toen maar een klein eindje buiten Ispahan, naar een plaats op een
paar uur rijdens afstands, Pulivagoon geheeten. Het was een heel
aardig dorpje, en een mooi huis van den Zil es Sultan werd ons voor
een maand afgestaan. Het huis was feitelijk boven de rivier gebouwd,
en onze ramen zagen vlak op het water uit, zoodat het ruischen van
de snel stroomende golfjes ons herinnerden aan strandgeluiden van
het dierbare Engeland. Er waren een paar mooie bosschen in de buurt,
waar we vaak met onze thee heen verhuisden en den tijd genoegelijk
sleten met roeien en baden en visschen in de rivier.
Het volgend jaar waren we in Kerman en gingen in den vacantietijd naar
een mooien tuin, zoowat negen uur rijdens van de stad. Mahoon ligt
heel hoog, wel 6700 voet boven de zee. Het klimaat is heerlijk; maar
voor mij was de hoogte te groot, dan dat ik er recht kon genieten. We
hadden een zeer vermoeienden rit van Kerman. We vertrokken even na den
middag en reden een uur of vier, om dan een verkwikkend kopje thee
te gebruiken onder een grooten schaduwrijken boom. Maar lang konden
we niet blijven, want we hadden nog de grootste helft van de reis
vóór ons. Dus bestegen we weer onze paarden, hopend onze bestemming
zoowat om negen uur te bereiken. Maar o, die hoop van ons! Negen uur
kwam en ging en we schenen nog maar niet te zullen aankomen; tien uur
en nog geen spoor van ons dorp. Het was nu pikdonker, en wij waren
allen erg moe en hongerig. Ik was zoo uitgeput, dat ik haast niet
rechtop kon zitten op mijn paard. Mijn man reed vlak naast mij, om
klaar te zijn, als ik van slaperigheid eens van mijn rijdier mocht
vallen. Op de altijd weer herhaalde vraag: "Hoe ver nog?" volgde
steeds het antwoord: "Ensha' allah, maar een half uurtje nog." O,
die halve uren, wat werden ze vervelend! Ik hoopte maar, dat ze eens
zouden zeggen: "Twee uur of drie uur", voor de afwisseling, want dat
herhaalde halve uur was zoo tantalizeerend.
Onze bedienden vertelden mij later, dat ze het maar zeiden, om den
moed er bij mij in te houden, omdat ze dachten, dat het hart van
de Khanoen in haar schoenen zou zinken, zoo zij de waarheid hoorde
omtrent den afstand. Het was na middernacht toen we ter plaatse
waren; het was zóó donker, dat we het pad naar den tuin niet konden
vinden. Onze paarden struikelden over groote steenen of stapten
in slooten, tot er ten laatste iemand was die ons terecht wees. In
het huis hoorde ons vermoeid gezelschap, dat de pakdieren met Bagi,
onze vrouwelijke bediende, en de anderen, nog niet waren aangekomen,
ofschoon ze een paar uur vóór ons op weg waren gegaan. Ze kwamen
eerst den volgenden morgen, zoodat wij niet anders konden doen dan
gaan liggen op de planken van den vloer en zonder avondeten den nacht
ingaan. Er was een pan in huis, waar we een verkwikkenden teug helder
water uit konden drinken en toen gingen we rusten en sliepen spoedig
zoo heerlijk, alsof we op donzen bedden lagen.
Wij werden den volgenden morgen om een uur of acht gewekt door
het geluid van belletjes en wisten daardoor, dat onze karavaan was
aangekomen. Terwijl ze aan 't ontladen waren, liepen wij den tuin in en
verfrischten ons in het koele water, dat door den aanleg stroomde. Het
was of was ten minste geweest een prachtige tuin; maar als alles in
Perzië, werd het al meer een ruïne. Er was water in overvloed, vloeiend
aan weerszijden, en fonteinen sprongen op de bovenste terrassen, zoowel
als beneden in den tuin. De heele aanleg bestond uit een opeenvolging
van terrassen met trappen van het eene terras naar het andere. De
huizen en tuinen waren gebouwd door den heer Tarwan Tarma, toen hij
gouverneur van Kerman was, en moeten handenvol geld hebben gekost.
