Het is verbazend, hoe dom bijgeloovig ook de menschen van de hoogere

standen zijn. De vrouw van een zeer rijken christelijken koopman

in Mosoel had een kind, dat hevig aan de oogen leed. Zij bracht den

jongen naar het hospitaal; maar toen ze merkte, dat de behandeling

hem pijn deed en aan het schreien bracht, hield ze hem thuis. Wij

hoorden later, dat ze een griezelig middel had toegepast, door

bijgeloof voorgeschreven. Er werd een schaap gekocht en geslacht,

en het kind moest met het hoofd midden in het doode dier gaan liggen

en het er een kwartier houden. Kan men zich iets weerzinwekkenders

voorstellen? En toch zijn dit rijke en op den voorgrond tredende

leden van de gezellige wereld in Mosoel, die werkelijk geloofden,

op die manier de oogen van hun kind te genezen. Onnoodig te zeggen,

dat de gewenschte uitwerking uitbleef, en maanden later brachten ze

het kind weer. Door de ervaring wijzer geworden, lieten ze den dokter

zijn gang gaan met het gevolg, dat na twee maanden van dagelijksche

behandeling de oogen totaal genezen waren.

Ik weet niet, wat het voordeel is van het dooden van een schaap of

een geit, maar in Mosoel doet men het bij allerlei gelegenheden. Bij

onze terugkomst van Beiroet, toen we drie maanden uit waren geweest,

werd een levende geit ons tegemoet gezonden in de woestijn, en toen

wij uit het rijtuig stapten, werd het arme beest vlak vóór onze oogen

doodgestoken. In Perzië was het zelfs bij de Armeniërs gewoonte,

bij een huwelijk een schaap te dooden juist als bruid en bruidegom

over den drempel van hun nieuwe woning gingen. Het werd niet als

gelukkig beschouwd, indien de bruid niet juist haar voet had gezet

in het bloed. Ik geloof, dat in Mosoel ook bij trouwpartijen op deze

manier een schaap wordt geslacht, maar ik heb het nooit bijgewoond.

Als een vrouw graag moeder wil worden, zijn er allerlei bijgeloovige

methoden, waar ze haar toevlucht toe kan nemen; maar de meest

algemeene is die van Sjeik Matti. Dat is een klooster, dat een twaalf

uur rijdens van Mosoel verwijderd is op een eenzaam gelegen berg. De

vrouw doet een pelgrimtocht naar die plaats, en men zegt haar dan,

dat zij een nacht moet doorbrengen in de eenzame kapel daarboven. In

haar slaap zal een engel het gebouw bezoeken, en als haar gebed zal

worden verhoord, zal hij een appel bij haar hoofd leggen. Wil de

engel bijzonder vriendelijk en welwillend zijn voor de vrouw, dan

zal hij twee of zelfs drie appels neerleggen, en het aantal appels

zal aanduiden, hoeveel kinderen haar zullen worden geschonken. Vreemd

genoeg, hebben die engelenbezoeken nooit plaats, als er niet een zeer

voldoend aantal bakschisch is gegeven, om ze uit te lokken!

Er zijn ook een massa bijgeloovigheden aangaande medische behandeling

van ziekten en ongelukken, maar die verdwijnen tegenwoordig snel, nu de

menschen de europeesche behandeling beter leeren kennen. Door ervaring

leeren ze, hoeveel beter de engelsche methode is dan de hunne. Zoo

bij voorbeeld was het algemeen de gewoonte van koortslijders, naar

den mollah te gaan, die zijn handen op het hoofd van den zieke placht

te leggen onder het lezen van eenige Koranverzen. Als de koorts niet

dadelijk week, wel, dan was dat de schuld van de koorts, niet van den

mollah. Ik meen wel, dat koortspatiënten beginnen te begrijpen, dat

engelsche medicijnen meer helpen dan handopleggingen van den mollah.

