DERDE HOOFDSTUK.

Den dans ontsnapt.

De wind, die bij het uitzeilen zoo gunstig was geweest, blies, toen ze

goed en wel in den Atlantischen Oceaan gekomen waren, stijf uit het

Noordoosten en nog altijd waren de schepen, waarmede de "Leerdam"

uitgezeild was, de "Nieuwpoort" en de "Dolfijn" elkander in het

gezicht.

Op het laatst van Mei kwam men dicht bij de Linie en reeds hoorde men

onder de matrozen praten van de pret, die men hebben zou, als aanboord

het doopfeest van Neptunus zou gevierd worden. Men had onder elkander de

rollen reeds verdeeld, en Hoepel zou Neptunus zijn.

Weinig kon men vermoeden, dat er van het heele feest niets komen zou.

Op zekeren dag kwam de Eerste Stuurman in de kajuit bij den Kapitein,

die een uitstekend zeeman was. Hoewel buitengewoon streng en dikwijls

zelfs bar en onbillijk, hield het volk wel van hem, want het wist, dat

er op hem te rekenen viel, als de nood aan den man kwam. Die

onaangename geschiedenis met de twee Jonkers had hij vergeten, en zoo

nu en dan toonde hij door een gesprek met één van die twee aan te

knoopen, dat hij niet haatdragend was ook en liefst alles maar vergeven

en vergeten wilde. De ongemeen voorspoedige reis had hem ook in eene

pleizierige stemming gebracht, zoodat hij, toen de Stuurman binnentrad,

hem lachend ontving en dadelijk de vraag deed: "Wel, Londenaar, wanneer

zullen we de Linie passeeren, denkt ge? Naar mijne berekening kan dat

best over twee dagen zijn. Nog nooit zulk eene voorspoedige vaart gehad.

Maar, heb je me soms wat te zeggen?"

"Ja, Kapitein! U wordt door den Kapitein aanboord van de "Nieuwpoort"

geseind."

Het voorhoofd van den Kapitein betrok.

"Hij heeft mij niet te seinen. Ik ben zijn knecht niet! Of meent hij

soms, dat hij zooveel als Bevelhebber over de drie schepen is? Dan is

hij glad bezijden de plank."

"De "Dolfijn" zal ons weldra verlaten, Kapitein! U weet dat ze naar

de Goudkust moet. En Bevelhebber der twee schepen is hij niet; maar, hij

is de oudste en heeft veel voornaam volk aanboord!"

"Voornaam volk, ha, ha! Ik heb twee adellijke Heeren, die Advocaat zijn!

Die tellen ook mee! En ouder! Misschien een jaar of drie!"

"Minstens twintig, Kapitein!"

"Nu, laat het twintig zijn! Al was het veertig, ik heb met den ouderdom

niemendal te maken. Ik ben Kapitein op de "Leerdam" en hang van niemand

af. Ik ga niet vanboord!"

"Zullen we dan beproeven elkander te naderen?"

"Mij goed! Maar verbeeld je niet, dat ik me maar eenigszins de wetten

laat voorschrijven. Ik heb een' kop, als het er op aankomt, en

allerminst ben ik genegen mij te onderwerpen aan eenige bevelen van den

Kapitein van een ander schip."

De Stuurman verwijderde zich, doch bromde binnensmonds: "Jammer, dat

zulk een Kapitein van het bovenste plankje, zoo oploopend en licht

geraakt is. Ik vrees, dat het den een' of anderen keer nog eens

misloopt."

Bij het roer gekomen gaf hij de noodige bevelen op de "Nieuwpoort" aan

te houden, doch als men daar gebelgd was geweest over de wijze van doen

van den Kapitein der "Leerdam", dan had er eene zware wijs op gegaan

bij elkander te komen; want de "Nieuwpoort" was wat vooruit en nog wat

beter bezeild dan de "Leerdam".

