VIJFDE HOOFDSTUK.

Een groot man.

"Kapitein," sprak twee dagen later de bottelier, "het water in de

leggers[11] is geheel bedorven."

"Kan ik dat helpen, man?"

"Neen, Kapitein! Maar ik wilde u nu vragen wat het volk dan drinken zal?

Alleman heeft dorst."

"Wel, natuurlijk van dat water!"

"Ze lusten het niet, Kapitein!"

"Dan laten ze het maar staan. Wie niet lust is dood! Had je nóg wat?"

"Ja, Kapitein!"

"Nu, gauw dan wat! Ik heb geen' tijd om naar allerlei beuzelarijen en

onzinnige vragen te luisteren."

"Het volk wordt oproerig, Kapitein! Ze zeggen, dat als ze achter[12]

volop wijn en bier drinken, zij niet verkiezen de pest te drinken aan

bedorven water uit de leggers."

"De pest? Wie heeft die zotteklap uitgekraamd? De bootsman zeker? Hij is

er precies de man toe."

"Neen, Kapitein! Ouwe Joost heeft onlangs verteld, dat ...."

"Dat hij een babbelaar is, die niet weet, wat hij zegt. Hij babbelt den

grooten mast nog onderstboven. Ik vaar toch ook niet als jonge brasem

uit, zou ik denken, en ik heb er nog nooit van gehoord."

"Met uw verlof, Kapitein," sprak thans de Eerste Stuurman. "Ik heb er

wel van gehoord, en ik kan u verzekeren, dat het water, zooals het nu

is, onmogelijk kan gedronken worden. Het is geen kost, men walgt, als

men het maar ruikt en .... Maar wat zullen we nu weten? Wat voeren ze nu

toch in vredesnaam met het water uit?"

Nadat hij deze laatste woorden had uitgesproken, begaf hij zich met den

bottelier naar de plaats waar men bezig was een' legger ledig te maken

in allerlei vaten en bakken. Met lepels roerde men het dan duchtig om en

liet het uit den vollen lepel van eene zekere hoogte weer in de bakken

en vaten vallen. Dit hielp zeker om den stank minder te maken, wel wat,

doch niet genoeg. Het was op raad van Dolf de Boef, dat de kok, geholpen

door enkele matrozen, hiermede begonnen was, en nadat men meer dan een

half uur het water telkens overgegoten had, proefde de kok er eens van

en zeide "De stank is minder, maar de smaak nog even ellendig!"

"We hebben nog niet alles gedaan, wat we kunnen," zeide Dolf. "Hebt

ge ook ijzeren of looden buizen aanboord?"

"Neen," zeide de timmerman. "Wij hebben wel rollen lood waarvan

desnoods buizen gemaakt kunnen worden."

"We moeten ons weten te behelpen," hernam Dolf. "Ik heb wel eens

gehoord, dat bedorven water beter wordt, als het door ijzeren of looden

pijpen, waarin gaatjes zijn, loopt. Als we nu eene lange reep lood nemen

en die vouwen tot eene goot, dan kunnen wij er wel gaatjes in slaan,

zoodat het water er door druppelen kan."

"Zeg eens even: kan jij water in eene vergiettest dragen? Het loopt

immers door de gaatjes over land weg? Dat zal met die looden pijp of

goot immers ook gebeuren?"

"In zee, wilt ge zeggen," zeide Dolf tot den timmerman die hem in de

rede gevallen was. "Dat zou waar zijn, als men onder die looden goot met

gaatjes geene tweede zonder gaatjes hield. In die onderste kan het

opgevangen en in schoone vaten gebracht worden."

"Met een dood kalf is het goed sollen," liet de Eerste Stuurman zich

hooren. "Maar nu heb ik ook nog een voorstel, en dat is dat we dien

ledigen legger met zeewater en potasch eerst eens terdege schoonmaken.

Het bederf zit in het hout ook en is er niet zoo gauw uit."

Aan een en ander werd gevolg gegeven, en daar niemand der manschappen

aanboord iets te doen had, omdat het schip zich bijna niet voortbewoog,

zoo begon iedereen te werken aan de waterverversching.

Met veel moeite werd het toestel tot stand gebracht en de proef begon.

Men ving het doorgedruppelde water uit de onderste goot op, alsof het

levens-elixer was.

Verscheidene ledige leggers waren schoongemaakt en men liet het water

maar telkens van het eene vat in het andere loopen. Het was eene

algemeene bezigheid.

Eindelijk werd er van geproefd en, waarlijk, het had wel niet veel, maar

toch wàt geholpen.

"Nu weet ik nóg wat!" riep Dolf eensklaps uit, "en dat kan ook

helpen. We nemen een ledig vat en maken in den bodem kleine gaatjes. Op

dien bodem legt men dan een stuk linnen en op dat linnen doen we schoon

zand, waardoor fijne houtskool geroerd is. We moeten alles probeeren!"

