het geheele eiland, dat eene grootere

oppervlakte beslaat dan de provinciën Zuid-Holland, Noord-Holland,

Zeeland en Utrecht samen, is omringd door koraal-riffen. Alleen aan de

Noordoostkust kunnen groote zeeschepen het eiland aandoen. Het is zeer

vruchtbaar, en drie jaar te voren hadden de Nederlanders het in bezit

genomen.

De "Koning van Polen" was nu hier om hout in te nemen, dat in de groote

bosschen van dit eiland zoo maar voor het halen was.

Op zekeren dag, dat het volk weinig te doen had, zeide Garrit, dat hij

wel eens zou willen visschen, want dat hij verlangde, nog wat anders te

eten dan het gewone scheepsvoedsel. Terstond waren verscheidene mannen

daartoe bereid, en na van den Kapitein vergunning gekregen te hebben aan

wal te gaan, stapten een twintig mannen in de groote boot en voeren naar

het land.

"En ik zou liever wat kennis maken met de kust," zeide Henri Quatre.

"Het schijnt een eigenaardig eiland te zijn."

"Om met het schip op de koraal-riffen te komen, zeker?" vroeg Dolf.

"Het is er vol van!"

"Neen, niet met het schip, maar met eene boot. Ga je mee, als de

Kapitein daartoe vergunning geeft?"

"Ik wel," was het antwoord, en Dirk, die aan boord gebleven was, vroeg

of hij dan ook mede mocht.

Dit werd toegestaan.

De lucht stond niet naar verandering; de wind was niet hevig en de zee

niet anders dan gewoonlijk, zoodat Kapitein Londenaar er geen bezwaar in

zag, dat zijne twee Stuurlieden en Dirk samen een tochtje gingen maken.

Ze kregen evenwel het bevel mede vóór vier uren terug te zijn.

Zoo lang meende men niet eens weg te blijven, en Dolf, die zag, dat de

visschers eene goede vangst maakten, verzekerde bovendien, dat hij

aanboord zou zijn, als de visch opgedischt werd.

Spoedig was ons drietal aan wal; de boot werd vastgelegd en goed

gewapend begaven ze zich op pad.

De zon scheen brandend heet en om de hitte te ontvluchten, hielden ze op

hunne wandeling langs de kust, zooveel mogelijk de lommerrijke bosschen.

Dat pad was echter niet gebaand en zeer moeielijk te betreden. Ieder

oogenblik moesten ze zichzelven dwars door het kreupelhout en de

slingerplanten heen met het mes een' doortocht banen en dan was het nog

een paadje om handen en gelaat vol schrammen te krijgen.

Nu en dan zagen ze ook boschjes van specerij-planten, die een'

heerlijken geur verspreidden, en daar tusschen bevonden zich de

armoedige hutten der inwoners, die wel zorgden voor onze drie

onzichtbaar te blijven, en als ze per ongeluk op hun' weg kwamen, dan

namen ze schielijk de vlucht.

"Ik kan niet zeggen, dat het eiland veel afwisseling biedt," zeide

Henri Quatre. "Het begin was als hier, en hier is het als in het

begin. Hout en nog eens hout is alles, wat we zien. Me dunkt, we moesten

maar terugkeeren, dan zal de visch juist gaar zijn, als we aanboord

komen."

Dirk en Dolf keurden dit voorstel goed en men nam den terugweg aan, doch

om nu zooveel mogelijk nog wat anders te zien dan op hunne heenreis,

besloten ze iets dieper landwaarts in te gaan. Onwillekeurig maakten ze

nu een' langeren weg en kwamen eerst na den middag bij het kleine

Nederlandsche fort aan.

Het bootje lag er nog; maar juist toen zij wilden instappen, zeide Henri

Quatre: "Gauw, gauw, als de wind zoo vlug! Er komt een onweder op, en

vóór het losbreekt, wilde ik graag aanboord wezen."

"Nu," zeide Dirk, "dat zal wel gaan, denk ik. Binnen een half uurtje

zijn we aanboord. Vanmorgen hebben we het in minder dan twintig minuten

gedaan."

