Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
ACHTER DEN SLUIER IN PERZIË EN TURKSCH ARABIË.
Naar het Engelsch van M. E. Hume-Griffith. [1]
De schrijfster van dit werk, dat in 1909, dus vóór den oorlog,
verscheen, draagt het op aan haren echtgenoot, met wien ze acht jaren
doorbracht in dat Oosten, nu ook al door den oorlog geteisterd, waar
hij als zendeling-dokter zijn bezigheid had en zij in de gelegenheid
was, met de vrouwen in vertrouwde aanraking te komen. In haar voorrede
zegt zij, hoe ze heeft getracht, het innerlijk leven van het Oosten
te schilderen, waarvan de gewone reiziger, ook als hij opmerkzaam
en intelligent is, zelden meer te zien krijgt dan een oppervlakkig
kijkje. Gedurende het verblijf van acht jaren in Perzië en Turksch
Arabië, zegt ze, ben ik bevriend geworden met veel vrouwen, wier
leven achter den sluier wordt gesleten, en als de vrouw van een
zendeling-dokter ben ik buitengewoon goed in de gelegenheid geweest,
haar vertrouwen te winnen en bekend te worden met haar denkbeelden. Van
het eigenlijke zendingswerk heb ik weinig verteld; maar ik hoop,
dat mijn schildering belangstelling moge hebben gewekt voor vrouwen,
die in zoo totaal van de onze verschillende omstandigheden leven.
Wij woonden in Perzië van het voorjaar van 1900 tot dat van 1903. Ik
hoorde met groote vreugde, dat mijn man aangewezen was door de
Zendingsmaatschappij, om in Kerman zijn medischen werkkring te
beginnen en dat wij zoo spoedig mogelijk moesten vertrekken. We
trouwden binnen een maand, hadden onze uitrusting gekocht, namen met
bitter leedwezen afscheid van betrekkingen en vrienden en reisden
naar het romantische land Perzië. Van Londen naar Ispahan waren we
juist negen weken onderweg, daar we door ziekte opgehouden werden,
zoowel in Rusland als in de Perzische woestijn.
Op den 9den Mei betraden we de mooie stad Ispahan, waar we met
warmte werden verwelkomd door vrienden, die er ons wachtten. Ik
zal die plaats altijd een warm hart toedragen, want we maakten er
ons eerste home. De dokter, die de praktijk uitoefende in Dsjoelfa,
de christelijke wijk van de stad, was met verlof, en mijn man zou
diens plaats innemen tot zijn terugkomst. Eerst de volgende lente
vertrokken wij naar Kerman. Onze eerste indrukken van het land kregen
we dus in Ispahan en de omstreken. Die eerste tijd is voor wie in
een vreemd land gaat wonen, altijd vol van leven en beweging; men
ontvangt nieuwe indrukken, ziet allerlei nieuws, doet ervaringen op,
die vaak duur worden betaald, maar die noodig zijn, wil de nieuweling
comfort en vrede vinden in zulk een oostersch land.
De inlandsche bedienden willen graag betrekkingen hebben bij de pas
aangekomenen, wetende, dat ze ten minste voor de eerste maanden
een best plaatsje hebben, door flink voordeel te kunnen trekken
uit de onbeleerdheid van de niets kwaads vermoedende Feringhi
of vreemdelingen. Ik kan nog een zucht niet onderdrukken, als ik
denk aan de vele manieren, waarop wij bedrogen werden in die eerste
maanden van ons verblijf in Perzië; maar niemand zei er ons een woord
van, wetend, dat onze oogen gauw genoeg open zouden gaan, en dat de
ervaring de beste leermeesteres was. Het is een zonderling feit, dat
alle huisvrouwen, die pas in het land komen, denken dat hun bedienden
volmaakt zijn, tot ze uitvinden, misschien als het te laat is, dat
ze bij den neus zijn genomen.
Al dadelijk van het begin af ging mijn hart uit naar de mohammedaansche
vrouwen en nu, na acht jaren verblijf onder haar, kan ik naar waarheid
zeggen, dat mijn genegenheid aan diepte heeft gewonnen en dat mijn
sympathie is toegenomen voor die bekoorlijke, maar, helaas, al te
vaak ongelukkige volgsters van Mohammed.
Onze kennis van Perzië raakt in hoofdzaak drie steden, in elk waarvan
we een jaar doorbrachten. Ispahan was, naar we zagen, ons eerste thuis,
daarna kwam een jaar in Kerman, dat ongeveer vijfhonderd mijlen van de
eerste stad is verwijderd, en ten slotte brachten we een zeer gelukkig
jaar door te Yezd, de stad zoowat midden tusschen Ispahan en Kerman.
Perzië wordt wel het Land van den Leeuw en de Zon genoemd. De laatste
naam is stellig wel verdiend, want de zon schijnt bijna altijd, en
zonder dien schitterenden zonneschijn zouden we Perzië niet herkennen.
Het symbool van den Leeuw en de Zon dateert uit den tijd, toen
de aanhangers van Zoroaster in het land woonden. De zon, als het
embleem van de Vuuraanbidders, werd hun nationaal herkenningsteeken,
en de Leeuw werd er later aan toegevoegd, omdat Ali, de kleinzoon van
Mohammed, de Leeuw van God werd genoemd. Het vrouwengelaat in de Zon
werd er eenige jaren later in aangebracht door een van de perzische
koningen als een hulde aan zijn meest beminde vrouw.
De zonneschijn in Perzië is een van de grootste
aantrekkelijkheden. Zelfs in den winter komen er zeer zelden
bewolkte dagen voor. Is er eens een regenachtige dag, dan is het
volk zoo verrast en uit het veld geslagen, dat ze voor het oogenblik
verlamd lijken en niet in staat zijn, hun gewone werk te doen. Mij
is nog altijd in de herinnering gebleven, hoe wij onzen eersten
regenachtigen dag doormaakten. Wij waren op een morgen veel later
dan anders wakker geworden en vonden de lucht dicht bewolkt en een
stortregen vallend. Ik was verbaasd, dat we niet geroepen waren als
gewoonlijk; maar meende, dat de dienstboden het hadden vergeten. Toen
ik de eetkamer binnentrad, zag ik in het geheel geen toebereidselen
voor het ontbijt, en den bediende roepend, vroeg ik hem, waarom het
maal niet gereed was. Bij die vraag scheen hij beleedigd, en zei:
"Maar, Mevrouw, het regent!" Dat feit was naar zijn meening reden
genoeg voor rust, en zoolang de regen aanhield, konden de bedienden
niet tot werken worden gebracht en zaten maar te hangen over het vuur
en te rillen. Dadelijk toen de regen ophield en de zon weer scheen,
waren ze weer normaal.
