Opgedirkte waarheid.
Zoodra het overal aanboord bekend was, dat de vijand ons verlaten had,
kwam "Held Kippenvel", we noemden hem niet anders meer, gewapend en wel
te voorschijn.
[Illustratie]
"Tot uwe bevelen, Kapitein!" zeide hij. "De koorts is over."
Hij stampte met de sabel op het dek en deed alle mogelijke pogingen zijn
kneveltje op te strijken, doch dat gelukte hem niet; want het was nog
maar in aanbouw.
Zij, die dat kereltje zoo hoorden spreken en zagen doen, barstten bijna
van het lachen, doch de Kapitein hield zich leuk en verzocht hem
beleefd, of hij wel zoo goed wilde zijn, gedurende een uur of drie de
wacht te houden bij de vaten, die op het voorschip stonden.
"Welzeker, welzeker! En het wachtwoord, Kapitein?"
"Orang daging babi!"[9] zeide de Kapitein, die moeite had nu ook niet
in den lach te schieten.
Het heertje hield alles voor ernst en ging met uitgetrokken sabel en een
dapper gezicht bij de vaatjes staan, en ieder, die in de nabijheid kwam,
hield hij de sabel dwars voor het lijf en voegde hem toe: "Het
wachtwoord!"
"Orang daging babi!" zeiden we dan, doch daar de meesten er bij
lachten, begreep hij ten laatste toch, dat hij daar voor gek stond, en
zoodra de Kapitein in zijne nabijheid kwam vroeg hij: "Maar, Kapitein,
is het niet gevaarlijk die kruitvaten daar maar te laten staan?"
"Ik weet van geene kruitvaten. Welke vaten bedoelt ge?" vroeg de
Kapitein met het onnoozelste gezicht.
"Wel, deze, waarbij ik op wacht sta!"
"Dat zijn geene vaten met kruit, Meneer! De vaten met kruit zijn al
...."
"Wat is er dan in?"
"Het zijn eenige vaten met ransig spek, die straks over boord moeten
gesmeten worden!"
"En waarom moest ik daar op wacht staan?"
"Wel, Mijnheer, ik wist geene andere plaats voor u," sprak de Kapitein
en liet den held den rug zien.
Deze was woedend en toen wij een luid gelach lieten hooren, stak hij de
vuist op en schreeuwde: "De Goeverneur-Generaal zal alles weten hoe het
hier aanboord toegaat. Rekent er op! En berouwen zal het u allen, dat
gij het gewaagd hebt mij als een' straatbengel te behandelen! Weet gij
wel, Meneer de Kapitein, dat ik Juridisch Doctor ben?"
"Juridisch doctor, Meneer? Is dat een baantje bij het eene of andere
gilde?" vroeg de Kapitein. "Ik moet eerlijk zeggen, dat ik er nooit van
gehoord heb."
"Neen, neen, het is geen baantje! Het is een graad in de Rechten,"
luidde het antwoord.
"O, maar een graad! Als het nu nog eens een been was, dan was het wat
anders!"
"Kapitein, u maakt mij woedend," schreeuwde het kereltje en kwam met
dreigende houding nader terwijl hij heel fier de rechterhand op den
greep der sabel sloeg.
"Ga vlier en kamillen drinken, kerel!" zeide de Kapitein en liet het
manneke staan.
De held stampte, omdat éénmaal kinderachtig en tweetal flauw was, drie
keeren ferm met zijne sabel op het dek, streek den knevel in aanbouw op
en marcheerde naar zijne hut, waar hij, zonder zich ergens te laten
zien, zich den heelen dag opsloot.
Wij hadden, dat spreekt vanzelf, de grootste pret van de wereld en
nauwelijks had één onzer eventjes het deuntje laten hooren:
Drink vlier en kamillen,
O mensch, je krijgt er heldenbloed van!
Drink vlier en kamillen
Zooveel maar als je kan!
of bijna den heelen dag zongen we dat zoo luid mogelijk, en stellig zal
hij het gehoord en van puren heldenmoed nog wel eens gestampt hebben.
Maar met dat al waren wij door die ontmoeting met den Portugees een
heel eind uit den koers geraakt, en het duurde niet lang of de wind ging
geheel liggen.
