dag en den volgenden door met zoeken naar dieven, elken dag tegen
zonsondergang terugkeerend en het onderzoek hernieuwend den volgenden
morgen. Mijn man ging den eersten dag mee en werd getroffen door het
gedrag van de dorpelingen bij het bezoek van de autoriteiten. Er
waren dorpen, waar ze niet anders aantroffen dan de vrouwen, daar
alle mannen gevlucht waren op het bericht, dat soldaten in aantocht
waren. Ze vonden een massa andere gestolen goederen begraven in
den grond bij en in de hutten, maar niets, dat ons behoorde. In een
der dorpen fluisterde een man den soldaten in, dat hij wist, waar de
gestolen goederen waren. Toen men hem beval, den weg erheen te wijzen,
bracht hij allen op een groot veld, waar een paar honderd groote
graanhoopen stonden en zei, dat de goederen in een van die hoopen waren
verborgen. Hij zal wel veel genoegen van zijn grap hebben beleefd,
want nadat ze een massa van die hoopen ondersteboven hadden gehaald
in de brandende zon, gaven de soldaten het op als hopeloos. Daar er
niets werd gevonden, moesten wij onze reis vervolgen en redden ons
zoo goed mogelijk, tot we Aleppo bereikten, waar het ontbrekende kon
worden gekocht. De roep van ons avontuur ging ons voor naar Jeruzalem,
waar we een paar maanden later hoorden, hoe er een overdreven verhaal
de ronde deed van ons wedervaren.
Mijn man ging terstond naar onzen consul bij aankomst in Aleppo en
vertelde de zaak. Gelukkig was de heer Longworth een energiek en
doortastend man, die op de regeeringsambtenaren grooten invloed
had. Hij verzocht ons, een opgaaf te schrijven van wat we hadden
verloren en stelde die den wali ter hand, terwijl hij ons verzekerde,
dat hij de regeering zou dwingen, vergoeding te geven of de verdwenen
goederen terug te leveren. Na een half jaar werkens en schrijvens
zond de heer Longworth mijn man een telegram met het bericht, dat
een afdoende schadevergoeding gegeven was. Wij waren onzen consul
zeer dankbaar voor al het werk, dat hij in dezen had verricht met
zoo goeden uitslag.
De beide mannen, die wij in het koren hadden zien zitten, waren
waarschijnlijk gehuurd met het doel, ons te bestelen; maar de ware
schuldige werd later gezocht onder de autoriteiten van Beridjik; er
werd ons namelijk bericht, dat hij een lid van den "gemeenteraad"
van het stadje was. Hij was zeker begeerig, om voor zichzelven en
zijn harem wat europeesche kleedingstukken te krijgen, zonder die te
moeten koopen.
Een ander gevaar, dat ons in Mosoel dreigde en nog al goed afliep,
ontstond, doordien de wali na een bevel uit Konstantinopel beproefde,
alle vrouwen in Mosoel te registreeren; hij moest een lijst opmaken
van de vrouwen, die zich in ieder huis bevonden. Mohammedanen en
Christenen kwamen allen in opstand tegen dien maatregel, daar het
tegen alle wetten van God en van Mohammed scheen te strijden, zooiets
te doen. De heele stad was in opstand; de winkels werden gesloten, er
werden geen zaken gedaan in de soeks, en de menschen schoolden overal
samen onder booze gesprekken en ernstige bedreigingen. Die toestand
hield wel vijf dagen aan; zoo iets was nooit vroeger voorgekomen.
De Christenen begonnen bang te worden voor hun veiligheid, daar er
gezegd was, dat, als de wali niet toegaf aan het eind van den vijfden
dag, een algemeene moord op de Christenen zou plaats hebben. Het
fransche klooster werd door soldaten bewaakt; onze agent telegrafeerde
aan den consul generaal te Bagdad om ook zulk een bewaking voor het
engelsche; maar het bleek gelukkig niet noodig. Als mijn man te huis
was, voelde ik mij niet zenuwachtig; maar als hij bij avond naar een
patiënt werd geroepen, zat ik in angst tot hij terugkwam. Wij hoorden
overal in het rond geweervuur en pistoolschoten.
Op den avond van den vijfden dag trok de gouverneur zijn order in,
om de namen der vrouwen op te schrijven, en alles werd weer rustig,
ten minste naar het uiterlijk.
