Wat viel er al niet over en weer te bespreken en te vertellen tusschen

die beide gelukkige menschenkinderen, die daar aan den boschrand op het

kussen van bloeiende struikheide in den vollen zonneschijn zij aan zij

zaten! Het sprak zoo vanzelf dat _zij_ beiden één werden. En toch hoe

licht zou hetgeen vanzelf sprak niet gebeurd zijn!

Poëtisch waren ze geen van beiden aangelegd; hoe een verloving eigenlijk

behoort te geschieden, was hun onbekend; dat er misschien iets

romantisch was of behoorde te zijn in dit uurtje wisten ze niet. Het

eenige van dien aard, wat Gerrit zei, was: "Dat is door de

omstandigheden een dubbeltje op z'n kant geweest!" En het eenige wat

Jannetje daarop antwoordde was: "Maar de Heere heeft alles wélgemaakt."

Overigens was hun verloving meer voor anderen dan voor henzelven

poëtisch en romantisch. Hun kerk was _onder het kruis_! En dat kruis

wierp zijn slagschaduw over geheel het dagelijksch leven van al haar

leden. Galg, galeien en vrouwengevangenissen voor Gods kinderen had

Nederland niet van Frankrijk overgenomen; maar ons land--eenmaal de

bakermat der vrijheid en de herberg der kerk--had wel een Code Pénal

gekregen. En dat was genoeg in de handen van machthebbers in staat en

kerk, die het gaarne gebruikten, om Nederland, voor zoover

gewetensvrijheid betrof, aan het Frankrijk der zeventiende eeuw gelijk

te maken. "De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen

den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder."

Wat zouden Jannetjes ouders? En indien dat goed liep, toch wisten de

jong-verloofden zeer wel dat ze telkens wanneer ze met de gemeente

samenkwamen, blootstonden voor den martelaarsdood in de volle beteekenis

des woords. Eén slag met den stok van een vijandigen politieagent, één

bajonetsteek van een liederlijken soldaat, in naam van koning en kerk,

op verzoek van de Synode en op bevel van burgemeester of luitenant

toegebracht, kon hen hunne belijdenis met hun bloed doen bezegelen. Ze

zouden de eenigen niet geweest zijn, wien dat overkwam. En indien 't zóó

erg niet liep: één kwaadaardige gril van willekeur bij gouverneur der

provincie of schoolopziener kon hen op staanden voet broodeloos maken.

"Een, twee, drie, vier!" telde Jannetje opspringend; "vier uur, ze

zullen niet weten waar ik blijf!" Vier heldere tonen uit het

kerktorentje van hun dorp hadden hun oor getroffen;--het eenige voordeel

dat ze nog hadden van het kerkgebouw, dat toch ook het hunne was.

Tamelijk snel begaven ze zich huiswaarts.

"Mag ik vanavond je ouders komen spreken?" vroeg Gerrit zijn geliefde.

"Vanavond is mijn kerkbeurt," antwoordde Jannetje; "en misschien is het

goed dat ik eerst.... Neen, kom morgenavond."

Het was voor vader en moeder Beukman een heerlijk bericht, dat hun zoon

hun bracht. Van hun ouderlijken zegen konden de jongelui zich verzekerd

houden.

Wat zou vader Huiskamp zeggen?

Dat had erger kunnen uitvallen dan het deed.

Teunis Huiskamp zat--heel conservatief in zijn gemoedelijke

rechtzinnigheid en zijn Hervormde-kerk kerkisme vast; maar het was geen

doode orthodoxie en geen verketterend kerkisme. Een alleen-zaligmakende

leer of kerk had hij nooit gehad.

Maandags avonds zat Gerrit nauwelijks een kwartier bij zijn buren in de

gezellige keuken een pijpje te rooken,--Jannetje had het in haar eigen

opkamertje erg druk--of zonder veel omwegen kwam hij met de groote zaak

tevoorschijn.

"Buurman Huiskamp; ik heb gisteren middag een poosje met je dochter

gesproken."

"Zoo, zoo!" bromde Huiskamp, die er reeds alles van begreep.

