"Ja.... als je 't gelooven wil! Neen Jannetje; hij was wel degelijk door

den burgemeester voor ontslag voorgedragen. Ik heb zijn ontslagbrief

zelf gezien. Daar schrijft mijnheer Van Toulon met zooveel woorden in:

"Gezien hebbende de missive van den burgemeester van Bunschoten van 10

Mei 1837, houdende dat de veldwachter zijner gemeente geweigerd heeft

aan zijne bevelen te voldoen.... heeft goedgevonden en verstaan den

persoon van Dirk Koelewijn uit zijne betrekking als veldwachter te

ontslaan." Maar er wordt geen enkel _feit_ van ongehoorzaamheid

opgenoemd. Koelewijn heeft nooit geweigerd den burgemeester te

gehoorzamen; maar weigerde op order van de luitenants en de sergeants

ons te mishandelen.... De man is nu niet meer hier, maar heeft, als ik

wèl heb, werk in Utrecht gevonden.... Hij is de eenige niet!"

"Neen; Gerrit vertelde me van zijn ondermeester Jan Verlinden."

"Ja, die ook. Maar je weet toch wel wat hier een paar maanden geleden

met Nagel gebeurd is?"

"Wat dan?"

"Je moet weten: Gijs Nagel was hier nachtwacht, een goed vriend van

Jakob Baas, de broer van mijn zwager Jan. Nu: Zondag den 11^{en}

Februari waren eenige leden van de gemeente bij Jakob en anderen bij

Nagel aan huis vergaderd. Allebei hadden ze een heele troep gemeen voor

't huis. Bij Jakob was de dienst pas begonnen of de burgemeester aan 't

hoofd van een troep soldaten drong naar binnen en joeg de gemeente

uiteen. Hij liet vier of vijf soldaten achter om het huis te bewaken en

ging met de rest zóó naar Nagel. Ze trapten de deur in en drongen naar

binnen. Maar er waren geen twintig menschen, zoodat de wet niet

overtreden was. Nu zou je denken: daar is de geschiedenis mee uit. Maar

jawel! den volgenden dag werd onze goede vriend Nagel als nachtwacht van

zijn bediening ontzet."

"Hoe kon dàt nu!" riep Jannetje.

"Ja mensch, vraag dàt niet! Wat kan er _niet_; tegen Afgescheidenen!

Maar eigenlijk kon het toch niet want zoodra ze het gedaan hadden, zagen

de burgemeester en de assessoren, dat ze hem eerst voor zes weken hadden

moeten schorsen. Daarom werd den volgenden dag zijn ontslag ingetrokken

en werd hij geschorst."

"Zoo wordt alles een kwaadaardig spelletje!"

"Jawel; maar daar bleef het niet bij. Zaterdagmorgen, den 17^{en},

werden plotseling mijn zwager Jan, en Jakob Baas, Gijs Nagel en Willem

van de Kolk...."

"Is dat die Van de Kolk waar verleden jaar de soldaten zoo schandelijk

huisgehouden hebben?"

"Dezelfde; de ontvanger van de Eem- en havengelden; die vier werden door

politie en soldaten uit hun huizen gehaald, geboeid en te voet naar

Amersfoort overgebracht. Waarom? vraag je. Dat weten ze zelf nóg niet!

Daar werden ze bij allerlei soort van misdadigers in de gevangenis

gestopt. 's Middags laat moesten ze voorkomen en werden uit en na

ondervraagd over alles en nog wat. En het slot was dat ze 's avonds om

zeven uur alle vier weer naar huis gestuurd werden; zoo maar, zonder

inlichtingen, zonder vergoeding: "Jullie kan nu wel maar naar Bunschoten

teruggaan! Goeien avond!""

"Als _jij_ 't me niet zelf vertelde," riep Jannetje, "zou ik het niet

gelooven."

