de vrouwen zeer uiteenloopend. De armere vrouwen en de dorpsvrouwen
hebben het geluk, te moeten werken; maar de vrouwen uit de hoogere
standen hebben in 't geheel niets te doen van den morgen tot den
avond dan te rooken, thee te drinken en te babbelen. De arme is er
veel beter aan toe; zij moet vroeg in den morgen opstaan, om haar
man zijn ontbijt te geven, eer hij naar zijn werk gaat; dan moet ze
het huis schoonhouden en de kinderen verzorgen en voor ze naaien, en
verder heeft ze de zorg voor de maaltijden met de bereiding van pillau
of van kabobs tegen dat haar man thuis komt. In al dien tijd zit de
rijke dame zich te vervelen in haar anderoen of brengt een bezoek aan
een ander vrouwenverblijf, om een of ander schandaaltje te bespreken.
Het anderoen is dat deel van het huis, dat voor de vrouwen bestemd is,
meestal het beste deel van de woning. De mannen houden er zich op,
als hun werk is afgeloopen om verzorgd en bediend te worden door hun
vrouwen. Rijke mannen, die meer dan één vrouw hebben, laten ze meestal
afgezonderd van elkander wonen; maar vaak ook wonen twee vrouwen
samen in één anderoen, zonder dat ze daarom nog veel van elkaâr houden.
De grootste en voornaamste oorzaken van jaloezie in het anderoen zijn
de kinderen of liever het gemis aan kinderen. Bij voorbeeld komt
een jonge bruid naar het huis van haar man, is voor een poosje de
lieveling en favorite van den echtgenoot, en alles gaat goed; maar
als er na eenigen tijd geen kind komt, om haar hart te verheugen,
wordt de man zijn speelpopje spoedig moe en zoekt naar iets nieuws
en mooiers, tot de jonge vrouw op een dag verneemt, dat haar man op
't punt staat, een andere vrouw thuis te brengen, om leven en huis
met haar te deelen. Geen wonder, dat zij de nieuwe bewoonster van het
anderoen gaat haten, vooral als die later een knaap het leven schenkt.
Er zijn veel ongelukkige anderoens; maar er komen ook uitzonderingen
voor. Ik herinner mij een huis, waar twee vrouwen in vrede en geluk
samenwoonden. Er was hier echter ook geen reden tot strijd, want ze
waren beiden kinderloos, en haar echtgenoot was een aristocraat van
omstreeks zeventig jaar, die twee jonge vrouwen had genomen, om zijn
ouden dag te vervroolijken. Hij had een zoon van een van zijn vele
vroegere vrouwen en hij hield dolveel van den jongen. Eenige maanden
lang was de knaap ziek. Hij leed aan een hartaandoening en werd dag
en nacht met groote toewijding verzorgd door de beide vrouwen, die
werkelijk van hem hielden en innig bedroefd waren, toen hij stierf.
Door de ziekte van den jongen kregen wij de gelegenheid, twee dagen
door te brengen in het anderoen van Khan Baba Khan. Wij woonden in
Kerman en waren juist uitgegaan voor ons vacantie-uitstapje naar
dien mooien tuin van Mahoen, toen er een dringende boodschap kwam bij
mijn man van Khan Baba Khan, om hem te vragen, of hij bij den zieke
wou komen. De oude man had zijn rijtuig gezonden, om ons af te halen
met instructies voor den koetsier, om den dokter dadelijk te brengen
naar den tuin aan de andere zijde van Kerman, waar de patiënt lag. Zoo
gauw mogelijk gingen wij mee, maar konden dien avond nog alleen Kerman
bereiken, waar wij sliepen, om den volgenden dag in den tuin van den
Khan aan te komen.
Het was een prachtige tuin met veel boomen en stroomend water. Bij onze
aankomst werden we naar de voor ons bestemde kamer gebracht, waar de
arme zieke bij ons binnen werd gedragen. Hij zag er heel slecht uit,
maar toonde nog veel vastheid van wil, en ieder gaf hem in alles toe,
omdat zijn driftbuien heel nadeelig waren voor zijn gestel. Terwijl de
dokter in een andere kamer voorschriften en medicijnen gaf, kwamen de
beide dames bij mij en brachten een smakelijk maal, waarvan een gerecht
van kuikens en pillau den hoofdschotel vormde. De dames trokken zich
spoedig terug, en mijn man en ik lieten ons het eerste dîner in een
perzische anderoen uitstekend smaken.