"Wel! wel!" riep moeder, die dat bericht reeds een paar jaren vroeger

verwacht had.

"Ja; en Jannetje zei dat ik maar eens met u moest spreken."

"Zoo, zoo!"

"En nu kwam ik u vragen om het goed te vinden als wij het samen eens

worden."

"Zoo, zoo!"

Huiskamp zat met kennelijk genot kleine rookwolkjes uit te blazen;

moeder ging ijverig met haar breikous voort.

Iedere oningewijde zou gedacht hebben dat het gesprek op het doode punt

aangeland was; maar Gerrit begreep uit de houding der beide mogendheden

dat de zaak nog niet zoo ongunstig stond.

"Vader, zeg je nou niets?" vroeg de boerin eindelijk aan haar man.

"Wat zal ik zeggen?"

"Wel! wat je d'r van denkt. Ik voor mij, als ik er wat in te zeggen zal

hebben, dan moet ik eerlijk bekennen dat voorzooveel mij aanbelangt...."

"En zei Jannetje niets meer?" viel vader Huiskamp zijn vrouw in de rede;

want hij zag tot zijn verdriet dat die alweer met haar gewone

vrouwelijke haastigheid de zaak hals-over-kop tot beslissing dreef.

"Laten we 'reis eerst verder hooren!"

"Och, buurman," antwoordde Gerrit; "wat zou ze zeggen?.... we hebben een

heele poos met elkaar gepraat,.... maar we kennen elkander zooals je

weet van jongsaf en waren altijd samen. En het eenige waar ik vroeger

nog wel bang voor wezen kon, is nu ook opgelost."

"Ja," zei moeder Huiskamp, zonder de dubbelzinnigheid te bedoelen, die

in haar woorden lag, "dat is ons dan ook een groot verdriet."

"Als ze mij nou vooruit gevraagd had," verzekerde vader Huiskamp; "dan

zou ik gezeid hebben: kind, weet wèl wat je doet."

"Buurman!" pleitte Gerrit weer; "ik geloof dat ze goed geweten heeft wat

ze deed."

"Hm!" bromde Huiskamp.

.... "en dat we samen voor het aangezicht des Heeren de zaak besproken

hebben."

"Hm!"

"Ik hoop nu maar van de goede vrienden mijner ouders, dat ze me met een

gunstig antwoord zullen verblijden."

"Hoor 'reis," zei vader na een heele poos zwijgend te hebben zitten

rooken, "als Jannetje bij ons was gebleven, dan had je haar _niet_

gekregen! Wat jij moeder?"

"Je meent, vader, nadat Gerrit van ons is weggegaan."

Vader knikte toestemmend: "Maar nou ze allebei...."

"Ja, ik zeg maar altijd, Jannetje is een best kind, en goed ook; maar ze

heeft zoo haar eigen zinnetje."

"Niet dat ik zou willen zeggen," vervolgde vader, "als dat er geen ware

kinderen Gods onder de Afgescheidenen zijn; dat is er ver vandaan! Ik

heb er menigeen van mijn beste vrinden onder, van wien ik het goede al

jaren lang gelooven mag. Maar ik vraag maar: waar dient het toe?"

"Ja," zuchtte moeder; "maar het geval ligt er nu eenmaal toe. En je kan

ook nooit weten hoe de Heere met een krommen stok nog eens een rechten

slag geeft."

Gerrit zat met taai geduld den uitslag van die beraadslagingen af te

wachten, zonder eenige neiging te voelen om op de kerkrechtelijke

geschillen in te gaan.

Vrouw Huiskamp schonk hem een kop koffie in en het hoofd des gezins

schoof hem den tabakspot toe. Gunstiger voorteeken had hij niet kunnen

verlangen.

Eindelijk zei vader--die 'n minuut of vijf vergeefs gewacht had of

Gerrit ook nog eens het woord zou nemen:--

"Nou dan mot het dan maar! Wat jij, vrouw?"

"Als vader er mee vereenigd is, zal ik er niets tegen zeggen!"

Zwijgend drukte Gerrit beiden hartelijk de hand.

"Ja, van dat verschil...." begon vader opnieuw;.... "maar ik zal er het

zwijgen toe doen."