"Och mensch!" hernam Reintje; "het schijnt wel dat we daar allemaal voor

blootstaan. Afgescheidenen mag iedereen nu eenmaal in ons land

behandelen zooals hij goedvindt. Een paar weken later--ik geloof den

19^{en} Maart,--komen er plotseling twee politieagenten en vier soldaten

bij Hein Koelewijn, den broer van den veldwachter, weet je, doen hem

handboeien aan en nemen hem mee. Onderweg ontmoet hij den burgemeester

en vraagt hem in 't voorbijgaan waar dat om is. "Dat zullen ze je in

Amersfoort wel zeggen!" riep de burgemeester en ging door. In Amersfoort

sluiten ze hem in een hok; daar moet hij den heelen nacht in blijven;

den volgenden morgen komt hij voor den rechter van instructie. Maar die

weet eigenlijk niet waarom ze Koelewijn bij hem gebracht hebben, zit met

den man verlegen en stuurt hem na een kwartiertje maar weer naar huis."

Jannetje sloeg van verbazing de handen in elkaar. "Neen, van _zulke_

gekke dingen hebben we bij ons nog niet gehoord!"

"Dan mag je van geluk spreken," hernam haar vriendin. "Of eigenlijk....

_zalig_ zijt gij zoo u de menschen smaden, en vervolgen, en liegende

alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil!"

"Dat is waar, Reintje," antwoordde de jonge vrouw, "maar je kunt er in

komen dat de arme menschen soms vragen: "Hoe lang nog, Heere!" De

menschen zullen het in later tijd niet gelooven dat zulke dingen

mogelijk waren!"

"Och kom," zei Reintje; "ze zullen in later tijd wel evenals nu allerlei

voorwendsels weten te vinden om aan te toonen dat het zóó niet had mogen

gebeuren, maar dat wij toch eigenlijk ongelijk hadden. Dacht je dat de

menschen veranderden? Ik denk nog dikwijls om wat mijn goede man wel

eens zei: "Rein," zei hij, "of ze er later berouw over hebben of niet;

of ze 't goedkeuren of leelijk vinden wat er nu gebeurt, 't geeft

allemaal niets zoolang ze die Haagsche Synode houden! _Die_ doet het je

allemaal aan! Ik zal het niet beleven, zei hij, maar onze kinderen

zullen het wel ondervinden als ze getrouw blijven.""

"Maar," ging de weduwe voort na eenige minuten zwijgens: "we hebben nog

tot den bloede toe niet tegengestaan! De Heere alleen weet wat nog over

ons komen zal; maar het is er hier dicht aan toe geweest!"

"Een van de gruwelijkste dingen," zei Jannetje, "vond ik wat ik laatst

las dat in Woudrichem gebeurd is; dat is haast erger dan er het bloed

voor storten. Daar kwam een meisje van ongeveer twintig jaar uit de

vergadering, die bij zekeren Rombout aan den Ouden Dijk gehouden was.

Een troep kwaaddoeners van allerlei stand en leeftijd viel haar aan. Ze

sloegen haar met vuisten, scheurden haar de muts van het hoofd, sleepten

haar bij de haren over den grond en door de modder, en.... dán staat er

letterlijk.... deden haar eindelijk, ten aanschouwe der menigte, een

smaadheid aan, waarvan de beestachtige onbeschaamdheid zoo verregaand

was, dat onze pen weigert de schandelijkheid daarvan te beschrijven.

Haar twee vriendinnen zijn bij een Roomschen buurman binnen gevlucht,

die ze met gevaar van zijn leven beschermd heeft."

"En hoe is dat afgeloopen?" vroeg Reintje.

"Dat is eigenlijk niet afgeloopen," was het antwoord. "Er is een

aanklacht ingediend, maar daar is nooit eenig antwoord op gekomen."

"Ja," zuchtte de jonge weduwe; "het heeft slechts een haar gescheeld of

mijn eenig kindje van twee jaar, mijn lieve kleine Willempje, was in

mijn eigen huis voor mijn oogen vermoord. Dat was Zondag 25 Februari; ik

zal dien dag mijn leven lang niet vergeten! Er was bij mij aan huis

ochtenddienst; Jakob zou een preek van Comrie lezen. Alles samen waren

we met z'n drie-en-twintigen. Dat had de schildwacht ontdekt, en jawel,

daar kwam de veldwachter Loendersloot, zoo maar zonder eenig bewijs van

den burgemeester, en beval ons uiteen te gaan. Daar stoorden we ons niet

aan. Juist zongen we Psalm 68:15, daar komen burgemeester Hoolwerf en

luitenant Worm, met een heele troep soldaten binnen. De luitenant op

Jakob af! Hij scheurt hem het psalmboek uit de handen, smijt het op den

grond en schreeuwt: "Er uit! Voor den duivel.""