Die voortdurende zonneschijn is een groote zegen voor de bedelaars
en de armen; ze hebben weinig kleeding noodig, om warm te blijven,
en zoolang ze maar in de zon kunnen liggen te blakeren en genoeg
brood inzamelen om in het leven te blijven, bekommeren ze zich niet
om werken of geld verdienen.
Maar er is één plaats, waar weinig zon komt, en wel in het hart en
het leven van de volksmassa, en nog het sterkst is dat het geval
met de vrouwen van het land, zooals wij zullen zien. Een perzische
zonsverduistering verwekt altijd grooten schrik, en de menschen zijn
bang, dat hun weldoenster zal verdwijnen. Het gebeurde eens, toen
wij in Yezd waren. Plotseling werden honderden geweren en kanonnen
afgeschoten in alle stadsgedeelten. Wij gingen naar buiten, om te zien
wat er gebeurd was en kwamen onze verschrikte bedienden tegen, die
hun geweren in de hand hadden en ons vertelden, dat een reuzenvisch
trachtte de zon te verslinden, en dat ze hoopten door een geweldig
rumoer het dier weg te jagen.
Zandstormen zijn ware beproevingen in Perzië. Geheel onverwachts
verdwijnt het licht; wolken van stof komen aanzetten, en voor ge
tijd hebt ramen en deuren te sluiten, is alles in huis met een fijn,
wit stof bedekt. Die stormen zijn lastig en vervelend, als ge thuis
zijt, maar als ze u overvallen op een tocht door de woestijn, zijn ze
vaak levensgevaarlijk. Zijt ge te paard, dan zit er niets anders op,
dan af te stijgen, hoofd en gezicht zoo goed mogelijk te bedekken,
uw rug naar den storm te keeren en het beste te hopen.
Men kan op verschillende manieren reizen in Perzië, en ieder kan het
inrichten naar zijn eigen opvatting van comfort en gerief. Volgens
mijn meening is de prettigste manier, uw eigen paarden te hebben om
op te rijden en dus uw eigen snelheid te bepalen, zonder gebonden te
zijn aan de langzame, vermoeiende karavaan-allures. Voor wie niet
sterk genoeg is, om te paard te rijden, of die er niet van houdt,
zijn er verschillende vervoermiddelen. Vooreerst is er de "kajavah",
die bestaat uit twee kooien, aan weerszijden van het rijdier hangend;
in die soort van kooien is een klein bankje als zitplaats, maar dat
komt niet steeds voor. Twee menschen van ongeveer gelijk gewicht moeten
aan elken kant plaats nemen, anders is de last niet te overzien. Ik
reisde eens met een groote karavaan. In een van de kajavahs zat
een regeeringsambtenaar met zijn vrouw. Hij was heel tenger en zij
juist het tegenovergestelde, en het gevolg was, dat de kleine man
aanhoudend hoog in de lucht wiegde, terwijl de andere zijde van de
kajavah haast den grond raakte. Ze beproefden allerlei middelen, om
het evenwicht te herstellen, door steenen, die aan den lichten kant
werden ingenomen, door zakken met brandstof aan den buitenkant van de
kajavah te bevestigen; maar het hielp niet. In wanhoop sprong de vrouw
er op het laatst uit, zonder haar man te waarschuwen, en de uitkomst
was voor de toeschouwers belachelijk. De vrouw weigerde den heelen
dag, weer in de kajavah te gaan en wandelde liever, tot een van de
ezeldrijvers haar een zitplaats aanbood boven op de bagage. De kleine
man werd spoedig in evenwicht gebracht met steenen, van den wegkant
opgeraapt, en reisde het verdere van den dag kalm en ongestoord. Aan
het einde wou zijn vrouw echter niet tot hem spreken en geen eten
voor hem koken, en de man, die niet op een gewonen Mohammedaan leek
in zijn houding, kwam naar mijn man toe en vroeg hem, bemiddelend te
willen optreden. In dit geval leek het wel, of man en vrouw van aard
hadden geruild, daar de vrouw beslist de baas was, en de arme man
scheen zich al bedroefd klein te voelen. Er zijn onder Mohammedanen
ook wel vrouwen van een sterken geest.
Ik heb veel gereisd in een van die kajavahs en vond ze prettig en
rustig. Mijn man had een voor mij laten maken met zitplaatsen erin en
met kussens bekleed; we reisden er altijd mee in Perzië, zoodat ik,
als ik vermoeid was van het paardrijden, rust kon nemen. Als ik er
geen gebruik van maakte, lieten we onze bedienden erin zitten. Als
we bij nacht voorttrokken, heb ik uren aaneen in een van die
kajavahs geslapen; de afgemeten en geregelde stap van den muilezel
was bevorderlijk voor de dommeligheid. Maar nu en dan kon het wel
gebeuren, dat het muildier plotseling op zijn knieën vooroverboog,
en dan ging het naar den grond, en ik vloog als een pijl uit den boog
uit het vervoermiddel.
Als de reiziger niet van de kajavah houdt, is er nog de "takhtiravan",
een weelderig vervoermiddel, dat in den regel enkel voor invalieden
gebruikt wordt of voor voorname mohammedaansche dames. Het is een
kast met ramen en deuren, zes of zeven voet breed, vier lang en vijf
hoog. Van boven bestaat de overdekking uit zwaar vilt of iets anders,
dat zon en regen tegenhoudt naar gelang van het seizoen. Binnenin is
een matras met een massa kussens, en het geheel rust op dragers, die
tusschen twee muildieren worden gehangen, één vóór en één achter. De
beweging doet u aan als die van een rollend schip, en als de inzittende
niet tegen zeeziekte beveiligd is, kan men de gewaarwording niet
aangenaam noemen. Ik heb eens een week lang met dat vervoermiddel
gereisd, en toen we ter plaatse waren aangekomen, was mijn rug hier
en daar gekneusd. Voor reizen des nachts is de takhtiravan wel goed;
men kan dan liggen en slapen, als de dieren gelijk stappen en de weg
goed is. Op een oneffen weg is de beweging niet aangenaam.
Wij hadden eens een week van groote pijniging in een wagen zonder
veêren; maar dat was al te vreeselijk. Dat schokken en stooten en de
dagelijks grooter wordende hinder! Ik zou die manier van reizen aan
niemand aanraden, die een reis naar Perzië gaat ondernemen. Toen we
voor het eerst naar het Land van den Leeuw en de Zon gingen, waren
er weinig rijtuigen en ten zuiden van Teheran waren ze heel duur. Nu
worden ze al meer gebruikt, ten minste tot aan Ispahan toe. Toen wij
in 1902 naar Yezd reden, was het in een rijtuig, dat ons welwillend
was geleend door een voornamen inboorling uit Kerman. Al verloren we
onderweg wel eens een wiel, toch was het een koninklijke manier van
reizen, vergelijkenderwijs gesproken. In 1903 reden we van Ispahan
naar Teheran in een particulier rijtuig, dat aan een vriend behoorde;
zoodat ik nu wel denk, dat men meer per rijtuig in Perzië zal reizen.