Na verloop van een paar uren was men dan door de gewilligheid en

toegevendheid van den Kapitein der "Nieuwpoort" zoo ver gekomen, dat de

twee Gezagvoerders met elkander spreken konden. Die van de "Nieuwpoort"

stelde voor denzelfden koers te blijven houden, dien men tot op dit

oogenblik gevolgd was. Naar zijne inzichten liep men dan minder gevaar

om onder de Linie door vervelende en dikwijls zeer gevaarlijke

windstilte te worden opgehouden.

Deze meening deed hij van zulke deugdelijke gronden vergezeld gaan, dat

de "IJzeren Neptunus" zeide: "Dat is zoo helder als glas!"

"Ik geloof niet, dat ons dit geraden is, en dat we beter doen met twee

streken westelijker te houden. We snappen dan spoediger den

Braziliaanschen Stroom en we zullen zulk eene korte reis maken, dat ze

eenig is en blijft in de geschiedenis der Compagnie-schepen," zeide de

Kapitein der "Leerdam".

IJzeren Neptunus schudde het hoofd en ook de Kapitein der "Nieuwpoort"

trok de redeneering van den ander in twijfel en meende, dat de

verkorting der reis wel eens op eene verlenging kon uitdraaien, doch

toen hij zag dat de ander bij zijne meening bleef, zeide hij: "Nu, gij

moet het zelf weten. Wij zijn niet aan elkander getrouwd. Goede reis!"

"Hetzelfde!" klonk het uit den mond van den stuggen Kapitein. De

"Leerdam" stuurde twee streken westelijker en eer de avond viel waren

de beide schepen geheel uit elkanders gezicht.

"Dat wordt heelemaal mis, Londenaar," sprak de bootsman tot den

Stuurman. "Zoo komen we ten achteren en heel leelijk ook. Jammer dat de

Ouwe zulke vlagen van een' betweter heeft."

"Als we nu maar niet al te lang onder de Linie moeten blijven," bromde

de bottelier. "Er is veel kans op."

"Toch geen gebrek aan water, hoop ik?" vroeg de Stuurman.

"Nu, wat zal ik ervan zeggen? Gebrek aan water is er niet, maar er

begint een luchtje aan te komen! Daar straks waren er al een paar

matrozen, die zeiden, dat ze er van walgden, en dat het water nog te

slecht was om ratten te vergeven."

"We willen hopen, dat de Ouwe het bij het rechte einde heeft gehad,"

mompelde de bootsman.

Er kwam dien avond niet veel van naar kooi gaan. Het was tusschendeks in

de hangmatten niet uit te houden zoo heet als het was. Al het volk bleef

aan dek en zocht het daar met wat zeilen op de harde planken zich zoo

gemakkelijk te maken, als het maar eenigszins kon.

Op het voorschip had zich een groot deel van de manschappen verzameld.

Ze lagen daar half uitgekleed op het dek en wisten, door hitte bevangen,

niet wat ze doen moesten.

De wind ging meer en meer liggen en toen de hondenwacht betrokken werd,

bromde de Tweede Stuurman: "Verwenschte windstilte! Daar hebben we de

poppen al aan het dansen. Ik wilde voor ik weet niet wat, dat de Ouwe de

"Nieuwpoort" gevolgd was."

De zeilen, die anders door den wind bol geblazen werden, hingen er thans

als natte vaatdoeken bij, en gaven nu en dan alleen door een zwak,

klapperend geluid te hooren, dat nog niet alle wind weg was.

"Ik wilde dat ik wat slapen kon," zeide Hoepel.

"Het bed is wel wat hard, maar het is het bed niet, dat me den slaap uit

de oogen houdt; het is die ondragelijke hitte," sprak Dirk. "Het is

voor een' mensch niet om uit te staan. Oef!"

"Ja, man, zoo heet stoken ze in de Middellandsche Zee den oven niet,"

spotte een matroos, die zich zoo even eene puts zeewater over het lijf

gegoten had om zich te verfrisschen, hoewel hij verklaarde, dat zelfs

het zeewater wel over het vuur scheen te hangen.

