kerkelijke inzegening van haar huwelijk bij te wonen. Alles was goed en
wel, meende vader Huiskamp; ze bleven allemaal samen op den besten voet;
hij zou altijd het goede voor hen zoeken; hij dacht er niet aan om de
jongelui te veroordeelen; maar hij wist toch met al z'n lek en gebrek
wel dat hij het bij 't rechte eind had, dat zoo'n huwelijksinzegening
niet was wat je eigenlijk graag zou willen. Jannetje deed er het zwijgen
toe; ze begreep dat daartegen toch niet te redeneeren viel. Het was
hard; het wierp een schaduw over haar geluk; maar 't was niets anders!
Gerrit zei tot haar: "Je kunt het op mooie ochtenden hebben dat er laag
zoo'n zware nevel hangt, dat de menschen elkander en de beesten in 't
land niet zien kunnen; maar kijk je dan naar boven, dan zie je de toppen
van de boomen heerlijk groen en het haantje van den kerktoren glinsteren
in 't volle zonlicht. Zoo begrijpen de menschen elkaar dikwijls hier op
aarde niet, maar eenmaal komen ze boven in het heldere licht. Je vader
en moeder en wij zijn het toch wel waarlijk met elkaar eens, maar zij
kijken nog te veel in den mist, begrijp je?"
Jannetje begreep het tot haar troost.
Zoo was voor bruid en bruidegom en voor de beide paren ouders de 15^{e}
Juni toch een gezegende dag. Allen hieven het hoofd boven den mist uit;
allen zagen en begrepen elkander in den helderen zonneschijn van Gods
vriendelijk aangezicht. Niet slechts werden twee jonge menschen één; ook
de heerlijke eenheid van de leden des lichaams van ons Hoofd in de
hemelen werd door allen gevoeld en genoten.
En daarna:--doken vader en moeder Huiskamp weer kopje-onder in den mist
van hun eerlijk-gemeend kerkisme.
Eerst des Maandags zouden de jonggehuwden naar Bunschoten vertrekken,
nadat--zooals de bruid gezegd had--den vorigen dag hun huwelijk door
dominee Scholte zou ingezegend zijn.
Des Zaterdags namiddags kwam deze predikant van Utrecht om bij zijn
vriend Reijmeringer te logeeren. Ten einde alle moeite te voorkomen werd
aan den burgemeester kennis gegeven van zijn tijdelijk verblijf te
Loosdrecht.
Des Zondagsmorgens zeer vroeg begaf dominee Scholte zich met zijn
gastheer te voet naar 's Graveland, waar hij den ochtenddienst leiden
zou. In dat Noord-Hollandsche dorp had men van inkwartiering geen last;
alleen was er kans dat hij er boete oploopen zou. Doch beboeting werd
door velen nauwelijks onder de ernstige belemmeringen der
gewetensvrijheid gerekend.
De dienst te Loosdrecht zou des avonds laat gehouden worden. Ten einde
zoo weinig mogelijk de aandacht te trekken kwam Scholte tegen het vallen
van den avond niet te voet in het dorp terug; een der broederen bracht
hem in een schuitje derwaarts. Het gelukte hun ongemerkt de ruime schuur
van Gerrit Pos binnen te komen, die voor de godsdienstoefening ingericht
was.
De vergadering was slechts klein in aantal. De predikant, zijn gastheer
Reijmeringer, vader en moeder Beukman, de beide jonge echtgenooten, twee
paren ouders, die elk een zuigeling ten doop brachten, de overige vier
kinderen van het eene paar, nog een lid der gemeente, en een zekere
Duitscher J. F. C. Brandt, een neef van den voorganger, uit Lippe
geboortig, maar die drie jaren in Nederland gewoond had. Het gezin van
Pos telde drie personen. In 't geheel waren er dus vijftien volwassenen
en zes kinderen. Aangezien de familie Pos volgens de wet niet bij het
beruchte twintigtal gerekend mocht worden, waren er dus de zuigelingen
zelfs medegerekend, slechts achttien personen aanwezig. In dat opzicht
was aan de strengste eischen der wet voldaan. Tenzij de overheid
goedvond--wat ook soms gebeurde--onderscheid te maken tusschen de woning
en de schuur van Pos; dan waren er een en twintig! Maar men maakte zich
buitendien aan verscheidene zware overtredingen schuldig: een der
sacramenten werd bediend; een huwelijk werd ingezegend; twee "vreemden
van buiten" waren aanwezig: Brandt en Gerrit Beukman; eigenlijk was
Jannetje door haar huwelijk ook "een vreemde van buiten" geworden. Voor
die opeenstapeling van misdaden was geen pardon, indien men op
heeterdaad betrapt werd!
