Ik vind de grootste aantrekkelijkheid van de oostersche vrouwen haar

oogen. Ik zie in mijn gedachten onder het schrijven typen vóór mij van

gezichten, niet eens mooi in den gewonen zin van het woord, maar met

oogen als wonderen, openbarend een ziel vol droefenis uit verlangen

naar iets onbereikbaars, oogen, die u aan het schreien zouden kunnen

brengen, zulk een verlangen naar liefde spreekt eruit. Een ander

type is dat van de levendige, vroolijke soort, gewoonlijk te vinden

onder jonge, ongetrouwde vrouwen. Het huwelijk heeft in het Oosten

gewoonlijk de uitwerking, dat het alle opgewektheid van het gezicht

en uit het leven verbant. Aardige, vriendelijke gezichtjes zijn er ook

genoeg in Mosoel; ze zouden misschien niet mooi kunnen worden genoemd,

maar lief zijn ze. Jammer, dat de schoonheid in het Oosten gewoonlijk

zoo kort duurt; een vrouw van dertig is er totaal passée; maar toch

ziet men wel oude dames in Mosoel, die er goed uitzien. Grijs en wit

haar ontdekt men haast niet, want als dat begint te komen, gaan de

vrouwen over tot henna en verven de haren ermee.

Mooie kinderen ziet men in Mosoel, donkere en blonde met blauwe

oogen en krullend haar. Maar die laatste stijl van schoonheid wordt

niet algemeen bewonderd. Als een kind krulhaar heeft, trachten de

vrouwen op alle manieren de krul eruit te krijgen en vragen soms

wel om medicijnen met dat doel. In den harem hooren de kinderen,

helaas, veel verkeerde dingen, en jongens en meisjes groeien er

op in een omgeving, die de onschuld der jeugd spoedig verjaagt en

bederft. Wat heb ik vaak in een harem een gesprek trachten af te

breken over dingen, waar men niet over spreekt, door de vrouwen

attent te maken op jongens of meisjes, die met open ooren zaten te

luisteren. Soms zwegen ze dan, maar vaak ook lachten ze en zeiden:

"Wat kan dat schelen; ze weten er alles van!" Is het te verwonderen,

dat die kinderen opgroeien met een verhard gemoed en een kranke ziel?