Wij betrokken het hoogste huis in den tuin, en na eenige dagen kwam
de consul uit Kerman en ging in een lager gelegen woning zijn intrek
nemen. Wij brachten daar een zeer genoegelijke maand door met rijden,
jagen en baden en gezellig verkeer. Mijn man opende een kliniek
voor de dorpelingen, waar hij twee morgens elke week ging werken,
en de menschen waren er zeer mee ingenomen, daar ze, meen ik, nooit
een engelschen dokter bij zich hadden gehad. Wij maakten van onze
vacanties altijd gebruik voor taalstudie, want mijn man kon daar bij
zijn werk in de stad haast geen tijd voor vinden, en wij wilden beiden
goed Perzisch leeren spreken. Ik moet zeggen, dat de Perzen altijd
goed en geduldig waren bij onze vergissingen en nooit lachten om onze
zwakke pogingen tot het voeren van een gesprek. Ongelukkig moesten
wij, juist toen we wat op weg raakten met Perzisch, weer een nieuwe
taal leeren, zoodat we ons Perzisch weer grootendeels vergeten hebben.
Onze laatste vacantie in Perzië brachten we door te Aliabad, een klein
dorpje, tien uur rijdens van Yezd. Een neef van den overleden Shah,
de Jalal ed Dowleh, stond ons tijdelijk een huis af, en daar het maar
klein was, liet hij voor ons in den tuin een groote tent opslaan, die
dienst deed als eet- en zitkamer. De Jalal stond ons ook zoolang een
van zijn rijtuigen af, om van Yezd naar Aliabad te rijden. Het eerste
deel van den weg was goed; we verlieten Yezd vóór zonsondergang en
waren even vóór middernacht halfweg. Hier moesten de paarden rusten
tot den morgen en wij brachten met toestemming van den eigenaar den
nacht in een tuin door. Met een vacht op den grond uitgespreid, en
een paar rijtuigkussens onder het hoofd, brachten we daar een heel
goeden nacht door en werden in den vroegen morgen verkwikt wakker,
gereed voor het tweede gedeelte van onze reis.
We vertrokken vóór zonsopgang, daar we onze bestemming wenschten te
bereiken vóór de groote hitte. Ik zal dien rit nooit vergeten. Er was
over heele einden zelfs geen schijn van een weg, en overal lagen groote
steenen; het was mij een raadsel, hoe de wagen er overheen kwam. Maar
o dat schokken en schudden! De pyramiden op te gaan in een rijtuig
zou nog een heerlijkheid zijn, vergeleken bij dien weg. Wij hadden er
spijt van, dat we het aanbod van het rijtuig hadden aan genomen. Op
zulk een weg is men te paard veel beter af. Maar aan alle dingen komt
een eind voor wie maar geduld heeft; zoo ging het ook met dezen rit,
en wij waren heel blij, toen we omstreeks tien uur de boomen van ons
dorp aan den horizon zagen. We vonden het huisje geriefelijk ingericht,
en het ontbijt wachtte ons in de tent, daar onze bedienden vooruit
waren getrokken, in plaats van in den nacht te blijven rusten.
Aliabad bestond zoowat uit een vijftigtal huizen, alle bewoond door
Mohammedanen van nog al een dweepziek type. Aan alle kanten was het
dorp omringd door bergen en heuvels, wat ons een ingesloten gevoel
gaf. Na zonsondergang was het er dan ook vochtig en koud, want er
lagen veel tuinen in dien tijd van het jaar onder water, de gewone
manier van irrigatie. Ik wou graag kennis maken met de vrouwen uit
het dorp, en dus maakte ik bekend, dat ik in den regel 's morgens
in den tuin zou zijn en graag ieder, die mij zou willen bezoeken,
zou ontvangen. Op die manier kreeg ik de meeste vrouwen te zien;
maar er was over 't geheel niet veel uit ze te krijgen. Zoo zittend
in den tuin, spraken we over den rozenkrans, dien de vrouwen bij
't gebed gebruiken, en vernamen toen een eigenaardige aanwending van
dat voorwerp.