Boven aller verwachting verliep de geheele dienst ongestoord. Scholte
kon zijn leerrede houden; het sacrament van den heiligen doop werd aan
de beide kinderen bediend; het huwelijk van Gerrit en Jannetje Huiskamp
plechtig ingezegend. Meer dan over het algemeen het geval is gevoelden
beiden de beteekenis van den aanvang van het huwelijksformulier:
"Overmits dat den gehuwden gemeenlijk velerhande tegenspoed en kruis
vanwege de zonde is toekomende, opdat gij, die uwe echtelijke verbinding
in Gods naam openlijk alhier in de kerk wilt bevestigen, ook in uwe
harten verzekerd zijn moogt van de gewisse hulp Gods in uw kruis, zoo
hoort uit den Woorde Gods, hoe eerlijk de huwelijke-staat zij."
Tegen half-elf meenden de vergaderden rustig uiteen en ongestoord naar
huis te kunnen gaan.
Toen daartoe de deur geopend werd, stuitte men op een troep gewapende
militairen, die allen doorgang beletten, maar verder niets deden. De
schuur had nog een kleine deur in den achtergevel, maar spoedig bleek
dat ook die door soldaten met gevelde bajonet afgezet was.
De vrienden zaten dus gevangen. Dat was de nieuwste uitvinding van
geloofsvervolging. Totnogtoe was men gewoon geweest hals over kop naar
buiten gesmeten te worden; dezen avond mocht men niet vertrekken.
De eigenaar van het gebouw begaf zich weer naar den uitgang en opende de
deur.
"Mannen, mogen we er niet uit?"
"Allen binnen blijven!" riep een der soldaten.
"Waarom en hoelang?" vroeg Pos verwonderd.
"Dat gaat ons niet aan!" was het welwillend bescheid. "Ik zou nog maar
een deuntje samen zingen."
"Kan ik den sergeant even spreken?"
"Jawel!" riep deze. "Ik zal het je wel zeggen: je moet hier blijven tot
de burgemeester komt."
"Sergeant, laat ons dan ten minste in mijn huis mogen gaan."
"Nu, daar is niets tegen," antwoordde de sergeant, die bij anderen
vergeleken een voorbeeld van vriendelijkheid was. "Dan zullen we je
allemaal eventjes overbrengen. Maar je moet op het erf blijven, daar
gaat niets van af. En niet probeeren.... je weet wel! Denk aan de
bajonetten en de blauwe boonen!"
Op bevel van den sergeant namen nu de militairen met gevelde bajonet,
het kleine groepje tusschen zich in en brachten het--een kudde schapen
temidden van de slachters!--naar het woonhuis van Pos. Daarna werd het
huis rondom met wachten bezet, zoodat naar buiten gaan onmogelijk was.
Men maakte het zich zoo gerieflijk mogelijk; de vrouw des huizes zette
koffie en haalde koek voor den dag; Pos zorgde voor pijpen en tabak; en
weldra waren allen in levendig gesprek gewikkeld.
Een goed half uur later kwam de burgemeester, gevolgd door acht
gewapende manschappen, het vertrek binnen.
Zonder groet begon hij dadelijk de namen der aanwezigen te vragen en op
een lijst te schrijven.
"Dat is dus," zeide hij toen dat belangrijk werk afgeloopen was; "--laat
zien: drie, zes, negen, twaalf, vijftien, vijftien volwassenen en zes
kinderen. Een te veel! Zeg eens, Pos, wat moeten die menschen bij je
doen?"