"Let op, het heele Neptunus-feest zal er bij inschieten, Hoepeltje,"

zeide een ander.

"Vraag eens aan den Ouwe of hij niet eens een deuntje fluiten wil, ik

heb me de mondklem al bezorgd door het fluiten," liet een oud matroos

zich hooren.

"Jij met je fluiten! Als dat hielp, dan zou ik zeggen, laten we allemaal

fluiten. Ik geloof er niemendal van," sprak Hoepel. "Dat is alles

bijgeloof, niets anders. Dat zeg ik."

"Je bent een ongeloovige Thomas," herhaalde de oude matroos. "Ik zeg

je dat het meermalen gebleken is, dat de wind zich door fluiten laat

lokken."

"Och, loop heen! Verkoop zulke praatjes aan oude vrouwen en kleine

kinderen," spotte Hoepel.

"Je kunt zeggen wat je wilt, Hoepel! Het is zoo! Ik heb het immers zelf

bijgewoond! Ik deed toen mijne tiende Indische voyage!"

"Je tiende? Is dit dan je elfde?" vroeg Garrit.

"Mijne zestiende, jonge brasem! Mijne zestiende! Ik kan meepraten, als

het er op aankomt."

"Maar wat heb je dan bijgewoond, ouwentje?" klonk het van een'

anderen kant. "Toe, vertel ons 'reis een en ander. Een varensman is

zóó niet, of hij wil graag nog meer hooren."

"Ja," bromde een andere oude matroos, "om dan te kunnen vertellen,

dat men alles zelf ondervonden en bijgewoond heeft. Maar ieder moet

weten, wat hij er mee doet, dat zeg ik, en daarom, ouwe maat, toon dat

je tong losser zit, dan je rug, want die zegt al krik-krak, als je

bukt."

"Ei, is het waar ook," antwoordde de verteller lachend. "Maar als we

over ruggen en beenen gaan spreken, die krik-krak zeggen, dan komen we

niet verder. Ik zal je vertellen van mijne reizen, maar eerst vooral hoe

we door fluiten wind kregen en niet zuinig ook. Het werd een orkaan en

er haperde niet veel aan of van de heele "Het Huys ter Horst", zoo

heette het schip, kwam geen stuk terecht!"

"Fluitjes in den zak! Liever windstilte dan een orkaan," riep een jonge

matroos, die misschien zijne tweede reize maakte en altijd nog griezelig

werd, als hij van vreeselijke gebeurtenissen hoorde spreken.

"Kunt gij van een' orkaan medepraten?" vroeg de oude.

"Niet zuinig! Op de Oost heb ik maar weinig gevaren en ik ben er bekend

als een snoek op zolder. Maar naar de West deed ik heel wat voyage's en

daar heb ik een storm bijgewoond, die zoo even raak was. De West is het

rijk van Koning Storm, en die is me zoo even een bulderbast!"

"Dat behoef je me niet te vertellen! Dat weet ik bij ondervinding. Maar

kan je ook meepraten van windstilte?"

"Ook al! Dat was in '53. Toen hebben we onder de Linie bijna drie volle

dagen doodstil gelegen. Een schip, dat voor anker lag kon niet rustiger

en kalmer liggen."

"Drie dagen! Neen, dan kan ik er wat anders van vertellen. Drie dagen

windstilte! Neen, maat, drie dagen tel ik niet."

De matrozen kwamen nader bij den ouden man om geen woord van zijn

verhaal te missen. Zelfs enkele Officieren, benevens "Dolf de Boef",

zooals de Fransche vluchteling genoemd werd, de bootsman, de

scheepsbarbier, de Opper-koopman en IJzeren Neptunus behoorden onder

zijn gehoor.

Intusschen bleef de oude man een' geruimen tijd zwijgen.