Het was brandend heet en wij hadden dorst om eene heele zee ledig te
drinken.
"Spaarzaam zijn met het water," klonk het bevel, en opdat niemand zich
in stilte aan het water zou te goed doen, hield een der Officieren er
bestendig de wacht bij; want de manschappen zelven waren niet te
vertrouwen.
Om de brandende zonnehitte te keeren maakten we zonne-tenten op het
voorschip, waar we nu alweer ruimte hadden.
Het baatte niet; de zon brandde er door heen.
Wij gooiden om ons zelven te verfrisschen elkander putsen zeewater over
het lijf.
Wat baatte het? Het water was niet koud en wij werkten ons in het zweet.
De zee was, zoo ver we zien konden, effen, en tot vervelens toe klotste
het water tegen de wanden van het stilliggende schip, dat wel aan de
zonnestralen gemeerd leek.
Zoo ging de eene, zoo ging de andere dag voorbij.
Wij keken en staarden in de verte of we niet een enkel wolkje zagen
aankomen.
Te vergeefs! De lucht bleef helder en scheen van gloeiend metaal te
zijn.
Aan den morgen van den zestienden dag stonden we bij de watervaten om de
eerste van onze drie portie's water te ontvangen. Sedert drie dagen
waren we op dat rantsoen gesteld.
De bottelier moest aan een nieuw vat beginnen; maar nauwelijks was het
open of....
"Bah!" riep hij en sprong achteruit. "Dat water is bedorven! Wat een
stank!"
Hij opende het tweede vat, en alweer hetzelfde.
Wij stonden er sprakeloos bij.
"Nu nog het derde vat, mannen! Dat is het laatste!" zei hij. "We
willen hopen, dat dit nog goed is!"
Hij sloeg het open, en alsof er iets heel bijzonders zou te zien zijn,
schaarden wij er ons omheen, maar -- onze neuzen vertelden al heel gauw,
dat ook dit derde of laatste vat bedorven was.
Daar stonden we nu zonder ander dan bedorven water.
Wel proefden er sommigen van; maar met walging spuwden ze het weer uit.
En hooger steeg de zon en feller werd de hitte.
"De scheepsbarbier heeft daar zoo even gelukkig in zijn
medicamenten-boek een uitmuntend middel gevonden om bedorven water zoo
smakelijk en frisch als versch te maken," werd er verteld en weldra
hoopte de heele bemanning, dat die proef gelukken mocht.
Daar kwam hij aan met een' ijzeren aschlepel vol glimmende houtskolen.
Hij wierp die in het water, en vol ongeduld wachtten wij de uitkomst van
zijne proef af.
Tegen den middag zouden we te weten kunnen komen of het middel zoo
uitstekend was, als in het medicamenten-boek verteld werd.
Hoe we naar den middag verlangden!
En toen die gekomen was....
"Het heeft niet geholpen, mannen," sprak de bottelier. "Het water is
en blijft bedorven! De toekomst ziet er donker voor ons allen uit,
vrienden! Ik vrees het ergste! God moge den armen zeeman genadig zijn!"
"Beter slecht water dan van dorst sterven," riep een der matrozen en
naar het vat loopend begon hij daar te drinken, alsof er geen verzadigen
aan zijn' dorst was.
Zijn voorbeeld werkte bijna op al het volk aanstekelijk. Men verdrong
tierend en razend, elkander aan de vaten, ja, menige vuistslag werd
gegeven en ontvangen voor één' dronk slecht water.
"Houdt op! Houdt op, mannen! Gij drinkt de pest in uw lijf!" schreeuwde
de Kapitein, die uit zijne hut kwam aanloopen. "Houdt op, zeg ik! Zijt
gij dan allen bezetenen geworden?"
"Pest of geene pest! We willen drinken, en we zullen drinken!"
schreeuwde één uit den hoop.
"Mannen, dorst lijden, zooals we nu doen is vreeselijk, ik erken het,"
sprak de Kapitein. "Maar dàt water, gelooft me, het is nog erger dan
vergif. Ik verbied het u te drinken."
"Jij kunt gemakkelijk verbieden, als je den buik vol wijn of bier hebt!