"Burgemeester," antwoordde deze; "dat zijn vrienden van me, die hier een
kop koffie drinken."
"Ja; de koffie zie ik," antwoordde de vertegenwoordiger des konings;
"maar dat zal wel een doekje voor 't bloeden wezen! 't Is een boven de
wet, man!"
"Burgemeester, al zouden we hier vergaderen, dan is daar mijn vrouw, en
daar mijn zoon, en ik, dat is drie, die hier in elk geval zijn mogen.
Dus zelfs die twee zuigelingen medegerekend, zijn er toch niet meer dan
achttien."
"Burgemeester," mengde zich dominee Scholte nu in het gesprek: "deze
menschen zijn hier alleen door dwang tegenwoordig. Na afloop van den
dienst in het daartoe bestemde gebouw, hebben de militairen ons met
geweld den uitgang belet, anders zouden de meesten, misschien wel allen,
reeds lang naar huis zijn."
"Ik heb hier met Pos te doen," antwoordde de man van de wet. "Jou vind
ik later wel!"
Met die woorden ging hij weg, na twee soldaten order gegeven te hebben
om in de kamer te blijven en te zorgen dat de voordeur open bleef.
Zoodra ze hun kans schoon zagen maakten de beide doopvaders, dat ze met
hun vrouwen en kinderen naar huis kwamen. De overigen bleven nog een
korte poos bij elkaar.
Eindelijk zou men vertrekken. De vrouw des huizes zei: "Nu moeten we nog
één versje zingen. Psalm 146:3."
"Dat is goed," zei de dominee en las voor:
"Met hem vergaen zijn raden al.
En werden haestlick tot niet.
Wel hem dien Godt t' aller tijd zal
Sijn hulp aenbieden met vliet:
Die tot Godt heeft zijn toevlucht
In noot en in quaet gerucht."
Nauwelijks had hij den laatsten regel gelezen of woedend stoof de
burgemeester naar binnen: "Begint het nu al weer!" riep hij met een paar
vloeken. "Nu moeten allen er uit."
"Burgemeester," zei dominee Scholte; "er is hier geen schijn of schaduw
van overtreding. Acht menschen zijn hier op visite bij de drie bewoners
van het huis. Voordat ze afscheid nemen, willen ze een psalmversje samen
zingen. Welk kwaad steekt daarin? Uw handelwijs acht ik geheel en al
onwettig, en ik voor mij denk er niet aan om nu te vertrekken."
"Dat zullen we je dan wel leeren!" schreeuwde de burgemeester. "Mannen!
Eerst dezen kerel! De doos in, hoor!" Hij wees op Brandt, die rustig
zijn kop koffie zat leeg te drinken.
Onmiddellijk werd de jonge man met stompen en stooten van zijn stoel
getrokken, de kamer doorgesleurd en het huis uitgeworpen. Buiten gekomen
werd hij opgevangen door de anderen, geboeid en naar de woning van den
veldwachter geduwd, waar men hem voor 't overige van den nacht in een
gevangenhok opsloot.
Onderwijl werden de overigen met de blanke sabel de straat opgejaagd.
Alleen dominee Scholte viel de onderscheiding tebeurt, dat zes mannen
hem aangrepen en met duwen en slagen naar buiten sleepten en op straat
zetten.
Toen allen naar buiten gebracht waren, zag de burgemeester dat hij bij
vergissing het geheele huis ledig gemaakt had. Dat bagatel onrecht
herstelde hij door de familie Pos genadig te vergunnen weer naar binnen
te gaan. Gerrit Beukman hielp dit in zooverre, dat de burgemeester nu
voor hem iets door de vingers zag. Gerrit was wel een "vreemde van
buiten" en dus wederrechtelijk in de vergadering toegelaten; maar
enfin.... als oude kennis!... en de burgemeester was er ook de man niet
naar om op _alle_ slakken zout te leggen!