"Vader," vroeg zijn vrouw; "zal ik Jannetje nou maar eens roepen?"

"Ja, dan maar!"

Met Jannetje ging het vlugger; die antwoordde op de vraag: "Zult gij met

dezen man trekken?" al even spoedig als eens Rebekka, kort en goed: "Ik

zal trekken."

"Die vrouwen!" zuchtte vader hoofschuddend; "allemaal één pot nat...

Maar laten we nu het aangezicht des Heeren zoeken."

__________

[1] en is nooit beantwoord.

[2] Ja zelfs in sommige boeken nóg staan, omdat er "geen bericht van

overlijden inkwam."

XVII.

DUBBEL ONTSLAGEN.

Zondag 17 September 1837 zou een drukke dag worden voor de militairen,

die nog altijd sedert begin Mei van dat jaar opnieuw in Bunschoten

ingelegerd waren, nadat de vervolgden gedurende enkele dagen verademing

gekregen hadden. Dien dag moesten ze op verschillende plaatsen tegelijk

de orde handhaven.

Bij W. Hartog, een der ingezetenen, vergaderden eenige broeders en

zusters om straks, na gemeenschappelijk gebed en gezang, een predikatie

van Smijtegelt te hooren voorlezen door Jan Verlinden, die werk gevonden

had, in het dorp was blijven wonen en de kleine gemeente als diaken

diende. De soldaat, die als kwelgeest in Hartog's huis geplaatst was,

hinderde de opkomst niet.

Toen twintig personen--de bewoners van het huis veiligheidshalve

medegerekend--bijeen waren, traden nog twee leden der gemeente binnen.

"Goeden morgen samen; we zijn zeker wel de laatsten?"

"Broeders," antwoordde de heer des huizes; "je bent een en twintig en

twee en twintig. Zou het misschien ook verstandiger wezen om naar zuster

R. Poort te gaan? Daar is ook godsdienstoefening; het is vlak bij en het

is nog niet te laat, anders worden we hier allicht binnen een kwartier

allemaal de deur uitgezet."

"We willen je niet hinderen!" antwoordden de binnengekomenen. "We gaan

dadelijk weg. De Heere zij in je midden."

Ze voegden de daad bij het woord en begaven zich ten spoedigste naar het

huis van de weduwe Poort. Daar vonden ze twee militairen voor de deur,

maar dezen lieten hen ongehinderd naar binnen gaan.

De ruime keuken, die voor de godsdienstoefening ingeruimd was, bevatte

ook reeds twintig gemeenteleden. De soldaat, die aanwezig moest zijn om

"de orde te bewaren"--schappelijker dan meestal het geval was--telde de

aanwezigen, doch zei: "Twee te veel, maar ga jullie je gang maar!"

De voorganger, een der ouderlingen, opende daarop de samenkomst met

gebed, liet een paar psalmverzen zingen en zou juist overgaan tot het

voorlezen van de daartoe bestemde leerrede, toen de deur opengeworpen

werd en een sergeant binnentrad.

"Ik gebied in naam des konings onmiddellijk uiteen te gaan; je bent

boven het bij de wet toegestane getal."

"Ik verzoek u wèl er aan te denken," antwoordde de voorganger; "dat de

beide soldaten buiten, zoowel als de militair, die hier in het lokaal

is, belast waren met de zorg dat alles wettig toeging, en dat die geen

van drieën aanmerking gemaakt hebben."

"Ik kom hier," hernam de sergeant, "omdat een van de manschappen, die op

wacht staat, den luitenant gewaarschuwd heeft."

"En ik houd het er voor," gaf de ouderling hem terug, "dat de sergeant

geen misbruik zal maken van een handelwijze zijner soldaten, die hij

zelf niet goedkeuren kan. Deze vriend was hier gezet om te tellen; we

hebben zijn toestemming en zijn dus niet genegen uiteen te gaan voordat

de voorlezing geëindigd is."

"Ik zou jelui met de blanke sabel en de bajonet kunnen wegjagen...."

"_Kunnen_;" hernam de ouderling; "kunnen, ja! maar tegen de wet!"

