Alével ferme kerels.
"Zoo, Dirk, jongen, ben je ook boven water?" vroeg Henri Quatre, die
gelukkig post gevat had op den grooten mast, aan Dirk, die op een ander
stuk hout kwam aandrijven.
"Ja, bootsman, ja! Maar hebt ge onzen nieuwen ouwe in zee zien springen
met den ouden ouwe?"
Het was eene malle vraag en dat nog wel in een oogenblik, dat men aan
het grootste gevaar bloot gesteld was. Toch schoot Henri Quatre
onwillekeurig in den lach en zeide: "Jij met je nieuwen en ouden ouwe,
je doet een mensch nog lachen, als hij ieder moment gevaar loopt van in
zee te duikelen en door haaien verslonden te worden. Maar gezien, ja, ik
heb het gezien! Wat een kerel! Kijk, kijk, daar komt hij aanzwemmen!"
"Konden we hem maar helpen en wat toegooien, een touw of zoo iets,"
zeide Dirk. "Maar ik zie niets."
"Gooi maar niemendal, maat, en houd je liever maar vast. Het is wel
hardvochtig zijn' medemensen misschien zoo maar voor zijne oogen te zien
verdrinken, maar het hemd is nader dan de rok, mijn jongen," sprak de
bootsman.
"Och, Heere, hij kan niet meer," riep Dirk.
Plof!
Wat was dat?
Op hetzelfde oogenblik dat Dirk riep: "Hij kan niet meer," vergat Henri
Quatre, dat het hemd nader was dan de rok en zwom naar IJzeren Neptunus
om dien te helpen. Met vereenigde pogingen kwamen de twee wakkere kerels
met den Kapitein, die nu heelemaal ontnuchterd was, op den grooten mast.
Wat verder zwommen Joost en Hoepel terwijl Dolf zich wanhopig aan een
stuk waarloos hout, dat overboord gevallen was, vastklampte.[16]
Gelukkig waren de twee booten niet zoo ver van het schip, of ze konden
de rondzwalkende achterblijvers hulp komen bieden, en zóó waren ze nu
niet, om dat na te laten. Ze zeilden en roeiden met alle macht naar de
arme mannen en mochten het geluk smaken allen te redden. Alleen de
Tweede Stuurman werd niet gevonden en daar men vreesde in de nabijheid
van het brandende schip te blijven, zoo gaf men het zoeken spoedig op en
verwijderde zich zoo schielijk mogelijk.
Intusschen was het geheel dag geworden, en juist toen de zon boven de
kimmen rees, vloog de "Leerdam" met een' vreeselijken slag in de
lucht. De beweging daardoor in het water veroorzaakt was zoo sterk, dat
de twee vol geladen booten bijna omsloegen. Men kwam dit gevaar evenwel
gelukkig te boven; een ander echter, neen, vele andere gevaren ging men
te gemoet.
De twee booten toch, waarvan slechts de eene zeil voerde en de andere
moest geroeid worden, waren overvol; men kon zich amper bewegen. Dan had
men geen' druppel drinken en geen stuk eten aanboord. Een kompas om naar
te sturen had men niet. De wind was op het oogenblik flauw, maar hij kon
opsteken en tot storm aangroeien. En wat zou men in een' storm met twee
zulke wrakke vaartuigen op het midden van den Oceaan beginnen?
Wie weet, als men de stormen misliep, hoeveel dagen men zonder eten of
drinken zou moeten doorbrengen! En dan onder de Linie met zulk eene
hitte!
"Weet je wat, mannen," dus sprak IJzeren Neptunus toen de twee booten
tegen elkander lagen, "er moet raad geschaft worden! Zoo kunnen we niet
blijven!"
"Mag ik spreken?" vroeg de gewezen Kapitein, terwijl hij vreemde
pogingen aanwendde om op te staan.
"Daartoe heeft ieder het recht, die meent dat hij een' goeden raad weet
te geven," zeide de Eerste Stuurman. "Niemand zal zich daar tegen
verzetten!"
"Welnu dan," hernam de vernederde man, "welnu dan! Mijne trotschheid
heeft u allen in dezen toestand gebracht. Ik wil dit niet ontkennen. Het
is zoo!"
"Eeuwig jammer dat hij het niet eene week vroeger heeft willen
erkennen," mompelde Hoepel.
"Wat die man daar zegt, doet mij meer leed dan ik u uitdrukken kan,
mannen, want ik gevoel het, dat hij waarheid spreekt. Maar nu mijn raad.