Eindelijk waren dominee Scholte en zijn gastheer weer thuis. Twee
broeders wachtten hen daar op, die hem nog even de hand drukken wilden
voor hij morgen weer naar Utrecht vertrekken zou.
Nog geen tien minuten zaten de vrienden onder een glas wijn bij elkaar
of nieuw bezoek kwam--onaangediend--binnen. De burgemeester die--wat
overigens zijn gebreken ook zijn mochten--in geen geval van
"plichtverzuim" te beschuldigen was! Met hem zijn gewone lijfwacht van
vier soldaten. Zonder eenige inlichting of opheldering--want tegenover
de Afgescheidenen was iedere burgemeester en luitenant een grondwet op
eigen houtje--plaatste de burgemeester twee gewapenden als wacht in de
huiskamer van Reijmeringer en beval den sergeant met de beide anderen
voor de deur te blijven. En nu was zijn werk afgeloopen; hij ging naar
huis; het was bedtijd!
De beide soldaten in de woonkamer gedroegen zich alleronhebbelijkst. Ze
tierden, vloekten, spuwden op den grond, en gingen er eindelijk toe over
om de vrouw des huizes te beleedigen. Ten einde raad ging Reijmeringer
met den sergeant spreken; gelukkig dezelfde die bij Pos dienst gedaan
had. Deze was welwillend genoeg om de beide manschappen te bevelen naar
buiten te komen.
Eindelijk kwam dus de nachtrust!
Hoe deze zaak verder liep?
Ten einde alle verdenking van overdrijving weg te nemen volgt hier
letterlijk het verhaal van de verdere lotgevallen van Brandt, zooals het
een maand later in "De Reformatie" opgenomen werd.
"De gearresteerde persoon, J. F. C. Brandt, geboortig uit het vorstendom
Lippe, welke, drie jaren te Amsterdam gewoond hebbende, nu, met eenen
behoorlijken reispas voorzien, in ons vaderland eenigen tijd zich
ophield, om afscheid van zijne familie te nemen, werd Maandagmiddag, op
last van den burgemeester, geboeid onder geleide van den dienaar en
gewapende militairen naar Loenen getransporteerd en aldaar insgelijks in
een hok opgesloten. De vrederegter te Loenen vergunde echter nog aan Ds.
Scholte zijnen neef in de gevangenis te bezoeken, hetgeen te Loosdrecht
geweigerd was. Dingsdagmorgen werd Brandt wederom geboeid langs den
grooten weg naar Utrecht gebragt en aldaar in het tuchthuis opgesloten.
Ds. Scholte had aan den officier verzocht de instructie spoedig te doen
voortgaan, dewijl hij zeker wist, dat Brandt niets misdaan had en dus
gewisselijk dadelijk in vrijheid gesteld zou worden.
Dingsdagavond zond de officier aan Ds. Scholte met eenen deurwaarder de
boodschap, dat, indien hij voor Brandt de reiskosten wilde betalen, men
hem nog dien avond in de diligence naar Deventer en vervolgens verder
naar zijn land zou zenden. Ds. Scholte zond de boodschap terug, dat hij,
verzekerd zijnde dat de reispas in orde en hij overigens onschuldig was,
dringend verzocht uitlevering aan den regter van instructie. Dat is dan
ook Woensdagmorgen geschied met die uitkomst dat hij na het verhoor
dadelijk op vrije voeten gesteld is."
De predikant Scholte was er de man niet naar om zoo brutale en
verregaande wetsovertreding en schending van grondwettig-gewaarborgde
vrijheid ongemerkt te laten voorbijgaan. Hij en zijn beide vrienden
Reijmeringer en Pos zonden ieder hun proces-verbaal aan den officier van
de Rechtbank te Utrecht. Deze heer ontbood eenige dagen later den
predikant--alleen om hem te zeggen dat hij aan de zaak niets doen kon.
Daarop werden onmiddellijk door de klagers copieën van de stukken met
begeleidend schrijven gezonden aan den koning en aan den
procureur-generaal bij het Hoog Geregtshof te 's Gravenhage.