Na het eten bezocht mijn man den patiënt weer, en de dames kwamen,
om onze kamer voor den nacht in gereedheid te brengen. Dat hield heel
wat in. Vooreerst werd een groot muskietennet uitgehangen, door aan de
vier hoeken lussen vast te maken en die aan den muur te spijkeren. Het
benedengedeelte van het net rustte op den grond; daar werden de
matrassen neergelegd, zoodat als men onder het net lag, men als in een
afgesloten vertrek was geborgen. De beide volgende dagen bleven wij
inderdaad daaronder zitten lezen en schrijven, daar we erbuiten het
niet konden uithouden van de muggen en zandvliegen. Slapen op den vloer
is volstrekt niet onaangenaam, en ik kan de noodzakelijkheid van bedden
heelemaal niet inzien, tenzij er muizen of ratten in de buurt zijn!
Als in die dagen mijn man uit de kamer was, kwamen de dames dadelijk
bij mij, om een praatje te maken. We werden groote vriendinnen,
en die vriendschap duurde, tot wij eenige maanden daarna Kerman
verlieten. Toen liet de Khan ons met zijn rijtuig naar Yezd brengen
en toonde groote dankbaarheid voor wat mijn man voor zijn jongen had
gedaan. Ongelukkig kon de zieke niet beter worden en na twee à drie
maanden van lijden stierf hij.
Ik ben blij geweest met die beide dagen, die wij sleten in echte
perzische huiselijkheid, want toen kon ik zien, hoe het leven er wordt
geleid. Maar, zooals ik zei, dit was een buitengewoon gelukkig anderoen
zonder intriges of gekibbel, als zoo vaak in die vrouwenverblijven
voorkomen.
De kleeding voor binnenshuis is bij de perzische vrouwen in 't minst
niet aantrekkelijk. Ze dragen een soort van wijd los jakje van heldere
kleur en bij rijke vrouwen van zij of fluweel, en daaronder een heel
kort rokje, niet langer dan dat van een balletdanseres. Vele jaren
geleden droegen de vrouwen alle de schilderachtige, wijde pofbroek
met een lang, golvend gewaad eroverheen; maar toen een van de vorige
shahs Europa bezocht en de balletteuses zag, gaf hij bevel, dat de
bewoonsters van den koninklijken harem datzelfde costuum moesten
aannemen, en daar de koninklijke familie de mode vaststelt voor het
land, hadden binnen korten tijd al de mohammedaansche vrouwen in
Perzië die leelijke dracht aangenomen.
De eerste maal, dat ik die kleeding zag, was op den avond van den
dag, dat wij in Ispahan aankwamen. Na het dîner gingen miss Stuart,
de dochter van den bisschop, en ik op het dak van hun huis wandelen,
toen er plotseling een vrouw boven den muur verscheen en met miss
Stuart begon te praten. Ik kreeg lust, den anderen kant uit te kijken
in de meening, dat de dame vergeten had, zich verder aan te kleeden,
maar toen ik zag, dat mijn gastvrouw niet verbaasd leek, dacht ik
wel, dat alles in orde was en schikte mij in het geval. Maar op
het eerste gezicht is het zonderling, vooral als de dames de lange
kousen hebben uitgelaten in heel warm weêr. Op het hoofd dragen ze
een wit mousselinen kapje, met daaraan bevestigd een langen sluier
of mantel, die achter ze aan wappert bij het door huis loopen en
wel sierlijk staat. De dames houden niet van die korte rokken-mode,
en ik kreeg herhaaldelijk verzoeken om patronen van japonnen, zooals
ik droeg. Als ik gewild had, zou ik al mijn tijd hebben kunnen vullen
met het maken van knippatronen of 't knippen van modellen. Dat deed
ik voor een paar goede vriendinnen, maar verder zei ik, geen tijd te
hebben, doch gaarne patronen te willen uitlenen.
Het costuum op straat is veel passender, al is het wel wat warm in
de hitte. Het bestaat uit drie gedeelten; de groote wijde broek, die
over de voeten valt en precies op den voet past; daaroverheen de wijde
zwarte mantel, die bij de armen van katoen, bij de rijken van zijde is,
en dan de sluier, vallend over het gezicht. Het is een lange lap wit
katoen met openingen op de hoogte van de oogen, en vanachteren op het
hoofd vastgemaakt met koperen, zilveren, gouden of juweelen spangen,
naar rang en rijkdom van de draagster.