"Vanmorgen was vanmorgen," hernam Henri Quatre, die blijkbaar zeer

gejaagd was. "Nu is het vloed, en er gaat hier een sterke stroom. Als we

over een uur bij het schip zijn, mogen we blijde wezen. En vóór dien

tijd zullen we, vrees ik, de bui op het lijf krijgen. Jij, Dirk, aan het

roer! Dolf en ik zullen roeien!"

De twee krachtige mannen sloegen de riemen in het water, en hoewel ze

trokken, dat de riemen soms krom stonden, vorderden ze maar weinig.

Intusschen kwam het onweder met ontzettende snelheid nader, en aanboord

van de "Koning van Polen" scheen men ook iets te begrijpen van het

naderende gevaar, want de zeilen werden met spoed geborgen, terwijl men

door wenken en wuiven de drie, die in de boot op zee waren, tot meer

haast aanspoorde.

Uit de verte hoorde men het gerommel van den donder.

"Het blijft gelukkig stil," zeide Dirk.

"Stil! Was er maar wat wind," sprak Henri Quatre, wien het zweet

tappelings langs de bruine wangen stroomde. "We komen er niet, en --"

Eensklaps smeet hij zijn' riem in de boot, wierp Dirk terzijde en greep

het roer.

"Roeien, roeien! Ons leven hangt aan een zijden draadje!" riep hij.

Dirk nam den riem op en trok, wat hij kon.

Nog slechts eene halve mijl waren ze van het schip af.

Zouden ze het halen? Zouden ze?

"Gauw! Gauw!" klonk Londenaars stem door den roeper.

"Daar komt de baas! God sta ons bij!" riep Henri Quatre en pas had hij

dit gezegd, of de stormwind joeg langs de wateren en sloeg schip en boot

van elkander af.

"Voor wind en zee af! In Godsnaam!" klonk de stem van den wakkeren

Stuurman en het kleine vaartuig vloog over de golven. Wanneer ze op den

top van eene golf zaten, konden ze het schip zien, maar wanneer ze zich

tusschen die ontzettende waterbergen bevonden, dan zagen ze niets dan

het woedende element en de loodkleurige lucht. Eindelijk begon het ook

te stortregenen. Geene bootslengte van zich af kon men zien. Het was te

vergeefs dat de drie mannen elkander een woord toeschreeuwden. Het

geluid van den storm, van de bruisende golven, van den suizenden regen

en den ratelenden donder overstemde hun geroep. Maar konden ze elkander

niet bespreken, toch zagen ze wel, dat ze iets moesten doen, wilden ze

niet zinken, en dat was het water, dat met elke golf in het bootje kwam,

uithoozen. Bij gebrek aan wat beters, gebruikte men daarvoor wat men

had: mutsen en schoenen.

"Land!" schreeuwde op eenmaal Henri Quatre.

Pas had hij dat geroepen of de boot stootte op een rif, zoo hard en

onverwachts, dat Dirk overboord sloeg. Eene golf nam hem op en droeg hem

op de kust.

Henri Quatre zag dat, en hij begreep, dat zijn eenig behoud ook hierin

lag, dat hij overboord sprong, als hij eene golf zag aankomen. Hij liep

naar Dolf en schreeuwde hem in het oor, wat hij doen moest.

Dolf knikte ten teeken, dat hij zijn' vriend begrepen had.

Daar naderde eene golf: een reus onder de reuzen.

Bijna op hetzelfde oogenblik sprongen de mannen overboord en wat Dirk

overkomen was, gebeurde met hen, de golf droeg beiden ongedeerd over de

branding heen op het strand, dat maar zeer smal, en door steile rotsen

begrensd was.

"Die rotsen over en dan verder zien, wat we doen. Ik geloof, dat we nog

altijd op Boeroe zijn, en als dat zoo is, dan zullen we, hoop ik, wel

terecht komen," sprak Henri.

De drie schipbreukelingen klauterden nu tegen de rotsen op en hadden

weldra een uitgestrekt woud voor zich.

Ook hier had de storm vreeselijk huisgehouden en ging hij voort de hooge

reuzenstammen af te breken.

De regen viel nog steeds bij stroomen neder, en het onweder scheen in

hevigheid toe te nemen.