Voor de kinderen der Mohammedanen is er geen hoop, als niet de

moeders iets hebben leeren begrijpen van een reiner levensopvatting,

en voor de vrouwen is er geen hoop, als de mannen blijven, zooals ze

zijn. De sluier houdt de vrouwen gevangen voor het leven. Als wij

enkele harems in Mosoel gaan zien, breng ik u niet naar plaatsen,

waar gij over de gesprekken zoudt moeten blozen, maar daar, waar

wij niets aanstootelijks zullen zien of hooren. Bij een naasten

buurman van ons, een man, die in een groot huis woont en een hooge

maatschappelijke positie in de stad bekleedt, treden we binnen door

een poort en gaan naar een groote ontvangkamer, waar de heer des

huizes ontvangt, maar waar wij met streng gesloten sluier doorheen

stappen naar de deur van den harem. Die deur is altijd gesloten; als

men klopt, wordt ze geopend door een vrouw of meisje, die dadelijk

ons de hand of het kleed kust en ons dan brengt in tegenwoordigheid

van de khatoen, de vrouw des huizes. In dit geval is de dame in het

zwart gekleed, omdat ze nog niet zoo lang geleden weduwe was. Ze staat

op van haar plaats tusschen de kussens op den grond en groet diep bij

ons binnentreden; daarna heet ze ons welkom in haar huis en wijst ons

plaatsen naast zich aan. Wij gaan zoo gemakkelijk mogelijk zitten met

de beenen gekruist onder ons naar echt arabischen trant. Dan komt de

schoondochter binnen, een zwak vrouwtje, en met haar een klein meisje,

haar eenig kind. Ze is bedroefd, omdat ze geen jongen heeft en vreest,

dat haar man daarom van haar zal willen scheiden. Na mijn vertrek uit

Mosoel vernam ik, dat er voor die vrees reden bestond, want haar man

heeft haar weggezonden en een andere vrouw in haar plaats genomen. De

koffie werd door een der vele vrouwelijke bedienden gepresenteerd,

en onze gastvrouw is er zeer verbaasd over, dat wij niet met haar

een sigaret willen rooken. In denzelfden harem wonen vaak een dozijn

vrouwen of meer, en dan is het wel eens moeilijk, de dames, vrouwen

van broeders dikwijls, uit elkaâr te houden. De betrekkingen kunnen

ingewikkeld zijn, en er waren verscheiden huizen, waar ik dikwijls

kwam en toch nog niet de verschillende connecties van tantes en

nichten enz. wist te onderscheiden.

Hier is weer een heel ander soort van harem. Mijn speciale vriendinnen

in dit huis zijn twee jonge, nog niet getrouwde meisjes. Het zijn

vroolijke, aardige wezentjes, die bij mijn binnentreden mij hartelijk

omhelzen en mij demonstratief welkom heeten. Als ze mij verwachten, is

er altijd een maaltijd voor mij gereed en als mijn bezoek niet vooraf

is aangekondigd, moet er altijd een vrouw naar de naastbij gelegen

soek of markt gaan, om wat lekkers te halen. Ze zijn niet rijk, en

ik zeg altijd, dat ze 't niet moeten doen, maar dat helpt niet. Ook

hier zijn veel vrouwen, alle min of meer met elkaâr verwant. Als

ik ze verwar, wat soms gebeurt, en de namen vergeten blijk te zijn,

spijt ze dat en ze roepen uit: "Wat, heeft u mij vergeten?"--"Was ik

de vorige week niet nog in het hospitaal?"--"Heb ik Die en Die niet

bij u gebracht?" en zoo meer en zoo meer. Als ze mij eenmaal hebben

ontmoet, meenen ze, dat ik alles van ze heb onthouden en dikwijls moet

ik tot list mijn toevlucht nemen, om hun namen te hooren, zonder mijn

eigen vergeetachtigheid te verraden.

Terwijl we zitten te praten, zijn de meisjes druk bezig met het haken

van mutsjes, die in de soeks verkocht worden voor zoowat een shilling

het dozijn, katoen inbegrepen. In andere wijken van de stad zal men

de vrouwen bezig zien met het breien van sokken, en weer elders is

het maken van sigaretten in de mode. Elke wijk schijnt zoowat haar

eigen stijl van vrouwelijken huisarbeid te hebben en blijft daaraan

vasthouden.

Ik bezoek niet alleen de harems in de steden; maar de harems brengen

mij dikwijls een bezoek in ons huis. De armere vrouwen komen vrij

binnen en weten, dat ze altijd welkom zijn. Wij hebben een aparte

kamer voor vrouwelijke bezoekers, dat ze zich volkomen vrij zullen

voelen van mannelijke bedienden, die mochten komen opdagen. De dames

uit de hoogere standen komen niet zoo dikwijls, want het heet, dat

hoe strenger ze zich bepalen tot den eigen harem, des te deftiger

en gewichtiger zijn ze in de oogen van hun omgeving. Er woont een

familie te Mosoel, die er trotsch op is, dat haar harem nooit in

eenig huis een bezoek heeft gebracht. De dames waren er zoo streng in

afzondering gehouden, dat ze nog maar pas in den laatsten tijd verlof

hebben gekregen, om naar het bad, den hammam te gaan. Nadat ik kennis

had gemaakt met de dames van dien harem, stelde ik er een eer in, de

toestemming voor haar te erlangen, mij te mogen bezoeken. Ze hadden

er niet veel hoop op, dat haar heeren en meesters zoo iets ongehoords

zouden goedkeuren. Op een goeden dag echter vertelde mijn man aan

den eigenaar van het huis, dat ik er grooten prijs op zou stellen

als de dames van den harem mij een bezoek wilden brengen. Tot groote

verbazing van iedereen gaf hij zijn toestemming, enkel verzoekend, dat

het bezoek zoo stil mogelijk zou worden gehouden. De dames waren in

één opwinding, en dagen van te voren spraken ze over den voorgenomen

uitgang en maakten er toebereidselen voor. Op den vastgestelden dag

moesten alle mannen zich uit de voeten maken. De dokter werd uit het

huis verbannen voor den heelen namiddag; de mannelijke bedienden

kregen vacantie, en alle deuren, waar toevallig een man door zou

hebben kunnen binnenkomen, werden zorgvuldig gegrendeld.