Een groep perzische dames zoo te zien, is een onvergetelijke
aanblik. Ik kreeg veel invitaties voor verlovings- en huwelijksfeesten
en kon ze niet alle aannemen, maar ging dan vaak eens een half uurtje
kijken, om mij verder te excuseeren. Eens ging ik naar een trouwpartij
in het huis van een der voornaamste mollahs in de stad. Ik was bij
zonsopgang verwacht, maar ging om negen uur. Toen ik er kwam, waren
de gasten er al eenige uren. De aanblik was prachtig. Twee groote
zalen waren voor het feest bestemd ter eere van de bruid, terwijl de
bruidegom in een ander huis receptie hield.
Toen ik de deur naar het anderoen was doorgegaan, kon ik het tooneel
vóór mij bewonderen, dat kleurig was door de prachtige zijden en
satijnen stoffen en de zijden sluiers, die in glans en schittering
wedijverden. Er waren van regenboogkleurige zijde; andere, met bloemen
bestikt of van weerschijnzijde, en het geheel werd iets van groote
bekoorlijkheid. Elke getrouwde dame droeg een takje bloemen in het
haar en vele hadden bouquetten rozen in de hand. Wij hadden onder
onze bewondering haast vergeten, onze opwachting te maken bij de
gastvrouw en deden het nu, waarna ons een plaatsje in het gezelschap
werd aangewezen. Ik was dien dag de eenige Europeesche in de stad. Het
gesprek werd spoedig hervat, en de dames beginnen met een reeks van
vragen, zooals:
"Hoe oud is u?" "Leeft uw moeder nog?" "Waarom maakt u uw wenkbrauwen
niet zwart?" "Is u gelukkig?" "Is uw man goed voor u?" "Houd u van
hem?" "Hoeveel heeft uw japon gekost?" en zoo voort, precies als een
troep kinderen, en als ge denkt dat ze niet meer weten te vragen,
beginnen ze op nieuw. Er werd thee gepresenteerd, perzische thee in
kleine kopjes, eigenlijk glaasjes. Het was een zoet, waterig vocht,
want ze doen eenige klontjes suiker in het kopje, gieten er een
lepeltje vol thee over en vullen verder aan met water, tot het glaasje
in kopjevorm vol is. Toch is het wel prettig, eens te drinken, om den
tijd te passeeren. Na de thee kwam sorbet van allerlei vruchtensappen
en dan voor de afwisseling koffie.
Tegen den middag, toen wij allen, denk ik, erg moe en slaperig
werden, kwam er een welkome verandering, toen er over de binnenplaats
vrouwen kwamen aanloopen met enorme bladen op het hoofd, waarop
allerlei gerechten stonden, een voorspel voor het dîner, dat werd
aangekondigd. In de beide groote zalen zaten in ieder honderd gasten
aan. Ik werd aan tafel geleid door de moeder van den bruidegom; de
moeder van de bruid komt niet voor den dag, daar zij verondersteld
wordt, door leed overmand te zijn om het verlies van haar dochter. De
"tafel" is de grond, en wij moeten maar sierlijk op onze hielen gaan
zitten. Een massa gerechten waren er, pillau's en kip en kabobs
en groenten en vruchten, alle goed toebereid en smakelijk eruit
ziend. Toen de gastvrouw den mohammedaanschen zegen, "Bismi 'llah"
in den naam van God, had uitgesproken, begon het werk voor de dames,
die dapper toetastten en nu weinig praatten, om zich niet te laten
afleiden. Er waren lepels en vorken voor mij, maar ik had mij al
geoefend en wou liever als de anderen met mijn vingers eten. Als
een blijk van eerbied legde de gastvrouw soms stukjes vleesch van
haar portie op mijn bord en eens stak ze als speciale hulde mij een
heerlijk stukje kip in den mond.
Na het eten waschten wij allen onze handen in een kom, die werd
rondgereikt en waarbij een meisje uit een kan geurig water over
onze vingers goot. Daarna gingen we allen naar de ontvangzaal van
's morgens; thee en sorbet werden weer rondgediend, en de kalian of
waterpijp ging van mond tot mond.