"Dat mocht hij naar waarheid zeggen;" riep Jannetje; "het _was_ voor den

duivel!"

"Meteen grijpen de soldaten al de broeders en zusters en smijten hen de

deur uit. Tafels en stoelen omver! Een van de soldaten stootte met de

bajonet uit moedwil al de schotels en borden van de kast af, aan duizend

gruizelementen op den grond. Maar een ander neemt mijn lieve dochtertje

en gooit het kind de heele kamer door in een hoek; daar lag het te

gillen van de pijn. Gelukkig weet de soldaat Bosch, die zich altijd veel

fatsoenlijker gedraagt dan de anderen, er door te dringen, en haalt de

kleine meid van tusschen de sporten van een omgegooiden stoel

tevoorschijn. In de kamer daarnaast woont Dirk Krom, zooals je weet;

daar is een luikje. Krom deed dat open om te zien wat er gebeurde.

Zoodra de luitenant dat merkte, schreeuwde hij: "Steek den kerel dood!"

en dadelijk stak de soldaat, die er het dichtste bij was, zijn bajonet

er door. Krom kon nog juist bijtijds achteruitspringen."

Jannetje had totnogtoe nooit goed begrepen hoe het kwam dat de

Afscheiding in Loosdrecht niet zoo groote vorderingen maakte als in

Bunschoten, terwijl de beide plaatsen toch betrekkelijk zoo dicht bij

elkander lagen: ofschoon er in Loosdrecht ook geen reden van klagen was.

Maar zulke gesprekken en verhalen gaven haar den sleutel van het raadsel

in handen. De vervolging was in Bunschoten veel feller en vinniger dan

in veel andere plaatsen in den omtrek. Derhalve was de bloei van de

gemeente ook veel grooter dan elders. De vervolging werd tot in het

bespottelijke gedreven. Zoo gebeurde het op Vrijdag, den 30^{en} Maart

1838, dat Jan Baas twintig kinderen in zijn huis vereenigd had. Was er

catechisatie? Of was er kinderpartij? De burgemeester kon het niet

zeggen; alleen wist hij dat daar een verboden samenkomst gehouden werd.

Dus liet hij de kinderen door eenige soldaten op straat jagen. De

jongens maakten er een spelletje van en vlogen als musschen om de

soldaten heen en in wijden kring achter hen om naar binnen. Zelfs

soldaten, wier eenige roeping was het Hervormde kerkgenootschap te

verdedigen, hadden wel wat anders te doen dan voortdurend met zulke

bengels krijgertje te spelen; zoodat van de vervolging afgezien werd en

men het troepje verder ongemoeid liet. Ze waren naar 't schijnt niet

staats- of kerkgevaarlijk.

Bijzondere zorg werd te Bunschoten ook besteed aan gedurige afwisseling

van militairen. Het was min of meer gevaarlijk dezelfde mannen lang op

dezelfde posten te laten: ze mochten eens op te goeden voet komen met de

vervolgden! Daardoor had men ook telkens een anderen luitenant.

Nauwelijks was Jannetje zes weken in haar nieuwe woonplaats of de troep

militairen werd alweer vervangen door een andere.

Toen Jannetje, die niet bang uitgevallen was en haar mondje wèl tot haar

wil had, den 15^{en} Juli met de overigen bij haar vriendin Poort op

straat gezet werd, zei ze tot den luitenant: "Mijnheer, met welk recht

behandelt u ons zoo?"

"Als je 't niet bevalt, klaag me dan gerust aan bij gouverneur Van

Toulon!" snauwde de officier, die wel wist welk adres hij opgaf.

Den 12^{en} Augustus daaraanvolgende werd de jonge vrouw ten huize van

Jakob Baas door een soldaat bij den arm gegrepen en naar buiten

gedrongen.

"Mijnheer de luitenant!" riep ze, "laat u dat maar zoo toe?"