"Maar dan sijpelt het water door de gaatjes van den bodem weer op het

dek," meende de timmerman.

"Kunnen we dan dat zuiveringsvat niet boven een' ledigen legger

zetten?" vroeg Dolf.

"Je bent vindingrijk, Dolf!" zeide de bootsman vriendelijk.

"Nu, ik heb op de hoogeschool niet al mijn' tijd verboemeld, zoo min

als jij!" hernam Dolf.

Weldra was men in de weer om ook nog deze proef te beginnen, hoewel

velen ongeloovig de schouders ophaalden.

"Ze krijgen er de pest toch niet uit," bromde Ouwe Joost.

Reeds begon de avond te vallen eer men den toestel in orde had. Het volk

had dien dag zijn maal gedaan met beschuit en een weinig bier, dat de

Opperkoopman uit zijn' eigen voorraad uitgedeeld had. De Kapitein, wiens

geweten zeker begon te spreken, liet zich zoo weinig mogelijk zien.

Nieuwsgierig hoe het zou afloopen bleven de meesten van het volk op het

dek en keken naar de vaten met een paar oogen, alsof hunne Grootmoeders

er kousen in zaten te breiden, en zóó voor den dag komen zouden.

Het was beneden in het matrozen-logies of in het ruim ook haast niet om

uit te houden van de vreeselijke en afmattende warmte en het groote

gebrek aan versche lucht.

Wel werd de vloer dikwijls opgedweild met zeewater en azijn, maar de

vunzige lucht liet zich niet zoo gemakkelijk verdrijven. Daar is een

koeltje voor noodig, die ze wegblaast, ver zee in. Daarom werd alles

tegen elkander over opengezet om tocht door te laten; maar bij de groote

windstilte hielp dat zooveel als niemendal. Velen van het volk begonnen

bovendien last te krijgen van koortsen en allerlei andere

ongesteldheden, die een gevolg waren van het ledigloopen en niets doen,

maar vooral van de warmte en het slechte drinken.

Een spreekwoord zegt: Ledigheid is des duivels oorkussen.

Zoo de Kapitein daaraan wat meer gedacht had, zoo hij voor het volk wel

werk gezocht hebben.

Maar de Kapitein, die anders wakker genoeg was, had de bokkepruik op, en

als er één was, die wist waarom, dan was het wel onze IJzeren Neptunus,

de Eerste Stuurman.

"Wat hapert er toch aan den Ouwe, Stuurman?" vroeg eenigen tijd later

de bootsman, die met zijn vriend Dolf bij den grooten mast stond te

praten over oude gebeurtenissen.

"Laten we eerst vragen, Willem," zei Dolf, "wat er onzen IJzeren

Neptunus in den weg zit. Terwijl we hier staan, is hij ons al een keer

of wat voorbij geloopen met de vingers in den mond, of liever met den

nagel tusschen de tanden."

De Stuurman bleef stil staan en zeide somber en half zuchtend: "Och, ik

liep zoo maar wat te denken. Een mensch moet toch iets verzinnen om

zichzelven niet ziek van verveling te maken. Dat zal jelui toch ook wel

eens overkomen niet?"

"Zeker," zeide Dolf, "uit gebrek aan andere stof praatten Willem

en ik al over ons vroeger studenten-leven. Maar zeg, liep je soms te

denken over het mislukken van mijne waterverversching-proef?"

"Neen, ik dacht aan heel wat anders. Maar is de laatste proef dan ook

niet geheel gelukt?"

"Dat zal nog moeten blijken, Stuurman! Maar ik vrees er wel voor. Ouwe

Joost is zoo gek niet, als zijne muts wel staat, en die heeft gezegd:

"Ze krijgen er de pest toch niet uit." En ik geloof het met hem. Om de

waarheid te zeggen: het water was al veel te ver weg."

"Nu, raar water heb ik wel eens meer gedronken," zeide de Stuurman,

"maar zulk water nooit. Ik geloof eigenlijk dat de vaten niet goed

schoon gemaakt waren toen men het water er in deed."

"Of gevuld met dat ongelukkige Maaswater," sprak Henri Quatre. "Neen,

dan hebben wij op onze hooge gronden in het Geldersche ander water. Als

men het daar uit den grond pompt, dan kraalt het als bier in een glas."

"Het is geen Maaswater, maar zuiver bronwater geweest, dat er in kwam,

dat weet je ook wel. We namen op Madeira water in."

"Je hebt gelijk," begon nu Dolf, "maar nu we toch zoo bij elkander

staan, moesten we eens even over het water zwijgen. Al dat praten er

over maakt den dorst maar erger. Zeg ons liever maar eens waarover je

toch zoo dacht!"

