En indien hun vijanden--vooral die uit de hoogste standen--slechts

gedurfd hadden; indien ze de handen vrij genoeg hadden kunnen bewegen,

dan zouden ze de kinderen Gods in alle opzichten met de martelaren uit

de zeventiende eeuw gelijk gesteld hebben. Sprak Mr. Zevenstern,

officier bij de Rechtbank te Appingedam, het niet uit: "Het ware te

wenschen dat men de hoofden der bijeenkomsten aan het lijf mocht

straffen." Daarmede bedoelde hij iets anders dan gevangenisstraf, want

die werd reeds naar hartelust uitgedeeld. En schreef niet Mr. Thorbecke

einde September 1837, als verzet tegen zijn vriend Mr. Groen van

Prinsterer, "dat aan de inkwartiering alleen de wettelijke vorm

ontbrak?"[1]

Voor zulke zwervers als de leeraren der Afgescheidenen moesten zijn, was

de afstand tusschen Bunschoten en Loosdrecht gering. Die beide dorpen

met de tusschenliggende Hilversum en Eemnes werden gewoonlijk op

dezelfde rondreis bediend, zoodat, alles in aanmerking genomen, de

Beukman's nog dankbaar mochten zijn omdat ze zooveel van elkaar hoorden.

Begin Mei had Gerrit van zijn vader een brief ontvangen, die hem

brandend-nieuwsgierig naar nadere tijding gemaakt had. Vader was nooit

heel spraakzaam, de brieven waren natuurlijk nog aanmerkelijk korter dan

de gesprekken. In bedoeld epistel stond, midden tusschen nieuws van

allerlei aard: "Bij de Huiskampen is alles nog al zoo hetzelfde behalve

dat Jannetje tot ons overgekomen is."

Zou dat werkelijk beteekenen wat Gerrit er zoo gaarne in las? Er was

gedurende de eerste weken weinig kans om er achter te komen.

Sedert de Kerstvacantie was de jonge man niet meer in Loosdrecht

geweest. In gewone omstandigheden zou het hem gemakkelijk gevallen zijn

zoo nu en dan Zaterdagsmiddags daarheen en Zondagsavonds terug te

wandelen. Maar de vervolging legde hem allerlei andere plichten op. Er

viel voor hem veel meer te doen dan het onderwijzen van de kinderen. Wel

had de kleine gemeente zeer goed begrepen dat de openbare onderwijzer

niet het ambt van ouderling of diaken vervullen kon zonder haar zoowel

als zichzelf noodeloos en onherstelbaar in moeite te brengen. Indien hij

als ambtsdrager opgetreden ware, zou zijn ontslag slechts een kwestie

van zeer korten tijd geweest zijn. En dan zou er heel waarschijnlijk een

opvolger gekomen zijn, die "het gouvernement _niet_ tegenwerkte", en die

dus met de kinderen der gemeente vrij spel had. Maar dat belette Gerrit

niet in allerlei opzichten zijn eenvoudige en minder ontwikkelde

geloofsgenooten met raad en daad bij te staan, waarmee hij de handen vol

had. Voorzichtigheid gebood hem daarvoor uitsluitend zijn vrijen tijd te

gebruiken. Daarenboven was zijn aanwezigheid van groot nut voor het

gezin van zijn hospes Kramer, dat voordurend met inkwartiering gekweld

werd. Vrouw en kinderen kon men geen oogenblik alleen in huis laten,

zoolang de "gezegende werktuigen om Sion uit te breiden" daar nog

gebruikt werden. Zijn vriend en hij waren dus om de beurt aan huis

gebonden. Ten overvloede was hij sedert den 20^{en} Juni zijn vriend Jan

Verlinden als hulponderwijzer kwijt, zoodat voorshands al het werk in de

school alleen voor zijne rekening kwam.

Met groot verlangen had hij dus zijne zomervacantie van veertien dagen

tegemoet gezien.

Eindelijk was de groote dag aangebroken. In den vroegen morgen van

Zaterdag den 15^{en} Juli stapte Gerrit Beukman in de huifkar van zijn

vriend Kramer en nam plaats naast den man, die hem naar Eemnes zou

brengen. Vandaar zou hij te voet de reis vervolgen.

Wel bracht het paard van Kramers den bovenmeester naar Eemnes, maar de

baas had het daartoe midden in den zomer te druk. De teugels van het

spannetje waren in handen van Willem Vlok, die voor 't oogenblik toch

niets anders te doen had en er zeer vereerd mee was, dat hij dit ritje

in den dienst van Beukman en Kramer doen mocht.