Het laatste gedeelte van dien rit naar Teheran heeft een diepen
indruk op mij gemaakt. Het was Zaterdag, en wij hoopten ernstig,
Teheran dien avond te bereiken, anders zouden we den Zondag moeten
slijten in een dorpje dichtbij de stad, daar we niet graag reisden
op dien dag. Dus maakten we zooveel mogelijk spoed. De zaak werd
er niet beter op, toen het begon te stortregenen, met een druilig
regentje den verderen dag. Lang voordat de tocht ten einde was, waren
we beiden doornat. De zonsondergang vond ons nog twintig mijlen van
Teheran, en daar de paarden vermoeid waren, moesten we wel een poosje
stilhouden. Toen we zoowat vijf mijlen van de stad waren, bleek de
weg overstroomd, en het was ondoenlijk, te onderscheiden, waar de weg
ophield en de slooten aan weerszijde begonnen. Het was pikdonker,
en er bleef niets anders over, dan op het instinct der paarden te
vertrouwen en hen hun gang te laten gaan. Alles ging goed, tot we
reeds de lichten van Teheran zagen. Daar opeens vielen de paarden
in de diepe sloot. Een arm paardje, ons eigen, dat we meenamen naar
Teheran, om het daar te verkoopen, bleef stil liggen, en we meenden
dat het dood was. Ik sprong uit de dogcart en stond in de sloot,
bijna tot het middel in het water. De lampen waren uitgegaan, en
we waren heelemaal in het donker. Wij riepen en riepen om hulp,
maar er kwam niemand, dus wandelden mijn man en ik een eindje op,
om hulp te zoeken, en lieten de paarden en den wagen achter in de
hoede van den koetsier, die buiten zichzelf was van schrik.
Daar zagen we een klein koffiehuis en vonden een paar mannen bereid,
te helpen aan het uit de sloot trekken van de paarden, terwijl wij
doorliepen naar de poort en wachtten in de loge van den portier. Na
zoowat een uur kwam het rijtuig, en de paarden schenen niet te hebben
geleden van het ongeval. Onze goede vrienden van de amerikaansche
zending verwachtten ons en hadden voor een warm bad en warm drinken
gezorgd, wetend dat, als we dien avond aankwamen, we dat wel noodig
zouden hebben. Dank zij hun voorzorg ondervonden we geen nadeelige
gevolgen van onze natte, zorgvolle reis.
De inwoners van Perzië zijn Mohammedanen; dat zijn de tegenwoordige
Perzen; Zoroasterianen of Parsi's, dat zijn de Perzen van gisteren;
Armeniërs en Joden. Over de beide eerstgenoemden spreek ik hier
niet, omdat wij ze later zullen leeren kennen. Nu even een paar
woorden over Armeniërs en Joden. De eerste werden uit Dsjoelfa
in Armenië veel jaren geleden aangevoerd door een vroegeren Shah,
omdat ze bekwame handwerkslieden waren. Hij gaf hun een voorstad van
Ispahan ter bewoning, en al spoedig ontstond er een flinke armenische
vestiging. Dsjoelfa in Perzië ligt ongeveer drie mijlen van Ispahan,
en daar wonen alle Armeniërs, en tot voor korten tijd hadden de
Europeanen daar ook hun huizen, omdat het niet veilig werd geoordeeld,
in Ispahan te wonen. Maar dat is in den laatsten tijd veranderd,
en de meeste Europeanen hebben nu hun woning in Ispahan.
De Armeniërs zijn knappe werklieden in alle bedrijven. Tot hun
schande moet ik echter ook zeggen, dat zij de bereiders zijn van wijn
en sterken drank. Een echte Mohammedaan mag geen wijn bereiden of
drinken. Door het werk van de Armeniërs komen ze telkens in verzoeking,
en er bieden zich tal van gelegenheden aan, om in het geheim te
zondigen. Voor hospitaalwerk zijn de Armeniërs zeer geschikt, en
er komen ook goede dokters onder hen voor. Mijn man had twee jaren
lang een Armeniër tot assistent, die na ons vertrek naar Indië ging
en een cursus volgde, en thans een volkomen bevoegd, practiseerend
geneesheer is in Indië. Ze hebben fut in zich, om vooruit te komen,
en laten zich door hinderpalen niet afschrikken.
De Joden zijn een armoedig, laagstaand volkje in Perzië. Hun lot is
hard, daar ze veracht en onderdrukt worden door de Mohammedanen en door
allen gehaat en vervloekt worden. Men vindt ze overal, in Ispahan,
Yezd, Kerman en veel andere steden. Ik voelde steeds medelijden met
die stumpers, als ze naar onze apotheek kwamen; maar gelukkig werkt een
afdeeling van de zending onder de Joden in Perzië, die veel doet om hun
leven gelukkiger te maken. Na dit vluchtig kijkje moeten we trachten,
meer vertrouwd te worden met enkele steden en met de inwoners.
Bij onze eerste kennismaking met Kerman maakte de stad een
schilderachtigen indruk. Wij hadden zoowat drie weken gereisd,
en bereikten op Paaschzondag een mooien tuin, een uur of vijf van
Kerman verwijderd, waar we voor dien dag besloten te blijven. Vroeg
op Maandag vertrokken we voor de laatste etappe van onze reis. Juist
toen de zon opging, kwamen we aan den top van een heuvel, en daar lag
in de verte de stad, waar onze gedachten zoo lang op gevestigd waren
geweest, het doel, dat ons het laatste jaar voor oogen had gestaan
en waarvan we hoopten, dat het voor lange jaren ons tehuis zou zijn,
wat God echter anders heeft beslist.
Kerman is een belangwekkende, oude stad, die veel lotswisselingen
heeft gehad en een bonte geschiedenis. Het is ook een mooie stad,
vooral op korten afstand gezien, omringd als het aan drie kanten is
door hooge bergen, die een prachtigen achtergrond vormen voor de aan
hun voeten liggende stad. Aan de vierde zijde breidt zich de woestijn
uit tot Yezd en Ispahan. Het tegenwoordige Kerman is een vesting met
ongeveer veertig duizend inwoners. De muur heeft een dozijn poorten,
enkele nog bruikbaar, maar andere bijna in puin vallend. Inderdaad
zijn de meeste gebouwen in Kerman en ook in het verdere Perzië "kharab
shodeh", dat is, in den toestand van een ruïne. Staan die gebouwen
buiten de stad, dan huizen er jakhalzen, hyena's, uilen en andere
vrije dieren in, die de woestijn bewonen. Toen wij in Kerman een huis
hadden even buiten de stad, hoorden we altijd het geschreeuw en gehuil
van de jakhalzen, en in het begin werden we er bang van, maar op den
duur gewende het, en we misten het avondconcert, als we niet in Kerman
waren. Soms kwamen de dieren in den nacht wel eens in onzen tuin.