"Och, dat kan ik moeielijk zeggen, mannen! Als kind speelde ik dikwijls

met gekleurd zand, dat ik door een' trechter liet loopen. In het eerst

kon ik zeggen, als het er uitliep: Zwart zand, wit zand, rood zand,

groen zand, rood zand, maar op het laatst liepen de kleuren door mekaêr

en kon men ze niet meer onderscheiden. Zoo gaat het met de gedachten van

een' zeeman, die zich loopt vervelen ook. In het begin houdt men alles

netjes bij elkaêr, maar het duurt niet lang of al die mooi uit mekaêr

gehouden gedachten, doen als de droge blâren op den hoek van eene

straat, als het waait. Alleen een baas van een blad kan men dan nog

onderscheiden."

Henri Quatre ging nu vertrouwelijk naast hem staan, legde hem eene hand

op den schouder, en zeide: "Precies, Stuur, precies! Bij u dwarrelen

die gedachten nu ook als die droge blâren, maar .... dat groote blad,

dat er bij is, houd je in het gezicht. En wil ik je nu eens vertellen,

wat er op dat groote blad geschreven staat?"

"Wel, Sinjeur de goochelaar, vertel me dat even, als je kunt," zeide de

Stuurman met een lachje, dat hem niet van harte afging.

Henri Quatre boog zich dichter tot zijn oor en fluisterde: "Op dat

groote blad staat geschreven: "Wat moeten we aanvangen zonder

drinkwater?" Kan ik goed gedachten lezen?"

"Gebrekkig, man, gebrekkig!"

"Stil maar, we zijn er nog niet. Op datzelfde blad staat met

koeienkoppen van letters te lezen: "Waarom liet de Ouwe, tegen beter

weten in, twee streken westelijker sturen?" Ben ik er nu, man?"

"Dat is zoo, bootsman! Die hooghartige bui van ...."

Hij zweeg op eenmaal.

"Nu, waarom gaat ge niet voort?" vroeg Dolf.

De Stuurman keek voorzichtig rond of er niemand was, die hem beluisteren

kon en zeide toen: "Die hooghartige bui van den Kapitein zal ons duur te

staan komen, vrees ik."

"En de Ouwe ziet dat ook in, en vandaar de bokkepruik, die hij op heeft.

Als een mensch wat verkeerds gedaan heeft, tracht hij altijd zichzelven

zooveel mogelijk te verontschuldigen. Dan is hij knorrig op iedereen,

omdat hij te trotsch is, knorrig op zichzelven te zijn! Is het niet zoo,

Stuurman?"

"Zoo is het, Dolf! En, als ik je nu de gulle waarheid zeggen moet, dan

zit ik erg in angst."

"Waarom, Stuurman? Enkel en alleen om het bedorven water?"

"Neen! Het volk is ontevreden, en de nare manier van doen van den

Kapitein maakt, dat er een oproerige geest komt. Ik heb mijne ooren en

oogen niet in den zak zitten; ik hoor en zie meer dan me lief is, rekent

er op. Het lijntje zal gauw genoeg breken."

"Maar niet allen zijn oproerig. Er zijn er nog wel, die te vertrouwen

zijn," meende Henri Quatre.

"Bootsman, ik heb de vertelling gehoord van Joost en ik weet, dat hij

niet gefabeld heeft, het is er toen zóó en niet anders toe gegaan. Maar

als we in dien vreeselijken toestand moeten komen, wel, ik weet het zoo

niet, maar ik geloof, dat ik dan voor mijzelven niet zou instaan."

"Maar, Stuurman!?"

"Het is zoo, bootsman! Zie, ik weet hoe we in dit perykel gekomen zijn.

Jelui weet het en, weest ervan verzekerd, dat er onder het volk ook

genoeg zijn, die het weten, en zij, die het weten, zullen, als pitje bij

paaltje komt, wel zorgen dat allen op de hoogte zijn. En nu kan er op

een schip veel gebeuren. De eene ramp na de andere kan bezoek komen

brengen, als het volk den Ouwe vertrouwt, dan blijft alles toch goed

gaan. Een flinke Ouwe is in die gevaarlijke oogenblikken en in die

moeielijke uren en dagen de God van Janmaat. Naar hem ziet iedereen;

naar hem luistert alles; op hem hopen en vertrouwen Stuurman en

pluimgraaf, Opperkoopman en kajuits-wachter. Maar wee, wee, als men den

Ouwe niet vertrouwt. Dan mag hij bevelen, zij dreigen; dan mag hij

bidden, zij lachen hem uit; dan mag hij op zijne knieën smeeken hem

gehoorzaam te zijn, ze trappen hem opzijde. Ik ga de toekomst donker in,

mannen!"