"Beste meid!" antwoordde de luitenant, terwijl hij spottend de pet voor

haar afnam: "ik ken geen genoegelijker oogenblikken in mijn leven, dan

wanneer ik jullie ontuig uit elkaar jagen kan!"

Zoo hoorde de eenvoudige boerendochter wel niet telkens als ze met de

gemeente opging, een preek, maar ze maakte kennis met de beschaving van

de hoogere standen. En dat kan ook z'n nut hebben!

__________

[1] Letterlijk; de taal- en spelfouten waarvan het stuk wemelt, zijn

_niet_ te wijten aan slordigheid van den zetter en den corrector dezer

bladzijden.

[2] Dr. G. J. Vos Az.: Groen van Prinsterer en zijn tijd. 1800-1857.

blz. 136.

XX.

"VAN GESLACHT TOT GESLACHT."

In opgewekte stemming wandelde Gerrit Beukman op Zondag den 7^{en} April

1839 's middags te twaalf uur, naar huis. Hij had de

morgen-godsdienstoefening ten huize van den visscher W. Hartog,

bijgewoond, die--zeldzaam geval!--zonder eenige stoornis afgeloopen was.

De frissche lentelucht deed hem ruim ademhalen; de knoppen aan de

kastanjeboomen, rood-geel-groen gezwollen, barstten de windselen uit; de

lammetjes in de wei huppelden aan de zijde hunner moeders; de zon begon

reeds goed kracht te krijgen en overgoot het gansche landschap met glans

en vroolijkheid. Alles getuigde en jubelde van jong leven: "Gij

vernieuwt het gelaat des aardrijks."

Vroolijk en met snelle schreden ging de jonge Beukman alleen verder;

vroolijk omdat hij alleen was. Want Jannetje was thuisgebleven; heel

blij omdat ze niet kon meegaan. Zij wachtte in de slaapkamer haar

echtgenoot af met een jong leven in de armen, dat rijker en kostbaarder

was dan al de heerlijkheid der natuur daarbuiten! Zij drukte met

moederweelde haar, verleden Maandag geboren, zuigeling aan het hart.

De kamerdeur ging open; langzaam, voorzichtig. Zoo zacht mogelijk kwam

de jonge vader binnen.

"Neen, ik slaap niet, hoor!" Een zilveren lach klonk hem uit de bedstede

tegemoet.

"Dag schat! Hoe maak je het?"

"Best! Kijk onzen jongen eens!"

Rustig lag de kleine te slapen; aan elke zij van het kopje een kleine

rozenroode vuist. "Ben je niet rijk?"

"Dubbel rijk: een beste vrouw en een flinke stamhouder!"

"Ja hè.... Loof den Heere, mijne ziel! En vertel nu eens: hoe heb je 't

gehad?"

"Heel goed, en we zijn van begin tot eind ongestoord samen geweest!"

"Wat je zegt! Hoe kwam dàt zoo?"

"De schildwacht telde nauwkeurig, maar met Hartog en z'n gezin mee waren

er slechts negentien menschen, want de twintigste...."

.... "had ik anders moeten zijn," vulde Jannetje den zin aan. "Van

morgen was ik liever hier hoor!"

"En ik breng goed nieuws voor je mee. Raad eens!"

"Neen, Gerrit, zeg het maar gauw. Je weet wel dat ik me nog niet mag

vermoeien. En als ik nu lang over het raadsel lag te surfen, zou het

jouw schuld zijn...."

"Zeker! Zeker! Als je meer zulke gewichtige vermaningen uitdeelt, zal ik

je voortaan Ernestine inplaats van Jannetje noemen! Nu dan.... vandaag

over veertien dagen hoopt dominee Scholte hier te prediken."

"Heerlijk!" riep Jannetje; "dan kan meteen onze kleine Gerrit gedoopt

worden!"

"Ja.... tenminste als je sterk genoeg bent! We moeten er altijd aan

denken dat het geen gewone kerkgang is als vroeger. Je moet dus instaat

zijn om eenigen schrik te doorstaan, voor het geval dat we vervolgd

worden."