Het tellen van de kralen gebeurt namelijk ook om voorspellingen te
doen, op de manier waarop in 't Westen de blaadjes van een madeliefje
dienst doen. Men moest den rozenkrans met beide handen vóór zich
uit houden en dan een willekeurig aantal van de kralen afzonderen,
zijn oogen sluiten, gaan tellen onder het uitspreken van de mystische
woorden "Adam, Eva, Satan," tot de laatste kraal bereikt is. Als het
treft, dat die Adam is, gaat het geluk met u mee; valt de laatste op
Eva, dan blijft het lot neutraal en uw wensch kan al of niet worden
vervuld, terwijl Satan het ongeluk aangeeft, zoodat de teller een
voorgenomen plan gerust kan opgeven.
Het kwam vaak voor, dat we vrouwen zagen, die haar kralen telden en
in zichzelf mompelden: "Adam, Hava, Sjaitan, Adam, Hava, Sjaitan,"
ook wel in ons hospitaal, vóór ze de medicijn al of niet innamen. Of
een patiënt werd door den dokter een operatie aangeraden, en hij
ondervraagt zijn kralen, of hij des dokters raad zal volgen of
niet. Het is echter een feit, dat, als ze heel erg verlangen iets te
doen, ze er wel een middeltje op weten, om bij Adam uit te komen,
of anders blijven ze maar door tellen, tot de gelukkige naam komt,
en dan is alles in orde.
Toen wij eenige dagen in Aliabad waren geweest, bracht de prinselijke
gouverneur van Yezd zijn anderoen of vrouwenvertrek over naar dezelfde
plaats. Natuurlijk was er geen plaats voor de dames in het dorp,
zoodat er een stadje apart werd ingericht. Het ontstond in één nacht,
en des morgens leek het, alsof een groot gezelschap soldaten voorbij
was gekomen en hun kamp bij ons had opgeslagen. Het kwartier voor de
dames bestond uit twintig groote tenten, omsloten door een hoogen,
linnen wal, die haar geheel van de buitenwereld afsloot. De gouverneur
had zijn ontvangtent en ook andere tenten buiten het zeildoek, maar
dicht in de buurt.
Een paar dagen na de aankomst zond de prinses haar rijtuig, om mij af
te halen, met het verzoek, of ik haar een bezoek wilde brengen, wat ik
met genoegen deed. Ik vond haar in haar huiselijkheid en gekleed in
een mooi zijden gewaad. In het vervolg liet ze mij geregeld driemaal
per week halen, en wij praatten en wandelden samen. Als we aan een tuin
kwamen met groenten en vruchten, stapten zij en de dames-begeleidsters
altijd naar binnen en aten van de vruchten, blij met het toevallige
picnic, zonder een oogenblik te denken aan den armen eigenaar, die
de opbrengst van zijn tuin zag verminderen.
Een tweetal eunuchen liep altijd vooruit, wanneer de prinses
ging wandelen, om de mannen weg te jagen, die op haar pad mochten
verschijnen. Op een dag veroorloofde haar gemaal haar, mij een bezoek
te brengen. Dit was de eerste maal, waarop het haar werd vergund,
een bezoek af te leggen. Het speet mij, dat wij niet in ons eigen
huis waren, omdat ik haar graag de gezelligheid van een engelsch
home zou hebben laten zien. Maar wij maakten onze woning zoo knap en
gezellig als 't kon voor haar ontvangst. Mijn man moest natuurlijk
worden verbannen en ook alle mannelijke bedienden. Bagi, onze meid,
maakte alle lekkernijen gereed, maar de eigen bedienden van de prinses
presenteerden ze haar, daar Bagi een Parsi-vrouw was, en het zou
ontwijding voor een Mohammedaansche zijn geweest, om voedsel aan te
nemen uit de hand eener volgelinge van Zoroaster.