Toen de tijd daar was, verscheen eerst een vrouwelijke bediende,

om te hooren, of alles gereed was. Toen ze zich overtuigd had,

dat er geen man in de nabijheid was of onverwacht zou hebben kunnen

verschijnen, ging ze terug, om de dames te halen. Ze kwamen in alle

glorie van zwart zijden mantels, die Judy, toen onze vrouwelijke hulp,

zorgvuldig opvouwde. De beide oudere dames waren zeer eenvoudig

gekleed in katoenen of stoffen japonnen; maar de jonge vrouw had

zich laten dossen in een van haar bruidscostumes en zag er zeer

bekoorlijk uit. Ze was toen nog maar zestien jaar en had al twee mooie

kinderen, een jongen en een meisje. Ze vonden het allen zoo prettig,

eens uit te gaan voor de eerste maal in haar leven. We aten eerst,

als gebruikelijk, komkommers en watermeloenen, gevolgd door thee en

koffie, engelsche biscuits en eigen gebakken koek. Dien laatste vonden

ze lekker en ze vroegen, of ze er een stukje van mee mochten nemen,

om de andere bewoonsters van den harem te laten proeven. Natuurlijk

wilden ze graag het huis zien, en 't was aardig, onder het gaan van

kamer tot kamer haar opmerkingen te hooren.

Ons klein harmonium trok zeer de aandacht, en ze luisterden met de

grootste attentie, toen ik een paar van onze oud-engelsche liederen

speelde en zong, die ik in 't Arabisch had vertaald. Een van de dames,

die probeerde te spelen, begreep niet, waarom er geen geluid kwam

voor haar, en toen ik de pedalen in beweging bracht, was ze dolblij,

dat zij ook "muziek kon maken". Hun vreugde leek heel veel op die van

kleine kinderen, als ze een nieuw stuk speelgoed vinden. Ze bleven

ongeveer drie uren en bij 't weggaan beloofden ze, gauw terug te

komen. Deze harem is een bijzonder gelukkige, ook al doordien er maar

één getrouwde vrouw is; daar de beide oudere dames ongetrouwde zusters

zijn van den man. Ze leven samen in vrede en eensgezindheid. Jammer,

dat zoo iets uitzondering is, en dat in bijna alle harems haat en

jaloezie een hoofdrol spelen.

Men heeft vaak beweerd en ook dikwijls terecht, dat de liefde geen

rol speelt in het leven eener mohammedaansche vrouw, en toch hebben

ze feitelijk veel behoefte aan aanhankelijkheid en zijn zelf ook

beminnenswaardig. Als men haar liefde en vertrouwen heeft gewonnen, kan

men daar altijd staat op maken. Het is dan wel een weemoedige gedachte,

dat deze vrouwen zooveel moeten lijden en ontberen en dikwijls zoo

wreed door de mannen worden behandeld. Medelijden en sympathie moet men

ze toedragen. Bij de geboorte al zijn ze onwelkom, waar men zooveel

liever een jongen heeft; dan blijven ze zonder liefderijke leiding

en zonder onderwijs, worden als jong meisje en jonge vrouw achter

den sluier verborgen gehouden, worden als echtgenoote niet bemind

en als moeder niet geëerd, en als het bezwaarlijke leven voor haar

ten einde loopt, zinken ze onbetreurd in het graf. Dit is in groote

trekken het leven van een mohammedaansche vrouw.