"En hoe gaat het thuis, Vlok?" vroeg Beukman, toen ze de kom van het

dorp achter zich hadden en in de heerlijke lucht van den helderen

zomermorgen bedaard den mullen zandweg langs reden.

"Thuis!" sprak Vlok, niet zonder eenige bitterheid in de stem. "Ja, dàt

mag meester wél zeggen!"

"Je hebt gelijk, Vlok!" hernam Gerrit; "thuis is, helaas, het rechte

woord niet. Hoe gaat het met je vrouw en kinderen?"

"Naar de omstandigheden goed, meester, maar de Heere moet bijzondere

genade geven om er altijd in te berusten;--we hebben er zeven, zie je,

en de oudste moet nog pas elf jaar worden. Maar ik mag nog van geluk

spreken als ik zie op mijn lotgenoot de Greef; daar is nog een kind meer

en z'n vrouw is maar zwakjes, meester; die ziel moet de tering hebben.

Mijn wijf en ik kunnen ten minste door de goedheid Gods nog voort!...

Het is wat te zeggen!"

Gerrit liet den stumperd uit zijn tabakszak een pijpje stoppen; hij

begreep dat er meer behoefte bestond aan een kleine daad van

gemeenzaamheid dan aan een groot woord van vertroosting. Ook viel er

voor hem meer te hooren dan te zeggen.

"Hoe is het nu eigenlijk in z'n werk gegaan?"

De man zweeg tot de pijp behoorlijk rondgebrand was en blies met

welgevallen een paar rookwolken uit.

"Ja; meester is nog zoo lang niet bij ons en weet misschien van het

vorige zoo niet af. Kijk--ik en de Greef hadden maar weinig werk

en--zooals dat gaat--er kwam zoo nu en dan alweer een kind bij;--maar we

werden toch altijd staande gehouden, dat mag ik tot eer van den Heere

zeggen; en ook gedurig door de Diakonie geholpen. En dan hadden we vrij

wonen in die twee hutjes! Nou goed; maar langzamerhand kwamen we er wat

meer door en er een beetje boven op, en er was geregeld werk te krijgen,

zoodat, zie je, de bedeeling ophield. Dat was niet meer dan recht; er

waren armer dan wij, en zoowel ik als de Greef mochten er den Heere voor

danken voor dat het niet meer hoefde en dat nou een ander kon geholpen

worden. Maar we mochten vrij blijven wonen; zie je. Nou dat ging zoo

voort--en wat nou de kerk anbelangt, we bleven er allemaal lid. Een

mensch heeft wel zijn bedenkingen, maar dat is tot daaraan toe. Alleen

vrouw de Greef, die zei soms dat zij er niet hoorde, en dat we dan

eigenlijk allemaal er niet hoorden. Nou weet meester nog wel van

verleden jaar... ja... toen was je al bij ons, nietwaar?"

"Wanneer?" vroeg Gerrit.

"Toen dat met Poort; toen die ineens niet meer oefenen mocht?"

"Ja; daar was ik bij," antwoordde Gerrit; "dat heeft voor mij den

doorslag gegeven."

"Nou, zie je, daar heb je 't!" vervolgde Vlok; "dat stuitte ons dan ook

danig tegen de borst; daar konden we niet overheen. En toen--zooals

meester weet, kwamen wij ook bij de Afgescheidenen kerken, maar we

gingen niet over, begrijp je. Alleenig vrouw de Greef, zie je, _die_

ging over. Dat ging zoo z'n gangetje, alles goed en wel; je hoorde van

niets. Tot nou in eens, gisteren veertien dagen, den laatsten Juni, komt

de diaken Klap eens binnenloopen. "Zeg Vlok," zeit ie; "dat kan zoo niet

langer." "Wat kan niet langer, mijnheer?" vraag ik zoo. "Vlok," zeit ie;

"de Greef en jij kunnen hier niet aldoor zoo maar blijven wonen voor

niets!" Ik keek er van op, maar recht is recht; en alhoewel ik het op 't

oogenblik niet kan betalen, de Heere zal, als het moet, op zijn tijd ook

wel uitkomst geven. "Hoeveel zou dan de huur moeten wezen, mijnheer?"

vroeg ik zoo langs m'n neus weg. "Ja," zeit ie, "je kan nog wel op

denzelfden voet blijven wonen, maar jullie komt nooit in de kerk." Ik

denk: wat zou er nou komen? "Kijk," zeit ie, "als je allemaal altijd in

de kerk wil komen, dan kan je blijven." Nou, heel veel vieren en vijven

meer... en of we nu al zeien als dat we Hervormd waren; hij hield maar

vol: je doet alsof je Afgescheiden bent.