Dolf en Willem keken elkander aan, en alsof ze mekaêr in de ziel konden

lezen, zoo zeiden ze, als uit één' mond: "IJzeren Neptunus, wees gij

onze Kapitein! Word het op staanden voet eer het te laat is. Het volk

zal u gehoorzamen, dat weet je wel. Jij, en jij hebt bij het volk meer

vertrouwen in je pink, dan de Kapitein in zijn heele lichaam."

"Mannen, mannen, wat zijt gij onvoorzichtig in uwe voorstellen! De

wetten verbieden het mij te doen, al wilde ik."

"Daar gaat wat boven de wet, Stuurman!"

"Wat dan?"

"Redding uit nood, Stuurman!" sprak de bootsman.

Londenaar bedacht zich een oogenblik en zeide toen: "Neen, neen, nu

zeker nog niet! Maar, wat anders! Gij kent het volk misschien beter dan

ik, want ge gaat er meer rechtstreeks mede om. Wie zijn het minst

genegen oproer te maken?"

"Die zijn gauw opgenoemd, Stuurman! In de eerste plaats u niet en wij

ook niet. Meester Troost der Armen is ook geen oproermaker en Hoepel

denkt er niet aan. Dirk en Garrit, de zoogenaamde "Twee Vromen," en de

timmerman zijn ook te vertrouwen!"

"Dat zijn er acht! Ga verder!"

"Er zijn er, naar ik berekenen kan, al zoo veel niet meer, Stuurman! De

ontevredenheid is algemeen!"

"Och kom! de kok, de bottelier en de Tweede Stuurman dan? Die zullen

toch geen oproer maken?"

"Zijn als de rest. Ze behooren tot dat slag van volk, dat in den Ouwe

een' God ziet waarvoor hij knielt of een kwâjongen, dien hij ringelooren

zal, al naarmate de Ouwe is. Begrepen?"

Een oorverdoovend gelach liet zich op dat oogenblik op het voorschip

hooren. De drie vrienden liepen er heen in de stille meening, dat die

laatste proef met het zuiveren van het water goed gelukt was, en dat

daardoor de aanleiding tot die luidruchtige vroolijkheid was ontstaan.

Spoedig echter zag men dat het wat anders was.

Tusschen vier verkleede matrozen, die zich het aangezicht met gebrande

kurk ingewreven hadden om er als negers uit te zien en die vier

baliemanden met kruiken en flesschen droegen, liep iemand, die zich

zooveel mogelijk verkleed en veranderd had om op den Kapitein te

gelijken. Hieraan zou men echter niet zoo gauw gezien hebben, wien de

verkleede man voorstelde, maar de Kapitein had eenige dagen geleden met

den linkervoet in een' spijker getrapt, en daar Troost der Armen nog

niet veel baat gebracht had, zoo liep hij een weinig te trekkebeenen.

Dit nu deed de verkleede ook, en daardoor wist iedereen, wie er bedoeld

werd.

"Het is de kok!" fluisterde Dolf zijn vriend in het oor.

"Ja, en die anderen?"

"Dat zie ik zoo gauw niet. Wacht, de konstabel is er bij!"

"Ja, en -- en -- Hoepel! Hoepel werkelijk ook. Dat valt me dan

vreeselijk tegen, want, zie je, het is heel wat anders dan een grapje,

bedacht om de verveling te verdrijven."

"Je hebt gelijk! En die andere twee gelijken wel wat op den Tweeden

Stuurman en "Kreeft."

Kreeft was een matroos, wiens bovenlijf naar de linkerzijde wat

overhing. Daarom had hij ook van het andere zeevolk, dat altijd heel

vindingrijk is in het geven van bijnamen, den naam van "Kreeft"

gekregen.

"Wat zijn die toch van plan?" vroeg IJzeren Neptunus. "Ik zie er een

heel gevaarlijk spelletje in."

"Dat zullen we zien en hooren," antwoordde Henri Quatre.

De stoet hield eensklaps stil.

"Au! Au! Verdraaide horlevoet, wat doe je me eene pijn! Ellendige

spijker! Wie was de ezel, die hem heeft laten vallen en laten liggen?

Hij moet gebritst, gekielhaald, ja, hij moet gehangen worden," riep hij,

die voor Kapitein speelde en nu allerlei bewegingen maakte, alsof de

wonde aan den voet hem veel pijn veroorzaakte.

"Joris Kopstuk, Kapitein Pompernikkel!" luidde het antwoord van een der

lachende matrozen.

"Wie is die Joris Kopstuk?" klonk de vraag.

"Ja, Kapitein Pompernikkel," hernam dezelfde spreker, "Joris

Kopstuk is een bijnaam, dien we hem gegeven hebben. Zijn eigenlijke

naam is Tweestrekenverkeerdwest!"