"Nu, ouwe Joost, begin! Wij luisteren!" zeide de Opper-koopman. "Je

bent toch niet verlegen, als je zooveel toehoorders hebt? Je moet maar

denken, dat we allemaal turven zijn!"

"Al zacht, al zacht, Sinjeur! Ik moet de rommelkamer van mijn geheugen

eerst eens wat opknappen, anders smijt ik het een door het ander. Maar

nu ben ik er.

Het was in '29 en ik deed mijne vierde reize naar de Oost met de fluit

"Het Huys ter Horst". Het was een stevig, mooi en groot schip en we

hadden op de heenreis over de honderdvijftig man aanboord. Natuurlijk

niet allemaal varensgasten waren het. Er bevonden zich vele voorname

Heeren bij met hunne bedienden, die niet allen plaats hadden kunnen

vinden op de "Hollandia", die den Ordinaris Raad van Indië, Jacques

Specx, aanboord had. Er was in die dagen in de Oost, waar Jan Pietersz.

Coen Gouverneur-Generaal was, nog heel wat te doen en -- Coen werd niet

door ieder vertrouwd...."

"Nu, met recht meen ik," viel de Opper-koopman den verteller in de

rede. "Die Gouverneur-Generaal Coen was...."

"Met uw verlof, Sinjeur! Ik heb Coen gekend en beter dan menigeen. Ik

heb aan zijne zijde gevochten, ik heb hem eene pooze als knecht bediend

en hem gadegeslagen. Hij was een groot man. Hij was in de handen van den

Heer het werktuig om de Oost-Indische Compagnie groot en vermogend te

maken. Hij was in den oorlog dapper, maar nooit onberaden. Nooit heeft

hij met slinksche middelen eene overwinning behaald, en rechtvaardig was

hij, als er misschien geen enkel mensch geweest is. En dat zeide niet ik

alleen, dat erkende ieder, die ooit met hem in aanraking gekomen was."

"Nu, rechtvaardig, rechtvaardig, Joost, zeg dat maar niet zoo hard op!

Hiervan konden de ongelukkige dochter van Specx en haar minnaar Pieter

Jacobsz. Cortenhoeff u wat anders vertellen. Of was het niet meer dan

schande om een dertienjarig meisje in het openbaar te laten geeselen en

een zeventienjarig jongeling te laten onthoofden, omdat die twee in het

huis van den Gouverneur-Generaal een verboden minnehandel hadden? Geen

wonder, dat Coen op het bericht, dat de Vader van dat arme meisje, als

Ordinaris Raad van Indië, dus in rang slechts ééne plaats beneden hem,

aangekomen was, van schrik stierf. Iedereen sprak er schande van, dat

hij zóó iets had durven doen."