Als iemand door een dollen hond is gebeten, wat, het aantal

straathonden in aanmerking genomen, niet dikwijls gebeurt, gaat hij

dadelijk naar den sjeik, die hem een tegengif zal geven. Dit bestaat

in een dadel, waar de steen uit is genomen, en waar de sjeik twee-

of driemaal in heeft gespuwd, om de opening te vullen, waar de pit

heeft gelegen. Heeft de gebetene die vrucht opgegeten, dan behoeft

hij niet meer bang te zijn voor het krijgen van hydrophobie.

Droomen en vizoenen hebben grooten invloed op den oosterschen geest. De

menschen gelooven stellig, dat God daardoor dikwijls tot zijn kinderen

spreekt en ze gebruikt als waarschuwing voor dreigend gevaar of als

een stem, die leering geeft. Kort geleden kwam een mohammedaansche

vrouw in het hospitaal, lijdende aan dubbel cataract. Ze was al vele

jaren blind geweest en verlangde naar een operatie. Ze zei, dat,

als ze maar genoeg kon zien, om het erf aan te vegen, dat ze dan wel

in haar onderhoud kon voorzien. De dokter onderzocht haar oogen en

deelde de vrouw mede, dat hij niet voor het resultaat kon instaan,

omdat haar oogen niet gezond waren. Maar daar ze totaal blind was, kon

men het probeeren, en misschien zou ze zooveel kunnen onderscheiden,

dat ze zich alleen kon redden. Dus werd ze in het hospitaal opgenomen,

om op geschikten tijd te worden geopereerd. Het was een hartelijke,

gevoelige vrouw met veel intuïtief waarnemingsvermogen. Als ik de deur

van haar zaal maar naderde, riep ze reeds, vóór ik nog een woord had

gezegd: "Daar is mijn khatoen!" Soms sloop ik stil binnen, om eens te

zien, of ze zou merken, dat ik in het vertrek was. Dat deed ze bijna

altijd en als ze opzat in bed, luisterde ze gespannen, of ze mij

hoorde en zei dan tot een van de andere zieken: "Is de khatoen niet

hier?" Voelde ze dan mijn hand, dan greep ze die en zei: "Ik wist

het; ik voelde het hier!" Daarbij wees ze op haar hart. Zij was zoo

opgewonden, dat mijn man bang was, haar de een of andere dwaasheid

te zien doen òf vóór de operatie òf erna. Hij waarschuwde haar, dat,

als ze zich niet rustiger hield, ze haar oogen wel heelemaal kon

verliezen; maar bij het naderen van den gewichtigen dag werd ze al

zenuwachtiger. Op een morgen echter vonden wij haar heel kalm en ze

haastte zich, ons de reden van haar rustigen gemoedstoestand mee te

deelen. In den nacht had ze een vizioen gehad, dat al haar vrees had

weggenomen en haar geloovig vertrouwen had geschonken.

In haar droom was het, of ze in de woestijn liep, waar ze een mollah

ontmoette, die haar uitschold en haar vervloekte. Toen ze wilde

vluchten, zag ze een gestalte naar haar toe komen, die zij wist, dat

Onze Heer Jezus was, den Levende, zooals hij in 't Arabisch heet. Hij

sprak vriendelijk tot de vrouw en vroeg haar, waarom ze weende. Zij

antwoordde den Heer, dat de mollah hard tegen haar was geweest. In

haar droom zag ze toen, hoewel ze blind was, dat de Heer zich tot

den mollah wendde en hem berispte, omdat hij de vrouw gehinderd had,

en tot de verbaasde vrouw sprak hij: "Ween niet, mijn dochter,

want de engelsche dokter zal u binnen weinige dagen het gezicht

teruggeven." Toen verliet Hij haar. Zij ontwaakte vast overtuigd,

dat dit een bijzondere openbaring van God was door Jezus, onzen Heer,

om haar te verzekeren, dat ze het gezicht terug zou krijgen. Van dat

oogenblik af was ze volkomen rustig en bleef dat al den tijd van haar

verblijf in het hospitaal.