Van den koning kwam nooit eenig antwoord. Enkele maanden na de inzending
der stukken kwam een deurwaarder mondeling den heer Scholte mededeelen:
"dat de procureur-generaal geen termen vond om den burgemeester van
Oud-Loosdrecht wegens het door hem gepleegde te vervolgen."
Met volle recht kon het Tijdschrift der Afgescheidenen vragen: "Welken
naam moeten wij nu geven aan zoodanige handeling, dat, wanneer inwoners
van Nederland hun beklag op behoorlijke wijs aan de bevoegde autoriteit
doen, en aan bepaalde personen, bepaalde en bij de wetten des lands
veroordeelde misdaden ten laste leggen, en daarover vervolging verzoeken
voor den bevoegden rechter, het publiek ministerie de klagers eenvoudig
afwijst met een antwoord, dat zij geen termen ter vervolging vinden?
Zijn de daden waarlijk gepleegd, dan behooren de daders gestraft te
worden volgens de wet. Zijn de te laste gepleegde daden niet waar, en
worden ze echter publiek iemand te laste gelegd, dan behooren die
klagers als lasteraars gestraft te worden, want ook daarin heeft de wet
voorzien.
Men is zoo gretig om de Afgescheidenen voor de Regtbanken te trekken;
waarom ook niet hunne tegenstanders, wanneer deze de wetten des lands
overtreden?"
XIX.
NIEUWE VRIENDEN.
Met open armen was de jonge vrouw, die Gerrit Beukman als echtgenoote
mede naar Bunschoten gebracht had, door de gemeente der Afgescheidenen
ontvangen. Haar man had den vervolgden zooveel diensten bewezen, al kon
hij geen kerkelijk ambt vervullen, dat men met volle vertrouwen en
groote liefde zijn gade in den kring opnam. En het duurde niet lang of
zij zelve had zich in menig hart een plaatsje veroverd.
Eén feit werd steeds met verwondering opgemerkt: Gerrit Beukman bleef
ongemoeid, ofschoon hij zich zijne belijdenis in geen enkel opzicht
schaamde. Doch de Afgescheiden gemeente te Bunschoten was geen gering
troepje, maar een macht, waarmee te rekenen viel, ofschoon staat en kerk
zich niet ontzagen haar op alle mogelijke wijzen te kwellen en verdriet
aan te doen. Het degelijk onderwijs en de aangename manier, waarop hij
met de kinderen omging, maakten echter dat de "bovenmeester" ook bij de
Hervormden zeer gezien was. En de burgemeester zou niet gaarne _die_
medeburgers tegen zich in 't harnas jagen.
Jannetje gevoelde zich in haar nieuwe omgeving recht op haar plaats; ze
leefde van harte mede met de broeders en zusters, die ze hier onder het
kruis vond. Een harer eerste bezoeken was bij de gezinnen van Vlok en de
Greef. De geloofsgenooten dezer vervolgden hadden voor stokken en
zeildoek gezorgd, en daarvan twee tenten gespannen, waarvan de vloeren
met planken belegd waren, zoodat de kracht van regenvlagen en
donderbuien tenminste eenigszins gebroken werd. Vrouw Vlok had zich ook
bij de Afgescheidenen aangesloten, maar de beide mannen en de kinderen
bleven lid van de Hervormde kerk. Dat hinderde hen niet bij de
Afgescheidenen, die het voorbeeld van gewetensdwang niet volgden; maar
evenmin hielp het hen bij den Hervormden kerkeraad of bij de wereldlijke
overheid, die den "afval" van de beide vrouwen op de geheele gezinnen
bleven wreken. De kerkeraden van de Hervormde gemeenten ontkenden kort
en goed, naar het verheven voorbeeld van hun geestverwant "le roi
soleil," Lodewijk XIV, alle recht om zich af te scheiden. Dat
ondervonden onder anderen vier behoeftige, maar niet bedeelde vrouwen te
Pijnacker in Zuid-Holland, die behoorlijk haar lidmaatschap opgezegd
hadden. Zij ontvingen het schrijven dat hier letterlijk volgt[1], omdat
het verdient zooveel mogelijk aan de vergetelheid ontrukt te worden. Het
kan zijn dienst doen tot voorlichting van hen, die nog oordeelen: "Wat
de onderscheidene kerkbesturen gedaan hebben, heeft, tot eene juiste
beoordeeling, nog altijd een nader onderzoek noodig[2]."