"Wat? Hoor ik goed? Maar wat naam is dat? Zulk een naam is er in heel de

Republiek der Vereenigde Nederlanden niet! Twee-streken-verkeerd-west!

Zelfs de Boschjesmannen en Hottentotten hebben zulke malle namen niet!"

"Hij is ook geen Boschjesman of Hottentot, Kapitein! Zijn Vader was een

sausneger, een echte sausneger, van komaf. Hij liet zijn zoontje in den

broek doen en bestelde hem aanboord van een schip der Compagnie. Daar

bofte dat sausnegerszoontje zoo, dat hij Kapitein op eene mooie fluit

werd."

"Ik weet er niemendal van!"

"Dan zal u het weten! En eens op een' keer wilde het ei wijzer zijn dan

het hoen, en toen stuurde hij zijn schip dicht bij de Linie twee streken

westelijker dan alle andere christenmenschen zouden gedaan hebben, en

zooals hem ook afgeraden werd te doen. Maar de baas had een hard vel

voor het voorhoofd zitten en dat kwam, omdat hij maar een sausneger was.

En weet u, wat er toen gebeurd is?"

"Ik wil me geene raadseltjes laten opgeven! Ik vaar toch niet als jonge

brasem uit!"

"Neen, Kapitein Pompernikkel, ik zou zoo zeggen: u vaart als oude brasem

uit!"

"Nu, wat vlugger! Je vertelt, alsof je jezelven een spijker in je tong

gebabbeld hebt, zooals ik er een' in mijn' voet trapte!"

"En door dat twee streken westelijker sturen kwam het schip zes

weken onder de Linie te liggen en stierf de helft van het volk aan

allerlei akelige ziekten. Toch kwam het schip, wonder boven wonder

om aan den balk te schrijven, behouden aan, en nu vaart datzelfde

sausnegers-zoontje aanboord van de "Heukelom"."

"Heukelom? Heukelom? Maar wat babbelt gij toch voor onzin? Heukelom ligt

in de buurt van Asperen en van Leerdam, van =Leeeerdaaam=!"

"Juist, juist, jawel, Kapitein Pompernikkel! En die sausnegers-zoon nu

heeft een' spijker laten vallen en laten liggen."

"Dan moet hij gestraft worden! Op staanden voet! Een vijftig voor de

brits over een' ledigen legger!"

"Over een' ledigen legger, misschien nog wel een' schoongemaakten? Je

bent niet recht frisch! Neen, als hij over een' legger moet, dan over

een' opengemaakten vollen, nergens anders over. Dan heeft hij pijn van

achter en reuk van voor!" riep een ander, en dit voorstel vond zooveel

bijval, dat men het met een allergeweldigst gejuich en geschreeuw

ontving.

"Dat loopt daar mis, Stuurman!" zeide opeens Ouwe Joost, die met

Dirk en Garrit zich van het luidruchtige troepje afgezonderd hadden.

IJzeren Neptunus verstond en begreep hem. Maar wat was er aan te doen?

Het was immers nog maar een grapje? Men wist wel wie er met dat

sausnegers-zoontje of Joris Tweestrekenverkeerdwest bedoeld werd, maar

men kon er zich nog altijd afmaken met te zeggen: "Die man of die

Kapitein bestaat immers niet?"

"Vooralsnog niets aan te doen, Joost," sprak de Stuurman.

Ouwe Joost haalde de schouders op, zuchtte en verwijderde zich met zijne

twee jonge vrienden.

Toen het gelach een weinig bedaard was, begon de man, die zich "Kapitein

Pompernikkel" noemen liet, alweer zijne stem te laten hooren, en goed

ook, alsjeblief!

"Stilte! Stilte!" schreeuwde hij. "Je spraakt daar om Joris Kopstuk

over een' vollen legger te britsen, opdat hij pijn van achter en reuk

van voor zou hebben! Is er dan een luchtje aan het water?"

"Kom en ruik, Kapitein Pompernikkel," zeiden een paar uit den hoop en

brachten den trekkebeenenden vriend bij een' vollen legger, die open was

blijven staan om er de akelige, bedorven lucht uit te krijgen.

Kapitein Pompernikkel boog zich, onder het maken van allerlei dwaze

bewegingen, over het geopende vat, maar pas had hij dat gedaan, of hij

liet zich achterover vallen en gilde uit: "O, benauwd! benauwd! De

stank is op mijn hart geslagen en dat klopt nu twee streken westelijker!

Benauwd! Dat is bedorven duivelsdrek![13] Help, help! Ik kan niet meer!"

Gedienstige handen schoten toe en brachten den man weer bij de manden.

Hij nam eene kruik, haalde er de stop af, rook eens en zeide toen: "Ha,

ha! Ik bekom! Dat is heel wat anders! Dat is drank, dien de Goden hebben

uitgevonden!"