Ten langen leste vroeg ik hoe veel of dan de huur zou moeten wezen. Ja,

dat zou dan voor mij en de Greef ieder dertig gulden in het jaar

beloopen. En daar mochten we dan tot den anderen dag over denken.

Vandaag veertien dagen ik er naar toe en De Greef ook, om te zeggen dat

we die huur zouden betalen. Dat moest in de kerkeraad komen.

Maar jawel: 's Maandags komt Klap en nou vertellen: de kerkeraad wil

voor ieder twee borgen hebben. "Willem," zeit m'n vrouw; "loop 'reis

naar boer Kramer, dat is 'n goeie man." Om nou kort te gaan, wij komen

denzelfden avond vertellen, ik en de Greef, als dat Kramer en

Heining--uw ouderling,--voor ons allebei borg zouen wezen en we hadden

het papier er van in onzen zak. Wij blij dat de zaak nou gezond was.

Den dag daaraan, daar komt Klap en Passer de kerkvoogd zeggen: die

borgen waren goed en wel, en de zaak was dus tot zoover in orde, maar

dan moest er een jaar vooruit betaald worden."

"Waar dienden dan de borgen voor!" vroeg Gerrit.

"Ja, meester, ik vertel je net zooals de ronde waarheid is. Dus geld

vooruit, daar ging niets van af. Wij terug; en wat we nu toch nooit

hadden durven denken: om ons te helpen alhoewel we niet eens bij de

gemeente hooren, die twee gaven ieder dertig gulden. "Nou kan je eens

zien," mocht ik zoo tegen de Greef zeggen, "zonder iemand te oordeelen,

wat de profeet Maleachi zegt van het onderscheid tusschen hem die God

vreest en hem die hem niet vreest."

Wij er weer heen; ieder z'n dertig gulden brengen. "Ja," zei Passer,

"dat is nou goed en wel, maar hoe staat het nou met het kerkgaan?" "Maar

mijnheer," zei ik zoo, "en we betalen nu vooruit?" "Ja," zeit Klap, "dat

gaat er heelemaal buiten om. Want zoo zouden we wel de grootste vijanden

in de huisjes kunnen hebben! Je begrijpt wel, het zijn eigendommetjes

van de Diakonie!" "Maar mijnheer," zei de Greef, die een beetje kriegel

werd; "dertig gulden is toch dertig gulden!" "Nou zou ik nog brutaal

worden toe!" zei Passer. "Jelui moeten beloven, plechtig beloven, dat je

met vrouwen en kinderen geregeld en alleen in onze kerk komt en nooit

meer die andere vergaderingen zal bijwonen. Want anders moet je op

staanden voet eruit!"

Nou, toen werd ik toch een oogenblik omgekeerd. Maar toen Klap: "Kijk,"

zei die, "als 't nog onze eigen huizen waren, dan was 't wat anders,

maar het is het eigendom van de Diakonie, en dát _mag_ ik niet tegen de

kerk in laten gebruiken.""

"Zoo'n huichelaar!" barstte Gerrit los.

"Ja," zei Vlok zachtmoedig; "het wou er bij mij ook niet in. Maar dát

konden we niet beloven. "Neem dan je geld maar weer meê," zei Passer;

"dan moet je maar afwachten wat er van komt.""

"En toen?" vroeg Gerrit.

"Toen? Nou, Donderdag vóór acht dagen werden we met pak en zak er uit

gezet. En daar stonden we. Veldwachter Koelewijn moest er van den

burgemeester bij wezen. 't Ging hem aan zijn hart, dat kon je zien."

"Ja dàt is een rechtschapen, godvreezend man," hernam Gerrit.

"Meester; let op mijn woorden: Koelewijn gaat denzelfden weg op. Die

raakt z'n bestaan kwijt; wat ik je zeg! En toen zaten we op het strand

zonder dak boven het hoofd. De burgemeester had een plek er voor

aangewezen; maar een die bij hoog tij onder loopt."

"Maar er is nu toch, God zij dank, in voorzien," zeide Gerrit.