Gij hebt goed gedaan Stuurman Londenaar tot uw' Gezagvoerder te
benoemen. Al was ik het nog, ik zou het niet lang meer wezen. Ik ben
inwendig gekneusd, en ik weet zeker, dat ik vandaag of morgen aan die
wonden sterven moet. En nu, in het aangezicht van den dood, zeg ik u
dit: "Gehoorzaamt onvoorwaardelijk uw' nieuwen Kapitein Stuurman
Londenaar, bijgenaamd "IJzeren Neptunus"; want als er redding mogelijk
is, dan kan hij de man zijn, die met Gods hulp u die redding bezorgt.
Hij is in deze streken goed bekend, en als hij raad noodig heeft, dan
zal "Ouwe Joost" dien geven. Deze man zou ik tot uw' Kapitein
benoemen, als Londenaar er niet was. Hij is een bevaren matroos, meer
dan ieder uwer. Maar als ge redding wilt, dan moet ge in de eerste
plaats naar de plek terugkeeren, waar de "Leerdam" in de lucht vloog.
Vischt daar op, wat ge kunt, en zoekt vooral beschuit- en watervaten."
"Er kan immers niets meer in de booten, Kapitein!" zeide Henri Quatre.
"Ze zijn nu al meer dan vol!"
"Ik ben uw Kapitein niet meer, bootsman! En dat er niets meer in de
booten kan, dat zie ik. Het plekje waar ik zit, is te klein om er iets
te bergen; vandaag of morgen zal het wel onder u allen verdeeld zijn.
Maar beproeft nu losse balken, of welk ander houtwerk ook, met touwen
aan elkander te binden. Sjort daarop den voorraad vast, en neemt dat
soort vlot dan mede op sleeptouw. Als ge .... als ge...."
De voormalige Kapitein zakte in elkander.
"Vergeving, mannen! Genade, o, mijn God, genade -- gena...." bracht hij
stamelend uit en gaf den geest.
"Dat is de eerste doode, mannen," sprak de nieuwe Kapitein. "Wie weet
hoe velen onzer hem volgen."
"Gelukkig de slechtste," bromde Kreeft.
"Hij was niet zoo slecht, mannen! Zijn laatste raad legt hiervan
getuigenis af. Ik heb meer met hem gevaren en ik weet dat hij knap, zeer
knap was en niet gauw uit het veld geslagen ook. Deze reis was zijne
ongeluksreis," sprak Ouwe Joost. "Ik heb het dadelijk gedacht, dat het
verkeerd zou uitloopen. Ja, dat heb ik; want het laatste levende wezen,
dat ik in het Vaderland aan den wal zag, was eene zwarte kat."
Niemand was er, die den bijgeloovigen zeeman tegensprak. Al geloofde
men nu niet aan allerlei voorteekens, van zwarte katten hield men toch
niet.
"Ouwe Joost heeft gelijk, mannen! Onze ouwe was zoo kwaad niet en daarom
laten we hem alles vergeven en een zeemansgraf geven. Barbier, wees zoo
goed en bid," sprak Kapitein Londenaar. "Eene eerlijke begrafenis mag
hij toch wel hebben."
Het was een aandoenlijk oogenblik toen, bij gebrek aan een'
ziekentrooster, de scheepsbarbier daar met luide stem het "Onze Vader,
die in de Hemelen zijt," uitsprak.
Zoodra hij "Amen" had gezegd, werd de doode overboord geschoven en aan
de golven toevertrouwd.
"Dat twee graden westelijker toch zooveel rampen kunnen veroorzaken,"
fluisterde Dirk zijn' broeder in het oor.
"En nu, mannen, den laatsten raad van den doode ten uitvoer gebracht,"
sprak Kapitein Londenaar en stuurde de zeilboot naar de plaats waar de
"Leerdam" in de lucht gevlogen was.
Al spoedig had men een heel stuk van het achterdek gevonden en hoewel
dit wel wat zwaar was om het mee op sleeptouw te nemen, begreep men
toch, dat men op het zwaarste voorwerp ook het meeste bergen kon. Het
was zelfs zoo groot, dat het gemakkelijk tien of twaalf man dragen kon
zonder dat het kantelde. Van de masten sneed men zooveel touwen af, als
men maar kon, en toen ging men aan het opvisschen van vaten. Men was zoo
gelukkig drie tonnetjes bier en een paar vaatjes wijn te vinden. De
leggers met water schenen stuk geslagen te zijn, althans men vond ze
niet. Een paar vaten beschuit, een ton pekelspek en nog heel wat andere
dingen kwamen nu op het vlot.