"Lieve man, ik ben nu reeds zóó wel, en de Heere zal mijn sterkte zijn!

Wij gaan hoor!"

Veertien dagen later, den 21^{en} April 1839, was de gemeente,

voorzoover de wet dat toestond, vergaderd ten huize van W. Hartog, dat

geregeld door den bewoner voor de samenkomsten afgestaan werd. Niet meer

dan twintig personen waren aanwezig, Jannetje's zuigeling medegerekend.

Zoowel de schildwacht voor de deur als de soldaat in het vertrek had

goed geteld.

De dienst begon met de bediening van den heiligen doop, elk oogenblik

kon men gestoord, ja met levensgevaar verjaagd worden, zoodat men

terecht begreep dat vóór alles zooveel doenlijk gezorgd behoorde te

worden, dat de doopeling niet vergeefs binnengebracht was en het teeder

leven er niet bij inschoot.

In zulke omstandigheden werd door de ouders het gebed vóór den doop niet

aangehoord, maar meegebeden. De psalmen zijn door de heiligen des Ouden

Verbonds uit het hart van al Gods kinderen gezongen. Maar evenzeer

gevoelen Gods kinderen--verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld

zijnde--dat de formulieren der Gereformeerde Kerk belijdenissen zijn van

"medegenooten in de verdrukking en in het koninkrijk en in de

lijdzaamheid van Jezus Christus", en opgeschreven werden bij den gloed

der brandstapels. Voor Gerrit en Jannetje kwamen de heerlijke woorden

thans eerst waarlijk tot hun recht: "o Almachtige, eeuwige God.... wij

bidden u door uwe grondelooze barmhartigheid, dat gij deze kinderen

genadiglijk wilt aanzien, en door uwen Heiligen Geest uwen Zoon Jezus

Christus inlijven, opdat zij met hem in zijnen dood begraven worden en

met hem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis, hem

dagelijks navolgende, vroolijk dragen mogen, hem aanhangen met een

waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde; dat zij dit leven

(hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om uwentwil

getroost verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van

Christus, uwen Zoon zonder verschrikken mogen verschijnen, door

denzelven onzen Heere Jezus Christus, uwen Zoon, die met u en den

Heiligen Geest een eenig God leeft en regeert in eeuwigheid, Amen."

Het heilige water was op het hoofd van het kindeken gesprengd; het

nagebed was opgezonden, een gedeelte van Gods Woord werd gelezen.

Daar vloog de deur open; zekere luitenant Steenbergen, vergezeld van den

veldwachter, drong binnen.

"Ik kom even op last van den burgemeester de neuzen tellen," riep hij.

Twintig bleef twintig, zoodat de luitenant tot zijn leedwezen

onverrichter zake weer vertrekken moest; toen hij in een der zijmuren

een kleine opening ontdekte. Het belendend perceel was met dat van

Hartog onder één dak gebouwd. Het behoorde aan een zekeren Malestijn,

een Godvreezend man, die Hervormd gebleven was. De kamer naast het huis

van Hartog werd bewoond door onzen bekenden Jan Verlinden. Die kamer had

door een kleine opening in den wand wel geen gemeenschap met het huis

van Hartog, maar zoo men het luikje opendeed, kon daar alles verstaan

worden wat in het vertrek van den buurman gesproken werd. Natuurlijk

werd dikwijls van die gelegenheid gebruik gemaakt om nog eenige vrienden

aan de godsdienstoefeningen te doen deelnemen.

Dat was goed gegaan tot er onverwacht den 24^{en} Maart van dat jaar

door den burgemeester proces-verbaal opgemaakt was. De zaak had den

17^{en} April voor de Rechtbank te Amersfoort gediend. Bij vonnis, dien

dag gewezen, was Verlinden vrijgesproken; de Rechtbank zag daarin geen

overtreding der wet. Zeker van zijn zaak, had Verlinden dien morgen twee

vrienden in zijn kamer toegelaten; hij zelf was in de vergadering.

De luitenant liep naar de opening, keek er door en riep "Ha, ha! Daar

zijn er twee. Dus twee en twintig! Jullie moet er uit!"

"Mijnheer," zei Verlinden, "dat is een ander huis. Dat is mijn

woonkamer."