De prins bracht het grootste deel van zijn tijd op de jacht door,
en mijn man ging verscheiden keeren met hem mee. De sport leek niet
bijzonder interessant, want de Jalal nam zoo'n dertig of veertig
volgelingen mee, die een soort van cordon vormden om de plek, waar
zich gazellen ophielden. Ze sloten de dieren dan in al engeren kring,
tot de dieren te zien kwamen en alle ruiters erop inreden en links
en rechts schoten. Wij werden in dien tijd zoo overvloedig van wild
voorzien, dat ik er voor altijd genoeg van kreeg.
Vlak bij Aliabad waren groote kelders, waar de dorpelingen bevroren
sneeuw hadden bewaard, zoodat wij zelfs midden in den zomer elken dag
over een groot blok ijs konden beschikken. Het was een prettige tijd,
en het speet ons dat die vacantie om was en we naar de broeihitte
van Yezd moesten terugkeeren.
Het leven van Europeanen in Perzië is zeer verschillend naar gelang
van de stad, waar men woont. In sommige plaatsen is vroolijkheid
en drukte genoeg, terwijl die elders totaal ontbreken. In Teheran,
waar onze legatie is gevestigd, is de levendigheid het grootst. Ook
in Ispahan is een groote europeesche kolonie. Toen wij er in 1900 en
in 1903 waren, hadden een vijftigtal Europeanen het er heel gezellig
en aardig. Van Ispahan gingen wij naar Kerman, waar wij vijf à zes
maanden lang de eenige vreemdelingen waren; maar ofschoon er niemand
was, wien wij visites moesten maken of behoefden te ontvangen, waren
we er zeer gelukkig. Later werd er een engelsche consul benoemd,
wat ons veel genoegen deed, en het was een blijde dag, toen ik een
europeesch "at home" kon openen, waar elken Woensdag onze consul de
vaste en eenige bezoeker was. Hij verlangde altijd erg naar huis en
hield van al wat hem het dierbaar vaderland te binnen bracht.
Bij één gelegenheid hadden we zelfs vier Engelschen te eten,
daar er een paar reizigers gelijktijdig door Kerman trokken, van
wie de eene Savage Landor was, die ons hartverscheurende verhalen
deed over zijn verblijf onder de Thibetanen. Kort vóór ons vertrek
kwamen er twee engelsche dames, zoodat de gezelligheid in Kerman
toenam, en tegenwoordig wonen er heel wat Europeanen, consuls van
verschillende naties, en verder zendelingen en beambten van banken
en van de telegraaf.
Bij onze komst in Kerman hadden we groote moeite met het huren van een
huis. Er waren genoeg menschen, die ons hun huis lieten zien en ons
verzekerden, dat al wat ze bezaten het onze was, om mee te doen wat
we wilden; maar als het er dan op aan kwam, definitieve schikkingen
te maken, viel het heel anders uit. Zoolang er enkel gepraat moest
worden, waren de verschillende huisheeren bereid tot alle mogelijke
beloften; maar er kwam niet veel van terecht, als men de bepalingen
op papier wilde zetten. Ten laatste kozen we een huis buiten de stad
met een mooien, grooten tuin, al had het huis zelf maar twee kamers,
die er nog al vervallen uitzagen.
De huisheer, een Parsi beloofde te verbouwen volgens onze aanwijzingen
en de huur van de eerste drie jaren te besteden voor verbetering en
uitbreiding van de woning. Het gevolg van die mooie schikking was,
dat er den langsten tijd van ons verblijf in Kerman gebouwd werd, en
toen wij zoowat klaar waren om te vertrekken, was alles gereed. Onze
zendelingen zijn er later blijven wonen.