Den dag vóór de operatie werd ze weer gewaarschuwd, dat ze misschien

niet beter zou worden, maar ze glimlachte en zei: "Morgen kan ik

zien!" Haar vertrouwen werd niet beschaamd, daar de operatie goed

gelukte, en na twee of drie weken kon ze vertrekken met één volkomen

ziend oog, terwijl het andere later werd geopereerd.

Eens reisde mijn man met de post of tsjappa van Yezd naar Kerman, toen

hij op een avond tot zijn grooten schrik bemerkte, dat hij zijn gouden

horloge en ketting had verloren. Aan beide was hij zeer gehecht om de

eraan verbonden herinneringen, dus speet het hem erg, dat hij ze moest

missen. Dienzelfden avond ontmoette hij een anderen Engelschman, die

naar Yezd terugkeerde. Hij deelde hem zijn verlies mee en vroeg hem,

onderweg te willen informeeren, terwijl hij een belooning uitloofde

voor ieder, die hem het verlorene terugbracht. Zijn vriend beloofde,

te doen wat hij kon en riep toen zijn bediende, wien hij het geval

vertelde, hem radend, goed op te letten op ieder, dien ze onderweg

mochten zien. De bediende was een slimme baas. Den volgenden morgen

ontmoetten ze een kameelkaravaan op den weg naar Kerman, en de bediende

stapte op den drijver toe met de woorden:

"Gij, edele broeder, mocht uw goedheid nooit verminderen; mijn slaap

is dezen nacht gestoord geworden door droomen van u."

"Estakfarullah!" (God verhoede het) zegt de kameeldrijver. "Waarom

werd mijns heeren slaap gestoord door droomen over mij, die een

onwaardige ben?"

"Ja, ik zag in mijn slaap u bukken en iets oprapen."

"Dan was uw droom verkeerd," zei de kameeldrijver snel, "want ik heb

niets opgeraapt."

"Zie, in mijn droom," ging de slimme bediende voort, "zag ik, dat

het ding, hetwelk door u werd opgeraapt, niet veel waarde had en maar

een goedkoop iets is, waar ge geen voordeel van zult hebben."

Toen de kameeldrijver bedrukt keek, ging de bediende voort: "Maar de

eigenaar van dat waardelooze ding zou het zeer gaarne terugvinden,

daar het, ofschoon het geen waarde in geld vertegenwoordigt, hem zeer

lief is als een aandenken."

"Maar ik zei u," herhaalde de kameeldrijver, "dat ik niets heb

opgeraapt."

"In mijn droom," vervolgde de knecht, zonder op de herhaalde ontkenning

van den drijver te letten, "zag ik u kijken naar het waardelooze

voorwerp in uw hand en het toen wegstoppen in uw ala (jas)."

"Nee, nee," riep de drijver, "ik heb niets opgeraapt."

"Dus als je mij wilt aanwijzen, waar het is, kan ik je van het

waardelooze voorwerp wel afhelpen."

Na nog wat heen en weer praten haalde de kameeldrijver het horloge

en den ketting van mijn man te voorschijn en kreeg daarvoor een

kleine fooi. De bediende was heel tevreden over den loop van zaken en

over zijn eigen slimheid en dacht met welbehagen aan de uitgeloofde

belooning van vijf tomans, dat is een pond sterling. De kameeldrijver

bekende later, dat hij er zoo van geschrikt was, te hooren, dat zijn

daden in een droom aan dien man waren geopenbaard, dat hij voor geen

geld van de wereld het horloge had willen houden.

Onnoodig te zeggen, dat de droom maar een gefingeerde was, een

bedenksel, om invloed te krijgen op den bijgeloovigen geest van den

kameeldrijver.