"Ja, Sinjeur, die geschiedenis heb ik natuurlijk ook hooren vertellen,

maar alweer op eene heel andere manier dan u dat doet. Ik heb ze ook nog

heel anders hooren vertellen, en als ééne en dezelfde gebeurtenis op

drie of vier verschillende manieren verteld wordt, zie, dan zegt mijn

dom verstand: "Geloof er niet al te veel van." Waar is het, dat Coen

buitengewoon streng en zedelijk was. Hij stond er op, dat wij,

Hollanders, die dan toch voor beschaafder moesten doorgaan dan de

Javanen, in alles een voorbeeld van beschaving gaven ook. Hij was

Christen en vertelde aan iederen Javaan, als het zoo gelegen kwam, dat

de Christelijke leer veel beter was dan die van de Mohammedanen, maar

hij trachtte ook te zorgen, dat wij Hollanders, dat door onze daden niet

tegenspraken. En praat me nu niets ten voordeele van dien Cortenhoeff,

want ik heb dat heerschap gekend. Wat hij onder den neus had, wol of

mollenhaar, dat wist hij zelf niet. Zóó jong was hij nog. Maar als het

op liederlijke stukjes aankwam, dan was hij ons allemaal te glad af. Er

leefden toen heel wat jonge losbollen en lichtmissen in de Oost, maar

hij spande de kroon. En hoe de vertellingen nu ook uit mekaêr loopen,

hierin stemmen ze alle overeen, dat hij de Javaansche bedienden van

Coens huis omgekocht had, om hem des nachts stilletjes in Coens woning

te laten. Dat gelukte den schelm maar al te goed, en nu vraag ik je in

gemoede, Sinjeur, wat zou u met zoo'n liederlijken jongen doen, die des

nachts zóó in uw huis kwam? En wat Saartje Specx aangaat, half

Javaansche en half Nederlandsche, nu daarover willen we liefst zwijgen.

Jammer is het evenwel, dat Coen in dit opzicht niet meer met bedaarde

zinnen handelde, maar hij was buiten zichzelven van woede en wat doet

een mensch dan niet? Ik zeg maar: die staat, zie toe, dat hij niet

valle. En als zelfs de Predikanten en Kerkeraad van Batavia schreven:

"Het scheen een plage van God den Heere te zijn, dat hij, die altijd

zulk een rechtvaardig man geweest was, nu hierin zóó ver afdwaalde",

ben ik het met die menschen volkomen eens, maar als Sinjeur de

Opperkoopman nu vertelt, dat Coen van schrik stierf toen hij hoorde, dat

de Vader van Sara Specx, als "Ordinaris Raad van Indië", was

aangekomen, dan vergist hij zich zeer. De Gouverneur-Generaal, Coen,

stierf aan eene vreeselijke ingewandsziekte, eene ziekte, die te Mecca

soms duizenden doet sterven, als de Mohammedanen daarheen trekken om op

het graf van hun' Profeet Mohammed te bidden. Maar we dwaalden te ver af

en daarom dan, om op mijne vertelling terug te komen: De Ordinaris Raad

Specx dan stond aan het hoofd van acht schepen, waarvan het onze er een

was. Maar was "Het Huys ter Horst" een mooi en groot schip, luier

zeiler was er bij de geheele vloot niet, zoodat het niet lang duurde of

onze Kapitein kreeg de noodige bevelen, die hij zou na te komen hebben,

als we soms bij de andere zeven moesten achterblijven. Dat dit vandaag

of morgen gebeuren zou, was wel te voorzien. Op zekeren morgen althans

kwam de wachthebbende Officier berichten, dat van de zeven andere

schepen alleen nog maar de "Hollandia" te zien was, en eer we allen

op het dek aan onze gewone bezigheden waren, was ook de "Hollandia"

ons uit het gezicht. Velen onder ons, en niet het minst de groote

Heeren, zagen dat met leedwezen en angst. En geen wonder! Admiraal Piet

Hein toch had ten vorigen jare den Spanjaarden hunne Zilvervloot

ontkaapt en de Spanjaarden waren nu zóó niet, of ze vonden dat minder

pleizierig, dat spreekt. Zoo'n elf millioen gulden is dan ook vrij wat

meer dan een knoop van een wambuis. Ze lagen daarom op den loer om ons

eene poets te bakken en een eenzaam zeilend schip liep altijd groot

gevaar in handen van den vijand te vallen."

"Valsch volk die Spanjolen! Echte beesten!" bromde een uit den hoop.

"Nu, maat, prijzen zal ik de Spanjaarden ook niet en

"broertje-spelen" met die luî nog minder. Maar ik meen zoo, heb ik

het mis, dan vergeve men het mij, ik ben maar een dom matroos, maar ik

meen zoo, dat de Spanjaarden zoo ongeveer hetzelfde van ons dachten. Ik

zeg maar, je moet een engel wezen om je een elf millioen te laten

ontfutselen en dan nog te zeggen: "Die Hollanders zijn veel te brave

luî om ze kwaad te doen. We zullen ze maar stilletjes laten begaan."

Als ze jou eens je buidel ontnamen, Evert, wat zou je doen?"