"Ja, toen 't zoo'n weer werd hebben meester en de anderen, die we er dan

ook nog wel voor bedanken, zoo bij den burgemeester opgespeeld, dat hij

ten langen leste wel helpen moest. Nu zijn we weer onderdak. Maar vrouw

de Greef heeft het dan leelijk te pakken: dat mensen kan niet zoo tegen

weer en wind."

"De Heere zal oordeelen!" zei Gerrit meer tot zichzelf dan tot zijn

reisgenoot.

"Meester, dat wil d'r nou bij mijn maar niet in dat onze gezegende

Heiland nou zoo iets van z'n diakenen zou goedvinden. Ik ben niet

geleerd en ik kan er niet tegen op; maar ik vraag maar: zou de Heere dat

nou bedoeld hebben met het ambt van diaken?.... Maar we bennen er, en

hier gaan we uit mekaar."

Met een hartelijken handdruk, waarbij een gulden uit Gerrits hand in die

van zijn reisgenoot overging, zei de eerste: "Ik dank je wel, Vlok!....

Voor de kleintjes, hoor!"

"Maar meester, dat is te veel. De boer betaalt me."

"Ik _betaal_ je ook niet; het is een aardigheidje voor de kinderen."

__________

[1] "L'établissement d'un pouvoir préventif permanent dans le demeure

des citoyens a besoin, selon moi, d'être autorisé par une loi."

XVI.

TOEGESTEMD.

De verhouding tusschen Jannetje Huiskamp en haar ouders was zeer goed;

alleen "over dat ééne" werd niet meer gesproken. Jannetje had haar

lidmaatschap aan den kerkeraad der Hervormde Kerk opgezegd. Maar die

opzegging was niet zoo dadelijk aangenomen; het meisje had een bezoek

van dominee ontvangen, dat meer dan een uur geduurd had. Dominee

had--raak of niet raak,--alle teksten aangehaald, die in zijn oog op het

geval toepasselijk waren; zelfs verscheidene teksten, waarvan hij alleen

slechts hoopte dat Jannetje ze toepasselijk vinden zou, ofschoon ze naar

zijn eigen meening niet zoo rechtstreeks ter zake deden. Van de

Hervormde Kerk had hij--onder toestemming dát er veel verkeerds in

was,--gezegd: "Verderf het niet, want er is een zegen in!" Hij had de

gelijkenis van "het onkruid in den akker" aangehaald; en bij het woord

van Jezus: "De akker is de wereld", gezegd ter nadere toelichting: "dat

is dus wat wij nu zouden noemen de volkskerk, begrijp je". En daarop had

Jannetje toestemmend geknikt. Zoodat de dominee, een goedige, naïeve

man, reeds gedacht had dat hij er al was en nu Jannetje gelegenheid gaf

om te antwoorden. Doch hij was er nog niet, want zijn vroegere leerlinge

had heel onnoozel gevraagd: "Dominee, is de wereld en de Hervormde Kerk

dan hetzelfde?" Maar Jannetje was ook geen theoloog!

Wat haar eigen zieleheil betrof had dominee haar gewezen op Salomo's

waarschuwing: "Vermeng u niet met hen die naar verandering staan;" en op

Jezus' vermaning: "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt." En

eindelijk--want dominee, hoe goed hij ook was, toch kon hij wel

toornen!--op het schrikkelijk woord van den apostel Judas: "Dezen zijn

het die zichzelven afscheiden, natuurlijke menschen, den Geest niet

hebbende." Welnu, duidelijker kon niet--tenminste uit Gods Woord

niet--aangetoond worden dat de Afscheiding niet uit God is! Maar

Jannetje had daar overheen gepraat door onverwacht met de domme vraag

voor den dag te komen: "Dominee, als de engelen eens de maaiers wezen

zullen, gebruikt de Heere dan hier al voor de tarwe artilleristen en

politieagenten?" En toen was dominee werkelijk boos geworden en had

geantwoord dat ze geen grapje van de zaak maken moest, want daar was het

te ernstig voor. Jannetje evenwel had op haar beurt dát dominee kwalijk

genomen en een beetje spijtig geantwoord dat ze er niet aan dacht om

stokslagen van politieagenten, bajonetsteken van artilleristen en

met-boter-besmeerde stoepen voor grapjes te houden. En ze was geëindigd

met dominee ernstig te verzoeken haar als lidmaat te schrappen. Met een

laatste vermaning om toch haar hart niet te verharden, had dominee haar

plechtig beloofd dat aan haar verzoek zou voldaan worden.