Het ware dwaasheid geweest in dit weder verder te gaan; want daar ze

geen tien passen voor zich uit konden zien, zouden ze misschien slechts

afdwalen. Ze kropen daarom onder eene uitstekende rotspunt, waar ze voor

den fellen slagregen beveiligd waren, en hier wachtten ze het einde van

de bui af.

Ze huiverden van de koude, en geen wonder.

Eerst hadden ze zich doornat in het zweet gewerkt, en nu zaten ze daar,

doornat van den regen. Het water liep met straaltjes uit hunne

kleederen, en om nu geene koude op te loopen, besloot Henri Quatre zich

inspanning te geven. Hij beproefde tegen de steile rotsen te klauteren

en kreeg daardoor de gewone lichaamswarmte terug. Zijn voorbeeld werd

door de twee anderen gevolgd, en toen ze een half uur later den top der

rots bereikt hadden, zagen ze heel in de verte hun schip en op een

kwartier afstands het Hollandsche fort.

"Daarheen, vrienden," sprak Henri toen de bui bedaard was. "We

zullen er gauw zijn."

Dat gauw zijn bleek evenwel niet het geval te wezen.

Wat vóór de bui beekjes waren, waarover men zonder stok gemakkelijk

springen kon, dat waren nu breede stroomen geworden, welke met woeste

snelheid hunne wateren naar zee stuwden.

"Er dwars doorheen," zei Dolf en stapte in het water.

"Dank je krachtig," riep Henri en trok zijn' vriend op het droge.

"Zie je daar die lieve jongens niet? Denk je, dat ik de zee verlaten

heb om in den buik van een' kaai-man te verhuizen? Een kaaiman is geen

kikvorsch, hoor!"

"Vriendelijk dank voor die waarschuwing," zeide Dolf. "Ik zag die

vreeselijke dieren niet."

Om nu geen gevaar te loopen aangevallen te worden door de kaailuî,

waarvan de riviertjes wemelden, waren de drie mannen genoodzaakt, een'

grooten omweg te maken.

Die lange weg begon hun echter vreeselijk te vervelen, en daarom

besloten ze eene rivier, die blijkbaar zeer ondiep was, te doorwaden.

"Voor onze veiligheid zal ik dit wandelstokje medenemen," zeide Dolf en

nam een stuk hout van een gestrand schip op.

Zij begaven zich onbevreesd te water en zagen aan den anderen oever

eenige Boeroeneezen nedergeknield liggen.

"Die mannen schijnen ons om lijfsbehoud te bidden," sprak Dirk. "Zie

maar hoe benauwd ze ons aankijken!"

Henri Quatre lachte eens en zeide: "Nu zullen ze ons niet ontvluchten.

Ze zien wel, dat we niet gewapend zijn. Ze zijn zeker water-aanbidders!

Nu knielen ze ... Dolf, Dolf, pas op! Sla toe!"

"Begrepen, buurman!" riep Dolf en sloeg zijn stuk hout op den harden

kop van een' kaaiman, die op hem toegeschoten was en den vreeselijken

muil geheel boven water had.

Een vreeselijk geschreeuw liet zich aan den oever hooren.

"Ze hebben medelijden met ons," zeide Dirk.

"Medelijden? Mooi medelijden! Pas op, ze gaan ons nog te lijf, ja! Ik

wed wel, om ik weet niet wat, dat ze kaaiman-aanbidders zijn,"

antwoordde Dolf en sprong aan den oever, waar hij terstond door de

inboorlingen met dreigende gebaren ontvangen werd.

"Orang Wolanda!" riep hij.

"Jan Kompanie!" schreeuwde Dirk.

Beide uitroepen hielpen. De inboorlingen wisten dat "Orang Wolanda" een

"Hollander" beteekende, en dat Jan Kompanie, zooals ze de Oost-Indische

Compagnie noemden, niet gemakkelijk aan zijn kamizool was, als een

zijner dienaren mishandeld werd. Het bleef dus bij bedreigingen, en

ongedeerd zett'en de drie vrienden hun' tocht voort en bereikten twee

uren later het fort, waar ze liefderijk opgenomen werden.

Toen Dolf vertelde, wat hun onderweg overkomen was met den kaaiman,

zeide Joan van Leipzig, de Commandant der kleine sterkte, dat ze door

"Orang Wolanda" te roepen stellig hun leven gered hadden; want dat de

Boeroeneezen aan de kaailuî godsdienstige eer bewezen.