Evert, die vond dat de Spanjaarden een valsch volk waren, aarzelde niet

lang met antwoord te geven en zeide, terwijl hij de groote vuist balde:

"Ik zou ze met interest terughalen, Ouwentje! En niet zuinig ook, dat

geef ik je op een briefje!"

"Scheld dan niet meer op de Spanjaarden, Evert," vervolgde Joost en

zette zijn verhaal weer voort. "Met krabbelen en nog eens krabbelen

hadden we eindelijk de Kaapverdische Eilanden achter den rug en toen we

des middags poolshoogte namen, bevonden we ons op zestien graden

benoorden de Linie. Wij waren nog altijd in den noordoostpassaat en

maakten er zoo goed mogelijk gebruik van om onze logge kast te laten

voortkruipen. Ja, het was om van nijd zijne nagels als koek te eten, om

te zien hoe wij altijd maar ten achteren kwamen. De bouwmeesters van ons

schip hadden, zeker voor de aardigheid, eens willen laten zien, voor

hoeveel geld er in één schip kan. Ze hadden het prachtig gewonnen, wat

de ladingruimte betreft, maar schandelijk verloren, als het op "uit de

voeten maken" aankwam. Dat zag zelfs de pluimgraaf, die eens zeî:

"Dikke heeren zwemmen slecht." De bengel had gelijk, want het was om

zich dood te ergeren, zoo weinig als we vorderden. Tegen een uur of vijf

riep de wacht, dat er ten Zuiden van ons een schip te zien was."

"Dat zal de "Hollandia" zijn," meende de Kapitein. "Men zal

ons komen opzoeken! Laat maar gauw de Prinsenvlag waaien, dan zien ze

wie we zijn!"

"Een schip in het gezicht en het zal de "Hollandia" zijn," dat was

een prettig bericht. Alle gezichten fleurden op, als bloempjes na den

verkwikkenden zomerregen. Maar de prettige gezichten betrokken al heel

gauw toen de Kapitein met behulp van zijn' scheepskijker het schip eens

goed opgenomen had, en nu tot heel andere gedachten gekomen was, dan dat

we daar zoo opeens een onzer schepen waarmede we uitgezeild waren, in

het gezicht gekregen hadden.

"Het is een Portugeesch oorlogs-vaartuig," mompelde hij, en hij liet er

luid genoeg op volgen om door iedereen verstaan te worden: "Dat belooft

nu nog eens eene fraaie geschiedenis te worden. Men moet iemand met zulk

eene kast maar aan zijn lot overlaten, dan komt er wat moois van!"

Dat bracht wat eene ontsteltenis teweeg. Gekerm hier, geklaag daar,

gezucht ginds, gemopper overal.

"Ja, hoort eens, vrienden," zei de Kapitein, toen we allen om hem heen

stonden, als kinderen om een' straatkunstenaar, "ja, hoort eens,

vrienden, ik ben niet van plan mijn schip zoo maar klakkeloos over te

geven."

"We zullen toch niet gaan vechten, Kapitein!" riep een piepjong

heertje, dat zoo van de Hoogeschool te Leiden gekomen was en nu naar

Batavia ging, om daar de Compagnie te dienen, en zichzelven meteen.

Het manneke verschoot van kleur en het kippenvel kwam door zijn dun

kneveltje heengluren.

De Kapitein zag den held eens aan en zeide lachend: "Bij mijne trouw,

heer Jurdens, wij zullen van uwe dapperheid geen gebruik behoeven te

maken. Het zal u wel leed doen, maar u is gewoon het zwaard aan den wal

te hanteeren om den driesten vijand uw voorhoofd te laten zien en op

eene schandelijke vlucht te jagen. Eén geluk evenwel, Mijnheer! Ik kan

het met mijn volkje alleen wel af, nietwaar, mannen?"