Want er bleef nog een heelen tijd een onbestemde angst, daar er in die
week verscheiden moorden plaats hadden. Wij zaten op een avond aan den
maaltijd, toen onze bediende naar binnen vloog in groote opwinding en
zei, dat zijn broeder in de soek of bazar was doodgestoken en dat men
het lijk naar ons erf had gebracht. Mijn man ging dadelijk naar buiten
en vond den jongen man met een wond in de dij. Was de stoot wat hooger
aangekomen, dan zou het geval zeer ernstig zijn geweest; maar nu bleek
het een niet gevaarlijke wonde en met een week rust was de jonge man
genezen. Daoed, zoo heette het slachtoffer, begreep niets van den
aanval, want, voor zoo ver hij wist, had hij geen vijanden. Hij was
vroeger een jaar bediende in ons hospitaal geweest en was een stille,
bescheiden jongen.
Jaloezie en particuliere grieven worden vaak uitgemaakt door de
revolver. Nog pas werd een armenische dokter aangevallen, toen hij
naar huis reed van een ziekenbezoek. Hij reed onder een donkere poort
door en hoorde opeens de kogels suizen, bemerkende, dat hijzelf tot
doelwit diende. Zijn paard kreeg zware wonden en zal waarschijnlijk
niet herstellen; maar gelukkig kwam hijzelf er met een paar lichte
schrammen af. Hij schrijft den aanval toe aan grieven, die zijn
collega's tegen hem hebben.
Er woont in Mosoel een armenische vrouw, wier man een dokter was,
bekend om een speciale operatie. Toen hij overleed, dacht zijn weduwe,
dat ze zijn zaak wel kon opvatten, daar ze hem dikwijls had geholpen in
zijn praktijk. Dus werd ze een van de vele kwakzalvers in Mosoel. Veel
van haar operaties gelukten best; maar de uitslag van een veel grooter
aantal bleef in het duister. Haar prijzen waren enorm; onverschillig,
hoe arm haar patiënten waren, ze deed niets, als er niet een zeer
hooge betaling voorafging. Op die manier werd ze rijk; maar nadat
er een europeesche dokter kwam, werd haar inkomen minder. Ze zal na
ons vertrek uit Mosoel haar winstgevende praktijk wel hebben hervat,
want we hoorden niet lang geleden, dat ze op straat onder dolksteken
was vermoord.
Berooving komt veel voor in Mosoel, en eens hadden we een schrik, toen
op een avond, dat we rustig onder de veranda zaten, een vrouw uit het
vrouwenhospitaal kwam aanloopen en zei, dat er drie mannen op het dak
waren. We liepen allen naar buiten, gewapend met wat we maar konden
vinden; maar er was geen spoor van de mannen te zien. Een van onze
bedienden klom boven op den muur, die tusschen ons huis en dat van
onze buurman was en liet het licht van een lantaarn overal schijnen,
om den dief te ontdekken. Daar hoorden we verschrikte stemmen: "Wie
is daar? Waarom hebt ge dat licht in de hand?" en de lantaarndrager
zag tot zijn niet geringen schrik, dat hij bezig was, den harem van
onzen naasten buurman in het licht te zetten. Hij kwam veel vlugger
naar beneden, dan hij naar boven was geklauterd, daar hij doodsbang
was, doodgeschoten te worden door den verwoeden eigenaar.
In den regel is het dieven alleen de moeite waard, goud te
stelen. Zilver wordt van niet veel waarde geacht in Mosoel. Zoowel de
inboorlingen als de Christenen en vooral de Joden zorgen goud in huis
te hebben, maar leven daardoor altijd in angst voor dieven. Elke vrouw,
behalve de allerarmste, heeft bij haar huwelijk gouden sieraden voor
haar hoofd, gouden kettingen voor haar hals, een gouden gordel voor
haar middel, gouden banden voor haar armen en ook voor haar enkels. Die
"schatten" zijn haar alles waard, en als ze bestolen worden, zijn
ze radeloos. Moeten wij geen medelijden hebben met zooveel armoede
van geest?
AANTEEKENING
[1] Tekst en illustraties ontleend aan M. E. Hume-Griffith, »Behind
the veil in Persia and Turkish Arabia." London, Seeley & Co.