Wat de huwelijksplechtigheden betreft, die maken een trouwpartij

in Mosoel tot een zeer dure geschiedenis, vooral voor ouders, die

drie of vier dochters hebben. Er volgt geen huwelijk, als niet de

huwelijksgift aanwezig is van het noodige goud en juweelen en een

schitterend uitzet. Daarom zal een man, die veel dochters heeft, al

vroeg beginnen te sparen voor haar uitzet, en de moeders gaan vaak al

vóór de verloving allerlei kleeding aanschaffen, dat ze maar beter

aan de eischen van de trouwpartij kunnen voldoen, als die werkelijk

plaats vindt.

Dan moet er niet enkel voor het uitzet worden gespaard, maar ook

voor het onthaal van eenige honderden personen en gasten gedurende

de zeven op het huwelijk volgende dagen. Een man van behoorlijken

welstand in Mosoel vertelde mij eens, dat het huwelijk van zijn

dochters hem voor ieder tweehonderd pond sterling kostte, en daar

hij zeven dochters had, was de vereischte som niet gering. Als die

man met een goed inkomen het moeilijk vond, het vereischte bijeen

te brengen, hoeveel moeilijker moet het dan niet zijn voor diegenen,

die geen vast inkomen hebben en die weinig verdienen. Een inlandsche

christen, dien wij hoog waardeerden en van wien we veel hielden,

had twee dochters. Beide waren verloofd en stonden op het punt, te

gaan trouwen. Hij verdiende drie pond sterling per maand en had een

vrouw en zes kinderen te onderhouden; hoe zou hij het geld voor de

sieraden van zijn dochters bijeenbrengen? En als hij het niet deed,

zouden de meisjes misschien nooit trouwen. Er was maar één manier,

om de moeilijkheid op te lossen, dat was, geld te leenen tegen hoogen

interest en zoo zichzelf aan banden te leggen voor een langen tijd,

mogelijk voor zijn heele leven. Voorbeelden genoeg zijn er van dien

aard, om aan te toonen, dat meisjes dure brokjes zijn in Mosoel,

als men ze aan den man wil brengen. En dan de voorbereiding voor den

gewichtigen dag!

Als een man besluit, een vrouw te nemen, of als zijn ouders voor hem

de overtuiging krijgen, dat het hoog tijd wordt voor hun zoon, om te

trouwen, worden er allerlei samensprekingen gehouden, en de vrouwen

hebben er veel in te zeggen. Ze zijn nooit gelukkiger, dan wanneer

ze een huwelijk in elkaâr kunnen zetten en vinden genoegen in het

geheimzinnige, dat ermee samenhangt, want het mag nooit gebeuren,

dat een liefhebbende moeder de hand van haar dierbaren zoon zou

aanbieden aan de moeder van een mogelijke bruid en een weigering zou

ontvangen. De schande daarvan zou te groot zijn; dus moeten de moeder

en de andere vrouwelijke betrekkingen van den aanstaanden bruidegom

zeer voorzichtig te werk gaan in de keus van het meisje en in het

doen van het huwelijksaanzoek.

Voor het eigenlijke "vragen" aan de orde is, moet de weg geëffend

worden door zijdelingsche wenken en vragen omtrent de gezondheid

van het meisje, haar bekwaamheden en haar bruidsschat. Als alles

naar wensch is, wordt een formeel aanzoek gedaan. Is men zoo ver,

dan volgt zelden een weigering, en komt die toch, dan is het een

groote beleediging.

Mohammedaansche vrouwen hebben mij wel eens gevraagd, haar een geschikt

meisje aan te wijzen voor haar broeder of haar zoon. Als ik dan een

paar meisjes noemde, die ik kende, waren de antwoorden bij voorbeeld:

"O, maar die heeft een wit vlekje op het oog", of "Die is te arm",

of "Zij heeft een slecht humeur", of "Ze is niet mooi". Haar begrip

van schoonheid is dat van een bleek, vol gezicht zonder een zweem

van kleur behalve de door kunst aangebrachte. Natuurlijk krijgt de

man het meisje in 't geheel niet te zien vóór den dag der verloving

en bij strenge Mohammedanen niet vóór den trouwdag. Men moet soms

medelijden hebben met arme bruidjes, die verbonden worden aan mannen,

oud genoeg, om haar grootvaders te zijn of zelfs haar overgrootvader!