Deze laatste woorden waren tot ons gericht en nu de Kapitein ons zoo in

het oogloopend een pluimpje gaf, was er niet een van ons, die hem

afviel.

De Eerste Stuurman deed voor ons het woord en zeide: "Niets vaster dan

dat, Kapitein! Gij kunt op ons rekenen!"

"Welnu," hernam de Kapitein en wendde zich hierop tot de passagiers,

"gij hebt het gehoord, Heeren, dat wij het met ons volkje best af

kunnen. Weest dus zoo goed naar uwe hutten te gaan, dan hebben we het

dek vrij en kunnen we ons naar hartelust bewegen. Uzelf zal wel

begrijpen, dat we, als het tot een gevecht moet komen, soms wel eens ruw

te werk moeten gaan."

Er was evenwel niemand, die naar zijne hut ging en allen bleven waar ze

waren. Ze gevoelden het maar al te goed, dat de Kapitein eigenlijk

meende, dat het hun aan den noodigen moed ontbrak om te vechten.

"Moeten we, Kapitein?" vroeg een der Heeren, die tot het gevolg van den

Ordinaris Raad behoorde.

De Kapitein zag hem even aan en zeide: "Nu, moeten, moeten! Ik dwing u

nu nog niet!"

"Als we niet =moeten=, Kapitein, zou ik u wel willen voorstellen ook van

onze handen gebruik te willen maken. Wij zijn ook geen mannekens van

moppendeeg, Kapitein!"

"Nu, wie, als het er op aankomt, wil mee bakkeleien, die mag, en graag

ook. Maar op ééne voorwaarde!"

"En die is, Kapitein?"

"Dat gij u onder mijne bevelen stelt, al neem ik voor en na het gevecht

voor u, als mijne meerderen, de muts af. Zoo lang het gevecht duurt, heb

ik te commandeeren en geen mensch anders, tenminste, als het onze wil is

om het niet te verliezen."

"Ge kunt op mij rekenen, Kapitein," sprak de kordate heer en schaarde

zich tusschen ons. Zijn voorbeeld werd door allen gevolgd, zelfs door

het heertje met het kippenvel.

Dat beviel den Kapitein niet; want hij wist vooruit, dat zulke helden

meer kwaad dan goed doen. Hij kon echter moeielijk zeggen, dat zij zich

verwijderen moesten en daarom verzon hij er wat op, dat naar zijne

meening bij velen den moed wegblazen zou, zoo als de stormwind een'

ouden schoorsteen neerslaat.

"Bootsman," sprak hij nu, "ga gij naar beneden en breng daar in het

ruim alles in orde om de gekwetsten te kunnen verzorgen. De

scheepsbarbier zal u daarbij behulpzaam zijn. Reken maar op heel veel

dooden en gewonden."

De bootsman en de scheepsbarbier verwijderden zich.

"Maar den bootsman heb ik bij het gevecht op het dek noodig," hervatte

de Kapitein, "en daar het zich laat aanzien, dat het er warm langs zal

gaan, zoo zullen er wel veel gekwetsten vallen en zal de barbier wel

hulp noodig hebben. Wie van de Heeren meent nu, dat hij beter beneden

helpen kan? Het verplegen van gewonden zonder armen of beenen is

eigenlijk het werk niet van Janmaat. Die is er te hardhandig voor!"

Het heertje met het kippenvel trad vooruit en zeide: "Ik, Kapitein! Als

student heb ik ook wel enkele lessen in het verbandleggen bijgewoond, en

ik vertrouw dat ik, als het er op aankwam, ook een arm of been zou

kunnen zetten. En akelig bij het zien van bloed word ik ook al niet. Ik

zag, toen ik nog op de armen van de kindermeid zat, zelfs heel graag

varkens slachten, zoodat die meid dikwijls tegen hare kameraad zeide:

"De jongeheer wordt nog een beroemd held. Dat zal je zien." Intusschen

heb ik veel te veel tijd noodig gehad om te studeeren, zoodat ik nooit

vecht, maar in mijn woordenboek staat het woordje =bang= niet!"