"Daar drijft mijne medicijnkist," riep de scheepsbarbier.
"Laat die maar drijven! Ze zou ons misschien meer kwaad dan goed doen,"
zeide de Kapitein.
"Maar er is een haarlok in van mijne lieve Moeder!" liet de barbier
zich hooren.
"Van zijn meisje!" spotte er een.
Plomp!
Daar sprong de barbier in zee, zwom naar zijne kist en bracht ze
gelukkig op het vlot.
Met een sleuteltje deed hij ze open en vol vreugde riep hij uit: "Alles
droog, gelukkig, alles droog!"
"Behalve de man zelf, die druipt!" liet dezelfde spotter zich weer
hooren, doch toen hij nog meer wilde zeggen, hield hij zich in, want de
barbier drukte een lok grijze haren tegen de lippen en zeide: "Dag,
Moeder! Dag, lieve Moeder! Je jongen is er nog en hoopt u weer te zien!"
Zie, dat had men nu toch van dien mallen Meester Troost der Armen niet
kunnen denken.
"En hier is wat voor u, Kapitein," hervatte de barbier.
"Een potje troost soms?" vroeg deze.
"Ja, wel troost, maar geen troost der armen, Kapitein! Doe het doosje
maar open!"
De Kapitein deed het en riep uit: "Goud, goud, duizendmaal meer dan
goud! Een kompasje, mannen, een echt Amsterdamsch zeekompasje! Ha, dat
is een schat! Dankje, dankje, hoor!"
Dat was nog eerst eene mooie vondst!
Hoe gebrekkig het kleine voorwerp ook was, men had in allen gevallen wat
om er den koers naar te richten, hoewel men daarom nog niet wist waar
men was.
Zoodra men het voornaamste opgevischt en op het vlot had, liet de
Kapitein beschuit en wat bier ronddeelen.
Het was een vreemd en een gebrekkig maal; want de beschuiten waren alle
geweekt en dan in zeewater, dat maakte ze ook niet smakelijker.
De lucht stond nog even helder en het water was nog altijd kalm.
"We moeten de beschuiten op het vlot te drogen leggen," zeide de
Kapitein, "want als we dat niet doen, dan zullen ze bederven!"
Aan dat bevel werd gehoorzaamd en toen Dirk, die braaf mede geholpen
had, ze daar alle zoo netjes zag liggen, zei hij: "Precies eene groote
poffertjes-pan!"
"Maar kermis is het hier niet, mijn jongen," sprak Dolf.
De tocht ging slechts langzaam voorwaarts.
De zeilboot voer vooruit en was met een touw aan de roeiboot verbonden.
Aan de roeiboot had men het vlot vastgemaakt. Om meer ruimte in de
booten te hebben, hadden tien mannen plaats op het vlot genomen.
Van tijd tot tijd werden de beschuiten gekeerd en in één dag en nacht
waren ze kurkdroog en kon men ze weer in de vaten doen.
Intusschen begon het zuchtje wind, dat hen sedert den vorigen ochtend
wat voortgedreven had, zoo te verminderen, dat men in de zeilboot ook de
roeispanen moest gaan gebruiken om toch wat vooruit te komen.
"Het weerlicht, Dirk," zeide Garrit op den tweeden dag des avonds tot
zijn' broeder.
"Maak je daarover nog maar niet ongerust," sprak de bootsman, "dat
gebeurt onder de Linie zoo dikwijls, zonder dat er onweder of storm op
volgt. Maar...."
"Nu, blijf niet steken! Wat wilde je nog meer zeggen?"
"Ja, jongen, eerst moet ik het weer zien lichten, dan zal ik vertellen,
wat ik geloof dat ik zie."
Het was, alsof zelfs de natuur nu ook dit licht hun wilde onthouden;
want het duurde ontzettend lang eer het andermaal lichtte.
Eindelijk, ja, even, heel even en heel flauw!
De bootsman liet een' lichten kreet hooren en zeide: "Een schip! Het is
een schip, dat ik bij het licht gezien heb!"
"Een schip!" als een loopend vuurtje ging die tijding van het vlot naar
de roeiboot en van de roeiboot naar de zeilschuit waarin de Kapitein
was.