"Wat is het dan, Kapitein Pompernikkel?"

"Bier, jongen, best bier! Ik heb er voor mijzelven en voor de Officieren

achter een' kelder vol! Het is echte faro, zoo rechtstreeks uit de

Brusselsche brouwerijen ontvangen. Daar achter is het een kapitaal

leven."

"Waar achter?"

"In de kajuit van de "Heukelom," mannen!"

"Dan kunnen de Officieren zich zad drinken, Kapitein!"

"Ja, maar ze krijgen geen bier! Ik heb den sleutel weggestopt, want ze

zijn niet zoet! Ze moeten ook maar bedorven water drinken of van dorst

sterven! Maar ik ben om geld verlegen en kom hier mijn bier verkoopen.

Ga je gang, Slungel, mijn jongen! Ik ben Notaris en verkoop faro, zoo

uit Brussel. Jij bent mijn afslager of crieerder! Begin!"

Slungel was een van de zoogenaamde knechts van Kapitein Pompernikkel,

die nu opeens alweer Notaris geworden was. Hij hief eene kruik in de

hoogte en begon: "Bij afslag, mannen, bij afslag!"

"Neen, bij opbod!" liet een zich hooren.

"Dat duurt te lang! Bij afslag! Het zijn duiten, hoort ge! Wie geeft

zestig, vijftig, veertig, twintig, tien, negen, acht, zeven, zes...."

"Mijn!" riep een.

De kruik werd hem met de noodige grappen overgereikt en het verkoopen

van eene tweede begon.

Ieder, die eene kruik gekocht had, haalde er de stop af en deed, alsof

hij naar hartelust dronk.

"Ik geloof stellig, dat ze drinken," zeide Dolf.

"Dat behoeft ge niet te gelooven, dat kunt ge wel voor zeker houden. Ik

heb er zoo even alles van gezien en gehoord," sprak Ouwe Joost. "De

bottelier heeft de biervaten aangesproken!"

"Kom, hoe zou hij dat durven?"

"Durven? Hij heeft nog meer gedurfd! Ze hebben wijn, jenever en

brandewijn ook!"

De Eerste Stuurman, die dat gehoord had, begaf zich terstond naar de

kajuit. Hij klopte aan de deur, doch ontving geen antwoord. Hij klopte

nog eens en nog eens, maar alles bleef stil, doodstil. Het scheen wel,

dat de kajuit geheel verlaten was. Stil, alles stil!

Stil bij de deur van de kajuit en in de kajuit, ja, maar op het

voorschip niet! Hoor, hoor toch eens wat een dronkemansgezang!

Kapitein Pompernikkel is voorzanger!

"Excellent is 't druivenatje!

Laburdon, tierelieron!

Als 't zoo koel komt uit het vatje!

Laburette,

Tierelierette!

Laburdon, tierelieron!

Siet het uit den roemer springen,

Laburdon, tierelieron!

Heysa, lustig, laet ons zingen!

Laburette,

Tierelierette!

Laburdon, tierelieron!

Onzen wijngod fraei ter eeren

Labu...."

"Neen, neen, een ander lied, Kapitein Pompernikkel! Een ander lied!"

schreeuwde de Tweede Stuurman, en onderwijl nog een deel van het volk

zong:

"Laburette, tierelieron!

Laet ons Bacchus vrij waerdeeren,"[14]

brulde hij, want zingen kon men het waarlijk niet noemen:

Wie wilt opgeschreven worden?

Bacchus neemt soldaten aan.

Op de bierbanck is 't slagh-orden

Daer wij moeten vechten gaen.

d' Herberg is de =rendez-vous=,[15]

Het woord is: ='k breng het u=, of =avous=.

Vecht knecht, doot kaes en broot!

Schenckt! Drinckt!

't Glaesen trompet dat klinkt!"

Langzamerhand kreeg het lied, dat de Tweede Stuurman liet hooren,

bijval, en met het tweede couplet zongen reeds allen mede:

"Bacchus tonneken is de trommel,

Die men in den oorlogh slaet!

Want men suypt daar als de drommel.

Dat de buyk gespannen staet.

Als een trommeltje zoo brou,

Dat het daer op klincken zou!

Vecht knecht, doot kaes en broot!

Schenckt! Drinckt!

't Glaesen trompet dat klinckt!

Bierbuyck hout drie compagniën

Louter drinckboers in het velt,

Om den oreloogh te bieën,

Aen den dorst, die 't keelgat quelt.

Dikke Pier is kolonel!

Hij brenght de drinckbroer elckeen snel.

Vecht knecht, doot kaes en broot!

Schenckt! Drinckt!

't Glaesen trompet dat klinckt.