"Nu spelt ge ons toch wat op de mouw," meende Henri Quatre. "Wie

zal nu zulk een dier godsdienstige eer gaan bewijzen? Dat zou toch al

heel dom zijn!"

"Neen, stellig niet," zeide van Leipzig. "Onder de Heidensche volken

merkt men het meer op, dat ze aan booze wezens godsdienstige eer

bewijzen in de hoop, dat die booze geesten, gedrochten of dieren hun dan

geen kwaad zullen doen. Dit is nu onder de Boeroeneezen evenwel het

geval niet. Zij gelooven dat eenmaal een kaaiman met eene der dochters

van een' hunner vroegere Koningen getrouwd is. Al de kaailuî, die in

deze buurt zich ophouden, heeten van dat vreemde paar af te stammen.

Maar, men seint van het schip! Misschien zoeken ze ulieden?"

Van Leipzig liet een klein kanon losbranden, doch alsof men aanboord van

de "Koning van Polen" niet begreep, wat dat beduidde, ging men maar

voort met seinen.

"Weet je wat, gaat naar eene der hoogste rotsen en laat u alle drie

zien. Het is het eenige, wat er op zit," zeide van Leipzig. "Ze zullen

zeker willen weten, of je op zee verongelukt of behouden aanwal gekomen

bent!"

Onze vrienden vonden dien raad goed, zochten eene hooge rots op, en

zoodra ze den top bereikt hadden, begonnen ze met hunne mutsen en

zakdoeken te wuiven.

Dat scheen te helpen; want er werd eene boot neergelaten en twee uren

later waren ze weer aanboord terug, waar ze met gejuich ontvangen

werden. Garrit vooral, die geloofd had, dat Dirk in den storm wel

omgekomen zou zijn, was uitgelaten van vreugde.

Thans waren de manschappen weer bij elkander en zette men koers naar

Amboina.

"Schip in 't zicht," riep de uitkijk.

"De kerel kon wel roepen schepen," zei Joost. "Het is, bijlo,

eene gansche vloot, die daar nadert. Maar het zijn allemaal

compagnie-schepen!"

Kapitein Londenaar stuurde zijn schip naar de naderende vloot, en zag

weldra, dat van een der vaartuigen de Admiraalsvlag woei. Aanboord van

het Admiraalsschip gekomen, vernam Londenaar uit den mond van Johan van

Dam en Truytman, die met het bevel der vloot belast waren, dat de

"Koning van Polen" hen te volgen had.

"Mag ik ook weten waarheen de koers is, Admiraal?" vroeg Londenaar

beleefd.

"De tocht is een geheim en zal later bekend gemaakt worden. Geen enkele

Kapitein weet het nog. Nu hebt ge alleen ons bevel te gehoorzamen en bij

u op het schip alles tot een vinnig gevecht gereed te maken," sprak

Truytman.

"Het zal geschieden, Heer Admiraal," zeide Londenaar en liet terstond

zich aanboord van de "Koning van Polen" terugbrengen, waar hij

onmiddellijk alles in gereedheid liet brengen voor een mogelijk gevecht.

"Wat zullen we nu weten, Kapitein?" vroeg Dolf.

"Ik kan het u niet zeggen, goede vriend!" luidde het antwoord. "De

Bevelhebbers der vloot, de Heeren van Dam en Truytman, zeggen, dat ze

eerst op eene bepaalde hoogte ons in kennis mogen stellen met het doel

van den tocht. Dat de onderneming belangrijk is, geloof ik te mogen

opmaken uit de menigte welbemande vaartuigen."

"Wedden, Kapitein, dat ik weet waarheen het gaat?" vroeg Oude

Joost. "Ik geloof dat ik het weet."

"Nu, waarheen dan?"

"Naar Makassar, Kapitein! Ik heb er zoo een voorgevoel van. En als dat

zoo is, sta dan vast; want de Makassaren zijn niet gemakkelijk, als ze

beginnen. Ik weet hiervan mede te praten, en meer dan mij lief is."

