VIERDE HOOFDSTUK.

Opgedirkte waarheid.

Zoodra het overal aanboord bekend was, dat de vijand ons verlaten had,

kwam "Held Kippenvel", we noemden hem niet anders meer, gewapend en wel

te voorschijn.

[Illustratie]

"Tot uwe bevelen, Kapitein!" zeide hij. "De koorts is over."

Hij stampte met de sabel op het dek en deed alle mogelijke pogingen zijn

kneveltje op te strijken, doch dat gelukte hem niet; want het was nog

maar in aanbouw.

Zij, die dat kereltje zoo hoorden spreken en zagen doen, barstten bijna

van het lachen, doch de Kapitein hield zich leuk en verzocht hem

beleefd, of hij wel zoo goed wilde zijn, gedurende een uur of drie de

wacht te houden bij de vaten, die op het voorschip stonden.

"Welzeker, welzeker! En het wachtwoord, Kapitein?"

"Orang daging babi!"[9] zeide de Kapitein, die moeite had nu ook niet

in den lach te schieten.

Het heertje hield alles voor ernst en ging met uitgetrokken sabel en een

dapper gezicht bij de vaatjes staan, en ieder, die in de nabijheid kwam,

hield hij de sabel dwars voor het lijf en voegde hem toe: "Het

wachtwoord!"

"Orang daging babi!" zeiden we dan, doch daar de meesten er bij

lachten, begreep hij ten laatste toch, dat hij daar voor gek stond, en

zoodra de Kapitein in zijne nabijheid kwam vroeg hij: "Maar, Kapitein,

is het niet gevaarlijk die kruitvaten daar maar te laten staan?"

"Ik weet van geene kruitvaten. Welke vaten bedoelt ge?" vroeg de

Kapitein met het onnoozelste gezicht.

"Wel, deze, waarbij ik op wacht sta!"

"Dat zijn geene vaten met kruit, Meneer! De vaten met kruit zijn al

...."

"Wat is er dan in?"

"Het zijn eenige vaten met ransig spek, die straks over boord moeten

gesmeten worden!"

"En waarom moest ik daar op wacht staan?"

"Wel, Mijnheer, ik wist geene andere plaats voor u," sprak de Kapitein

en liet den held den rug zien.

Deze was woedend en toen wij een luid gelach lieten hooren, stak hij de

vuist op en schreeuwde: "De Goeverneur-Generaal zal alles weten hoe het

hier aanboord toegaat. Rekent er op! En berouwen zal het u allen, dat

gij het gewaagd hebt mij als een' straatbengel te behandelen! Weet gij

wel, Meneer de Kapitein, dat ik Juridisch Doctor ben?"

"Juridisch doctor, Meneer? Is dat een baantje bij het eene of andere

gilde?" vroeg de Kapitein. "Ik moet eerlijk zeggen, dat ik er nooit van

gehoord heb."

"Neen, neen, het is geen baantje! Het is een graad in de Rechten,"

luidde het antwoord.

"O, maar een graad! Als het nu nog eens een been was, dan was het wat

anders!"

"Kapitein, u maakt mij woedend," schreeuwde het kereltje en kwam met

dreigende houding nader terwijl hij heel fier de rechterhand op den

greep der sabel sloeg.

"Ga vlier en kamillen drinken, kerel!" zeide de Kapitein en liet het

manneke staan.

De held stampte, omdat éénmaal kinderachtig en tweetal flauw was, drie

keeren ferm met zijne sabel op het dek, streek den knevel in aanbouw op

en marcheerde naar zijne hut, waar hij, zonder zich ergens te laten

zien, zich den heelen dag opsloot.

Wij hadden, dat spreekt vanzelf, de grootste pret van de wereld en

nauwelijks had één onzer eventjes het deuntje laten hooren:

Drink vlier en kamillen,

O mensch, je krijgt er heldenbloed van!

Drink vlier en kamillen

Zooveel maar als je kan!

of bijna den heelen dag zongen we dat zoo luid mogelijk, en stellig zal

hij het gehoord en van puren heldenmoed nog wel eens gestampt hebben.

Maar met dat al waren wij door die ontmoeting met den Portugees een

heel eind uit den koers geraakt, en het duurde niet lang of de wind ging

geheel liggen.