Maar waar was het bruidje al dien tijd? We hadden haar den heelen
langen dag niet gezien, en toch was het feest te harer eer. Dien
langen, warmen Junidag zat ze opgesloten in een klein kamertje, en
tegen zonsondergang gingen vriendinnen en familieleden haar kleeden
en haar van het hoofd tot de voeten behangen met sieraden van goud en
edele steenen. Gouddraad werd door haar kapsel geweven, en zoo werd
ze naar de zaal geleid en gezet op een stoel in het midden. Ieder
ging naar haar toe en kuste haar met de woorden: "Moogt ge gezegend
zijn." Het arme kleine ding, dat misschien pas dertien jaar was, zag er
bedroefd en verlegen uit en bedankte toen haar iets werd gepresenteerd.
Zelfs als haar man goed voor haar is, nu zij tot slot van dien
dag in een gesloten rijtuig naar zijn huis is gebracht, blijft
ze beklagenswaardig en weinig anders wacht haar dan smart en
ontgoocheling; komt ze misschien in een anderoen, waar reeds twee of
drie vrouwen zijn, dan is haar leed niet te overzien. Zoodra een man
een vrouw of meisje heeft getrouwd, is zij volkomen zijn eigendom,
en hij mag met haar doen, wat hij wil. De schaduw van voorgevoeld
leed ligt donker over de gezichten van die bruidjes, die haar moeders
anderoen verlaten voor het onbekende lot, dat haar wacht en dat
dikwijls gruwelijk is.
Een reis door de woestijn is bijna altijd belangrijk en ook niet
onaangenaam. De meeste menschen worden door de woestijn aangetrokken,
en wat merkwaardig is, men gaat er op den duur altijd meer van
houden. Het is een wereld op zich zelf, die wijde oceaan van zand,
een wereld, heel anders dan eenig verder deel van Gods aarde. Niemand
kan reizen door de woestijn, zonder de majesteitelijke aanwezigheid
Gods te voelen; alles spreekt van Hem in de wijde eenzaamheid.
Als men gezond is, goed weêr treft en in aangenaam gezelschap reist,
is een tocht van twee of drie weken door de woestijn een genot;
maar aan den anderen kant ken ik geen grooter ellende, dan verweg
in de woestijn door ziekte te worden overvallen. Dan gevoelt ge,
hoe volkomen hulpeloos ge zijt, als ge niet verder kunt reizen en
toch niet blijven kunt waar ge zijt. Wij hebben de ervaring meer dan
eens gehad op onze vele reizen.
De beste tijd is de vroege lente, vóór de hitte begint. Moet men
in den zomer reizen, dan geschiede het des nachts, wat altijd
vermoeiend is, omdat er overdag zoo weinig van slapen komt door de
massa vliegen en muggen en ander opgewekt gezelschap. De rusthuizen
in Perzië zijn onderscheiden in "mehman khanehs," "tsjappa khanehs"
en karavanserai's. De eerste vindt men vooral tusschen Resjt en
Teheran. Zij heeten te lijken op europeesche hôtels! Men krijgt er
bedden en soms een kam en een tandenborstel! Den reiziger wordt een
kamer aangewezen, waar de bedden voor elken gast gespreid zijn, en
alles ziet er vuil uit. Ik houd veel meer van de gewone karavanserai,
die men door geheel Perzië vindt. Ze zijn vaak gebouwd door een vroom
en rijk man, die een goede daad wenscht te doen, om voor zichzelf
naam te maken en een plaatsje in het Paradijs te verdienen. Er zijn
wel zindelijker plaatsen op de wereld dan een karavanserai; maar
nadat ge eenigen tijd op reis zijt geweest, raakt ge gewend aan een
zeker quantum vuil, en ge verbaast u ten hoogste, als ge eens een
vrij schoon rusthuis vindt.
Die karavanserai's zijn meestal in den vorm van een vierkant
opgetrokken, met vertrekken om een binnenplein, waar in het midden
de rustplaatsen liggen voor ezels, muildieren, paarden en andere
dieren. Bij aankomst kiest ge het zindelijkste van de vertrekken,
en uw bediende veegt het vuil en het stof naar een hoekje. Als het
stof wat gezakt is, maakt ge uw kamer voor den nacht in orde, door
een kleed op den vuilen grond uit te spreiden en uw bed en reistafels
en stoelen klaar te zetten. Hoogst waarschijnlijk heeft het vertrek
geen deur; dus slaat ge een paar spijkers en hangt een gordijn op
voor den ingang, om al te onbescheiden blikken te weren van de naaste
buren. Daarna gaat ge denken over uw avondeten, en uw bediende zendt
ge uit om een kip, waarna een uurtje later een maal gereed is en ge
niet lang daarna ter ruste kunt gaan.