Als de trouwdag nadert, worden uitnoodigingen gezonden naar alle

vrienden en betrekkingen voor bepaalde dagen van de feesten. Eerst

komt de dag, waarop de bruid naar het bad gaat, een belangrijk moment,

dat gevolgd wordt door een week van opwinding met dansen en zingen

en feestvieren. Allen hebben er schik in, zelfs diegenen, die het

hardst moeten werken, om alle maaltijden klaar te krijgen. De gasten

blijven elken dag van 's morgens tot 's avonds. Drie maaltijden worden

elken dag opgedischt. 's Morgens een, die bestaat uit boter en brood,

room, vruchten enz.; het middagmaal is stevig en bestaat uit vleesch,

op verschillende manieren toebereid, rijst, kip en de groenten van

het seizoen. Ook de avondmaaltijd is weer zwaar, en de gasten gaan

hoogst voldaan naar huis.

Die heele week lang moet de bruid in de ontvangkamer zitten op een

kussen, speciaal voor bruidjes vervaardigd, en neemt geen deel aan de

feestelijkheden. Elken dag moet ze weer een andere zijden japon dragen,

overladen vaak met goud en juweelen. Zij spreekt niet, als ze niet

wordt toegesproken, en de gasten nemen niet veel notitie van haar, als

ze den gebruikelijken begroetingskus hebben gegeven. Aan de maaltijden

brengen de familieleden haar eten, dat haar moet worden gevoerd,

want een bruid is, naar het heet, te aangedaan, om zelf te eten.

Als de feestdagen ten einde zijn, neemt de bruid haar plaats in,

eigenlijk als "meid" van haar schoonmoeder. In een mohammedaansch

huis wordt de jongste en laatste vrouw het eerste jaar van haar

huwelijksleven de meid van allen en blijft dat, tot een jongere in den

harem wordt opgenomen. Veel hangt af van het karakter der schoonmoeder,

als men vraagt, hoe het lot van de haremvrouwen is. Als zij willen,

kunnen ze het leven der jonge vrouwen bepaald ondragelijk maken,

doch ook het tegendeel.

Diezelfde gewoonte van dagen achtereen feestvieren treft men ook aan

bij begrafenissen. De gasten, die komen klagen, zitten den heelen dag

in ernstig zwijgen; maar hun rouw staat hun eetlust niet in den weg,

want ze genieten het goede in die dagen van droefheid ten volle. Na

den dood komen dadelijk de klaagvrouwen binnen, een ambtelijke groep,

die midden tusschen de verwanten en gasten zit en niet anders doet dan

zich opwinden tot een nagemaakte smart met een ijver, dat men denkt,

ze van uitputting flauw te zullen zien vallen. Ze rukken aan haar

kleeding, slaan op haar knieën, trekken zich aan de haren, tot ze

half krankzinnig lijken. Het is een weerzinwekkend gezicht.

Maar om van den dood over te gaan tot het leven, als er een kind

in Mosoel wordt geboren, is de eerste zorg van de ouders, zoowel in

mohammedaansche als in christelijke gezinnen, het kind te beschermen

tegen den noodlottigen invloed van het Booze Oog. De gewoonte is,

een galnoot aan een draad te rijgen en die den zuigeling om den

hals te hangen. Mohammedanen naaien een Koranspreuk in een zakje en

bevestigen dat om den arm van het kind of op het mutsje. Het gebruik

van het dragen van amuletten, om het Booze Oog te ontwijken komt veel

voor en is diep geworteld in de zeden van het volk in Mosoel.

Het kussen van de hand is een aantrekkelijke gewoonte. Kinderen

leeren dat al, voordat ze kunnen praten of loopen. Bedienden zijn

altijd haastig met het kussen van uw handen, nadat ze iets zeer

vervelends of ergerlijks hebben gedaan. Ze grijpen uw hand en kussen

die, voor je nog recht weet, wat ze gaan doen. Op die manier meenen

ze de vergiffenis al te hebben gewonnen, eer de schuld bekend is. Ik

ben er nu slimmer op geworden, en wil liever eerst hooren, wat er

gebeurd is, eer ik ze in staat stel, mijn hand te kussen. Het is ook

een teeken van dankbaarheid.