In Mosoel vertelde het hoofd der Seyeds eens aan den dokter een

geschiedenis van een merkwaardigen droom. Het ging aldus. Twee mannen

bezochten eens een mollah, om hem een vraag te stellen over een punt,

dat hen lang had beziggehouden. De oorzaak van hun verschil van

meening was de volgende. Als ze naar hun werk gingen iederen dag,

gingen die mannen een ladder voorbij, die tegen den muur stond. Een

van hen beiden vermeed het altijd, eronder langs te gaan, opdat de

ladder niet zou vallen en hem dooden, terwijl de ander zei: "Nee,

ik loop niet weg voor het gevaar, want wat Allah heeft besloten,

geschiedt. Als het geschreven is, dat ik door de ladder moet sterven,

zal dat gebeuren." Nadat de beide vrienden veel tijd hadden zoek

gebracht met die netelige vraag, besloten ze de zaak den mollah

voor te leggen en zijn beslissing in te roepen. De mollah liet

beiden uitspreken; maar zei toen, dat zulk een moeilijk vraagstuk

veel overweging vereischte. Hij bepaalde een dag, waarop ze terug

moesten komen en zijn uitspraak zouden vernemen. Na hun vertrek viel

de mollah in slaap, en in zijn slaap droomde hij. In den droom zag

hij een schoonen knaap, den zoon van een koning, aan wien hij zeer

gehecht was. Later ontmoette hij een vreemdeling, die hem zeide,

dat hij, de mollah, den dood zou veroorzaken van den jongen, dien

hij zoo liefhad. De mollah, ten hoogste verontwaardigd, wierp het

denkbeeld ver van zich, en zei, dat hij den knaap veel te lief had,

om hem eenig kwaad te doen. "En toch," zei de vreemdeling, "zal het

geschieden, want Allah heeft besloten, dat de jongen door u zijn lot

moet ondergaan, en wat geschreven staat, staat geschreven."

De oude mollah keerde naar zijn huis terug in droevig gepeins, maar

vast besloten, dat hij niets zou ondernemen, dat op eenige wijze den

prins kon schaden. Weer in den droom ontving de mollah een oproeping,

om bij den jongen prins te komen. Zich de woorden van den vreemdeling

te binnen brengend, nam hij niets met zich, dat op eenige wijze den

jongen kwaad kon doen, niets dan als eenige gift een appel. De jongen

ontving den mollah in zijn mooie woning op een eiland, en de beiden

hadden een prettig onderhoud te zamen.

Eer hij afscheid nam, gaf de oude man met uitgestoken hand een appel

aan den knaap, die de vrucht gretig aannam en haar dadelijk wilde gaan

opeten. De mollah nam een pennemesje uit zijn binnenzak, schilde den

appel en gaf dien op de punt van het mesje aan den jongen prins. Deze

greep toe, maar bij het aannemen drong de punt van het mesje in den

vinger van den knaap met het gevolg, dat er bloedvergiftiging bij

kwam, en dat de bloeiende knaap na korten tijd dood terneerlag. De

mollah weende luid, en onder het schreien werd hij wakker. Met een

nederig hart en in een neerslachtige stemming gaf hij zich gewonnen

en prees Allah.

Op den vastgestelden dag kwamen de beide mannen terug, om de uitspraak

van den wijzen mollah te vernemen. Hij ontving hen vriendelijk, maar

bedroefd, en verzekerde hen, dat het niet het minste verschil maakte,

of ze onder de ladder doorliepen of niet.

"Want," zei de oude, "als het geschreven staat, dat gij door een

vallende ladder om zult komen, zal dat gebeuren; ge kunt er niet aan

ontkomen. Wat Allah besloten heeft, moet vervuld worden. Zijn plannen

kunnen niet tegengehouden worden."

Die leer, die den ouden mollah door middel van zijn droom was

voorgehouden, staat zeer sterk in den geest van alle tegenwoordige

Mohammedanen.

Toen we in Perzië woonden, hadden we een indischen bediende, die

Mohammedaan was. Hij vertelde ons, dat drie nachten achtereen Onze

Heer hem in den droom was verschenen in de gedaante van een ouden

man met een langen, witten baard. Hij was zoo getroffen door den

herhaalden terugkeer van dien droom, dat hij naar een engelschen

geestelijke ging en vroeg, of hij onderwijs mocht ontvangen in den

christelijken godsdienst.