"Laat me uitspreken! Ik zou dit kunnen doen, maar wil daar op mijn eigen

houtje niet toe overgaan."

Met deze woorden ging de sergeant tot aller verwondering de deur uit. De

dienst liep verder ongestoord. Na de voorlezing der leerrede werd met

gebed gesloten; de ouderling gaf op en las voor als nazang Ps. 42:2, 6.

Mijn tranen ende mijn klachten

Zijn mijn spijs die mij steedts voedt;

Als men mij vraeght met verachten:

Waer is nu uw Godt soo goedt?

Ick smelt als ick denck daeraen.

Hoe ick voormaels plagh te gaen

Met een hoop volcks hier te lande.

Om u Heer, te doen offrande.

Waerom wilt ghij u zoo quellen

En beroert sijn, o ziel mijn?

Wilt gantsch uw hoop op Godt stellen,

Van u sal hij gedanckt zijn

Als hij door sijn....

"Zwijg kerel!" dreunde plotseling een zware stem door het vertrek.

Luitenant Veere was naar binnen gestapt, gevolgd door den sergeant, zes

gewone manschappen en veldwachter Koelewijn. Allen, behalve de

luitenant, bleven aan den ingang staan, maar de luitenant trok de sabel,

liep op den ouderling toe, rukte hem het psalmboek uit de hand en smeet

dat met een vloek door 't geheele vertrek heen in een hoek.

"En nu direct de deur uit!"

"Met welke volmacht handelt ge zoo?" vroeg de ouderling.

"Wou je dát weten? Kijk hier!" De officier hield den weerloozen man de

blanke sabel voor oogen. "Volmacht genoeg tegen jou en je gelijken! En

nu geen praatjes meer of je krijgt de volmacht te voelen!"

De ouderling bewoog zich niet.

"Veldwachter!" schreeuwde de luitenant; "haal dien vent weg!"

"Met uw verlof, luitenant," antwoordde Koelewijn waardig; "zonder order

van het hoofd van politie mag ik niemand arresteeren dan die er door

wangedrag aanleiding toe geeft."

"Wat doe je dan hier?" schreeuwde de luitenant met een paar vreeslijke

vloeken.

"Ik heb order van den burgemeester om met u mee te gaan; meer niet."

"Ik zal jou wel vinden!.... Hier, mannen!"

De vier soldaten naderden.

"Gooi hem de deur uit, en dan de rest naar buiten."

Onmiddellijk werd de ouderling door vier paar ruwe vuisten aangegrepen,

weggesleurd en met een smak het huis uitgeworpen.

"Nu jullie! Alla!" raasde de luitenant.

Binnen twintig tellen was de keuken leeggejaagd; alleen de bewoonster

van het huis had met groote moeite gedaan gekregen, dat zij niet haar

eigen woning uitgesmeten werd.

Het speet den luitenant genoeg dat hij zoo laat gekomen was; ja bijna te

laat, want er zijn geen vijf minuten noodig om twee psalmverzen te

zingen. Maar het onkruid der Afgescheidenen wies zoo snel, dat er bijna

te veel werk aan den winkel kwam voor één overste. Eerst was de

luitenant gewaarschuwd door den soldaat, die bij Hartog ingekwartierd

was. Juist zou hij daarheen gaan, toen een der soldaten, die bij de

weduwe Poort op wacht gesteld waren, rapport van wetsovertreding brengen

kwam. Hij liet dus den sergeant ontbieden en zond dien naar het

laatstgenoemde adres, terwijl hij zelf wel even bij Hartog "den boel

opscheppen zou." Maar er viel niets op te scheppen; er was niemand in

"geestelijk gewaad;" er was geen ouderling, geen diaken, en hoe hij ook

telde en zocht, het geheele huis door, tot zelfs in kasten en onder het

beddegoed in de bedsteden: twintig bleef twintig, en vier inwonenden die

vrij waren, van de twintig afgetrokken, bleef slechts zestien. Helaas,

vijf te weinig om ze met bajonet of sabel op straat te jagen. Toch

maakte hij zekerheidshalve proces-verbaal op.