Onze tuin was heel groot, maar de helft slechts was aangelegd. We
hadden gehoopt aan het eind een tennisveld te krijgen; maar het kwam
niet gereed. Alle steenen voor het bouwen werden gemaakt van den
tuingrond zelf. Het proces is zoo eenvoudig mogelijk. Water wordt met
de aarde vermengd, tot het een dikke pap is geworden; dan geeft men
aan de brokken den gewenschten vorm met behulp van een houten bakje
en laat ze in de zon drogen. Soms wordt er stroo door de brij gemengd,
als het noodig is zeer sterke steenen te hebben.
Dadelijk toen we ons huis betrokken, bemerkte ik tot mijn schrik,
dat het vol zat met witte mieren. Dit was mijn eerste ervaring met
die ellendige dingen, en ik hoop dat het mijn laatste mag blijven. Ze
zijn vernietigers van iemands geestkracht, want als ze eenmaal in een
huis zijn, is het onmogelijk, ze kwijt te raken, en de eenige hoop,
die u overblijft, is door onophoudelijken strijd ze een beetje in
bedwang te houden. Ik herinner mij nog zoo goed den dag toen ik voor
het eerst kennis maakte met die schadelijke beestjes. Ik was er met
veel moeite in geslaagd, onzen salon in orde te krijgen en, alles wel
beschouwd, gevoelde ik mij voldaan; het was er wel niet weelderig,
maar toch keurig en gezellig. Helaas, hoe spoedig zou mijn trots worden
gebroken! Na een paar dagen vroeg mijn man naar een boek en toen ik
het van de plank nam, waren er groote gaten in gebeten! Ik ging aan
het zoeken en vond de kamer vol van die beesten, onder het karpet,
achter de schilderijen, diep weggedoken in boeken. En overal waar
ze waren, schenen ze het naar hun zin te hebben. Van dien dag af tot
den dag van ons vertrek hield ik niet op die alomtegenwoordige mieren
te bestrijden.
Er werden twee nieuwe vertrekken bij gebouwd, en ik zei tegen mijn man:
"Een geluk, dat er geen mieren in de nieuwe kamers kunnen zijn!" Maar,
helaas, mijn hoop bleek ijdel. De bouwers hadden een oud stuk als balk
gebruikt, waar de zoldering op rustte, en dit zat vol witte mieren,
zoodat die dieren binnen heel korten tijd ook die kamer hadden, om
pret in te maken. Ik beproefde allerlei middelen om ze kwijt te raken
en vond nog het meest doeltreffend het brengen van petroleum in gaten,
waar ze uit kwamen. Ze verdwenen dan daar, maar hadden al gauw weer
een nieuwe opening geboord, om weer een uitweg te hebben. Een engelsch
ingenieur, die in Kerman kwam, vertelde, dat hij, toen hij in Indië
woonde, een huis bouwde en vóór hij de fundamenten legde, loofde
hij hooge premies uit voor ieder die een mierenkoningin inleverde,
want zoolang de koningin van een nest blijft leven, kan men ze niet
uitroeien.
De witte mieren en de bedienden waren in Kerman mijn grootste zorg. Het
personeel, dat wij uit Ispahan hadden meegebracht, weigerde in zoo'n
afgelegen plaats als Kerman te blijven, en al heel spoedig zeiden
ze, de een na den ander, ons den dienst op. Toen aan het zoeken,
wat in Kerman allermoeilijkst was. Men kan haast geen fatsoenlijk
dienstpersoneel krijgen, en een groot bezwaar is, dat het allen
opiumrookers zijn. Gelukkig hadden wij Bagi, onze trouwe Parsivrouw,
die er zoo schilderachtig uitzag met haar wijde broek als een zak,
daarboven het kleurige overkleed, dat tot op de knieën hing en de
vele hoofddoeken, die de leer van Zoroaster voorschrijft.