De tsjappa khanehs of posthuizen zijn vaak wel wat zindelijker dan
de karavanserai's. De dieren worden er vóór de deur gehouden, en wie
"tsjappa" reist, wordt verondersteld, bij elk van die posthuizen
versche paarden gereed te vinden; maar er komen meestal paarden en
muildieren te kort, en uw slecht gevoed, vermoeid beestje moet nog
maar verder mee, weer een etappe, dat is zoo iets tusschen vijftien
en dertig mijlen. Mijn man reisde zoo eens van Yezd naar Kerman, een
afstand van 250 mijlen in twee-en-een halven dag, om een engelschen
dokter te bezoeken, die zwaar ziek lag aan typhus. Het was moeilijk
rijden op de slechte wegen, en onder de paarden waren er blinde en
lamme, terwijl ze alle slecht gevoed waren.
Die karavanserai's en tsjappa khanehs zijn meestal de eenige huizen,
die ge te zien krijgt aan het eind van een etappe. Daar staan ze alleen
in de wijde woestijnruimte, een baken over groote afstanden. In de
fijne lucht zijn ze van heel ver te zien en lijken dichtbij, als ze nog
ver verwijderd zijn. Eens deden wij een lastige ervaring op, namelijk
dat we verdwaald waren. Wij waren op weg van Yezd naar Kerman en waren
aan de tweede etappe. Wij hadden met den ezeldrijver afgesproken,
dat hij op een bepaald uur in den morgen zou komen, maar toen wij uit
onze kamer kwamen, vonden we nog geen spoor van een karavaan, gereed
tot vertrek. Na wat omhangen, besloten wij niet langer te wachten,
maar vooruit te rijden. Dit ging tegen onze gewoonte in, daar wij
het altijd wijzer vonden, de karavaan vooruit te laten gaan; anders
zanikten de drijvers den heelen morgen om. Maar voor een keer meenden
we het wel eens te kunnen wagen, daar het licht was en de zon al gauw
smoorheet zou zijn. Dus gingen wij met opdracht aan onzen bediende,
om zoo gauw mogelijk te volgen. Wij kregen nauwkeurige inlichtingen,
hoe we moesten rijden en dachten, dat we ons onmogelijk in den weg
konden vergissen.
Buiten de stad, waar de woestijn begon, kwamen we aan twee wegen,
een, die recht vooruit liep, en een, die naar links afboog. Wij
besloten, den eersten te nemen, omdat die ook meer begaan leek. Dus
reden we vroolijk voort. Mijn man zei al eens: "Ik hoop, dat we op
den goeden weg zijn", en ik zei altijd: "O, dat zijn we stellig",
en wees hem nu en dan het spoor van een andere karavaan, die pas
was voorbij getrokken. Hoe het zij, wij waren niet op den goeden
weg en we zagen het al spoedig tot onzen grooten schrik in. De zon
brandde op ons neer, en het verbaasde ons, waar de bedienden en de
karavaan toch bleven. Het werd later, en geen teeken van leven deed
zich voor. In onze stijgbeugels staande, keken we steeds weer den
horizon af; maar we konden niets ontwaren dan gloeiend zand. Toen
begonnen wij in te zien, dat we den verkeerden weg waren ingeslagen
en verdwaald waren. Verdwaald in de woestijn zonder een droppel water
of een kruimel voedsel! Welk een gedachte! Wij konden niet teruggaan,
en verder rijden zou erger dan nutteloos wezen. Na wat peinzen over wat
het beste was, besloten wij voort te galoppeeren naar een heuveltje,
dat we in de verte zagen. Dat deden we en bij het naderen van den top
ontdekten we tot onze groote vreugde een klein plekje aan den horizon
in de richting van waar wij waren gekomen. Dit "vlekje" werd al gauw
een bewegend persoon en langzamerhand onderscheidden wij een man te
paard, die hard galoppeerde. Toen paard en ruiter dichterbij kwamen,
was onze dankbaarheid groot bij het herkennen van onzen eigen bediende,
George. Als we ooit een hartelijk dankgebed opzonden, dan was het toen
en uit de diepste diepten van ons hart klonk het "Alhamd' llillah",
God zij lof, met de ernstige gelofte, nooit weer alleen van onze
karavaan weg te rijden, als we niet heel zeker van den weg waren.