In zijn kwartier terugkeerend, vond hij daar dien ezel van een sergeant,

die zich met een kluitje in het riet had laten sturen. Dus moest hij er

al weer zelf op uit! Zijn ijver voor het welzijn des vaderlands belette

hem den twee en twintig oproerlingen de laatste vijf minuten te

schenken. Toch hoe dolgraag hij ook zulk werk deed: geregeld elken

Zondag één troep was prettiger.

Maar dien veldwachter zou hij wel vinden! En hij was zoo goed als zijn

woord. Wel gingen er een paar weken voorbij, zoodat Hartog en Koelewijn

zich reeds verbeeldden, dat de zaak met een sisser afliep, doch uitstel

was geen afstel.

Den 2^{en} October werden Hartog en Verlinden beiden gedagvaard om den

5^{en} daaraanvolgend voor de Rechtbank van correctioneele zaken te

Amersfoort te verschijnen. De wegen der gerechtigheid in die dagen waren

onbegrijpelijk. Verlinden, die de verboden godsdienstoefening geleid

had, werd vrijgespoken; Hartog, die daarvoor zijn huis geleend had, werd

veroordeeld tot betaling van [f]10.- boete en de gerechtskosten. De

overwegingen, welke tot die fraaie uitspraak geleid hadden, waren zoo

diepzinnig, dat ook de Rechtbank te Amsterdam er niet bij kon en het

vonnis in hooger beroep vernietigde.

Koelewijn kwam er minder goed af.

Woensdag, den 11^{en} October, kwam de veldwachter als gewoonlijk 's

morgens aan het raadhuis, om de bevelen van den burgemeester te

ontvangen. Nadat de loopende zaken behandeld waren, en terwijl de

veldwachter reeds meende dat hij zou kunnen vertrekken, zei de

burgervader: "Koelewijn, ik heb je nog even iets te zeggen. Je hebt het

al weer verkorven."

"Wat is er tot uw dienst, Edel Achtbare?"

"Ja; dat ziet er leelijk voor je uit! Ik heb hier een brief van Zijne

Excellentie den Gouverneur van Utrecht, die over je handelt. Je hebt

geweigerd de bevelen van luitenant Veere op te volgen, hé?"

"Edel Achtbare, ik wist niet dat ik onder de bevelen van een luitenant

kon staan."

"Nu ja; laten we nu niet over een paar woorden kibbelen! Maar den

17^{en} September bij de weduwe Poort aan huis werd je gelast dien

separatist, die daar stond voor te lezen, de deur uit te zetten en dat

heb je geweigerd. Waarom was dat?"

"Edel Achtbare, omdat die man zich niet misdroeg en er geen order van

UEdel Achtbare was om hem te arresteeren."

"Goed! já, daar zal ik niets tegen zeggen; maar nu heb je daardoor

jezelf leelijk de deur uitgezet. Dát was toch zeker je bedoeling niet!

Ik heb hier je ontslag."

De burgemeester overhandigde den veldwachter een papier. Koelewijn las

het; ja, alles was in orde: datum, inhoud, zegel, handteekening, alles;

alleen het rechtsbeginsel ontbrak; maar dat deed er minder toe, het

machtsbeginsel was er, en dát was voldoende. Of Koelewijn dat stuk eens

of honderd maal las, er viel niet aan te veranderen; hij kon tot den dag

uitbetaald worden en was ontslagen met ingang op 10 October 1837.

"Wat zeg je daarvan?" vroeg de burgervader.

"Gods wil geschiede! _Hij_ ziet het onrecht!"

"En wat nu je betrekking als dorpsbode aangaat.... ja!... dát..."

"Edel Achtbare, tusschen die twee betrekkingen bestaat toch geen

verband."

"Neen, verband, als je 't zóó noemen wil, eigenlijk niet. Maar zie je,

er is toch groot bezwaar. Die post wordt wel door den Ambachtsheer

begeven, en afgezet ben je nog niet, maar het is toch erg

gevaarlijk--gevaarlijk voor _mij_, begrijp je? om je maar aldoor

daarvoor te blijven betalen alsof er geen vuiltje aan de lucht was."