De vrouwen in Mosoel hebben mij dikwijls verhalen gedaan van

wonderbaarlijke dingen, die mij zouden overkomen, omdat zij ze in

droomen hadden aanschouwd. Zelfs nu nog krijg ik vaak brieven van

enkele dier vrouwen, waarin ze zeggen, dat ze mij zoo dikwijls in

haar droomen zien.

De eerste vrouwelijke inwonende patiënten in ons zoogenaamd hospitaal

moesten zich behelpen in een soort van buitenloods. Wij konden niet

anders voor haar vinden als vrouwenverblijf dan een groote ruimte, waar

hout werd bewaard. Mijn man had er witkalk op de muren laten aanbrengen

en alles was flink schoongemaakt en ontsmet. De eerste vrouw, die

er werd geïnstalleerd, was een heel rustige, zachte Mohammedaansche,

die geopereerd moest worden. Haar moeder was meegekomen, en ze waren

alleen in de niet al te geriefelijke ruimte.

Twee of drie dagen na de operatie verklaarden die vrouwen, dat in

den nacht een groote gedaante, die er als een dragonder uitzag, van

den grond was opgerezen naast de zieke. En een paar weken later werd

een klein joodsch meisje in die zaal opgenomen, een kind, dat zich

ernstig gebrand had, terwijl haar moeder en haar grootmoeder op haar

pasten. Er waren toen nog twee of drie andere vrouwen in de zaal. Op

een morgen heel vroeg kwam men ons berichten, dat alle bewoonsters van

de bedoelde ruimte er verschrikt waren geworden in den nacht. Toen we

erheen gingen, om te zien, wat gebeurd was, vonden wij ze allen in de

gang liggen, terwijl ze het beddegoed erheen mee hadden genomen. Ze

zagen er ongelukkig en verschrikt uit en verzochten, het hospitaal

onmiddellijk te mogen verlaten, daar ze niet nog weer een nacht op

die verschrikkelijke plek wilden doorbrengen. Daarna begonnen ze

allen hun ervaringen mee te deelen, allen tegelijk, zoodat het voor

ons heel moeilijk was, gewaar te worden, wat er precies was gebeurd.

Het schijnt, dat kort na middernacht ze nog met elkander aan het

praten waren, toen ze plotseling twee soldaten zagen zitten op randen

van haar bedden. Ten hoogste verschrikt, vroegen ze de mannen,

hoe ter wereld ze daar kwamen, en of ze niet wisten, dat dit een

harem of vrouwenverblijf was. Eerst antwoordden de soldaten niet,

maar later vertelden ze aan de vrouwen, dat ze gekomen waren uit een

dorp op twaalf mijlen afstands. Dat hun in een droom was verteld,

hoe ze hadden te gaan naar het huis van den "beit hakeem Engelisi,"

het huis van den engelschen dokter. Gehoorzamend aan dat bevel waren

ze gekomen. Toen waren ze verdwenen even plotseling, als ze waren

gekomen. De vrouwen waren zeer angstig, terwijl enkelen geloofden,

dat het echte soldaten waren, en anderen, dat het geesten waren

in de gedaante van soldaten. Ze hadden terstond de kamer verlaten,

hadden haar beddegoed meegenomen en brachten het overige deel van

den nacht in vrees en beven door. Den volgenden morgen werd het dak

nauwkeurig onderzocht, om te zien, of op eenige manier soldaten op

ons erf hadden kunnen komen. We bevonden, dat in het naaste huis

het hoofd van de soldaten woonde, en het kon wezen, dat enkele van

de wachthebbende soldaten over de muren waren geklommen en den weg

hadden gevonden naar ons huis.

