En daar kwam "Zwarte Jan."

Hij nam een rood lapje, legde dat op het deksel van een der vaten, trok

er met krijt drie kringen om, mompelde eenige woorden en -- het water

bleef zooals het was.

"Duivelskunsten," riep Antwerper-Hein, die Roomsch was.

"Duivelskunsten! Dit moet helpen!"

Hij maakte het teeken des kruises over het vat.

Het hielp niet; het water bleef bedorven.

"Bidden! Bidden!" riep een ander, wierp zich op de knieën en smeekte

God om uitkomst.

Maar het water bleef onbruikbaar.

"Ik krijg de koorts," zeide er een, en hoe ondragelijk heet het ook

was, de man liep te klappertanden van koude.

Kort daarop volgde een ander, die ook de koorts kreeg.

Na dien tweeden kwamen een derde, een vierde, een vijfde, een zesde! En

het was zulk eene vreemde koorts!

"De pest," mompelde men.

De sterksten onzer werden aangetast en waren soms binnen dertig of

veertig uren al bezweken. En te midden van onze ziekte liepen we, als

woedenden, over het dek. Eenigen sprongen in het ijlen der koorts

overboord.

De scheepsbarbier bezweek; de Eerste Stuurman volgde en daarna het

arme heertje, dat den Kapitein en heel de bemanning bij den

Gouverneur-Generaal zou aanklagen, omdat men hem zoo beleedigd had.

Alleen "Zwarte Jan" liep onverschillig tusschen al de zieken rond en

belas enkelen van ons, die er den moed toe hadden om het te laten doen.

Ik geloof anders niet, dat het veel helpt; ik liet me ook belezen en

werd beter, maar zes anderen stierven nog denzelfden dag."

"De koorts belezen, nooit van gehoord," bromde de Opper-koopman. "Wat

is dat nu weer?"

"Met uw verlof, sinjeur, u heeft van zooveel nog niet gehoord. Ik zal u

zeggen, wat "Zwarte Jan" deed. Hij kwam bij me staan, streek zijne

handen over heel mijn lichaam, deed toen, alsof hij wat overboord gooide

en zeide:

"Olde marolde!

Ik heb de kolde!

Ik hebbe ze noe,

Ik geve ze oe.

Ik bind ze hier neer,

Ik krijg ze niet weer."

"Wat eene gekheid toch! Dat is God verzoeken!" riep Hoepel. "Niets

anders! Het verdient ravallen en kielhalen!"

"Het kan zijn, Hoepel, maar ik genas toch! En nu wil ik wel aannemen,

dat ik genezen zou zijn ook, al had ik mij niet laten belezen, zooals

met den bottelier het geval was geweest, ik zie toch niet in, dat het

zoo strafbaar zou zijn. Wij zaten in benauwdheid, en je weet: eene kat,

die in de benauwdheid zit, doet vreemde sprongen. Eindelijk toen er meer

dan vijftig aan die akelige ziekte gestorven waren, kwam er beterschap.

Slechts acht waren geheel vrij gebleven en de overigen waren zoogenaamd

hersteld. Maar hoe kon iemand geheel beter worden zonder drinken? We

waggelden langs het dek, als beschonken mannen.

En de zon bleef branden; de lucht onbewolkt; het schip stil,

onbewegelijk stil, vier weken lang.

Onze toestand was akelig; wij dronken zelfs zeewater en, als rantsoen,

één mutsje bier per dag. De wijn was voor de zieken, of voor de zwakken,

die ziek geweest waren en toch maar niet op krachten konden komen.

Daar ging "Zwarte Jan" naar den Kapitein en vroeg of het hem vergund

was den wind te fluiten.

De Kapitein lachte ongeloovig en zeide: "Ga je gang, meester der zwarte

konst!"

De matroos ging nu op den boegspriet zitten en begon op eene zonderlinge

manier te fluiten.[10]

Brrr, te midden van die stilte klonk het akelig.

De zon ging onder; het werd donker en -- alsof hij nooit gebrek aan adem

krijgen kon, ging de man voort met fluiten. We rilden en keken angstig

rond of we den booze niet zagen. Geen onzer durfde, ronduit gezegd, naar

kooi gaan.

Eindelijk tegen middernacht hield hij op en kwam naar den Kapitein, die

moedeloos tegen de deur van zijne hut leunde.

"Kapitein!" zeide hij, "laat alle zeilen bergen. De storm-fok is meer

dan voldoende! De wind komt!"

Onwillekeurig volgde de Kapitein het bevel op van den vreemden man, die

zich weer naar den boegspriet begaf en zijn akelig gefluit opnieuw liet

klinken.