"Zijt ge dan al eens met die luiden slaags geweest?" vroeg Dolf, die nu

juist geene groote studie van de geschiedenis der Oost-Indische

Compagnie gemaakt had, wat trouwens in ons land bijna niemand deed.

Tegenwoordig wordt ook op de scholen de aardrijkskunde van de Oost

geleerd, maar toch is het nog zeer gering, wat wij van dien

merkwaardigen en rijken Archipel weten. Toen leerde men van de

aardrijkskunde van ons eigen land zelfs nog niets op de scholen en dus

nog veel minder van de Oost.

Oude Joost keek den vrager eens aan en zeide: "Hoor eens, maat, geleerd

mag je wezen, maar of je van onze Oost wel veel weet, dat geloof ik

niet. Je vraagt me daar of we met die van Makassar wel eens aan het

bakkeleien geweest zijn. Nu, niet zuinig ook. Het was in de Molukken

lang niet altijd botertje tot op den boôm. En dat kwam nu niet, omdat de

Compagnie telkens redenen tot ontevredenheid gaf, maar wel omdat er van

alle kanten kwaad gestookt werd. Onder de grootste stokebranden behoorde

vooral de Sultan van Makassar."

"Maar Prins Patinggaloan deed toch al, wat hij kon om ons te

bevoordeelen," merkte Meester Troost der Armen aan.

"Daaraf weet ik mee te praten," zeide Kreeft. "Hebben de Heeren

Bewindhebbers der Compagnie hem niet eene prachtige koperen aardglobe

ten geschenke gegeven? Ik heb dat ding helpen brengen, man, ikzelf. Het

was je maar wat een mooi draaiding, en ik dacht zoo al bij mezelven: wat

is de aarde toch een raar toestel, dat ze zoo tusschen een houten rand

draait. Als we de Linie passeerden heb ik wel eens gekeken of ik dien

houten rand niet zag!"

"Ik meen ook dat Joost van den Vondel op die globe een gedicht heeft

gemaakt," sprak Henri Quatre.

"Dat ik kan opzeggen," nam Kreeft het woord. "Vondel schreef ervan:

Tot eer van Hollants waterleeuw,

Herschept de kunst de kopere eeuw

Een ronde...."

"Ga maar niet verder, man, ik weet dat alles," zeide Oude Joost. "Ik

weet ook dat diezelfde Prins Patinggaloan een zeer geleerd man was, die

zelfs Latijn verstond. Ik weet dat hij grooten invloed op den Sultan

had; maar hij was als de rest en had ze achter zijn' elleboog. Zijn baas

de Sultan, Galedoella Mochahoca, had aan den Gouverneur-Generaal

geschreven, dat hij niemendal tegen de Compagnie had, maar dat hij

alleen de bewoners van de Molukken tegen ons opstookte om Gods wil en om

zijne Mohammedaansche leer te beschermen. Maar dat waren maar praatjes,

want dan had hij de Portugeezen, die dan toch ook geene Mohammedanen

zijn, ook niet in zijn land moeten dulden."

"Is zoo'n globe niet een rond ding?" vroeg Hoepel.

"Ja, nog ronder dan jij bent," riep er een uit het gezelschap.

Hoepel deed alsof hij die hatelijkheid niet hoorde en zeide: "Wat doen

ze ook zulke konstige, ronde dingen te geven. Zoo iets kunnen alleen de

groote Heeren verzinnen, maar dat zou nooit opkomen in het hoofd van

Janmaat. Die geeft wat anders dan presentjes waarop de Poeëten gedichten

maken!"

Joost lachte eens even en zeide: "Ik begrijp je, maat! Ja, wij zouden

die luiden op eene andere manier aanboord klampen. We zouden hun ook

ronde dingen geven, maar dan van ijzer of lood en te grabbelen gegooid

door Sinjeur Buspoeder. Nu, wees maar stil, ik wed dat het er nu zoo van

langs zal gaan. En dan zal ik het dien luiden nog eens betaald zetten,

dat ze me vier maanden lang op water en brood gehouden hebben."

"Dus je bent in Makassar geweest?" vroeg Hoepel.

"Dat ben ik, maar niet voor mijn pleizier. Wij lagen daar met ons schip

de "Oude Hondt" en zouden lading innemen, toen we heel onverwachts door

eene bende roovers overvallen werden, die ons meesleepten naar een oud

fort van de Portugeezen en ons daar gevangen hielden tot we tegen

ettelijke Makassaren uitgewisseld werden."