Er werd intusschen nooit iets bewezen; maar niemand was er weêr toe

te bewegen, die kamer te betrekken, want de vrouwen beweerden, dat er

booze geesten huisden. Ten slotte maakten we er een kippenhok van;

maar de kippen en kalkoenen werden alle ziek en stierven, zoodat er

waarschijnlijk iets niet in orde was met de lucht in dat vertrek. Zoo

was onze eerste proef met een vrouwenzaal mislukt; maar er is toch

iets goeds uit die mislukking voortgevloeid. Daar de vrouwen de

spookzaal niet wilden gebruiken, moest er wat anders worden gezocht,

en wij gaven ons huis haar ten gebruike, terwijl wij in het daarnaast

gelegen trokken, dat grooter was. De kamer, waar noch menschen,

noch dieren het konden uithouden, werd nu als houtschuur gebruikt.

Op een woestijnreis kan licht de verveling u overvallen, wanneer

iederen dag volkomen gelijk is aan den anderen, en elk voorval,

dat dan van het gewone afwijkt, wordt als een welkome afwisseling

beschouwd. Eens gedurende onze middagrust naast een pas verlaten

arabisch kamp hoorden we janken, en rondkijkend, vonden we een klein

hondje van misschien een paar dagen oud. Dat hondje gaf ons wel een

week lang afleiding; we koesterden het in flanel, zetten het in de

zon, om wat warmte te wekken in het rillende lichaampje, en hadden

eindelijk de voldoening, dat het piepen ophield, toen het diertje

warm werd. We onderhielden het leven in het beestje nog verscheiden

dagen, maar daar er haast geen melk in de woestijn is te krijgen,

was het onmogelijk voor de goede voeding te zorgen.

Op een avond kwamen we aan een arabisch kamp en dachten, dat het

verstandiger zou zijn, het arme hondje bij een van de Arabieren

achter te laten, want er wordt van de Arabieren gezegd, dat ze veel

van honden houden. Dus haalden we onzen bediende over, het hondje

mee te nemen en naar een van de tenten te brengen. Hij deed het met

tegenzin en dacht, dat hij wel kon worden doodgeschoten, omdat hij

in donker naderde. Maar hij sloop toch voorzichtig naar het kamp en

wist het hondje binnen een van de tenten te leggen. Terstond riep de

eigenaar, wie daar was; maar Aboo, onze bediende vluchtte weg, zonder

te antwoorden. Wij hoorden den Arabier vloeken, en toen hij het arme

hondje zag, nam hij het op en wierp het naar buiten in de woestijn. We

konden het stumpertje hooren piepen en klagen, en mijn man ging erheen

en zag het liggen op een vuilnishoop. Hij bracht het weer in onze tent

en wij probeerden weer, het te warmen en te koesteren. Den volgenden

dag evenwel was het kleine levensvonkje gebluscht. Zoo eindigde de

korte geschiedenis van dien kleinen, verlaten zwerveling in een

droevig treurspel, en mijn man nam den treurigen plicht op zich,

het lijkje aan het diepe water van de rivier toe te vertrouwen.

Zulke kleine episoden breken de eentonigheid, maar er zijn ook

andere ervaringen. Ons was vaak voorgehouden, dat het reizen door de

woestijn gevaarlijk was, maar wij hadden aan den kreet van "De Wolf,

de wolf!" gedacht en begonnen al te denken, dat de veelbesproken

roovers in de woestijn alleen in de verbeelding van de menschen

bestonden. Spoedig echter zouden we het anders leeren.

Eens reisden we van Mosoel naar Aleppo en hadden bijna onze bestemming

bereikt, toen we de volgende ervaring opdeden. Toen we eens aan

het eind van onze etappe waren, kampeerden we slechts een steenworp

van de Euphraat af, even buiten het stadje Beridjik. Onze tent was

opgeslagen onder een mooien boom, waarlangs een helder riviertje

stroomde, dat op weg was van de bergen naar den grooten stroom. Wij

vonden het een ideale kampplaats, en er waren blijkbaar ook anderen,

die er zoo over dachten, maar van een ander standpunt. Rondom ons

heen waren blijken te zien van de werkzaamheid der dorpelingen in

den vorm van groote hoopen pas geoogst graan, die op den tijd van het

dorschen wachtten. Voordat we ter ruste gingen, wandelden we langs de

rivier en langs het koren, waar we twee mannen ontdekten, die op het

veld zaten en ons den avondgroet brachten, toen wij passeerden. Wij

hechtten niet aan het voorval, daar de dorpelingen wel eens bewakers

aanstellen voor den oogst, tot die veilig binnen is.