Wie een bakshisch of een geschenk ontvangt, is altijd bereid, de hand

van den gever te kussen. Onder het rijden door de stad is het mij soms

gebeurd, dat mijn hand gevat en gekust werd door een voorbijganger,

die als patiënt in het ziekenhuis had gelegen en zijn dankbaarheid

op die manier wilde toonen. Een man moet al groote genegenheid en

innige dankbaarheid voelen, om de hand van een vrouw te kussen;

dus als dat eens gebeurde, voelde ik mij inderdaad zeer vereerd.

Een vreemde, maar niet onaangename gewoonte in Mosoel is die, om bladen

met een volledigen maaltijd erop, gekookt en netjes voorgediend, te

zenden aan vreemdelingen, die pas zijn aangekomen, of aan iemand,

die na lange afwezigheid thuis komt. Wij kenden dat gebruik niet,

toen wij pas in Mosoel kwamen; dus waren we hoogst verbaasd, toen

tegen zonsondergang van onzen tweeden dag twee of drie mannen op het

erf kwamen met groote bladen op het hoofd. Ze verklaarden, dat hun

meester, een mohammedaansch koopman, dezen maaltijd had gezonden met

veel groeten en goede wenschen. Het was een dîner, groot genoeg voor

wel twintig menschen. Wij brachten bij ons samen wie we maar konden

vinden, assistenten, catechisanten en anderen, die ons vriendelijk

met de verhuizing hadden geholpen. Op het binnenplein lieten we een

paar perzische tapijten leggen en zaten daar aan, met veel genoegen

onzen eersten echt arabischen maaltijd in Mosoel gebruikend.

Als iemand de stad verlaat of op reis gaat, sturen de menschen

bladen met lekkernijen, koekjes en snoeperij, die gemakkelijk kan

worden meegenomen op reis. Toen wij Mosoel verlieten, kregen we

een heele boel van die bladen, zooveel zelfs, dat aan het slot van

onze veertiendaagsche woestijnreis, we nog vrijwat van al die goede

gaven over hadden. Er waren lekkernijen bij van gestampte amandels,

met suiker vermengd, dus een soort van noga en andere van heerlijk

deeg met honig ertusschen.

Hier moet ik ook even vertellen van de broodbaksters. Het is

onder een groot deel van het volk de gewoonte, eens in de maand

maar brood te bakken in voldoende hoeveelheid, om al dien tijd te

strekken. De bakdag is een feit van beteekenis en geen pretje in de

huishouding. Het begint al kort na middernacht, als de vrouw komt,

die het deeg bereidt en klaar zet voor het rijzen. Dien heelen dag

moet iedere vrouw van het gezin zich beschikbaar stellen, om hulp

te verleenen. De een moet het deeg tot kleine koekjes vormen; een

ander begint ze uit te rollen en schuift ze dan naar haar buurvrouw,

die een kleinere rol in de hand heeft, tot die het uitgerolde deeg

weer aan iemand anders overdraagt voor een laatste rolling.

Als dat gebeurd is, blijkt het deeg bijna zoo dun als postpapier

en zoo groot als de houten hoepel van een kind. Dan kan het worden

gebakken. De brandstof, gebruikt voor de verhitting van den oven,

die gestookt wordt tot de vereischte hitte bereikt is, bestaat uit

gehakt stroo en geitenmest. De groote, dunne broodplaten worden

dan tegen de wanden van den oven gepleisterd en weggenomen, als ze

een keurigen graad van bruinheid hebben gekregen. Het brood is heel

lekker, als het versch en bros is; als het oudbakken is, weekt men

het gewoonlijk eerst in water, eer het op tafel wordt gebracht.