Het weerlichtte in het Zuiden en kort daarop in het Noorden. Met

ontzettende snelheid naderde een onweder. Er kwam beweging in de zee, en

het was of het schip door eene onzichtbare reuzenkracht eenigszins in de

hoogte geheven werd en zuchtte.

Maar wind? Neen! Het bleef kalm, vreeselijk kalm!

"Hoor, hoor, wat is dat?" vroeg een man, die naast me stond. "Wat een

vreemd geluid is dat!"

We hoorden beiden een gedruisch.

Het fluiten hield op en werd vervangen door een lied, waarvan ik de

woorden nooit vergeten zal. Het luidde:

Wind, wind!

Kom gezwind!

Kom, orkaan,

Vliegend aan.

De heksen vieren feesten

Te midden der tempeesten!

Rommel, rommel, rommel, donder,

'T moet er op of 't moet er onder!

Daar komt hij!

Hoor, hoor, hoe bromt hij!

Hoe gromt hij!

Op, op!

Hals over kop

In vreeselijke vlucht,

Als een pijl in de lucht!

Wind, wind!

Kom gezwind!

Ha, de orkaan

Komt aan!

Ha -- ha!

Wij rilden en beefden van angst! Hu, wie kon er nu zingen? Zingen te

midden van die akelige duisternis!

Neen, zingen niet meer! Hij floot alweer!

Opeens flikkerde een vreeselijke bliksemstraal door het donkere zwerk en

een ratelende slag volgde.

De storm schoot door de spleten der wolken en -- voort, voort ging het,

eerst kalm, maar daarna sneller, steeds sneller.

De regen plaste neer en te midden van die ontzettende verschijnselen der

natuur kropen we op onzen buik langs het dek om het regenwater op te

likken.

Het waren geene druppels, die vielen, het waren stralen! Wij dronken ons

zad en kropen toen naar masten en touwen om ons vast te houden. Het

onweder was ontzettend en de storm nam in kracht toe! Ons schip draaide

soms in het rond als een tol, om dan weer met woeste vaart vooruit te

schieten langs de golven van den fel bewogen Oceaan.

"Zwarte Jan" bleef fluiten; maar te midden van die vreeselijke geluiden

hoorden we er niet veel van.

En donker als het was, men kon op enkele oogenblikken letterlijk geene

hand voor de oogen zien!

De zon scheen ons te vergeten, of was het nog geen morgen?

O, al lang, al heel lang!

En waar waren we nu?

Gelukkig, het werd wat helderder! Er brak een straaltje daglicht door de

dichte wolken; maar nauwelijks hadden wij het gezien, of weg was het.

En voort, zonder ophouden, altijd maar voort, vlogen we met gezwichte

fok langs de geweldige golven!

Was dat nu dat luie schip, die nare achterblijver?

Op, op!

Hals over kop!

In vreeselijke vlucht,

Als een pijl door de lucht!

Voort, voort, voort!

Ongestoord,

Al maar voort!

Naar het Zuid, naar het Noord,

Naar het Oost, naar het West!

Naar de Pool op het lest!

Ha -- ha!"

Zoo zong "Zwarte Jan" op den boegspriet, waar hij zich aan de touwen

vasthield om niet in zee gesmeten te worden.

Eindelijk scheen hij genoeg gezongen en gefloten te hebben. Met heel

veel inspanning kwam hij weer op het dek en bij mij staan. De man zag er

vreeselijk ontdaan uit.

"Dat zet nog eens aarde aan den dijk, ouwe jongen," schreeuwde hij mij

toe.

Ik keek hem even aan, doch gaf geen antwoord, want ik was werkelijk bang

voor dien zonderling en had hem wel willen ontloopen, als ik maar

geweten had waarheen.

Toch scheen het grootste gevaar voorbij te zijn; want de storm bleef uit

één' hoek waaien, zoodat het schip één koers ging en we niet meer zoo

naar alle kanten rondgeslagen werden. Dat bracht ons wat tot bedaren, en

gaandeweg kwamen wij er toe, een en ander met overleg te doen.

De watervaten, die we niet vastgesjord hadden, waren over het dek

gesmeten en ledig geloopen. Zoo goed en kwaad, als we konden zetten wij

er twee overeind en sjorden ze aan den mast. Toen de storm wat ging

liggen, gelukte het ons een zeil zóó gespannen te krijgen, dat het een

soort van dak vormde, en het water, dat er afliep, wisten we in de vaten

op te vangen. In een oogenblik waren beide vaten vol, en we waren

gelukkig in het vooruitzicht, althans in de eerste dagen versch water te

hebben. Onder al die bedrijven door kwam de een na den ander er ook toe

een stuk beschuit met spek te gebruiken, en eindelijk, volle zes

etmalen, nadat de storm begonnen was, konden we des namiddags

waarnemingen doen omtrent de lengte en breedte waarop we ons bevonden.