"Praatjes! Alles is onder één dak!"

"Die zaak is reeds beslist;" antwoordde Verlinden. "Verleden Woensdag

heeft de Rechtbank te Amersfoort uitgemaakt, dat hier geen

wetsovertreding bestaat. U hebt dus wèl toe te zien wat u doet."

De luitenant vertrok met de woorden: "Wacht maar even! Dat maak ik wel

gauw in orde!"

Zoodra hij de deur uit was, oordeelde men algemeen het veiliger voor de

jonge moeder en haar kindje, dat zij naar huis zou gaan. Maar daarvan

wilde ze niets hooren. In het voorstel van Verlinden, dat ze met haar

man én kind naar zijn kamer zou gaan, stemde ze echter toe. Zij begaven

zich dus, natuurlijk buiten om, naar het huis van hun vriend Malestijn.

Nog juist bijtijds! Geen vijf minuten later kwam de luitenant met zijn

onmisbare militairen, maar nu in gezelschap van den burgemeester, terug.

"Och Verlinden," sprak de burgemeester ongewoon vriendelijk; "mag ik je

even buiten spreken?"

Deze voldeed dadelijk aan dat verzoek.

"Wees zoo goed," zei de burgemeester zoodra ze buiten waren, "en laat

die vier menschen met dat kind vertrekken."

"Burgemeester, aan dat verzoek kan ik niet voldoen. Het vonnis van

verleden Woensdag heeft uitgemaakt, dat de wet mij volkomen in het

gelijk stelt. En bovendien is me door u gezegd, dat u in de uitspraak

van de Rechtbank berust."

"Dat doe ik ook; maar je weet: ik moet de bevelen van den gouverneur

uitvoeren, en die heeft me geschreven dat ik den toegang tot deze woning

weren moet. Wanneer je nu die menschen laat weggaan, zal ik er den

gouverneur nader over schrijven en vragen of ik den toegang weer,

evenals vroeger, mag vergunnen."

"Indien de burgemeester mij bewijzen wil dat de gouverneur dat

geschreven heeft, zal ik aan zijn verzoek voldoen."

"Dus je gelooft me niet!" riep de burgemeester toornig, maar voltooide

den zin niet, keerde zich om en ging weg.

Verlinden zag geen reden om langer buiten te blijven staan en voegde

zich weer bij zijn vrienden.

De dienst werd voortgezet; de gemeente zong Psalm 68:8.

"Godts bergh die is seer wonderbaer,

Gelijck Basan den bergh voorwaer

Staet hij hoogh onbesweken.

Wat is 't dat gy bergen rebel,

Met al uwe...."

"Stilte!" riep plotseling met donderende stem de burgemeester, die weer

met den luitenant en den veldwachter binnengekomen was.

De gemeente hield op met zingen.

"Verlinden!" ging de burgemeester voort: "ik gebied je in naam des

konings, de vergadering te laten uiteengaan!"

"Burgemeester; ik heb hier niets te zeggen; we zijn in het huis van

Hartog."

"Ook goed: Hartog, ik gebied je in naam des konings de vergadering te

laten uiteengaan!"

"Burgemeester," antwoordde Hartog; "hier zijn zeventien menschen. Ik

behoef dat dus niet te doen."

"Daar zijn er nog zes, dus..."

"Dat is _mijn_ huis!" viel Verlinden den burgemeester in de rede.

"Indien de burgemeester dáár iets te zeggen heeft, zal ik meegaan."

De beide mannen gingen naar Verlinden's kamer; de luitenant bleef buiten

wachten.

De burgemeester en Verlinden namen ieder een stoel en gingen zitten.

"Nu, wat heb je nu te zeggen?" vroeg de burgervader.

"Wat vraagt de burgemeester?" antwoordde Verlinden.

"Dat je deze menschen laat vertrekken!"

"Waarom, burgemeester? Ze zijn ver beneden de twintig!"

"Omdat..." Maar verder kwam de burgemeester niet. De gemeente, die

begreep dat ze zóó wel den ganschen dag tot speelbal van kleinzielige

willekeur kon dienen, hief Psalm 68:14 aan:

"Israël, Godt geeft u dat gy

Syn Koninckryck aenschouwet vrij,

Hij regeert al u wercken;

Wilt doch, Heer, gij die ons bemint,

't Werck dat gij nu in ons....."