Wat de industrie in Perzië betreft, wil ik alleen een paar
fabrieken en industrieën beschrijven, die wij in werking zagen. Het
allerinteressantst zijn naar mijn meening de tapijtfabrieken, die men
op veel plaatsen vindt. Heel weinig Europeanen leven lang achtereen
in Perzië, zonder te worden aangegrepen door de bevlieging voor
tapijtwerk. Ze mogen er tegen strijden; ze bezwijken allen vroeger
of later!
Als ge een tapijt koopt, is de eerste eisch, dat de kleuren vast
zijn. Men doet het onderzoek door den zakdoek nat te maken en het
kleed daarmee of met een wit katoenen of linnen lapje te wrijven. Als
er maar de geringste kleur afkomt, is het kleed niet goed. Het
hangt alles af van den aard en de duurzaamheid van de verf. De oude
kleurstoffen, die in het verleden werden gebruikt, waren indigo,
meekrap en wingerdbladen. Met die drie ingrediënten waren de oude
Perzen in staat, de teêrste en mooiste tinten te scheppen, die alle
vast waren. Maar nu worden de anilinekleuren zoo algemeen gebruikt, dat
het moeilijk is, een kleed te vinden, waarin alle kleuren permanent
zijn. Europeanen worden vaak bedrogen, als ze perzische tapijten
koopen; maar met inlanders gebeurt dat zelden. Als een inlander een
tapijt koopt, verwacht hij, dat het zijn leven lang zal duren en
niet enkel zijn leven, maar ook dat van zijn kinderen, zijn klein-
en achterkleinkinderen, en misschien grooter waarde hebben op het eind
van die periode, dan op den dag, dat hij het kocht. In den regel komt
die verwachting uit.
Als een Pers een nieuw tapijt koopt, is het eerste, wat hij doet, het
in de bazars neer te leggen, waar allen er overheen moeten gaan. Hoe
vuiler en modderiger de schoenen van de voorbijgangers zijn, des
te mooier zal het tapijt later zich voordoen, als ten minste de
kleuren echt zijn. Dit moge vooral gelden voor Syrië en Turksch
Arabië, ik geloof dat het ook voor Perzië geldt. Ik heb zelf vaak
tapijten zien liggen op die manier in de bazars van Damascus, Beiroet,
Bagdad en Mosoel. Ik kon er nooit toe komen, onze kleeden ook aan die
behandeling te onderwerpen, ofschoon mijn man mij altijd verzekerde,
dat het de eenige manier was, om aan de tapijten dien mooien, zijden
glans te geven, waar de echte liefhebber zoozeer aan hecht. Natuurlijk
blijft die glans in wezen door de inlandsche gewoonte, om de schoenen
bij de deur te laten staan. Het voortdurend loopen over de kleeden
met bloote voeten of op kousen verhoogt dien glans, terwijl aan den
anderen kant onze barbaarsche gewoonte, vuile schoenen te dragen in
de kamer, niet goed is voor het tapijt, zoo min als tafels en stoelen
verbeteraars zijn van die grondbekleeding.
Om een goed beoordeelaar te zijn van een kleed, behoeft men juist geen
expert te wezen. Er moet echter op veel dingen worden gelet. Ten eerste
de kleuren, zooals wij reeds hebben gezien; dan moet het aantal steken
op een inch geteld worden, en het heet, dat een goed tapijt zoo wat
tien duizend steken heeft op den vierkanten voet, terwijl enkele van
de beste veertig duizend steken hebben op die ruimte. Een ander punt,
waarop gelet moet worden, is of de breedte overal gelijk is. Men
legt de randen op elkaâr, en als de randen niet samenvallen, is het
geen goed tapijt. Verder moet het volkomen vlak op den vloer liggen,
anders gaat het binnen korten tijd kreukelen en wordt waardeloos. Mijn
man kreeg eens een mooi kermansch tapijt ten geschenke, dat op een
waarde van twintig pond sterling werd geschat, en als het vlak op den
grond had gelegen, nog veel meer waard zou zijn geweest. Wij hebben
het nu aan den wand hangen, en het kreukt niet op die manier.
In Perzië worden de tapijten uit Koerdistan voor de allerbeste
gehouden; ze zijn het duurst en kosten omstreeks drie pond sterling de
vierkante yard. De grootste bekoorlijkheid ligt in het feit, dat ze aan
weerskanten precies gelijk zijn en heel glad en fijn aanvoelen. Daarna
volgen die, welke te Kerman zijn gemaakt, waar men niet zelden figuren
van menschen en dieren op vindt, soms levensgroot. Tijdens ons verblijf
in Kerman bezochten we een paar fabrieken en stelden veel belang in
de vervaardiging.
Alle tapijten worden natuurlijk gemaakt zonder eenige machine. De
schering loopt gewoon over een raam. De inslag bestaat uit korte
draden, doorgestoken en geknoopt met de hand zonder hulp van een
spoel. Als een toer is afgewerkt, wordt het met behulp van een kam door
de schering heen dicht tegen de rest van het weefsel gedrukt. De wever
ziet het patroon niet onder het werken, want hij zit met den verkeerden
kant van het weefsel naar zich toe. De weefgetouwen staan meestal
in een overwelfd vertrek onder den grond, vaak met een stroompje van
water er middendoor. Aan elk getouw zitten drie of vier werkers naar
gelang van de grootte van het tapijt. Soms arbeiden één man en twee
kinderen samen, en ook komt het voor, dat de eigenaar alleen jongens
en meisjes voor het weven gebruikt, terwijl één man toezicht houdt.
Ik zat op een hoog bankje naast een tenger meisje, wier vingers
zoo hard werkten, dat ik haar bewegingen nauwelijks kon volgen. De
opzichter liep heen en weer in de kamer en riep nu en dan zijn
instructies uit. Ik kon er niets van begrijpen; maar de kinderen
schenen hem te verstaan. De opzichter had een papier in de hand,
waarvan hij voorlas, hoeveel blauwe, witte of groene draden genomen
moesten worden, en ieder kind moest de aanwijzingen herhalen. Alles
ging met hooge, eentonige stem, zoodat het een oorverdoovend rumoer
was, waarin die kleine wevers dag in, dag uit, en week in, week uit,
zitten, hard aan den gang gehouden door den onverbiddelijken opzichter.