Wij bakken ons brood niet op die manier. Ik probeerde het een keer

voor de inwonende patiënten van het hospitaal, maar vond, dat het

veel te veel tijd kostte. Het dagelijks bakken is veel geschikter,

als er dagelijks een dertig of veertig menschen gevoed moeten worden.

De bewoners van Mosoel zijn over het algemeen een eenvoudig slag

van menschen. Zij zijn gemakkelijk te vermaken; men wint licht hun

hart; maar ze winden zich ook spoedig op tot drift. Meestal zijn

ze goedgehumeurd en geduldig en, in aanmerking nemend, hoezeer bij

hun opvoeding de lessen in zelfbeheersching worden verwaarloosd,

moet men erkennen, dat ze minder voet geven aan hun hartstochten,

dan men zou verwachten.

Ze hebben veel maatschappelijke verplichtingen en zijn gezellig van

aard, houden ervan, verhalen te vertellen en ernaar te luisteren

onder het drinken van koffie en het rooken van een pijp. Ongelukkig

drinken ze niet alleen koffie, en al die gezelligheid leidt tot

drankgebruik. Arak vooral wordt veel gedronken, zoowel door Christenen

als door Mohammedanen. Het is een sterk vocht, dat in Mosoel wordt

bereid door Christenen en Joden en door hen aan de Mohammedanen wordt

verkocht. Geen feest of welke plechtigheid ook kan er zijn, of er

moet arak bij. Bij huwelijken, begrafenissen, maaltijden wordt dat

vuurwater geschonken. Het spijt mij te moeten zeggen, dat de vrouwen

ook drinken, maar lang niet zoo algemeen als de mannen.

Natuurlijk wordt het als groote zonde beschouwd voor een Mohammedaan,

om wijn of sterken drank te gebruiken, daar beide in den Koran verboden

zijn; maar hun liefde voor den arak is in veel gevallen sterker dan

die voor den Koran. Een Mohammedaansche in Mosoel vertelde mij onlangs,

dat ze niet dacht, dat er één Mohammedaan in Mosoel was, die niet nu en

dan wijn of arak dronk. Ik hoop, dat zij overdreef; maar de neiging, om

zich voor de drinkgewoonte niet te schamen en er met minder bezwaar toe

over te gaan, wordt steeds algemeener. Het is een droevige gedachte,

dat de Christenen in de stad de vervaardigers en verkoopers zijn van

wijnen en sterke dranken, en dat zij verantwoordelijk zijn voor het

gebruik in Mosoel.

Opmerkelijk is het, hoe bijgeloovig de menschen in Mosoel zijn. Onze

meid Judy is ook een vrouwtje, vol van bijgeloovige denkbeelden. Toen

wij in Mosoel woonden, kreeg ik het treurige bericht van den dood

van mijn vader. Toen ik mijn smart liet blijken was de arme Judy

dood ongelukkig, omdat ik bij te diepe of te zeer aan den dag gelegde

droefheid God wel eens kon tarten, om ook mijn man weg te nemen. Daar

er veel primitiefs is in de kleermakerskunst van Mosoel, wou ik sommige

stukken zwart laten verven. Judy wou daar niet van hooren en zei, dat

alleen weduwen zwarte kleeren moesten dragen, en dat ik, als ik zwart

ging dragen voor mijn vader, zeker ongeluk over mijn man zou brengen.

Een ander voorbeeld van haar bijgeloof. Ze zou er zich wel voor

wachten, over onze voeten te stappen! Op zomeravonden zaten wij

in onze veranda, die nog al smal was, en als we bij toeval onze

voeten zetten op een voetkussen vóór ons, bleef er weinig plaats

over, om te passeeren. Ik kon eerst niet begrijpen, waarom Judy

nooit daarlangs ging, als ze aan dien kant de kamer moest ingaan,

tot ze mij eens vertelde, dat zij, als ze over onze voeten stapte,

gevaar liep, ons leven af te snijden, en dat het, als wij stierven,

dan haar schuld zou zijn.

Achter den Sluier in Perzië en Turksch Arabië De Aarde en haar Volken, 1917 · 第 5 / 7 段