"Wie praat er van een schip?" vroeg hij.
"Hoepel, die in de roeiboot is, heeft het mij gezegd," antwoordde
Kreeft, "anders weet ik het ook niet."
Hoepel werd aangeroepen en deze zeide, dat de boodschap van het vlot
gekomen was en dat de "Twee vromen" het hem gezegd hadden.
Nu werden de "Twee vromen" aangeroepen en Dirk, de holle hand voor den
mond zettend riep: "Schip aan bakboord!"
Aller oogen wendden zich nu naar de kimmen en werkelijk bij het flauwe
weerlicht ontdekte men een schip.
Welk schip was het?
"Om het even," dus liet Kreeft zich uit, "al was het een Spanjool
of een Portugees! Beter gevangen-man dan doô-man! Want dat zit er op!"
De zeilboot kwam nu naar de roeiboot en het vlot werd bijgehaald. Men
moest samen eens bespreken wat te doen.
Nu, de meeningen waren zeer verschillend, maar ten laatste werd er dan
toch besloten zooveel mogelijk in het gezicht van het schip te blijven
en den morgen af te wachten.
Wat duurde die nacht lang, vreeselijk lang!
Het scheen, alsof de zon ook vergat op te komen.
Maar eindelijk begonnen de sterren te verbleeken; de schemering brak
door en....
"Het is eene Portugeesche karveel!" riep Ouwe Joost. "Ik zie het aan
heel hare tuigage!"[17]
"Mannen," dus liet de Kapitein zich nu hooren, "de nood dwingt ons te
handelen. Houdt uwe musketten gereed en brandt er op los, als ik het
beveel! Kunnen we er op hulp rekenen, zooveel te beter; maar tracht men
ons in den grond te boren, dan zullen we ons leven zoo duur mogelijk
verkoopen! Dat gaat er op los!"
Och arme, wat ging dat langzaam!
Maar toch, men vorderde en het schip was men weldra op een
musketschot-afstands genaderd.
"Bootsman, schiet een musket in de hoogte af," beval de Kapitein. "Ze
zullen ons hooren, als ze ons niet zien!"
Een schot klonk over het water.
Maar op het schip deed men, alsof men er niemendal van hoorde. Het bleef
er doodstil.
"Ze schijnen doof te zijn," meende Dirk.
"Of liggen op den loer om ons, als we dichtbij genoeg zijn, ineens onze
bekomst te geven," gaf Garrit ten antwoord.
Weer naderde men een vijftig riemslagen en opnieuw gaf de Kapitein bevel
een musket in de lucht af te schieten.
Maar aanboord van den Portugees vertoonde zich geen sterveling. Het
heele dek was ledig.
Ja, ja, toch!
"Ik zie wat," riep Dirk.
"Ik ook! Ik ook!" klonk het van verscheidene kanten.
De meeningen waren verdeeld, doch de meesten hielden het ervoor, dat ze
een' neger gezien hadden.
"In alle gevallen we moeten er haring of kuit van hebben," dus sprak de
Kapitein, en thans roeide men uit alle macht naar het schip, dat men
weldra langszij lag.
"Hallooi! Man aanboord!" riep de bootsman op de gewone wijze van den
zeeman, die ergens aanboord wil komen.
Er werd geen antwoord gegeven, maar hooren, ja, hooren deed men toch wel
wat. Men kon duidelijk het rammelen van een' ketting hooren.
"De booze!" mompelde Ouwe Joost en zijn gelaat betrok.
"Misschien wel een betooverd schip," meende Hoepel.
"Of de Vliegende Hollander," bromde Kreeft.
"Maar ik zal kijken wie er aanboord is," riep Henri Quatre en klom
langs een afhangend touw naar boven.
"En ik volg u," riepen Dirk en Garrit tegelijkertijd en palmden zich
ook aanboord.
Beneden bleef men in spanning tot men opeens het geroep hoorde: "Een
aap! Een aap!"
De valreep was nergens te vinden en het mooie en prachtig getimmerde
schip scheen geheel verlaten te zijn.
De bootsman gaf met de zware zeelaarzen een' stamp op het dek en
schreeuwde: "Hallooi! Hallooi! Volk!"
Onze aap klauterde van angst in het want.
Nu ging de bootsman naar de kajuit, opende die en .... niemand was te
vinden.
Hij snelde naar de verschansing en riep: "Een verlaten schip! Komt!