"Mag ik dan ook geen dorpsbode meer zijn, Edel Achtbare? Met vrouw en

drie kinderen! En den winter voor de deur! Waar moeten we dan van

leven?"

"Ja; het _is_ beroerd! Maar ik weet niet waar ik je uit betalen moet...

Kerel, had dan ook naar raad geluisterd! Ik heb je zoo duidelijk

gewaarschuwd, maar jij was altijd op de hand van de Separatisten; die

oproermakers! Nu zie je en ondervind je de gevolgen!"

"Dus Edel Achtbare, van vandaag af krijg ik ook mijn traktement als

dorpsbode niet meer? UEdel Achtbare betaalt me niet meer uit?"

"N... neen! Ik zou niet weten waarvan! Als 't weer in orde komt...."

"Maar ik _ben_ niet afgezet!" riep Koelewijn, die ditmaal het "Edel

Achtbare" vergat.

"Afgezet ben je _niet_, maar zoo goed als.... Ik weet waarlijk niet....

Maar kijk, of we nu lang of kort samen praten, daar wordt de zaak niet

beter om. Hier heb je mandaat als veldwachter.... en hier als

dorpsbode.... ga nu met die twee dingen meteen naar den ontvanger, dan

betaalt die je dadelijk uit. Dan heb je direct wat geld in handen.

Nu.... goeden morgen!"

"Maar Edel Achtbare...."

"Hoor eens," zei de burgemeester op zijn horloge kijkende, "ik heb

vanmorgen heel wat te doen, en straks komt er weer iemand om me te

spreken, zoodat onze conferentie nu is afgeloopen. Maar ik wou er toch

even den tijd afnemen om het je zelf te zeggen!.... Dag Koelewijn!"

Burgemeester wuifde de hand tot afscheidsgroet en wees meteen naar de

deur.

Langzaam ging de veldwachter de kamer uit.

"Hoe soude 't Godt weten? Ende sou'er wetenschap zijn bij den

Allerhoochsten?" Deze wanhoopskreet van Asaf wrong zich ook uit het hart

van den eenvoudigen veldwachter naar boven, toen hij met z'n handjevol

geld bij den ontvanger vandaan kwam. Want eerst aan het einde van zijn

psalm zong Asaf: "Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart, zoo is God de

rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!" En veldwachter

Koelewijn had ook eenigen tijd noodig eer deze geloofsroem de zijne was.

"Straks komt er iemand anders om me te spreken," had de burgervader tot

den ontslagen veldwachter gezegd. Die iemand anders naderde even over

half-twaalf juist het raadhuis toen Koelewijn de stoep afkwam.

"Goeden morgen, Koelewijn! Wat kijk je neerslachtig, beste vriend!"

"Ja, meester," gaf Koelewijn Gerrit Beukman ten antwoord, "daar is

vleesch en bloed ook maar niet zoo op slag mee vereenigd." In korte

woorden verhaalde hij wat zooeven geschied was.

"Het is schandelijk!" riep Gerrit verontwaardigd. "Ik ben ook ontboden."

"Dan sta de Heere je bij, meester!"

Met hartelijken handdruk scheiden de broeders van elkaar.

Beukman werd dadelijk bij den burgemeester toegelaten.

"Zoo meester! Ga zitten; ik zal u niet lang aan de praat houden; maar ik

heb van hooger hand een heel duidelijke wenk gekregen. "Is alles in zijn

school wel richtig?" wordt me gevraagd. "En is hij bereid om alle

landswetten vrijwillig te gehoorzamen?" Je bent Separatist hè?"

"Burgemeester, ik ben lid van de Afgescheiden Gemeente."

"Dan mag je wel driedubbel op je tellen passen, man. Er is geen reden

waarom je den weg van Jan Verlinden op zou willen, hè?"

"Burgemeester, zeg me maar ronduit: ligt mijn ontslag gereed?"

"Gereed zal ik nog niet zeggen, maar.... Ik voor mij zou niet graag

verandering zien, en de heele bevolking mag je graag lijden.... en

toch.... als je soms ouderling of diaken, zoo noemen jullie het immers

ook? ging spelen, of als ze je in onwettige samenkomsten snapten, dan

zou ik je voor niets kunnen instaan; begrepen?"