De kinderen worden al heel jong aangenomen, soms op vijf- of zesjarigen
leeftijd. Hun werkuren zijn van zonsopgang tot zonsondergang in den
zomer en tot twee of drie uur na zonsondergang in den winter, en in den
leertijd en lang daarna krijgen ze geen hooger loon dan een stuiver
per dag. Het gevolg van dit afschuwelijke sweating systeem is dat er
tegenwoordig honderden kinderen zijn in Kerman, van acht tot negen
jaar oud, die al door het verblijf in de donkere, vochtige kelders
lijders zijn aan rheumatiek en andere kwalen. Door het zoo lang in één
houding zitten, op zoo jeugdigen leeftijd in die vochtige atmosfeer,
worden ze ziek; hun handen en voeten worden misvormd en als ze niet
langer kunnen verdienen, vermeerderen ze het groote aantal bedelaars,
dat de straten en bazars van Kerman bevolkt.
Ik zag eens een klein meisje van omstreeks zeven jaar aan den weg
zitten dichtbij ons huis. Toen ik haar vroeg, waarom ze daar heel
alleen zat, antwoordde ze: "Moeder zond mij naar het werk in de
weverij; maar mijn voeten doen mij zoo'n pijn, dat ik niet loopen
kan." Zij wachtte daar, terwijl een lotgenoote in werk en leed iemand
opzocht, om haar vriendinnetje naar de werkzaal te dragen.
Als wij aan het lijden denken van die honderden arme, onschuldige
kinderen, breekt ons hart bijna van droefheid. De "Kreet van de
kinderen" uit Kerman moet toch wel tot God doordringen, en Hij zal
medelijden hebben. En omdat de menschen goedkoope perzische kleedjes
willen hebben, moeten deze kleine martelaars bereid zijn, de gelukkige
jeugd, hun gezondheid en vaak het leven zelf ten offer te brengen op
het altaar der goedkoopheid.
Majoor, nu kolonel Phillott, toen britsch consul te Kerman, was
zoo getroffen, toen hij die arme stumpertjes zag, dat hij besloot,
zelf een weverij te openen met enkel mannen voor het weven. Hij deed
natuurlijk de ervaring op, dat de kosten enorm waren, daar de loonen
zooveel meer bedroegen dan voor de kinderen, en dat de mannen ook
weigerden, zulke lange werktijden te maken. Zoolang kinderen te krijgen
zijn voor haast geen geld, zoolang zullen de wevers hen gebruiken,
zich niet bekommerend om hun leed, alleen om geld te maken, dat in
Perzië als een god wordt aangebeden.
Een zachte soort van viltkarpetten worden ook in Perzië gemaakt,
vooral in Ispahan en Yezd. Ze heeten namaden en worden van allerlei wol
vervaardigd, vooral van kameelhaar. De kleur is lichtbruin en soms
is er in het midden een patroon geweven van andere, meestal roode
kleur. Enkele van die namaden zijn wel een inch dik en heerlijk
zacht, om op te loopen. Ze zijn prachtige onderleggers voor een
mooi tapijt. Ook shawlfabrieken heeft Kerman; maar die gaan in
aantal hard achteruit. Vijftig toemans of tien pond sterling is er
een gewone prijs voor een shawl, die veel gelijkt op de beroemde
indische shawls uit Kaschmir. Die doeken worden door den gouverneur
als eeregeschenk uitgereikt en worden door iedereen op hoogen prijs
gesteld. Zij worden op dezelfde manier geweven als de tapijten en
worden vervaardigd van het onderhaar van een witte geit, die alleen
in de buurt van Kerman voorkomt.
In Ispahan zagen wij het katoendrukken voor gordijnen, tafelkleeden
e. d., die niet duur zijn. De inboorlingen gebruiken de stof ook, om
hun dooden in te wikkelen, en voor dat doel worden bepaalde doeken
gemaakt met toepasselijke Koranspreuken erop. In den zomer, als de
rivierbedding droog is, kan men in Kerman die weefsels in de zon zien
liggen drogen, nadat ze geverfd zijn.
De ruimte laat niet toe, nog andere industrieën te bespreken,
als het koperwerk van Ispahan, het zilver van Ispahan en Sjiras en
het mozaïekwerk, ook uit Sjiras. Maar er is genoeg gezegd, om aan
te toonen dat de Perzen een knap en artistiek volk zijn, en dat, in
aanmerking genomen de primitiefheid van hun methode en hun gereedschap,
de resultaten verrassend mooi en aantrekkelijk zijn.
Ook in den landbouw geschiedt er veel, en de aanvoer van water is
daarbij een mild vloeiende bron van krakeel en oneenigheid, waar
soms wel eens moorden uit voortvloeien. De arbeiders, die voor de
besproeiing van het te veld staande moeten zorgen, hebben lange spaden,
om groeven te graven, die het water een weg banen. Bij een twist zijn
die spaden een geducht wapen, waar al menig schedel mee is gekloofd.
Als wij door de woestijn reden, zagen we menigmaal een troep van
die mannen, die van hun werk kwamen met het lange wapen over den
schouder, en in het halfdonker geleken ze een afdeeling soldaten op
marsch. Het water wordt dikwijls naar een stad of dorp geleid vanaf
de bergen door kanats, dat zijn lange, ondergrondsche kanalen. Kuilen
worden gegraven op afstanden van vijf-en-twintig voet, die met elkander
worden verbonden door een onderaardsche gang, steeds verder loopend tot
de plek is bereikt, waar het water noodig is. Soms zijn die tunnels
mijlen lang en daar de opening van elken put omringd is door hoopen
aarde, lijkt het, of men een opeenvolging ziet van groote molshoopen,
over het land verspreid. Er gaan vaak levens verloren met het maken
van die gangen, daar de wanden niet zelden instorten. De loonen zijn
bij dit werk zeer hoog, als vergoeding voor het levensgevaar.
Een van de hoofdproducten rondom Ispahan is de papaver. Het is een mooi
gezicht, veld naast veld te zien van die prachtige, witte bloemen, soms
mijlen en mijlen ver. Hoe treurig te denken, dat zooveel schoonheid tot
ellende en zonde en verlaging moet leiden! Als de papavervrucht rijp
is, wordt de bol tegen zonsondergang met een soort van kam op drie
plaatsen gekerfd, en uit de openingen vloeit de opium. Die wordt dan
des morgens vóór zonsopgang ingezameld, wordt gedroogd en uitgerold
tot koeken, die klaar zijn voor het gebruik in het land of voor den
uitvoer. Men heeft berekend, dat omstreeks 8000 kisten opium, elk met
ongeveer tweehonderd koeken, jaarlijks uit Perzië worden uitgevoerd.
Ofschoon het verbouwen van opium diegenen verrijkt, die er onmiddellijk
bij betrokken zijn, toch maakt het de streek armer, want de grond,
die anders met koren bebouwd zou zijn geworden, wordt nu in gebruik
genomen voor de papavers, zoodat het graan duurder wordt.