Hei, coraedje! Jan Potaedje

Drinckt dat syne neus wordt root,

't Is een teycken van coraedje,

Van coraedje die es groot!"

Verder hoorde IJzeren Neptunus niet meer naar dat gebrul; want zijn

geduld was ten einde en na vruchteloos beproefd te hebben de deur, die

van binnen gesloten was, te openen, trapte hij ze in.

Bij het walmend licht van eene vetkaars, die reeds in de pijp brandde,

zag hij den Kapitein onder de rustbank op den vloer liggen. Hij lag er

stil, doodstil, en sliep.

Eene sterke lucht van brandewijn en een beker, die nog half vol met dit

vocht was, zeiden hem genoeg, wat er gebeurd was.

De man, die zichzelven te hoog geschat had om den raad, van een' veel

ouderen Scheepskapitein op te volgen, had nu geen' moed genoeg gehad om

het gevaar, waarin hij manschap en schip gebracht had, het hoofd te

bieden.

Hij had zich dronken gemaakt en lag als een lijk op den grond, om in den

slaap te vergeten, dat hij niets anders was dan een hooghartige lafaard.

Zonder goed na te denken, wat hij deed, snelde de Stuurman nu naar de

hut van den Opperkoopman, die sinds den vorigen dag ziek in de kooi lag

om dezen te vertellen in welken toestand hij den Kapitein gevonden had.

Er moest, het mocht kosten, wat het wilde, raad geschaft worden. In

zijne haast vergat hij echter de deur der kajuit te sluiten.

Terwijl de brave Stuurman nu met den Opperkoopman middelen beraamde om

het oproer, en misschien allerlei ongelukken te voorkomen, schreeuwde

Kapitein Pompernikkel in dronkemanstaal en met echten dronkemansmoed:

"Halloh, mannen, frisch op! Naar Joris Kopstuk! Hij zal naar onze pijpen

dansen zoo mooi of zoo leelijk, als je het nog nooit gezien hebt."

"Ja, ja, Joris Kopstuk zal dansen," riepen er een paar. "We

moeten bij al onze ellende toch een beetje verzet hebben ook!"

Zwaaiende, gierende, zingende en schreeuwende kwam de menigte bij de

kajuit en....

"De baas heeft een graantje gepikt! Hoezee! Jongens, de Ouwe heeft de

hoogte en ligt nu heelemaal Noord! Zijn kompas wijst glad mis,"

schreeuwde de Tweede Stuurman.

"Terug! Terug!" klonk op eenmaal eene stem.

Het was Henri Quatre, die, gevolgd door Dolf, Joost, Dirk en Garrit,

zich voor den woesten hoop plaatste.

"Verloopen student, commandeer den hond en blaf zelf," schreeuwde de

bottelier en greep den bootsman aan, doch deze, die voor geen klein

geruchtje vervaard was, smeet den aanvaller in een oogenblik zóó

hardhandig neer, dat alle beenderen en ribben in zijn lijf "krak"

zeiden.

"W--w--wat moet, zal, wat moet dat--dat hier?" klonk thans de

dronkemans-stem van den Kapitein, die door al het geweld een weinig tot

zichzelven kwam.

"Dronken varken, geef ons goed water," riep de Tweede Stuurman.

"Hoort ge waarachtig nog, ja?"

"Maak ijzeren bouten--bouten--gloeiend--gloeiend, en

stop--stop--die--dan--dan--in--in--het--w--wa--water," zeide de Kapitein

met dubbelslaande tong.

"Hoort ge het wel, mannen? De Kapitein geeft een' goeden raad, en het

zal verstandig zijn dien op te volgen," zeide de Opperkoopman, die half

gekleed in de kajuit kwam.

"Jij met je goeden raad!" riep een der ruwste matrozen. "Wat weet me

zoo'n kruidenier, die peperhuiskens plakken en kaneel afwegen kan, van

een' goeden raad! Loop voor mijn part naar de maan!"

"Ga jij eens mee maat, dan zal ik je 'reis vertellen waar je de maan

kunt zien ondergaan," sprak IJzeren Neptunus op kalmen toon en hij droeg

den oproerigen matroos zoo gemakkelijk de kajuitstrap op, alsof hij een

bakerkind in de armen had.

"Naar boven, mannen, naar boven!" liet zich nu de Tweede Stuurman

hooren. "Die IJzeren Neptunus zal een ongeluk aan Maaikenneef begaan!

Mee! Mee!"

In een oogenblik was nu de dolle menigte op het dek.

IJzeren Neptunus stond heel bedaard met Maaikenneef in de handen bij de

verschansing.

"Als je één' stap nader komt gaat hij overboord voor de haaien, zoo

waar als ik hier voor je sta, lafhartige schreeuwers," sprak de sterke

man, en met eene onbegrijpelijke kracht hief hij met de linkerhand

Maaikenneef op en hield hem half overboord.