Toen wij pas in Kerman kwamen, had men mij gezegd, dat ik vooral
niet door de bazars moest rijden; men had daar nooit een Engelsche
gezien. Ik mocht te paard buiten de stad gaan en de bazars uit de verte
bekijken; maar dat was mij niet voldoende, en zoodra wij wat op orde
waren, vroeg ik mijn man, mij de bazars te laten zien. Dus reden wij
op een middag uit voor een experiment en namen twee bedienden mee,
die vóór en achter ons liepen. Ik zal niet ontkennen, dat toen wij
de sombere, donkere poorten doorgingen, mijn hart wel wat sneller
klopte dan te voren, als ik dacht aan al de gruwelijkheden, die
mij verteld waren over wat er kon gebeuren met een Engelsche, die
openlijk in de bazars werd gezien. Natuurlijk had ik uit voorzorg
een dichten sluier voorgedaan. Er gebeurde niets; maar bij een
tweede bezoek had juist het Moharramfeest plaats, en toen werd de
zaak opwindender. De optocht was afgeloopen, toen wij rustig door
de bazars reden, maar een groep van de deelnemers kwam met bebloede
hoofden en handen terug van den tocht, waarbij zij zichzelven allerlei
wonden toebrengen in hun godsdienst-extase. Ze hadden hun zwaarden
en dolken nog in de handen. Onze bedienden waren doodverschrikt en
wendden de koppen onzer paarden in een nauw steegje, in de hoop, dat
de menschen ons niet zouden zien. Maar dat gebeurde wel en "Feringhi
feringhi!" (vreemdelingen) werd er geroepen. De massa ging toen vóór
het straatje, waar wij stonden, haar dansen uitvoeren, die een woesten,
griezeligen indruk maakten met de blinkende zwaarden en de gillende,
schreeuwende en dansende mannen. Wij waren blij, toen ze na eenige
minuten verder trokken, voldaan dat ze voor de vreemdelingen hun
voorstelling hadden gegeven. Na die ervaring begreep ik wel, dat er
geen reden was voor vrees, en van dien tijd af liep en reed ik vrij
in en door de bazars.
Perzen zijn dikwijls de Franschen uit het Oosten genoemd. Ze zijn
inderdaad een zeer beleefd volk, voor het uiterlijk ten minste,
en ze zijn meesters in het maken van complimenten. Maar voor een
nieuweling is het niet juist gemakkelijk, te leeren hoe ver die
vleierij moet gaan, en het is haast even verkeerd iemand te veel te
vleien als hem te weinig eer te geven. De kunst is te weten, wat aan
ieders rang toekomt. Als gij iemand wilt bezoeken, schrijft ge, dat
ge uzelf wenscht te eeren door zijne hoogheid te bezoeken en krijgt
ten antwoord, dat ge als 't u blieft, uwe waardigheid moet doen
verschijnen. Toch is het jammer, dat de aanzienlijke Perzen meer
en meer europeesche manieren aannemen, want die passen lang niet zoo
goed voor deze oostersche Franschen als hun eigen zeden en gewoonten.
Toen wij in Kerman waren woonde er een gouverneur, die lang in Europa
was geweest en graag alles à la Feringhi deed. Hij hield veel van
engelsche afternoon tea's, van eigen gebakken koekjes en zoo meer. Wij
kregen al gauw een uitnoodiging voor een diner in de volgende week. Op
den vastgestelden avond kwam een rijtuig en bracht ons naar de "Arg",
zooals het gouvernementshuis heet. Wij vonden daar een prachtig diner,
voorgediend in franschen stijl met omstreeks twintig gerechten van
uitstekend toebereide schotels. Na den maaltijd werden we geamuseerd
door perzische zangers en muzikanten. Onze gastheer was een neef
van den gouverneur, die excuses maakte over de afwezigheid van
zijn oom. Deze zou volgens hem een hevige koorts hebben opgedaan,
zoodat hij niet aan tafel kon verschijnen. Wij hoorden later, dat
de ware reden van zijn wegblijven niet koorts was, maar vrees om
te worden uitgelachen. Hij wist hoe de dingen moesten gebeuren naar
europeeschen trant en was bang, dat hij niet alles in voorraad had,
om een diner naar den eisch te geven. Daarom gaf hij er de voorkeur
aan, zich maar niet te vertoonen.