Komt!"
Touwen werden neergelaten en eer de zon op was, stond de heele bemanning
van de "Leerdam" voor zooverre zij althans niet omgekomen was, aanboord
van eene groote karveel, waar geen ander levend wezen te vinden was dan
een aap, die op de mars van den grooten mast zat en allerlei leelijke
gezichten naar de vreemde mannen trok.
"De booten zijn weg," riep Kreeft.
"En de leggers zijn ledig, schoon ledig!" voegde Dirk er bij. "Geen
druppel drinkwater is er aanboord."
"Mannen," dus ving de Kapitein aan, "ik vermoed dat watergebrek de
manschappen van dit schip met de booten heeft doen vluchten. We willen
het vaartuig onderzoeken, maar houdt uwe musketten gereed!"
Het heele schip werd nu onderzocht en men bevond dat het verlaten en
buitengewoon goed geproviandeerd en rijk geladen was.
Toen allen weer op het dek waren, sprak de Kapitein: "Hoort eens,
mannen, recht of geen recht! Ik neem in naam van de Oost-Indische
Compagnie bezit van dezen bodem. Wij zullen, nu we ons eigen schip
verloren hebben, beproeven of we hiermede de Oost kunnen bereiken. Maar
laten we eerst alles aanboord halen, wat we daar beneden hebben!"
Aan dit bevel werd gevolg gegeven en men werkte zoo vroolijk, alsof men
thans alle gevaren te boven was. Dirk en Garrit lieten zelfs een
Wilhelmusje hooren.
"Jongens, vogels die zoo vroeg zingen, zijn overdag voor de poes,"
zeide Ouwe Joost.
"Nu ben je toch niet meer bang, ouwentje?" vroeg Garrit.
"Gij zijt een paar onnoozele brasems," sprak de oude man. "Ik
vraag je: wat hebben we gewonnen?"
"Een schip! En een mooi ook!"
"En waarom is het verlaten?"
"Omdat .... omdat...."
Garrit voelde waar Ouwe Joost heen wilde en deze vulde nu zelf het
antwoord aan en zeide op somberen toon tot de beide jongens: "Omdat ze
van dit schip hunne doodkist niet wilden maken! Er was geen drinken
aanboord, vat je?"
Dirk en Garrit stonden verslagen en voelden dat ze verbleekten. Die
Joost kon ook maar alles zeggen, zooals het voor zijn' mond kwam.
"Zoo, is nu op eenmaal alle moed weg?"
"Dat zou wel wonder zijn, als een mensch niet akelig werd van zulke
vertellingen en zulke vreeselijke voorspellingen!"
"Geene voorspelling en het is nog veel minder eene vertelling, jonge
borst! Het is eene waarheid!"
"Nu, goed, eene waarheid! Maar dan toch eene waarheid, die iemand allen
moed ontneemt," meende Garrit.
"Jong bloed bruist wel, maar koelt gauw," zeide Ouwe Joost. "Dat valt
van het eene uiterste in het andere. Er is verschil tusschen moed en
overmoed, jongens! Maar dat zult ge eerst later wel leeren begrijpen,
als je even als ik, met den eenen voet op het zesde kruisje van je leven
staat. Gaat maar mede! De ouwe heeft ons geroepen. Hij zal stellig wel
wat te zeggen hebben waarnaar we met beide ooren luisteren mogen."
De twee broeders volgden hem naar het middenschip waar Kapitein
Londenaar bij den grooten mast had plaats genomen.
"Mannen," dus begon hij, "wij zijn hier aanboord van een ander schip.
Naar al wat ik ervan gezien heb, is het eene karveel, die de tweede
reize naar de Oost maakt. Weet iemand uwer hoe ze heet? Heeft iemand den
naam soms ook gezien?"
"Ik zal wel eens gaan kijken, Kapitein," zeide Dolf en liet zich
bij den hoogen achtersteven, spiegel geheeten, langs een touw afzakken.
Spoedig kwam hij terug en nauwelijks was zijn hoofd boven den spiegel
zichtbaar of hij riep: "Het is de "Vossa Senñora de la Victoria",
vrienden!"
"Dan verdoop ik ze in "De nieuwe Leerdam", dat is een goede naam,"
hernam Kapitein Londenaar. "Maar die oude naam moet hoe eerder hoe beter
met verf overdekt en door den nieuwen vervangen worden. Dat is uw werk,
meester timmerman! Zwarte verf is hier en witte zullen we wel vinden."
