Een vreeselijke vlam sloeg uit het vat naar buiten.
Men had de witgloeiende ijzers in een vol vat Franschen brandewijn
gestoken. De oproermakers hadden het met behulp van den bottelier, die
de sleutels had, boven op het dek gebracht en nu dacht niemand er aan,
dat het er nog altijd stond. De drank was in den man en de wijsheid in
de kan gekomen.
Het vat sprong en het brandende vocht stroomde langs het dek en bereikte
een' hoop touwen, die pas geteerd waren. Ook deze vatt'en vuur.
Iedereen deed, wat hij kon, om de vlammen te blusschen. Ook de kok, die
voor het vuur in de kombuis te zorgen had, verliet zijn' haard en de
ijzeren bouten, die er nog in lagen. Door de vreeselijke hitte smolten
deze en het vloeibare ijzer lekte op den grond en veroorzaakte brand,
waar niemand dien op dat oogenblik zocht. Eene pan vet vatte vuur en
weldra sloegen ook daar de vlammen uit.
"Brand! Brand!" riep de kok, die het nieuwe, dreigende gevaar het eerst
ontdekte. "Brand in de kombuis!"
"Vlucht! Vlucht!" riep een uit den hoop. "De booten in!"
"Wie het waagt eene boot los te maken, schiet ik als een' hond neer,"
liet IJzeren Neptunus zich hooren.
Op dit oogenblik kwam Hoepel aansnellen en riep: "De vlammen zijn al
door de scheuren der beschotten in het ruim geslagen! Nog een oogenblik
en ze zijn bij het kruit!"
"Vluchten! Vluchten!" klonken reeds meerdere stemmen.
De oude oproermakers-geest, zoo even onderdrukt, kwam weer met kracht
boven.
"Ik laat me niet verbranden, mannen! De booten in!" riep Kreeft.
"Vooruit! Wie zijn leven lief heeft, die volge mij!"
Het baatte niet of IJzeren Neptunus er nu twee beetpakte en dreigde
overboord te smijten.
Het hielp niet, dat Henri Quatre, Dolf, Ouwe Joost, Hoepel, de
Opperkoopman, de Scheepsbarbier, Dirk en Garrit zich bij hun' nieuwen
Kapitein aansloten. De oproermakers waren te ver in de overmacht, niet
alleen door getal, maar ook door wapenen; want de konstabel en zijn
maat, die mede tot de rebellen behoorden, hadden geladen musketten,
pistolen, kruit en lood uitgedeeld, waarna ze den sleutel van het
wapen- en kruitmagazijn in zee gesmeten hadden.
Inmiddels nam de brand overal toe en de booten werden neergelaten en wie
geen' moed had om te blijven, vluchtte.
Ook Garrit, de Scheepsbarbier en de Opperkoopman kwamen in eene boot
terecht.
Op dat oogenblik stak er een zuchtje wind op, het fluitschip kwam in
beweging, en brandende passeerde het in dien nacht de Linie.
Maar geen was er, die er aan dacht.
Zonder iets aan het voortwoekeren der vlammen te kunnen doen, stonden
IJzeren Neptunus, Henri Quatre, Joost, Hoepel, de Tweede Stuurman en
Dolf bij elkander op het achterschip.
"De "Leerdam" komt er slechter af dan de "Het Huys ter Horst","
bromde Joost. "We zijn voor de haaien, mannen! Als het kruit vuur vat
dan...."
Daar viel de groote mast overboord en bijna op hetzelfde oogenblik
volgde de fokkemast.
"Mannen," sprak de nieuwe Kapitein, "de booten zijn alle weg. Over
een klein kwartier vat het kruit vuur en dan zijn we allen verloren. Ons
eenig behoud is om overboord te springen en te trachten op de masten te
komen. Komt, het kan niet anders!"
De trouwe mannen begrepen dat ook. De een na den ander sprong overboord
in zee, doch IJzeren Neptunus bleef achter.
Eindelijk kwam hij ook met .... den dronken Kapitein.
Hij sloeg den linkerarm om hem heen en onder het korte gebed: "Goede
God, sta ons bij!" plofte hij ook in zee.
Wat een held was die man in dat oogenblik!
De Opperkoopman zag het aan en mompelde: "Dat is nu eerst nog eens eene
schoone en edele daad! Die eenvoudige stuurman, hij is een groot man!"