Maar toen hij merkte, dat alles voortreffelijk in orde was, en dat
het eerste diner een succes was geweest, besloot hij een tweede te
geven, en een week later kregen wij weer een uitnoodiging. Dien keer
zat de gouverneur zelf aan het hoofd van de tafel en nam de honneurs
naar eisch waar. Er was niets waar hij zich over behoefde te schamen,
want alles had in volmaakten franschen stijl plaats. Van de soep tot
het dessert, met alle tusschengerechten, werd alles voorgediend op
zeer mooi porselein, en het kristal zoowel als de tafelversiering
zou op geen enkele europeesche tafel hebben misstaan.
De gouverneur van Yezd daarentegen hield er meer van, het perzische
gebruik te volgen, en ik heb veel genoegen gesmaakt aan een diner
met zijn gezin. Alles werd toen naar den ouden perzischen trant
voorgediend en genuttigd.
Terwijl ik in Perzië was, had ik volop gelegenheid, goed bekend te
worden met enkele mohammedaansche vrouwen. Vóóral in Kerman bestond
die gelegenheid, daar ik er eenigen tijd de eenige Engelsche was,
zoodat de vrouwen zich tot mij moesten wenden, om iets te zien en te
hooren van het leven der Feringhi's. De perzische vrouwen zijn veel
levendiger en natuurlijker dan haar arabische zusters; maar toch geef
ik in 't algemeen aan de laatste de voorkeur; misschien ook doordien
ik meer met ze te doen heb gehad. De perzische dame is dadelijk,
als ze u ziet, klaar met veel complimenten, terwijl de strengere
Arabische zich den tijd geeft, om te zien, of ge een betrouwbaar
persoon zijt of niet. Als zij dan na eenigen tijd u genegen blijkt
te zijn, is haar toenadering ook de moeite waard.
In Kerman had ik een at home voor mohammedaansche dames, en op
ontvangdagen leerde ik velen kennen. Den eersten keer kwamen er al
twintig dames, elk met een paar slavinnen en een jongetje, om op haar
schoenen te passen, die ze natuurlijk aan de deur lieten staan. Het was
een heel ding, al die dames te ontdoen van haar wijde, zwarte mantels
en ieder haar plaats aan te wijzen naar rang en waardigheid. Wij hadden
in onzen salon een langen divan van twaalf bij zes voet, die één zij
van het vertrek geheel besloeg, met kussens erop volgens oostersche
gewoonte. Daar kwamen twaalf dames op te zitten en zagen er tevreden
en voldaan uit, terwijl de rest op stoelen zat en zich blijkbaar lang
niet zoo goed op haar gemak voelde. Al gauw zag ik eerst één voet en
dan den tweeden optrekken, tot de meeste dames op oostersche wijze
zaten op de stoelen, wat een dwaze vertooning gaf in mijn oogen. Toen
allen zaten en de mantels netjes opgevouwen en op zij gelegd waren
door slavinnen, werd de kalian of waterpijp binnengebracht, waarbij
een slavin de pijp voor haar eigen meesteres klaar maakte.
Ik had het zóó geschikt dat Bagi de thee zou presenteeren; maar de
dames schrikten bij het idee, iets aan te nemen uit de hand van een
Parsivrouw, en dus moest mijn arme Bagi zich op den achtergrond houden
en haar plaats door anderen zien innemen. Op den volgenden ontvangdag
was ik wijzer geworden en huurde de diensten van de moeder van een
onzer bedienden, die Mohammedaansche was, daar ik het niet prettig
vond, dat een vreemde vrouw de honneurs van mijn theetafel waarnam. De
dames stelden veel belang in europeesche gebruiken en meeningen. Een
van haar vroeg een portret te mogen zien van Jezus Christus, en toen ik
haar het beeld toonde, kuste ze het eerbiedig en bracht het aan haar
voorhoofd. Ze vonden het heerlijk, naar ons orgeltje te luisteren,
en een der dames had er zooveel plezier in, dat ze niet rustte,
vóór haar man haar een had gekocht, en toen was ze niet tevreden,
voordat ik haar geleerd had, hoe ze erop moest spelen.