Er wordt ook veel tabak verbouwd in Perzië, die gebruikt wordt in de
"kilian" of waterpijp en voor het rooken van sigaretten. De beste
soort groeit in de buurt van Sjiras. De grond is vruchtbaar en met
weinig moeite verkrijgt men goede oogsten, als er maar watertoevoer
is. Sprekend over het klimaat van Perzië, moet Cyrus hebben gezegd:
"De menschen komen om van koude op één punt en stikken van hitte op
een ander", en dit is nog volkomen toepasselijk op het Perzië van
heden, want iedere plaats heeft weer een ander klimaat, naarmate van
de ligging boven de oppervlakte der zee. Als we aan de Kaspische Zee
op perzisch grondgebied komen, zijn we eenige voeten lager dan het
zeeniveau, en bij gevolg is het klimaat er vochtig en de plantengroei
weelderig. De regenval is in Resjt zoo overvloedig, dat de bronnen
vaak overloopen; het regent er dan ook bijna twee derde deelen van
het jaar. Daar wij altijd aan Perzië hadden gedacht als aan een zeer
droog, verschrompeld land, was onze verbazing groot bij het bereiken
van Resjt, de haven aan de Kaspische Zee, waar wij zulke mooie bosschen
zagen en bloemen in overvloed, zoowel wilde als gekweekte. Primula's,
anemonen, maagdepalm, cyclamen en veel andere soorten van bloemen,
alle bloeiden, toen wij door Resjt reden op onzen weg naar Ispahan. De
varens waren ook heel mooi, vooral maidenhair en pteris. Met al die
gewone bloemen en planten om ons heen, drong het maar half tot ons
door, dat wij niet door een laan in Devonshire reden in Engeland.
Maar naarmate wij al hooger en hooger kwamen in het Elboersgebergte,
verloren wij dat engelsche type van het landschap. Het klimaat werd
droog en warm, en toen we in Teheran waren, was de beschutting van het
koele huis onzer amerikaansche vrienden ons zeer welkom. In Teheran is
het best uit te houden; de winters zijn prettig koud, en de zomerhitte
is niet zóó overweldigend als in andere steden. Daarbij zijn er mooie
tuinen in de buurt en parken, en de inwoners brengen dikwijls den
zomer buiten door. Voor wie de bergen liefheeft, is er de Demavend,
die tot 19400 voet omhoog rijst. Hij draagt niet weinig bij tot de
schoonheid van Teheran en is met de eeuwige sneeuw op zijn top een
wonder van heerlijkheid in de stralen eener laagstaande zon. Ook als
zomertoevlucht is de berg gezocht door wie de hitte wil ontvlieden. Dit
is de hoogste berg in Perzië; maar er zijn veel andere van tien tot
dertien duizend voet, zoodat men in alle tijden van het jaar wel een
koel klimaat kan opzoeken. Als men eenmaal over het Elboersgebergte
is gekomen, ligt heel Perzië als een hoog plateau daar, tot we weer
kunnen afdalen naar de oevers van de Perzische Golf.
In Ispahan zijn de winters helder en koud, en in den zonneschijn kan
men in de meeste wintermaanden buiten zitten; alleen des morgens en
des avonds is het er te koud voor. De atmosfeer is hier, als overal
in Perzië, heel droog, en de huid splijt soms, niet van de kou, maar
van de droogte der lucht. Zij werkt ook op de zenuwen der Europeanen,
vooral bij de vrouwen. In den winter verwarmen de inboorlingen zich
en hun vertrekken met een "korsi", dat is letterlijk een stoel. Die
korsi geeft warmte met een minimum van kosten. Er wordt een opening
gemaakt in den vloer van het vertrek, waar de heele familie woont. In
dat gat wordt een steenen of ijzeren vuurpan gezet, vol aangestoken
houtskool. Daaroverheen wordt de korsi, een houten geraamte, in grootte
afwisselend naar het aantal familieleden, geplaatst en over alles
wordt een groote "lahaf" of gewatteerde deken uitgespreid. Rondom
de korsi legt men zachte matrassen en kussens, en hier brengt het
gezin den tijd door met eten, slapen en praten. De korsi dient als
tafel en de lahaf als bedekking bij dag en nacht. Het is een zeer
ongezonde methode; maar men is er eenmaal aan gewend, en hoe meer
vrienden en betrekkingen ze om de korsi kunnen vereenigen, des te
gelukkiger gevoelen de menschen zich.
De zomers zijn warm in Ispahan, maar er zijn veel plaatsen dichtbij,
die koel en aangenaam zijn en binnen het bereik van wie door zijn werk
in het warme jaargetij in de stad wordt teruggehouden. IJs kan men
altijd in overvloed krijgen, al is het niet steeds volmaakt helder. Het
kan toch dienen voor het afkoelen van vruchten en dranken. De
inlandsche methode om ijs te maken, is nogal knap. Een "yakh khaneh"
of ijshuis ligt meestal buiten de stad of bij een stroomend water. Een
greppel van een paar voet diep wordt gegraven en een muur van twintig
tot veertig voet hoog wordt aan den noord- en den zuidkant opgetrokken,
zoodat de greppel voor alle zonnestralen beschut ligt. Zoodra het gaat
vriezen, wordt een paar inches water in den greppel gelaten, welk
water 's nachts bevriest, en den volgenden dag laat men meer water
binnen, bovenop het ijs. Dit wordt veel dagen achtereen herhaald,
tot een ijsmassa van een voet of meer dikte zich heeft gevormd. Die
wordt dan opgebroken en weggeborgen in diepe kelders ten gebruike in
den zomer. Het werk wordt volgehouden zoolang de vorst aanhoudt, en
meestal krijgt men genoeg voor de behoefte der stad in den tijd van
de groote hitte. Rijke Perzen hebben hun eigen ijskelders, en er zijn
anderen die er hun levensonderhoud mee verdienen. Als er gebrek komt,
voordat de hitte voorbij is, wordt er bevroren sneeuw van de bergen
gehaald; maar die is zeer duur, omdat ze van zoo ver moet komen.
Yezd heeft een veel warmer "heet jaargetij" dan Ispahan; de warmte
duurt daarbij langer en is lastiger te verdragen. De huizen zijn
echte zomerhuizen. Daar de winters korter zijn en minder streng,
wordt er weinig aandacht geschonken aan het gerief dat men in koud
weêr niet kan ontberen, en alles is erop aangelegd, de huizen koel
en luchtig te houden.