De timmerman zocht een paar matrozen op om hem te helpen en was weldra
aan den arbeid. De overigen bleven staan, altijd in afwachting van
hetgeen er verder gezegd of bevolen zou worden.
"Op onzen tocht hebben we twee mannen verloren en we zijn op het
oogenblik zonder Stuurlieden," dus sprak de Kapitein. "Naar ik meen zal
de Opperkoopman er wel niet tegen hebben, als ik Dolf van hem afneem en
tot Stuurman aanstel met zijn' vriend Willem de Stichtenaar. Hoepel zal
dienst doen als bootsman en Kreeft als bootsmansmaat. Zoo zijn de rollen
verdeeld en weet ieder, wat hij doen moet!"
Ouwe Joost, schudde het hoofd en zeide: "Het zal niet gaan, Kapitein,
het zal waarlijk niet gaan!"
"Wel, waarom niet Joost?"
"We hebben niet leeren varen met Latijnsche tuigage!"
"Dat is waar ook, Joost!"
"Zouden we nu van de windstilte, die er nog is, geen gebruik maken om de
tuigage op Hollandsche manier in te richten, Kapitein?" vroeg de oude.
"Ik geloof dat het verstandig zal zijn, als we dat doen."
"Er is waarloos hout genoeg aanboord en zeilen hebben we genoeg op het
vlot gehad. Komt aan, alle man aan het werk. Wie weet hoe spoedig we uit
den nood zijn!"
Op deze woorden vergat ieder voor een oogenblik zijn' dorst en begaf
zich aan den arbeid.
De aap, die rustig alles gezien had, kreeg het op de mars te kwaad en
klom in het topje van den mast.
"Wacht, beest, wat heb jij daar voor moois?" riep Garrit, die zag
dat de aap wat blinkends in den poot hield.
De jongen klom het vlugge dier na, doch toen hij meende het te grijpen,
deed het een' reuzensprong en kwam in den anderen mast terecht.
"Wel verdraaid, dat sprongetje doe ik je niet na," zeide onze
matroos en keek eens rond. Hij zag niets, doch op het punt zich naar
beneden te laten glijden, meende hij heel in de verte toch iets te zien.
Het was iets, dat blonk en schitterde.
"Kom naar beneden, slingeraap," schreeuwde de nieuwe bootsman. "Kom,
Kees! Goed volk! Kom beest!"
"Ik zie, ik zie," riep Garrit.
"Twee apen in den mast! Kom af," liet Dolf zich hooren. "Dat
beest daar boven zal zijn fortuin wel vinden."
"Neen, ik zie een zeil in het Zuidwesten!"
"Een zeil?" riep Kreeft, die in den anderen mast zat, "een zeil! De
Hemel beware ons! Dat is eene stormwolk!"
Eene stormwolk!
=Bange= tijding! Hoe zou "De nieuwe Leerdam" zich houden? En niet half
klaar!
=Goede= tijding! Men had nu kans buiten den gordel der windstilte te
komen en .... regenwater op te vangen.
Kapitein Londenaar toonde voor zijne moeielijke taak volkomen berekend
te zijn. Hij liet alle zeilen, op twee kleine na, opbergen, en toen dat
gedaan was, zeide hij: "En nu het regenzeil!"
"Het regenzeil? Wat is dat?" vroeg Henri Quatre.
"Men spanne onze twee grootste zeilen gedeeltelijk tusschen de masten
uit en make in het midden een stroomgat."
"Regenzeil! Stroomgat! Nooit van gehoord!" mompelde Ouwe Joost, doch
hielp trouw mede om de zeilen zoo te spannen, dat de komende storm er
geen vat op kon hebben en dat ze toch water konden opvangen! Onder de
zoogenaamde "stroomgaten" zette men twee schoone en groote leggers, die
met klampen en touwen vastgesjord werden.
"Bottelier, een oorlam!" beval de Kapitein. "Een oorlam uit den
voorraad van den Portugees."
Hierop liet de Kapitein ieder twee beschuiten geven om in den zak te
steken, en toen dat geschied was, sprak hij: "Jongens, de groote baas
komt! Houdt je allen goed! Gehoorzaamt je meerderen en .... vertrouwt op
God!"
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken of de wind deed de twee kleine
zeilen zwellen!
"Daar gaan we!" riep Ouwe Joost. "Te koekoek, wat vangen die
lapjes hem! Het is eene liefhebberij om het te zien."