"Welnu, ga dan naar beneden en stel u onder de bevelen van den

barbier," sprak de Kapitein bijna lachend.

De jonge held, gevolgd door nog een tiental van zijn slag, ging naar

het ruim om daar te wachten op de arme gekwetsten.

"Nog meer mannen, die een verband kunnen leggen soms?" vroeg de

Kapitein met een fijn lachje, en toen er niemand zich meer voor die

betrekking aanbood, begon de Kapitein alles gereed te maken om den

vijand af te wachten. De kanonnen werden gesteld, kruitvaatjes en kogels

werden op het dek gebracht, wapenen werden uitgedeeld.

De Portugees kwam steeds nader, doch bleef op eerbiedigen afstand.

Blijkbaar vertrouwde hij de zaak niet en zag wel dat de "Het Huys ter

Horst" geen kwâjongen was, die men om boodschappen uitgestuurd had.

"Hij schijnt te dralen, mannen," sprak de Kapitein. "Laten wij nu de

stoute schoenen aantrekken en het eerste schot lossen. Wie brutaal is,

krijgt de halve wereld!"

Men vond dien raad goed. Eén der stukken werd gelost en we zagen den

fokkemast van den Portugees al heel raar doen. Het was duidelijk, dat we

dien getroffen hadden.

De Portugees gaf van zijn' kant geen krimp en schoot vier stukken achter

elkander af, doch zonder ons te raken.

"Hoezee! Hoezee!" juichten wij, en alsof we de overwinning al behaald

hadden, zoo brandden wij het tweede stuk los. Ook dat was raak en sloeg

een stuk van zijn bakboord weg.

Opeens evenwel kwam "Held Kippenvel" op het dek stormen; maar pas was

hij er op, of hij struikelde over eene vreeselijk lange sabel, die hem

bijna voor den buik hing.

"Wat nu?" vroeg de Kapitein.

Onze held krabbelde, doch met heel veel moeite, op, en stamelde:

"Hoe--hoe--hoe--veel...."

"Hoeveel dappere helden?" vroeg de Kapitein lachend.

"Hoe--hoeveel--doo--dooden en ge--gekwetsten?" klonk het met eene

benauwde stem.

Wij proestten van het lachen toen de man daar met zijn gezicht, zoo wit

als een beddelaken, en met knikkende knieën het antwoord stond af te

wachten.

"Gij hebt zeker de koorts, Mijnheer," zeide de Kapitein. "Ik zou u

aanraden naar de kooi te gaan!"

"Ja, ja, u heeft gelijk! Ik heb de koorts! De koorts! Ik zal uw' raad

volgen. De koude koorts, die met beven en klappertanden begint!"

De held sukkelde nu naar beneden en kroop gekleed en al, ja, zonder

zijne sleepsabel af te leggen, diep onder het dek.

Inmiddels was de avond geheel gevallen en verloren we in het donker den

Portugees uit het gezicht. Wij bleven evenwel goede wacht houden, doch

toen de dag aanbrak was er van den vijand niets meer te zien. Hij durfde

het katje zeker niet aan.

Voor dit oogenblik waren we aan den dans ontsnapt, doch de Kapitein

bromde tot den Eersten Stuurman: "Het was ons geluk, dat de vijand een

groote lafaard was, want als hij het gewaagd had ons aan te vallen, dan

hadden we het stellig moeten verliezen. Zag je wel, welk een vlug zeiler

hij was? Maar, het is voorbij en laten we maar niet klagen over hetgeen

achter den rug is, en hopen dat we ook nooit anders dan zulke

hazenharten voor den boeg krijgen. Laat nu alweer maar alles bergen,

Stuur!"

Met ijver werd aan dat bevel voldaan, want voor een koopvaardij-matroos

zag het dek er al te rommelig uit om er pleizier in te hebben.

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 20 / 49 题