Het was brandend heet en wij hadden dorst om eene heele zee ledig te

drinken.

"Spaarzaam zijn met het water," klonk het bevel, en opdat niemand zich

in stilte aan het water zou te goed doen, hield een der Officieren er

bestendig de wacht bij; want de manschappen zelven waren niet te

vertrouwen.

Om de brandende zonnehitte te keeren maakten we zonne-tenten op het

voorschip, waar we nu alweer ruimte hadden.

Het baatte niet; de zon brandde er door heen.

Wij gooiden om ons zelven te verfrisschen elkander putsen zeewater over

het lijf.

Wat baatte het? Het water was niet koud en wij werkten ons in het zweet.

De zee was, zoo ver we zien konden, effen, en tot vervelens toe klotste

het water tegen de wanden van het stilliggende schip, dat wel aan de

zonnestralen gemeerd leek.

Zoo ging de eene, zoo ging de andere dag voorbij.

Wij keken en staarden in de verte of we niet een enkel wolkje zagen

aankomen.

Te vergeefs! De lucht bleef helder en scheen van gloeiend metaal te

zijn.

Aan den morgen van den zestienden dag stonden we bij de watervaten om de

eerste van onze drie portie's water te ontvangen. Sedert drie dagen

waren we op dat rantsoen gesteld.

De bottelier moest aan een nieuw vat beginnen; maar nauwelijks was het

open of....

"Bah!" riep hij en sprong achteruit. "Dat water is bedorven! Wat een

stank!"

Hij opende het tweede vat, en alweer hetzelfde.

Wij stonden er sprakeloos bij.

"Nu nog het derde vat, mannen! Dat is het laatste!" zei hij. "We

willen hopen, dat dit nog goed is!"

Hij sloeg het open, en alsof er iets heel bijzonders zou te zien zijn,

schaarden wij er ons omheen, maar -- onze neuzen vertelden al heel gauw,

dat ook dit derde of laatste vat bedorven was.

Daar stonden we nu zonder ander dan bedorven water.

Wel proefden er sommigen van; maar met walging spuwden ze het weer uit.

En hooger steeg de zon en feller werd de hitte.

"De scheepsbarbier heeft daar zoo even gelukkig in zijn

medicamenten-boek een uitmuntend middel gevonden om bedorven water zoo

smakelijk en frisch als versch te maken," werd er verteld en weldra

hoopte de heele bemanning, dat die proef gelukken mocht.

Daar kwam hij aan met een' ijzeren aschlepel vol glimmende houtskolen.

Hij wierp die in het water, en vol ongeduld wachtten wij de uitkomst van

zijne proef af.

Tegen den middag zouden we te weten kunnen komen of het middel zoo

uitstekend was, als in het medicamenten-boek verteld werd.

Hoe we naar den middag verlangden!

En toen die gekomen was....

"Het heeft niet geholpen, mannen," sprak de bottelier. "Het water is

en blijft bedorven! De toekomst ziet er donker voor ons allen uit,

vrienden! Ik vrees het ergste! God moge den armen zeeman genadig zijn!"

"Beter slecht water dan van dorst sterven," riep een der matrozen en

naar het vat loopend begon hij daar te drinken, alsof er geen verzadigen

aan zijn' dorst was.

Zijn voorbeeld werkte bijna op al het volk aanstekelijk. Men verdrong

tierend en razend, elkander aan de vaten, ja, menige vuistslag werd

gegeven en ontvangen voor één' dronk slecht water.

"Houdt op! Houdt op, mannen! Gij drinkt de pest in uw lijf!" schreeuwde

de Kapitein, die uit zijne hut kwam aanloopen. "Houdt op, zeg ik! Zijt

gij dan allen bezetenen geworden?"

"Pest of geene pest! We willen drinken, en we zullen drinken!"

schreeuwde één uit den hoop.

"Mannen, dorst lijden, zooals we nu doen is vreeselijk, ik erken het,"

sprak de Kapitein. "Maar dàt water, gelooft me, het is nog erger dan

vergif. Ik verbied het u te drinken."

"Jij kunt gemakkelijk verbieden, als je den buik vol wijn of bier hebt!