Met den wind kwamen ook de wolken en met de wolken onweder en
regenstroomen.
In een oogenblik waren de leggers vol, doch om andere te zetten was het
nu geen tijd. Het zou ook slecht in zijn werk gegaan hebben, want "De
nieuwe Leerdam" vloog langs de oproerige wateren, als een hollend paard
door de duinen, nu de hoogte op, dan de laagte in, maar steeds in snelle
vaart vooruit.
"Twee booten! Twee booten!" riep Dirk.
"Ze hebben eene Portugeesche vlag op," zei Kreeft.
"Het zal het volk van dit schip zijn," liet Henri Quatre zich hooren.
"Ze zullen hun schip herkennen en aanboord willen!"
De arme kerels! Ze staken de riemen en handen op! Ze wuifden met doeken
en mutsen! Ze smeekten om hulp!
Te vergeefs!
De storm joeg de karveel voort en pogingen aan te wenden om den mannen
hulp te bieden, dat ging niet! Het zou een zinneloos werk geweest zijn.
Voort, voort ging het!
De manschap, wel gewoon met Hollandsche schepen te varen, zou al zeer
onbeholpen gestaan hebben op een schip als dit, dat eene heel andere
tuigage dan de Oostindie-vaarders had, als niet Dolf, in Franschen
dienst, eenmaal gedurende een half jaar het bevel gehad had over een
dergelijk schip, dat als kaper door de Franschen genomen, onder storm en
slecht weder uit de golf van Biscaye door hem naar Duinkerken was
gebracht.
Thans toonde Kapitein Londenaar, dat hij verstandiger was dan zijn
voorganger, want hij liet het bevel geheel aan Dolf over.
En te midden van de felste vlagen bleef de aap zich boven in den mast
vastklemmen, maar hield het blinkende voorwerp tusschen de tanden.
"Eene hoos! Eene hoos!" schreeuwde Henri Quatre. "Houdt je vast,
mannen! Houdt je vast!"
Eene groote, leikleurige wolk, die het voorkomen had van een'
reuzentrechter, naderde, steeds wentelend, kronkelend en draaiend, meer
en meer het voorthollende schip!
Ze kwam al nader en nader!
Het werd donker als midden in den nacht.
"O!"
Akelig klonk dat "O!" uit den mond van al de mannen.
Ze waren onder water.
Verdronken?
Neen, neen! De hoos was dicht bij het schip uit elkander gebarsten en
slechts het kleinste deel van de vreeselijke massa water, die zij
bevatte, was op het dek nedergeploft.
Gelukkig dat alle luiken dicht waren. Het water stroomde weg en .... de
zon brak door. De storm was merkbaar bedaard. Men kwam wat tot kalmte.
"Hoe heb ik het nu? Wat is ons overkomen?" riep Kapitein Londenaar.
"Wel wat vreemds, Kapitein, maar daarom nog niet wat ongewoons! Dat is
de tweede keer, dat ik zoo iets bijwoon," zeide Ouwe Joost. "En als het
nu dezen keer gaat, als den eersten, dan zullen we een dag of drie
regenachtig weder met een' frisschen wind hebben."
"Daar ligt de aap!" riep Dirk en wees naar het regenzeil.
Verscheidene handen waren nu in de weer om het dier te grijpen. Hiertoe
was evenwel geene vlugheid noodig, want het dier was dood en vlak naast
hem lag een gouden ring met grooten diamant.
Ouwe Joost nam den ring, ging er mede naar Kapitein Londenaar en zeide:
"Hier, Kapitein! Die is voor u!"
"Hoezee!" juichte het volk toen het zag wat de oude man deed. "Flink
zoo! Ferm zoo, Joost!"
Maar Kapitein Londenaar ging met den ring naar Dolf en zeide: "Hier,
goede vriend! Hier is eene gedachtenis van het dankbare scheepsvolk aan
u. Hadden we u niet gehad, zeker zouden we allen met "De nieuwe
Leerdam" naar den kelder gegaan zijn!"
Kapitein Londenaar stak den ring aan Dolfs vinger en diep ontroerd
antwoordde de flinke gezel in ronde zeemanstaal: "Dank! Dank! Voor
Holland en de Compagnie mijn leven en mijn bloed! Hoezee!"