"Burgemeester, ik dank u!.... Maar Gods wil geschiede!"

"Ja, zoo! dat zeggen jullie allemaal naar 't schijnt. Nu... je weet er

nu alles van!"

Met deftig handgebaar gaf burgemeester afscheid.

"Und dennoch! sprak de groote Luther driehonderd jaar geleden!" dacht

Gerrit bij het naar huis gaan. "En in Gods kracht zeg ik hem na: En

toch!"

XVIII.

"ONDER HET KRUIS."

Vader en moeder Huiskamp zaten met Jannetje, na volbrachte dagtaak,

onder de geschoren lindeboomen op de groene bank voor het huis een

luchtje te scheppen. Het was een heldere zachte avond in de eerste helft

van Mei 1838.

"Dus als ik het nou goed begrijp," zei vader langzaam tot zijne dochter,

"dan zou dat den vijftienden van de volgende maand wezen."

"Ja vader," antwoordde Jannetje gelaten; zeker reeds voor de tiende maal

in de laatste drie dagen; "dat is Vrijdag den 15^{en} Juni."

"Zoo, zoo! Ik zie d'r nog geen gat in!" hernam vader, evenzoo zeker voor

de tiende maal in de laatste drie dagen.

"Hoe bedoel je dat, vader?"

"Hoe dat dát gaan moet."

"Maar, vader, je hebt toch je toestemming gegeven en moeder ook; en de

ouders van Gerrit vinden het ook best; en...."

"Ja, dat is allemaal goed en wel, maar ik bedoel verder, zie je."

"En Gerrit heeft toch een goede betrekking; en we zijn ook zoo jong niet

meer...."

"Neen.... wat dát allemaal aanbelangt;.... ik en moeder hebben ook onze

toestemming gegeven. Ja, dus den vijftienden van de volgende maand?"

"Ja, vader."

"Kijk, kind," zei moeder; "Ik weet wel wat vader zoo drukt, en als ik de

ronde waarheid zal zeggen: mij niet minder. Trouwen is goed en wel en

naar de wereldsche instelling van menschen moet dat op het raadhuis en

door den burgemeester; daar gaat niets van af;.... maar dán zie je!"

"U bedoelt de inzegening in de kerk?"

"Ja.... dát laten jullie dan niet doen, zie je!"

"Maar, moeder!" riep Jannetje verwijtend.

"Ja, ik weet wel wat je zeggen wil; maar eigenlijk toch niet, zie je.

Het is dan toch op z'n mooist een afgezette dominee en maar bij een van

jullie ouderlingen of bij een vriend aan huis. En dat kan me zoo erg

aangrijpen; maar ik kan er niets aan doen!"

"Moeder, de zaak is toch maar dat het huwelijk ingezegend wordt in een

samenkomst van de gemeente; en of dat nu in een mooie kerk of in een

schuur gebeurt.... die uiterlijkheden. En het is dan toch ook onze

schuld niet, dat het niet in de kerk kan!"

"Ja, kind, ik zal je niet heelemaal tegenspreken; maar 't is jammer! 't

is jammer!"

"Onzen zegen heb je;" zei vader; "maar hoe moet dat dan verder?"

"Kijk, vader; Zondag den zeventienden Juni, preekt dominee Scholte hier,

en dan zou meteen ons huwelijk ingezegend worden."

"Dus," hernam vader, "jullie willen niet in de groote kerk!"

"Maar al zouden we willen," wierp Jannetje tegen, "dan zou dat immers

niet eens _kunnen_."

"Neen," zei moeder, "dat 's te zeggen als je blijven wat je bent. Maar

vader en ik dachten soms zoo bij ons eigen...."

"Dat we misschien weer Hervormd werden?" viel Jannetje haar vragend in

de rede. "Dat kan u toch haast niet meenen!"

"Nou," zei vader; "dan moeten we er ons maar bij neerleggen. En dan

kunnen ik en moeder bij je eigenlijke trouwen niet bij wezen."

De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland · 第 8 / 11 段