=Pynacker=, den 17^{den} Augustus 1837.
Aan de vrouwen E. HOEK, Wed. P. STOORVOGEL,
A. GROOTENBEER,
A. TUYL, Wed. H. VERWOERD, en
E. VAN DER VLIES.
De kerkeraad der Hervormde Gemeente te Pijnacker ontvangen hebbende een
missive van bovengenoemde personen d: d: 32 Augustus 1: 1: door welke
zij te kennen geven zich van het Hervomd Kerkgenootschap te hebben
afgescheiden, en alzoo verlangen dat hare namen uit het boek der
lidmaten onzer gemeente worden geroijeerd.
Gezien eene aanschrijving van de Minister van staat belast met de
Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk enz. d: d: 11
Dezember 1835 n^{o} 15. en gegrond op de inhoud van het Koninlijk
besluit d: d: 10 October 1835 n^{o} 71
Gelet op het besluit van Z: M: d: d: 5 July 1836 n^{o} 75 als mede op
eene aanschrijving van de Algemeene Synode der Hervormde Kerk in het
Koningrijk der Nederlanden d: d: 14 July 1836.
Heeft goedgevonden en verstaan aan de genoemde schrijfsters te berigten,
en gelijk dezelve dan ook berigt worden, door deze. Dat de Kerkekraad
vervuld is, met het diepste leedwezen, over zulk eene stap door de
schrijfsters gedaan, als niet anders dan nadeelig te kunnen werken _zoo_
op de rust, vrede, en liefde der Gemeente te dezer plaats _in het
algemeen_, _als_, op het welbegrepen belang der schrijfsters _in het
bijzonder_ en het zich daarom tot eene dure pligt rekend, dezelven met
den meeste ernst, en in den geest der Christelijke liefde te moeten
vermanen, om toch van deze hare dwaling te willen terug komen, en door
haar voorbeeld, niet mede te willen werken dat de schadelijke geest van
scheurmakerij (welke reeds zoo meenige vaderlandsche gemeente in de
laatste jaren heeft beroerd) ook in ons midden deszelfs verderfelijke
invloed verspreide, en weshalven de Kerkenraad haar op grond van het
dierbaar Evangelie onzes Heeren, bezweerd, om met ootmoed en nederigheid
hare dwaling te willen belijden, en in den schoot der Gemeente weder te
keeren, haar belovende om, bij zulk een bestaan, het plaats gehad
hebbende, met den mantel der liefde te zullen bedekken, en deze
bedroevende zaak als niet geschied zijnde te zullen beschouwen.
Dat echter bij onver hoopt volharde, in deze dwaling en zucht tot
scheurmakerij, de Kerkenraad zich in alles zal behooren te gedragen
overeenkomstig de wetten en bepalingen, hier boven genoemd, en bij te
kort koming van deszelfs kerkelijk gezag, de hulp van de burgerlijke
rechter zal dienen in te roepen, ten einde aan de uitvoering van den wil
onzes geéérbiedigden Koning stiptelijk de hand worden gehouden.
Dat de Kerkenraad het intusschen noodig acht de schrijfsters bij deze
herrinneren, dat ofschoon zij in deze hare dwaling mogten volhouden,
nochtans hare namen op het lidmaten boek niet kunnen worden geroijeerd,
als zijnde het plaatsen op dezelve eene _daadzaak_ welke met geene
mogelijkheid _ongedaan_ kan gemaakt worden, en zij (schrijfsters) ook
steeds door de Kerkenraad zullen beschouwd, bezocht en behandeld blijven
worden, als wezentlijk behoorende tot het Hervormd Kerkgenootschap te
dezer plaats, en zij schrijfsters dan ook wederkeerig onder de
verpligting blijven verkeeren, om mede te moeten bijdragen in de
kerkelijke lasten, welke bij hoofdelijke omslag in deze gemeente geheven
worden, en niettegenstaande dit alles zij schrijfsters zich zelve
moedwillig zullen berooven van het voorrecht, om wanneer zij immer tot
armoede mogte vervallen (het geen God genadig verhoeden) op eenige hulp
of onderstand, zoo van het rijk, gemeente of Diakonie te kunnen rekenen.