Dus, ons toevertrouwend aan de zorg van Hem, die nooit sluimert of

slaapt, trokken we ons in onze tent terug, hopende door een goede

nachtrust ons voor te bereiden voor de reis van den volgenden dag. Onze

ideale kampplaats had één groot gebrek, dat men aantreft overal,

waar in de velden schapen en geiten grazen, want die "pelgrims van

de woestijn" hebben er een handje van, om 's nachts rond te loopen,

en dien nacht waren ze bijzonder levendig. Ze stieten tegen de palen

van de tent en hielden mij lang wakker. Mijn veldbed schudde soms en

deed mij schrikken, en eens kwam ik tot het besluit, dat onze ezel

was losgeraakt van zijn touw en ons een vriendschappelijk bezoek

trachtte te brengen. Denkend, dat hij de schuldige was, keerde ik mij

om en was al gauw weer in slaap, tot ik weer wakker werd met dezelfde

gewaarwording. Nu was ik klaar wakker en liet in hetzelfde oogenblik

het schijnsel van mijn electrisch lantaarntje door de tent spelen,

juist tijdig genoeg, om een man haastig onze tent te zien verlaten. Ik

maakte mijn man wakker en vertelde, wat er gebeurd was. Hij snelde

onmiddellijk naar buiten en maakte alarm. Ongelukkig was het een

zeer donkere nacht, en men kon geen voet van zich af zien, zoodat de

roovers een mooie gelegenheid hadden, om te ontsnappen. Onze tent was

een eindje van het dorp verwijderd, dus keerde mijn man terug naar de

tent, om wat kleêren aan te trekken, voordat hij naar den hoofdman

in het dorp ging, van wien altijd verondersteld wordt, dat hij voor

de veiligheid van de vreemdelingen instaat. Toen mijn man naar zijn

kleêren zocht, was al, wat hij kon vinden, één schoen, en de dieven

hadden alles uit de tent weggehaald, zelfs tandenborstels. En niet

alleen hadden ze de tent leeggehaald, maar een buiten staande kist

werd ook geplunderd en een groot valies eveneens. Waren ze daarmee

tevreden geweest, dan zouden wij niets hebben geweten van den diefstal

vóór den morgen; maar hun begeerte naar het tapijt op den grond van

de tent had mij gewekt. Intusschen zagen we nu wel in, dat er niets

kon worden gedaan, eer het licht was en we gingen weer rusten.

Zoodra de morgenstond was aangebroken, reden enkele leden van de

karavaan weg in verschillende richtingen om te zien, of ze eenig

spoor van dieven konden vinden; maar natuurlijk waren die al lang

verdwenen in de duisternis. Toch bracht het zoekende gezelschap

eenige kleedingstukken mee, die de dieven onderweg hadden verloren,

toen er alarm werd gemaakt. Ons gewapend geleide, een soldaat uit

Beridjik, werd naar het stadje gezonden, om de regeeringsambtenaren

te verwittigen van den diefstal. Al spoedig reed de gouverneur van

de plaats uit met zes of zeven andere ambtenaren, allen blijkbaar

zeer angstig, dat ze in ongenade zouden vallen, omdat ze niet hadden

verhinderd, dat er schade werd toegebracht aan een europeesche

karavaan. Het eerste, wat de gouverneur deed, was te zenden om den

hoofdman van het dorp, die gekneveld en geslagen werd. Het deed mij

innig leed om den man, die luide schreeuwde bij de stokslagen.

Achter den Sluier in Perzië en Turksch Arabië De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 6 / 7 段