"En de "Oude Hondt," waar was die?" vroeg Kreeft.

"Dat zoudt ge aan de Portugeezen kunnen vragen, en ik geloof zoo, dat we

"De nieuwe Leerdam" nog duur hebben, als we meenen, dat er eenvoudig

geruild is."

Op dat oogenblik passeerde de vloot het eiland Solor.

"Kijk eens," riep Garrit nu eensklaps uit. "Kijk die luî daar

eens aan! Zouden ze aan het hengelen zijn?"

Hengelen was ook toen reeds zulk eene echt vaderlandsche bezigheid, dat

het meerendeel van de manschappen over de verschansing ging liggen om te

zien, wat men daar deed.

Niet ver van het land af zag men verscheidene kleine bootjes, die alle

met één persoon bemand waren, en ieder dezer personen was een hengelaar.

Maar men hengelde niet met haakjes, dat zag men wel, doch waarmede men

het dan wèl deed, dat kon men niet nauwkeurig zien.

"Het is alsof er een bosje pluis aan het touwtje zit," zeide Dirk.

"Kijk maar! Ik geloof dat ze peuren!"

"Dat behoef je niet te gelooven, dat is werkelijk zoo. Die luî zijn

bezig met sakkoos vangen," sprak Oude Joost. "Een sakko is een visch,

die zeer veel op onze geep gelijkt en al even onsmakelijk is. In den bek

heeft hij eene menigte tanden, die in haakvormige puntjes eindigen. Nu

maken de visschers van deze streken, in plaats van een haakje, een bosje

uitgerafeld lijnwaad of werk aan het touwtje vast. De sakkoos zien dat

voor aas aan, bijten even en blijven dan met de haakjes hunner tanden in

dat pluis zitten. Zoodra er een visch gehapt heeft, voelt de visscher

dat. Hij slaat op en het is maar hoogzelden, dat er onder dat opslaan

een visch afvalt. Maar wat gebeurt nu? Kijk me die visschers eens ruim

baan maken!"

Pas had Oude Joost dat geroepen of eene versierde prauw, door nog vele

andere prauwen gevolgd, zette koers naar de vloot. Eene akelige,

eentonige muziek, nu en dan afgewisseld met gezang, klonk over het

water.

"Er zit eene vrouw in," riep Garrit. "Lieve deugd, wat een leelijk

schepsel is dat! Hoe oud! Precies eene Juffrouw Kinderschrik, die het

heele weeshuis naar bed jagen kan."

De prauwen kwamen zóó in de nabijheid van de "Koning van Polen",

dat men al de lieden, die er in zaten, nauwkeurig onderscheiden kon.

"Begrijp je er wat van?" vroeg Dirk aan zijn' broeder.

"Geen steek!" luidde het antwoord.

Opeens schoot eene der prauwen wat vooruit, kwam de "Koning van Polen"

terzijde, en een man, een blauwbruine kerel, hield de hand voor den mond

en riep de onzen wat toe.

"Wat roept hij toch?" vroegen verscheidenen aan elkander.

"Ik heb er maar één woord van verstaan," sprak Kreeft, "en dat is

"laksamana", dat zooveel als Admiraal beteekent."

"En ik heb het woord "Radja parampoewan" gehoord, dat wil zeggen:

Koningin," zeide Hoepel.

Oude Joost, die bij het aanleggen der prauw wat naar de plaats geloopen

was waar ze lag, kwam nu terug en zeide: "Voornaam bezoek, jongens! De

Koningin van Solor wenscht den Admiraal te spreken."

Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Henri Quatre, en op bevel van den

Kapitein gelastte hij twaalf man uit den hoop, hem te volgen om naar het

Admiraalsschip te varen en daar twee boodschappers van de Koningin

aanboord te brengen.

De groote boot werd neergelaten. Henri Quatre zette zich aan het roer,

twee bruine Edellieden namen ook achter plaats en de twaalf mannen

zett'en zich aan de riemen. In den tijd, dat de boot naar het

Admiraalsschip voer, bleven de prauwen wat heen en weer drijven.

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 30 / 49 题