Toen de anderen dat zagen, stonden ze een oogenblik ontzet stil. Dat was

eene kracht, die boven hunne bevatting ging.

"Hij durft niet, mannen!" schreeuwde de Tweede Stuurman en naderde den

reus. Deze evenwel stak plotseling de vrije rechterhand uit en greep

dezen tweeden belhamel ook zoo beet, dat deze zich niet verroeren kon.

"Nog eenmaal, terug, mannen, of er gaan er twee overboord," zeide de

sterke man op zulk een' ijzingwekkenden, kalmen toon, alsof er niets

bijzonders aan de hand was.

Zijne oogen straalden vuur, en even als bij een hollend paard, waren

zijne neusgaten wijd geopend. Hij geleek een reus uit de fabelleer, en

nooit had hij zijn' bijnaam van "IJzeren Neptunus" meer eer aangedaan

dan in dit vreeselijke oogenblik. De matroos en de Tweede Stuurman

konden letterlijk niets doen; ze waren als poppekens in de handen van

een' grooten schooljongen.

Zij, die niet tot de oproermakers behoorden, schaarden zich om hun'

Aanvoerder en eindelijk kwam ook de Kapitein op het dek aanzwaaien.

"Sm--smijt ze--over--overb--boo--boord, stuur--Stuurman!" beval hij.

"Smijt ze voor--voor--voor-- doe ze--smijt ze...."

"Brengt dat dronken schandaal weg, mannen! Ik neem het bevel van het

schip op me," sprak de Eerste Stuurman. "Als we te Batavia komen,

leveren we hem uit."

"Of hij levert ons uit, als oproermakers! Wij weten immers bij

ondervinding, dat de Heeren een' matroos niet zoo gauw gelooven, en

vooral hier niet, want de Kapitein staat hoog aangeschreven bij de

Compagnie! Wij loopen dus gevaar een' put voor onszelven te graven,"

sprak meester Troost der Armen, die zoo wat tusschen de beide partijen

stond.

"Hiervoor sta ik u borg," dus liet de Opperkoopman zich hooren. "Ik

zal een stuk schrijven en daarin alles uit elkander zetten waarom wij

hem niet langer als onzen Gezagvoerder erkennen en onzen Eersten

Stuurman tot Kapitein aanstellen. Het kan niet langer zoo gaan. Die man

zal ons anders allen aan de golven prijsgeven. Hij is totaal

waanzinnig."

"Ja, en als hij dan verhoord wordt, zal hij zeggen, dat we oproer

gemaakt hebben," zeide nu de Tweede Stuurman, die door "IJzeren

Neptunus" losgelaten was. Ook Maaikenneef was weer vrij en heelemaal

binnenboord.

"Hij was dronken toen dat gebeurde," meende Henri Quatre, "en

bovendien het was zijne schuld. Tegen den raad in van den Kapitein

van de "Nieuwpoort" heeft hij twee streken westelijker laten sturen

en ons daardoor in deze perykelen gebracht. Hij was dus de oorzaak van

het oproer."

"Nu als het zóó is en zóó kan, laat dan het stuk geschreven worden.

Wij zullen het allen onderteekenen. IJzeren Neptunus, ziehier mijn

knuist, je bent een kerel! Jij bent onze Kapitein! Was je het altijd

geweest, deze heele geschiedenis zou niet gebeurd zijn! Voor jou heb ik

respect, dat heb ik, dat hebben wij allemaal! Mannen, de hekken zijn

verhangen! Nu hebben we een' Kapitein, die waard is, dat we dorst

lijden! Alles in orde en geen vuiltje aan de lucht! Leve IJzeren

Neptunus, onze Kapitein!" riep Maaikenneef.

Wonderlijk volkje, die varensmannen. Zóó zijn ze als tijgers en zóó zijn

ze als kinderkens. Velen hadden tranen in de oogen en allen riepen:

"Leve onze nieuwe Kapitein!"

"Hoezee!" juichte de Tweede Stuurman en meende inderdaad wat hij zoo

luid liet hooren.

"Dolf, ga dadelijk mede om het stuk op te stellen," beval de

Opperkoopman.

Er scheen dus een einde aan de zaak gekomen te zijn.

Maar....

Het drinkwater, het drinkwater!

Men proefde het, en het was nog even bedorven.

"Volgt dan den raad van onzen gewezen Kapitein, mannen! Maakt ijzeren

bouten gloeiend en steekt die in het water," sprak Kreeft. "We moeten

geen middel onbeproefd laten."

Alleman was terstond in de weer om dien raad op te volgen.

De smeêkolen werden in de kombuis gebracht en weldra had men eenige

staven witgloeiend.

"Hier, hier, in dit vat," riep Hoepel.

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 24 / 49 题