Ik stoor mij aan geene pest en aan geen' Kapitein! Drinken zal ik!"
brulde een matroos, die wel krankzinnig van dorstwoede scheen, want hij
was mogelijk wel de beste van heel de bemanning, altijd beleefd, altijd
bij de hand, steeds opgeruimd en steeds bij de zaak, dag of nacht, weer
of geen weer. En nu zóó! Wij stonden als van verbazing geslagen toen we
hem dat hoorden schreeuwen. Het was niet meer of minder dan verzet tegen
het wettige gezag. Het was oproer maken. Hij voegde de daad bij het
woord, schepte eene blikken maat vol van dat water en bracht ze aan den
mond.
Pats, daar vloog die maat de hoogte in. De Kapitein sloeg ze hem uit de
handen.
"Drinken! Drinken zal ik!" klonk op akeligen toon de stem van den
ongelukkige.
"Stuurman, neem dien man gevangen!" beval de Kapitein. "Hij maakt
oproer! Slaat hem in de boeien!"
"Dat nooit!" riep thans de arme kerel, die door dorst het verstand
scheen verloren te hebben. "Drinken zal ik! Ik lust dat vatwater niet!
Toch zal ik drinken! Drinken! Drinken, de zee leeg! Ha, heerlijk!
Heerlijk! De heele zee leeg!"
Eensklaps wrong hij zich uit de handen van hen, die hem vasthielden en
sprong in zee.
Wij allen liepen naar de verschansing om hem tegen te houden, maar hij
was ons te vlug af en overboord eer iemand hem bij de kleeren kon
grijpen. Wij tuurden in de zee, en....
"Help, help!" klonk eene stem uit de diepte.
De man kwam boven en zwom eenige slagen verwoed voort. Wilde hij zich
nu zwemmend bovenhouden tot we eene boot neergelaten hadden om hem te
redden, of had hij thans een ander plan? Was het alleen maar eene
bedreiging geweest en was hij zulk een goed zwemmer, dat hij wel wist,
dat hij toch niet verdrinken zou?
Of....
"Hu," schreeuwde een matroos. "Ik zie wat, mannen, en dat zag de arme
kerel daar beneden ook!"
Zoodra hij dit gezegd had, kwam het water in eene heftige beweging en
een monsterachtig groote haai verhief zich boven de oppervlakte.
"Help! Help!" klonk het nog eenmaal.
Van schrik deden we de oogen even toe en ze weer openend, zagen we de
staartvin van den haai in de diepte verdwijnen en -- alles was weer
stil.
Dat was een vreeselijk oogenblik geweest!
Vol ontzetting keken we elkander aan!
Heere, Heere, wat zou ons lot zijn?
Als we hier toch eens altijd moesten blijven liggen! Er is immers eene
plek op zee waar men nooit vandaan komt, zooals een oude
zeemansvertelling luidt? Eene plek waar het schip niet meer voortdrijft,
maar blijft liggen, alsof het tusschen schoren op de helling staat? Eene
plek waar het groene zeemos aan den buitenkant der schuit wast en aan de
arme varensmannen een groen graf geeft, alsof ze aan den wal begraven
waren. Daar wonen booze geesten, die het schip bij de kiel grijpen en
het voortgaan beletten ....!"
"Die plek is nergens op zee te vinden, Ouwe Joost," sprak Henri Quatre.
"Het is niets anders dan eene fabel!"
"De een gelooft het en de ander niet! Dat gaat met alle vertellingen
zoo! En nu mag je het hoofd bedenkelijk schudden of er mee knikken, ik
zeg je: ik geloof het wel, bootsman!" antwoordde Ouwe Joost en zette
zijn somber en droevig verhaal aldus voort.
"Toen die arme kerel dan voor onze oogen door een' haai verslonden was,
keerden we ons van die akelige plek af, en, onverschillig voor alles,
slenterden we op het dek, zonder een woord met elkander te spreken, op
en neer, of we lieten ons neervallen op een plekje waar de zon niet
scheen en nog een soort van koeltje te voelen was.
De kok schafte het eten op; maar we raakten het niet aan.
"Zwarte Jan" heeft verteld, dat hij nog één middel weet, en een goed
ook," hoorden we opeens fluisteren.
"Zwarte Jan" was een matroos met wien niemand omging. Elkeen ontweek
hem; want we geloofden, dat hij meester was in de zwarte konst en omgang
met den booze had.