Als een reiziger Yezd nadert, moet hij wel worden getroffen door de
vele groote "schoorsteenen", die uit de stad omhoog rijzen, en hij
moet haast denken, dat hij in een drukke fabrieksstad komt en zich
afvragen, welke nijverheid wel zou worden beoefend in zulk een zandstad
der woestijn. Als hij nauwkeurig toeziet, bespeurt hij echter, dat
er geen rook komt uit die schoorsteenen, en dus besluit hij, dat ze
voor iets anders dan voor industriëele doeleinden dienen. Wat is dan
de bedoeling van al die groote, vierkante, schoorsteenachtige torens,
die op de daken van zooveel huizen in Yezd staan? Het zijn luchtkokers,
gebouwd in de hoop, dat ze wat koelte zullen aanvoeren in de huizen in
den zomer, als de atmosfeer zoo verstikkend is, dat het ademen haast
onmogelijk wordt. Windvangers zijn het dus. Er was een hooge op het
huis waarin wij in Yezd woonden, en zelfs op de heetste dagen voelde
men nog wat lucht van boven komen. Het was zoo ingericht in ons huis,
dat, als de luchtstroom naar beneden geleid was door den toren, hij
over een waterreservoir streek en dus afgekoeld werd, eer hij door de
woning streek. Een andere poging, om de hitte in Yezd te doorstaan,
is de gewoonte om het midden van den dag te slijten in kelders onder
den grond.
Enkele van die kelders zijn prachtig ingericht, met muren van het
beroemde marmer uit Yezd, dat veel op albast gelijkt. Ik herinner
mij een van die verblijven van veertig bij dertig voet, heel hoog
en van boven verlicht door ramen, gelijkvloersch met den grond. In
het midden van het vertrek was een waterbak, waar de Perzen zoo op
gesteld zijn, en uit het water rees een fontein, die tot een hoogte
van dertig voet kon spuiten. Een groote halve bol was aan de zoldering
bevestigd, om het schuim te vangen. Hier hielden de bewoners van het
huis hun middagsiësta, en het was er behoorlijk koel, vergeleken
bij de bovenwereld. Maar sommige kelders zijn ver van gezond, en
als men er overdag slaapt, doet men maar al te licht malaria op of
een andere koorts. Als ze droog zijn en goed worden geventileerd,
schijnt het geen kwaad te doen, en zeker is een goede kelder een zegen
voor Europeanen, als de thermometer boven 110° in de schaduw wijst,
terwijl hij in den kelder zelden boven 86 of 90 graden komt.
Schorpioenen, duizendpooten en groote spinnen hebben een best leven
in Yezd. Het klimaat doet ze goed, zoodat ze zeer welvarend zijn en
het leven in onrustbarende mate genieten. Op een dag doodde mijn man
drie schorpioenen binnen het uur, waarvan twee van de vergiftige
zwarte soort. Tarantula's, de groote spinnen, waren er veel in en
buiten het huis, en ze schenen het er altijd op gemunt te hebben,
bij mij te komen onder het gebed. Het is ver van prettig, een van die
schepsels langs je heen te zien glijden met de duidelijke bedoeling,
zich onder je rokken te verbergen! Onze kat sprong er dadelijk op toe,
als ze een van die tarantula's zag, alsof ze er onze aandacht op wou
vestigen, maar ze hapte ze nooit op.
Van het leven in den kelder gaan we nu over naar het leven op het
dak. Dat was vaak het prettigste deel van den dag. Het is aangenaam,
als de hitte van den dag voorbij is, daar te liggen kijken naar de
sterren, wetend dat diezelfde sterren neerzagen op onze dierbaren in
het vaderland. Op het dak te slapen heeft zoowel zijn voor- als zijn
nadeelen. Een groot nadeel is, dat de zon je zoo vroeg wakker maakt,
en een tweede, dat het zingen en praten op de naburige daken het
dikwijls moeilijk maken, rust te vinden. En dan is er nog het zeer
ernstige bezwaar, dat de jakhalzen vaak in den nacht op de daken
komen, zoekend naar iets, om hun honger te stillen, en als ze niets
anders kunnen vinden, wil het wel gebeuren, dat ze slapende kinderen
aanvallen. Bij verscheiden gelegenheden werden kleintjes naar ons
hospitaal gebracht, gewond en verminkt door de jakhalzen, soms tot
onherkenbaar wordens toe. Ik herinner mij een zeer droevig geval van
een moeder, die razend was van smart, omdat haar kindje van enkele
weken door zoo'n dier bijna was opgegeten.
Het leven op het dak begint even na zonsondergang. Van een hoog
punt gezien, is het heel aardig, dat ontwaken van het dakleven te
volgen. Vóór en na worden de familiebedden voor den dag gehaald,
op het dak uitgespreid of op lage houten banken, en dan gaan de
menschen er zitten praten, tot het tijd is voor den avondmaaltijd,
die vaak op het dak wordt gebruikt, waarna de familie zich ter ruste
begeeft. Een Mohammedaan doet erg zijn best, om te zorgen, dat zijn
dak goed beschut is tegen onbescheiden blikken van kijkers, en als hij
nog eenig wantrouwen heeft en zich bespied waant, zal hij dadelijk
zijn muur laten verhoogen. Daar dat zoo is, zijn de daken meestal
omringd door hooge muren, die de lucht beletten, toe te treden en de
nachten dus veel minder dragelijk maken.
Het klimaat van Kerman is bijna volmaakt voor wie eraan gewend is. Daar
de stad ongeveer 6500 voet boven de zee is gelegen en aan alle kanten
door bergen en woestijnen is omgeven, waait er een verfrisschende
koelte. Men behoeft in Kerman niet over dag in kelders te kruipen of
's nachts op het dak zijn toevlucht te zoeken. Het kan haast nergens
beter zijn uit het oogpunt van lucht en weersgesteldheid. De winters
zijn heerlijk, helder en koud, met altijd het gezicht op met sneeuw
bekleede bergen. Een paar zomermaanden lang is het er wel warm, als
vliegen en muggen iemand haast dol maken; maar het is meestal wel
mogelijk, voor een paar weken weg te gaan, en voor 't overige deel van
het jaar is het klimaat al wat men wenschen kan. En toch, al lijkt het
vreemd, Europeanen vonden het hier altijd moeilijk zich te schikken.
Onze zendingspost had in 't begin allerlei lotswisselingen, door
den minder gunstigen gezondheidstoestand van de zendelingen. De
eerste, die het werk er opnam, was een Mr. Carless, een dominee uit
Engeland. Hij ging erheen als een jonge man in de kracht der jeugd,
en na drie jaar, toen hij de liefde en de bewondering had gewonnen,
zoowel van Mohammedanen als van Parsi's, legden ze hem in een eenzaam
graf in de woestijn in een dal tusschen heuvels. Na korten tijd werd
zijn arbeid opgenomen door een Mr. en Mrs. Blankett, maar de laatste
kon slechts enkele maanden blijven; toen moest ze naar Engeland terug
met geknakte gezondheid. Toen werd mijn man aangewezen voor de opening
van een medischen zendingspost daar. Ongelukkig moesten ook wij,
vóór een jaar om was, vertrekken, en wel om mijn gezondheid.