Onze bediende was zoo blij, dat hij ons daar veilig en wel zag,
dat hij van vreugde schreide. Na lang treuzelen was de karavaan
eindelijk van de tsjappa khaneh vertrokken juist bij zonsopgang. Ze
waren verbaasd, dat wij zoo ver vooruit waren en dachten toen maar,
dat wij gegaloppeerd hadden, om de plaats voor de lunch te bereiken,
eer het warm was geworden. Toen ze op die plek kwamen, waren ze zeer
verbaasd, ons niet te zien. George reed dadelijk terug naar het dorp,
om te vragen. Hij ontmoette onderweg een man, die hem zei, ons in
tegengestelde richting te hebben zien rijden, en terstond sloeg hij
den aangewezen weg in, met het reeds vermelde gevolg. Bij het bereiken
van onze karavaan waren we zoo goed als uitgeput door hitte en dorst,
want we waren in de brandende zon buiten geweest zonder voedsel of
water op de heetste uren van den dag.
De oude stad Nineveh, de vroegere hoofdstad van het Assyrische
rijk, ligt aan den oostelijken oever van de Tigris. Er is van de
eenmaal beroemde stad niet veel meer te zien dan hoopen aarde,
tot hooge heuvels opgestapeld boven de plek van die historische en
belangwekkende stad. Er zijn twee van die heuvels gescheiden door
een klein riviertje. De eerste heet Koeyunjik en is het grootst;
de andere draagt den naam van Nabbi Eunice. De eerste bevat de ruïne
van het paleis van Sennacherib, aan wien Jona zijn bericht bracht;
maar niets herinnert aan de vroegere pracht en weelde. Toen wij
drie jaar geleden de plaats bezochten, was er een groote leeuw met
een menschenhoofd overgebleven en wat beeldhouwwerk, dat in water
zwemmende visschen voorstelde. Maar die zijn nu ook al verdwenen,
want anderhalf jaar geleden verkocht de turksche regeering alle
zichtbare resten van Nineveh ten behoeve van den bouw van woningen.
Nineveh kan men thans het best zien in het Britsch Museum of het
Louvre te Parijs, want daar vindt men veel interessante overblijfselen
van die stad. Nineveh werd voor eenige jaren gesloten voor verdere
afgravingen, maar het is te hopen, dat in de naaste toekomst het
onderzoek zal worden hervat, daar er nog dertien vertrekken van het
paleis moeten worden bestudeerd. De andere en kleinere aardheuvel,
bekend als Nabbi Eunice d. i. profeet Jona, was eenmaal de plek,
waar een naar den profeet genoemde kerk stond, waar Jona moest hebben
gepreekt. De kerk is er nog, maar wordt als moskee gebruikt.
Koeyunjik is nu een geliefde plek voor picnics van Mosoel uit, en in
het vroege voorjaar is zoo'n dag te midden van de ruïnen van Nineveh
een waar genoegen. In den zomer is het er te warm, en schaduw vindt
men er niet. Van den top der hoogten heeft men een mooi gezicht op
Mosoel met de Tigris op den voorgrond en de bergen aan weerszijden.
Mosoel is met Nineveh verbonden door een oude schipbrug;
twee-en-twintig ouderwetsche schepen, door zware kettingen aan
elkander bevestigd, dragen een houten dek, dat met aarde bedekt
is. Dit is het bewegelijke deel van de brug, die aan één kant met den
wal in verband staat door een vaste steenen brug van 33 bogen. In de
lente, als de aandrang van het water heel sterk is, door het smelten
van de sneeuw op de bergen, wordt het losse gedeelte aan één zij
losgemaakt en beweegt met den stroom mee. Maar soms stijgt de rivier
plotseling en beschadigt brug en oevers. Dan is soms voor weken de
handel tot stilliggen gedoemd of heeft plaats met kleine bootjes,
waar de veerlieden profijt van hebben. De bruggelden worden geïnd
door een man, die ze pacht van de regeering. Hij moet een der rijkste
menschen uit Mosoel zijn. Voetgangers mogen vrij over de brug gaan;
maar alle viervoetige dieren moeten tol betalen, en rijtuigen zelfs
een medjidieh, dat is bijna een gulden. Daar er massa's kameelen,
muildieren en ezels over trekken, is 't geen wonder, dat de brugwachter
rijk wordt.