Met een hartelijk gejuich werden deze woorden begroet en daarna begaf
ieder zich naar de leggers om zich eens te verzadigen aan het heerlijke
water, dat men opgevangen had, terwijl men zorg droeg om al de andere
leggers schoon te maken en ook vol te laten loopen.
Thans had men weer moed en wie die schepelingen nu gezien had, zou vol
verbazing hebben uitgeroepen: "En zijn dat nu de mannen, die onlangs
oproer maakten?"
Maar waren er dan geene redenen voor geweest om hen toen zoo ontevreden
te stemmen?
Ja, ik weet wel, oproer mag men nooit maken, maar, een mensch is een
mensch, en Janmaat is ook een mensch.
Nu had men geene redenen meer om ontevreden te zijn.
De gestadige regenbuien vulden al de leggers.
Erwten, boonen, pekelvleesch en spek, alles was vol-op aanboord. Ja,
zelfs zeer lichten tafelwijn vond men er in overvloed en de
Opperkoopman, die maar wat blij was, dat hij met al zijne ongelukken nog
zulk eene voordeelige reis maakte, liet iederen dag aan elk man eene
halve flesch van dien wijn uitdeelen. Ieder kreeg bovendien nog eene
goede portie suiker, zoodat ze zich verfrisschen konden met heerlijke
limonade van wijn.
De kok kon koken en braden zooveel hij wilde.
De wind, die geregeld en zonder vlagen woei, deed "De nieuwe Leerdam"
voortvliegen, alsof ze de manschappen de verloren schade wilde doen
inhalen.
Ziek was niemand; vroolijk waren velen; tevreden waren allen.
"Wie had dát kunnen denken, dat het zóó afloopen zou, Joostje?"
zeide de Kapitein toen ze reeds in de nabijheid van Kaap de Goede Hoop
waren.
Deze Kaap werd in vroegere jaren zoowel op de heen-, als op de terugreis
aangedaan. Tegenwoordig geschiedt dit alleen op de terugreis.
Oude Joost keek den Gezagvoerder eens aan en zeide: "Als Dolf de Boef er
eens niet geweest ware, dan weet ik niet, of alles wel zoo goed zou
afgeloopen zijn, Kapitein!"
"Het is zooals gij zegt, Joost! "Dolf de Boef" werd met Gods hulp
"Dolf de Redder"," zeide de Kapitein en wie die woorden hoorde,
stemde hiermede van ganscher harte in.
"Nu, Dolf," zeide Henri Quatre aan den avond van dien dag, toen ze arm
in arm op het scheepsdek heen en weer liepen, "nu, Dolf, je kostje is
gekocht, als we het geluk hebben te Batavia te komen."
"Zult gij mij dan aan uw' neef den Gouverneur-Generaal voorstellen,
Willem?" vroeg Dolf met een lachje.
"Gij lacht terwijl ge dit vraagt, Dolf! Daaruit blijkt het, dat ge zelf
er niet veel van gelooft. Neen, man, de Gouverneur-Generaal kent me
zelfs niet en wil mij liever maar niet kennen ook. Ge begrijpt, een
bootsman en een Toewan besaar passen al heel slecht bij mekaêr![18] Het
is al mooi, dat hij er voor gezorgd heeft, dat ik altijd, hoewel ik den
naam heb van lastig te zijn, als bootsman vaart heb. Ik moet dat al
prijzen; want als hij me hieraan niet hielp, dan kon ik misschien wel
geen schip als matroos krijgen. Maar met jou is het wat anders. De
Super-carga zal wel voor je zorgen, dat je vooruit komt!"
"Stil, Willem, stil! Wil hij voor ons beiden zorgen, goed; maar liever
vaar ik als matroos uit en blijf bij jou aanboord, dan dat ik je verlaat
om op een ander schip in rang boven je staan. We zijn nu weer bij mekaêr
en .... we blijven bij mekaêr. Wel te rusten!"
De twee vrienden zochten nu ieder hunne kooi op en Ouwe Joost, die een
en ander van hun gesprek verstaan had, zeide in zichzelven: "Vlamingen
zijn ze, maar, alével ferme kerels!"
Dat was voor Ouwe Joost al heel veel gezegd; want bij hem ging er
niemand boven een' Hollander, Fries of Zeeuw. Dat waren de Pieten.
Kwamen ze uit een van de andere vier gewesten, dan was het maar zoo-zoo;
maar vreemdelingen bleven vreemdelingen, en waren in zijn oog meestal
geen knip voor den neus waard.