Tijdens ons verblijf daar kwam een engelsch ingenieur, om naar
artesische putten te boren. Na twee of drie maanden kreeg hij koorts
en stierf bij ons in huis. Ook hij rust op dat kalme plekje tusschen
de bergen naast den heer Carless. Toen wij vertrokken, werd een
andere dokter aangesteld, om de plaats van mijn man in te nemen;
maar hij bleef zelfs nog korter in Kerman dan wij. En zoo leek het
wel, of het werk daar niet zou lukken. Doch eindelijk is er aan het
hoofdstuk van rampen een eind gekomen, want onze zendelingen hebben er
nu drie à vier jaar met succes gewerkt. Allen zijn het erover eens,
dat het klimaat heel gezond is, als de menschen, die er wonen, maar
een gezond hart hebben.
In een klimaat als dat van Perzië is het noodig, dat men een deel van
den warmen tijd naar buiten gaat. Er zijn gelukkig geschikte plaatsen
in de buurt van alle groote steden, en dus is het niet moeilijk, er
voor enkele weken uit te breken. De moeite is maar, die plaatsen te
bereiken en je hebben en houden erheen over te brengen, al beperkt
men zich daarin tot het strikt noodzakelijke.
Wanneer men het besluit tot op reis gaan heeft genomen, bepaalt
men den dag van vertrek. Dat lijkt zoo lastig niet. Ja, ge kunt
gemakkelijk zeggen: "Dien en dien dag zullen we gaan," maar dan rekent
ge misschien buiten uw muilezeldrijver om. Op den bepaalden morgen
gaat ge vroeg opstaan, ziet na, of alles klaar is en wacht erop,
dat de lastdieren zullen komen. De tijd verstrijkt; het wordt warm
en geen spoor van de ezels of de geleiders is te zien. Dan stuurt
ge een bediende op onderzoek uit, en hij brengt den drijver mee,
die vriendelijk glimlachend zegt: "Evsha' allah farda (morgen,
zoo God wil), zullen wij op reis gaan." Zijn muildieren zijn naar
een dorp in de buurt en zullen terug zijn "evsha' allah farda." We
kunnen er ons op voorbereiden, dat hetzelfde zich den volgenden
dag herhaalt. Het is altijd "farda" met die menschen, dus moeten we
onze ziel in lijdzaamheid bezitten en het beste hopen. Perzen hebben
nooit haast en kunnen niet begrijpen, waarom het eenig verschil zou
maken of we vandaag gaan of morgen. O, die eindelooze farda's! Wat
verveelden ze ons, toen we een tijdje in het land waren. Maar het is
goed om geduld te leeren en hoe gauwer ge die les goed hebt geleerd,
des te gelukkiger zult ge u in het Oosten voelen.
Zich voorbereiden voor een uitstapje, is in Perzië heel wat anders dan
thuis zich klaarmaken voor het strand of waar ook. Alles moet worden
meegenomen, potten en pannen, tafels, stoelen, bedden en beddegoed,
eenvoudig alles, wat noodig is voor een verblijf van vier of vijf
weken in een huis, waar niets aanwezig is dan de kale muren. Het
is wonderlijk, hoeveel dingen noodig zijn voor een kort verblijf,
al legt men het nog zoo eenvoudig aan.
De inboorlingen zijn erg bijgeloovig, als ze op reis gaan. Het is
bijvoorbeeld in hun oogen een ramp, als men verder moet gaan, wanneer
één van 't gezelschap bij ongeluk niest even vóór het vertrek. Dan
willen ze dat liever uitstellen tot een betere gelegenheid, om het
kwade voorteeken niet te trotseeren. Ik hoorde van een man, die in
zoo'n geval erop aandrong, de reis te vervolgen, met het gevolg, dat
hij van zijn muildier viel en zijn been brak! Ook zorgen de Perzen er
altijd voor, als ze op reis gaan, een goeden voorraad kleine koperen
munt bij zich te hebben, om die aan de bedelaars te geven. Wanneer wij
uitgingen, gaven de bedienden altijd gul aan de armen in de buurt,
om zegen te krijgen op onzen tocht, en ze vergaten nooit, ons het
bedrag in rekening te brengen!
Wij hadden in Perzië prettige vacanties; maar daar ik de hooge lucht
niet kon verdragen, konden we niet naar de bergen gaan, waar het
verblijf in den zomer het aangenaamst is. Toch vonden wij een paar
mooie en vrij koele plaatsen in de vlakte of op geringe hoogte. Onze
eerste vacantie brachten we door in het mooie dorpje Natanz. Ik was
ziek geworden op onze reis naar Ispahan, en de vrouwelijke dokter,
die mij behandelde, ried aan, een poosje naar Natanz te gaan, vóór we
in Ispahan ons huis betrokken. Het was al vrij ver in het voorjaar,
en het is moeilijk, daar in de hitte op zijn verhaal te komen.
Natanz is een schilderachtig dorpje, niet aan den grooten weg gelegen,
zoodat de bewoners nog niet aan Feringhi's of vreemdelingen gewend
waren en onze komst heel wat attentie trok. We kwamen er laat op een
avond aan en werden naar ons logies begeleid door een bewonderende
menigte, die bleef bewonderen al den tijd dat we daar waren. De
vensters van onze kamer bestonden enkel uit latjes, zoodat wie er
belang in stelde, altijd kon zien, wat wij deden. Als we in den
morgen ontwaakten, waren onze trouwe volgelingen er al en drukten
hun neuzen plat tegen de tralies, wachtend, om te zien wat we gingen
doen. Nu en dan was die belangstelling van de zijde der bewoners wel
eens wat lastig; maar hoe vaak de toeschouwers ook weggejaagd werden
door onzen bediende, ze kwamen telkens terug, als hij zijn rug had
gekeerd. De eerste paar dagen kwam ik de kamer niet uit, maar toen
ik sterker werd, ging ik gewoonlijk in een stoel vóór het raam buiten
zitten lezen of schrijven.
Dadelijk als mijn man mij eens alleen liet, kwamen alle vrouwen
als bijtjes op mij af, om nieuwsgierige vragen te doen. Ongelukkig
kon ik toen nog niet met ze praten, daar ik de taal niet kende;
maar ik begreep toch meestal wel wat ze bedoelden door haar
bewegingen. Mijn vulpen was een ding, dat veel verbazing wekte, net
als mijn haarspelden. Het was grappig, hoe blij de vrouwen waren, als
ik haar een paar haarspelden ten geschenke gaf. Ze schenen te meenen,
dat ik ze in mijn hoofd stak als in een speldenkussen. Eerst waren de
vrouwen nog al schuw, want ze wisten niet heel zeker, of ik een man
was of een vrouw. Een van haar kwam eens onder mijn hoed kijken en
toen ze het lange haar zag, kwam ze tot het besluit, dat ik een vrouw
was. Mijn man kreeg een bezoek van een dorpsbestuurder, die het zeer
interessant vond een engelsche vrouw te zien. Het speet ons zeer,
toen onze vacantie in Natanz om was, maar daar we verlangden naar
Ispahan te gaan, wilden we er niet langer blijven dan noodig was.