Maar verder kwam de gemeente op haar beurt niet!

De luitenant stoof--zonder burgemeester, maar met militairen--vloekend

en razend naar binnen. Met de blanke sabel sloeg hij naar de

vergaderden; zijn manschappen dreven met gevelde bajonetten de

weerloozen naar buiten. Overhaast moesten dezen elkaar verdringen om het

aanrichten van een bloedbad te ontgaan. Een meisje raakte onder den

voet, en moest als gevolg van den doorgestanen schrik eenige dagen het

bed houden.

Enkele minuten later kwam Verlinden met gehavende kleeding zijn kamer

binnen.

"Je hebt er alles van gezien, meester," zei hij. "Gelukkig dat we

bijtijds er aan dachten uw vrouw en uw kind hier te bergen!"

"Ja, 't zijn wel droevige tijden," sprak een van de andere vrienden, die

in het vertrek waren. "Waar moet dat alles nog op uitloopen!"

"Toch kan ik er mij in verheugen," zei Jannetje, "hoe vreemd je 't

misschien vinden zult, dat onze jongen onder zulke omstandigheden in de

gemeente des Heeren ingelijfd is."

"U meent," hernam de vriend; "omdat hij als hij mag opgroeien, daar zijn

heele leven aan denken kan!"

"En," zei de jonge moeder, "omdat het hem herinneren kan aan de dure,

heilige verplichting, die op hem rust om een goed krijgsknecht van Jezus

Christus te zijn."

"We zullen het," zei Gerrit Beukman, "in korte woorden vóór in den

familiebijbel opschrijven. Die zal toch eens naar we hopen, voor onzen

eerstgeborene zijn."

"Dat is goed!" riep Jannetje, "en een toepasselijken tekst uit het Woord

Gods er onder!"

"Daar zou je voor kunnen nemen Mattheus 2:16," merkte Verlinden op:

"Herodes, eenigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen,

die binnen Bethlehem en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren

oud en daaronder."

"Neen!" viel Gerrit hem in de rede; "bij den doop wat anders! Wie weet

wat onze jongen nog beleeft! Wie zal zeggen wat _zijn_ kinderen, als het

Gode behaagt hem die te schenken, nog zullen moeten doormaken! Aan deze

vervolging zal wel een einde komen, maar even zeker zal ze de laatste

niet zijn... ook in ons goede land niet. Onze kinderen moeten voorzien

worden van de wapenrusting Gods."

"Wat zet je er dan onder, Gerrit?" vroeg zijn vrouw.

Gerrit Beukman nam den bijbel en sloeg Psalm 22 op: "Dit lieve vrouw!"

"Het Koninkrijk is des Heeren, en hij heerscht onder de heidenen.

Alle vetten op aarde zullen eten en aanbidden; allen die in het stof

nederdalen zullen voor zijn aangezicht nederbukken, en die zijne ziel

bij het leven niet kan houden.

Het zaad zal hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in

geslachten.

Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen den volke, dat

geboren wordt, omdat hij het gedaan heeft!"

EINDE.

INHOUD.

I. Staatsmisdaad 1

II. Tweestrijd 7

III. Het doel gemist 15

IV. Goede buurschap 20

V. Rechtloos 26

VI. Kerstfeest in Nederland 35

VII. Het nieuwste nieuws 42

VIII. Zware kerkgang 53

IX. Een "schip der Kerk" 62

X. "Postwinkel" 70

XI. Hoog en laag gemeen 77

XII. Van "hooger hand" 89

XIII. De ondermeester 95

XIV. Jannetjes besluit 106

XV. Diakonale armenzorg 119

XVI. Toegestemd 129

XVII. Dubbel ontslagen 144

XVIII. "Onder het kruis" 154

XIX. Nieuwe vrienden 167

XX. "Van geslacht tot geslacht" 181

Uitgegeven door de Vereeniging ter

bevordering van Christelijke Lectuur

De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland · 第 10 / 11 段