Zelden of nooit misschien was een schip zoo uit den koers geslagen als

wij, en toen we eindelijk Kaap de Goede Hoop aandeden, vernamen we daar,

dat de andere schepen reeds meer dan acht weken geleden vertrokken

waren. Men had het er voor gehouden, dat we met man en muis vergaan

waren.

En dat is nu een stukje geschiedenis van mijne vierde reize naar de

Oost. Het is te hopen, dat de "Leerdam" beter over de Linie komt dan de

"Het Huys ter Horst."

"Maar hoe is het toch afgeloopen met "Zwarten Jan?" vroeg Dirk, die

aandachtig had staan luisteren.

"Ja, jongen, droevig genoeg. Toen alles na de windstilte en den storm

weer tot orde gekomen was, begon de man heel vreemd te doen. Het was,

alsof hij maalde, en eindelijk liep hij als een wezenlooze over het dek.

Hij voerde niemendal uit. Hij at bijna niets en dronk heel weinig. Tegen

niemand sprak hij, en als hij maar den een of ander op hem zag afkomen,

maakte hij zich uit de voeten. Zijne krachten namen zichtbaar af en één

der Heeren, die wij aanboord hadden, en die naar de Oost ging om daar

zijn geluk als Medicijnmeester te zoeken, verklaarde dat de man aan de

zenuwen leed en het niet lang meer zou maken. Dat kwam zoo uit ook. Wij

dachten, dat hij zich met lijf en ziel aan den booze verkocht had, doch

toen hij, drie dagen vóór dat we aan de Kaap aankwamen, des morgens dood

in zijne hangmat lag, vonden we op zijne borst een boekje met

Christelijke gebeden. Daaruit bleek het duidelijk, dat de booze geen vat

op hem gehad had, en dat de arme man zich maar verbeeld had, dat hij de

zwarte konst verstond."

Onder het spreken der laatste woorden was Ouwe Joost opgestaan en met

een: "Maar de jaren blijven den zeeman niet in den pijjakker zitten. Ik

ga mijn matje in! Wel te rusten," verdween hij in het matrozen-logies.

Enkelen der anderen volgden zijn voorbeeld, doch verreweg de meesten

bleven op het dek en trachtten daar den slaap te vatten, hetgeen hun

eindelijk ook gelukte.

Dirk en Garrit, die beiden de hondenwacht hadden, stonden zwijgend bij

elkander, doch toen ze zoo eene poos gestaan hadden, vatte Garrit de

hand zijns broeders en zeî: "De Ouwe Joost heeft me bang gemaakt. Wat

begon zijn verhaal prettig en wat eindigde het treurig! O, Dirk, als

wij, eer wij de Linie passeeren, ook eens zulke vreeselijke dagen moeten

doorbrengen als de "Het Huys ter Horst," wat dan?"

"Moeder zou zeggen: "Wij zijn in de hand des Heeren," Garrit! Laten

we daarom getroost zijn en hopen, dat de "Leerdam" met de heele

bemanning behouden te Batavia zal aankomen. Je moet je niet zoo ongerust

maken!"

"Je hebt mooi spreken, Dirk! Maar je bent zelf toch ook niet gerust. Dat

zag ik wel toen je aan Ouwe Joost vroeg hoe het met dien regenfluiter

afgeloopen was."

"Geen wonder ook. Al die oude varensgezellen kunnen wat mooi vertellen,

maar geen van allen zooals Ouwe Joost dat kan, vooral niet, zooals hij

het nu deed. Ze moesten allemaal luisteren, of ze wilden of niet!"

"Ja, Ouwe Joost was in zijne kracht!"

"Dat was hij zeker, maar nu we hem niet meer hooren en zien, nu hebben

we tijd om over zijne vertellingen na te denken, en hoe meer we dat

doen, hoe meer we er achter komen zullen, dat een ander met dezelfde

vertelling ons niet zoo akelig zou gemaakt hebben. Als de "IJzeren

Neptunus" ze verteld had, dan ...."

"Dan waren we er mogelijk bij in slaap gevallen."

"Dat geloof ik ook; maar hoe zou dat gekomen zijn? Het was dan toch

dezelfde geschiedenis!"

"Weet ik het?"

"Dan zal ik het zeggen: Ouwe Joost maakt zijne vertellingen mooi, door

ze, door ze, ik zal maar zeggen, door ze met allerlei kleursel op te

dirken. Dat zou IJzeren Neptunus niet gedaan hebben."

"Ouwe Joost heeft ons toch geene leugens wijs gemaakt?"

"Dat niet, wel wat anders."

"Wat dan?"

"Het was opgedirkte waarheid, dat was het!"

Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes · 第 22 / 49 题