Dat de kerkenraad gemeend heeft deze zaak (als voor het eerst denzelven
in de Gemeente voorkomende) op deze meer uitgebreide wijze te moeten
behandelen, ten einde onder den zegen Gods daardoor misschien het kwaad
in deszelfs beginsel mogt kunnen worden gestuit, maar dat dan ook van nu
voortaan geen gevolg aan eenig geschrijf meer zal worden gegeven
achtende de kerkenraad deszelfs tijd te kostbaar dan om dezelve aan
twistgeschrijf te verbeuselen en weshalve men den koster heeft gelast,
gene brieven over soortgelijke onderwerpen meer aan te nemen, maar aan
elk die iets met de kerkenraad meent te doen te hebben, de gelegendheid
te geven, om iederen zondag na het eindigen der middag
Godsdienstoefening in de konsistorie te komen verschijnen.
En wijders dat, indien er onverhoopt nog meerdere dergelijke brieven
mogten ingezonden worden, de kerkenraad als dan dezelve zal te rug
zenden, met _dit alles afdoend antwoord_, en waarop dan ook de
schrijfsters van dezen brief nog ten slotte worden gewezen.
Zie het besluit van Z. M. den koning d. d. 5 July 1836 N^{o}. 75.
_De Kerkenraad der Hervormde Gemeente van Pynacker._
JOH'. DE JONG, _Predikant_.
J. VAN DER WAL.
W. V. D. VELDEN.
P. ZEGWAARD.
G. LAMENS, _Ouderlingen_.
L. V. D. KOOY.
HT. VAN DER ELST, _Diakenen_.
Terwijl nu de kerkeraad der Hervormde gemeente te Bunschoten zijn best
deed om zich het oordeel van den Zoon des menschen op den hals te halen:
"Ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij
hebt mij niet gekleed", stak de burgervader geen vinger uit om het lot
zijner medeburgers te verzachten.
In het geheele dorp was geen enkele woning open, behalve de beide
hutjes, waaruit zij, die "over de noodige zaak der barmhartigheid"
gesteld waren, hun slachtoffers verjaagd hadden. Twee meergegoede leden
van de Afgescheiden gemeente ruimden daarom ieder een groot deel van hun
schuur in en maakten die voor een der beide gezinnen bewoonbaar.
De gezondheid van vrouw de Greef had veel geleden door de haar aangedane
behandeling. De jonge vrouw van den "meester" bezocht haar dikwijls;
nooit met een ledig hart en zelden met ledige handen.
Onder haar nieuwe vriendinnen ontmoette Jannetje meer dan anderen de
jeugdige weduwe Poort, die zoo levendig aandeel nam in al wat tot steun
en opbouw van de gemeente des Heeren strekken kon. Hoeveel hadden zij
niet met elkander te bespreken, en de een de ander te verhalen uit eigen
ondervinding!
"Zeg me toch eens, Reintje," vroeg Jannetje haar vriendin op zekeren
zomernamiddag, "hoe gaat het toch met dien ontslagen veldwachter? Ik heb
hem nog niet gezien, maar mijn man heeft me veel van hem verteld."
"Koelewijn meen je? Die man is een waar toonbeeld van Gods genade. Toen
de vervolging begon was hij even ijverig als de andere vijanden, maar
gaandeweg heeft hij leeren inzien dat wij niets misdeden; dat we in onze
heiligste rechten gekrenkt werden; en eindelijk kon en mocht hij er niet
meer aan meedoen. Toen werd hij op staanden voet uit zijn brood
gestooten."
"Gerrit zei me dat de burgemeester op last van den gouverneur handelde."