Ik stoor mij aan geene pest en aan geen' Kapitein! Drinken zal ik!"

brulde een matroos, die wel krankzinnig van dorstwoede scheen, want hij

was mogelijk wel de beste van heel de bemanning, altijd beleefd, altijd

bij de hand, steeds opgeruimd en steeds bij de zaak, dag of nacht, weer

of geen weer. En nu zóó! Wij stonden als van verbazing geslagen toen we

hem dat hoorden schreeuwen. Het was niet meer of minder dan verzet tegen

het wettige gezag. Het was oproer maken. Hij voegde de daad bij het

woord, schepte eene blikken maat vol van dat water en bracht ze aan den

mond.

Pats, daar vloog die maat de hoogte in. De Kapitein sloeg ze hem uit de

handen.

"Drinken! Drinken zal ik!" klonk op akeligen toon de stem van den

ongelukkige.

"Stuurman, neem dien man gevangen!" beval de Kapitein. "Hij maakt

oproer! Slaat hem in de boeien!"

"Dat nooit!" riep thans de arme kerel, die door dorst het verstand

scheen verloren te hebben. "Drinken zal ik! Ik lust dat vatwater niet!

Toch zal ik drinken! Drinken! Drinken, de zee leeg! Ha, heerlijk!

Heerlijk! De heele zee leeg!"

Eensklaps wrong hij zich uit de handen van hen, die hem vasthielden en

sprong in zee.

Wij allen liepen naar de verschansing om hem tegen te houden, maar hij

was ons te vlug af en overboord eer iemand hem bij de kleeren kon

grijpen. Wij tuurden in de zee, en....

"Help, help!" klonk eene stem uit de diepte.

De man kwam boven en zwom eenige slagen verwoed voort. Wilde hij zich

nu zwemmend bovenhouden tot we eene boot neergelaten hadden om hem te

redden, of had hij thans een ander plan? Was het alleen maar eene

bedreiging geweest en was hij zulk een goed zwemmer, dat hij wel wist,

dat hij toch niet verdrinken zou?

Of....

"Hu," schreeuwde een matroos. "Ik zie wat, mannen, en dat zag de arme

kerel daar beneden ook!"

Zoodra hij dit gezegd had, kwam het water in eene heftige beweging en

een monsterachtig groote haai verhief zich boven de oppervlakte.

"Help! Help!" klonk het nog eenmaal.

Van schrik deden we de oogen even toe en ze weer openend, zagen we de

staartvin van den haai in de diepte verdwijnen en -- alles was weer

stil.

Dat was een vreeselijk oogenblik geweest!

Vol ontzetting keken we elkander aan!

Heere, Heere, wat zou ons lot zijn?

Als we hier toch eens altijd moesten blijven liggen! Er is immers eene

plek op zee waar men nooit vandaan komt, zooals een oude

zeemansvertelling luidt? Eene plek waar het schip niet meer voortdrijft,

maar blijft liggen, alsof het tusschen schoren op de helling staat? Eene

plek waar het groene zeemos aan den buitenkant der schuit wast en aan de

arme varensmannen een groen graf geeft, alsof ze aan den wal begraven

waren. Daar wonen booze geesten, die het schip bij de kiel grijpen en

het voortgaan beletten ....!"

"Die plek is nergens op zee te vinden, Ouwe Joost," sprak Henri Quatre.

"Het is niets anders dan eene fabel!"

"De een gelooft het en de ander niet! Dat gaat met alle vertellingen

zoo! En nu mag je het hoofd bedenkelijk schudden of er mee knikken, ik

zeg je: ik geloof het wel, bootsman!" antwoordde Ouwe Joost en zette

zijn somber en droevig verhaal aldus voort.

"Toen die arme kerel dan voor onze oogen door een' haai verslonden was,

keerden we ons van die akelige plek af, en, onverschillig voor alles,

slenterden we op het dek, zonder een woord met elkander te spreken, op

en neer, of we lieten ons neervallen op een plekje waar de zon niet

scheen en nog een soort van koeltje te voelen was.

De kok schafte het eten op; maar we raakten het niet aan.

"Zwarte Jan" heeft verteld, dat hij nog één middel weet, en een goed

ook," hoorden we opeens fluisteren.

"Zwarte Jan" was een matroos met wien niemand omging. Elkeen ontweek

hem; want we geloofden, dat hij meester was in de zwarte konst en omgang

met den booze had.

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 21 / 49 题