Waarom Jannetje hem dat met zooveel aandrang verzocht vertelde ze

dominee echter niet; gedachtig aan het spreekwoord: "Je moet geen

slapende honden wakker maken!" Ze las thans geregeld het Tijdschrift "De

Reformatie." En ze had daarin een bericht gevonden, dat haar alle reden

van bezorgdheid gaf. Zekere B. J. Ploeg te Klundert--zoo werd daar

verhaald--had den 25^{en} November 1835 schriftelijk zijn lidmaatschap

van de Hervormde kerk opgezegd. In 1836 hadden kerkvoogden en notabelen

goedgevonden, ter dekking van de uitgaven tot herstel van het kerkgebouw

der Hervormden, een hoofdelijken omslag uit te schrijven, en op grond

daarvan [f]2.50 van Ploeg gevorderd. Deze beriep zich natuurlijk op zijn

schriftelijke opzegging en weigerde de betaling. Ofschoon die opzegging

door den kerkeraad niet ontkend werd, dagvaardde A. den Engelse, in

kwaliteit van kerkvoogd, Ploeg voor den vrederechter in het kanton

Zevenbergen. Den 8^{en} Augustus 1836 had de zaak gediend. Tot zijn

groote verbazing werd Ploeg veroordeeld tot betaling. Als eenige

rechtsgrond werd in het vonnis aangegeven: "Gezien de artt. 30 en 33 van

het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten

van eeredienst der Hervormde Gemeenten in de Provincie Noord Brabant."

De som was zoo klein, dat geen hooger beroep kon aangeteekend worden.

Ploeg, die reeds sedert een half jaar ouderling bij de Afgescheiden

Gemeente was, betaalde niet; in overleg met zijn medeleden, om te zien

wat er van de zaak worden zou. Den 10^{en} September volgde een bevel

tot executie. Den 5^{en} October werd beslag op zijn inboedel gelegd, en

nam zekere Willemse, tot gerechtelijk bewaarder aangesteld, intrek in de

woning van Ploeg. Deze had den 16^{en} September een rekwest aan Z. M.

den koning ingediend; maar dat bleef onbeantwoord[1]. Den 15^{en}

October werd de inboedel voor zoover noodig, verkocht. Zoover noodig

beteekende: [f]2.50 hoofdsom en [f]54.94 gerechtelijke onkosten.

Jannetje had die geschiedenis minder tot haar stichting dan tot haar

onderricht gelezen; en was blij dat "De Reformatie" door de Hervormden

niet de moeite waard geacht werd om er inzage van te nemen. Toch rustte

ze niet, voordat ze zeker wist dat de schrapping van haar naam een

voldongen feit was. Het verwonderde haar, niet geheel ten onrechte, dat

menschen die hun lidmaatschap opzegden, tegen wil en dank op de

lidmatenboeken bleven staan[2]. Indien ze wat beter onderwijs genoten

had, zou ze geweten hebben dat de groote Lodewijk XIV op dezelfde wijze

de Hugenoten Roomsch hield of opnieuw Roomsch maakte. Maar hoe zou ze

zich vijftig jaren later verbaasd hebben, indien ze het beleefd had,

over het feit dat toen duizenden geroyeerd werden, die er volstrekt niet

om gevraagd hadden. Misschien had ze dan nog eens overgelezen wat "De

Reformatie" volgen liet op het verhaal van de mishandeling Ploeg

aangedaan: "Op grond dat we niet Gereformeerd zijn maar een

afzonderlijke secte vormen, worden we door verscheidene Rechtbanken

veroordeeld tot het betalen van geldboeten. Doch het schijnt ook al

mogelijk te wezen ons geld uit den zak te jagen door eene

_tegenovergestelde_ bewering."

* *

*

Vader en moeder Huiskamp hadden, volgens vaste gewoonte, den

ochtenddienst in de kerk bijgewoond. Ze waren, ook volgens vaste

gewoonte, zeer gesticht thuis gekomen. Zóó "getrouw" als vanmorgen had

moeder het nog nooit gehoord! En vader antwoordde: "Dat zeg je naar

waarheid!" Die nabetrachting was bijna ook vaste gewoonte geworden.

Jannetje was thuis gebleven; om redenen haar bekend kon zij pas vanavond

gaan. De reden was heel eenvoudig deze, dat de Afgescheidenen, indien ze

niet voortdurend mishandeld en uit elkaar gejaagd wilden worden, de

rollen zorgvuldig verdeelen moesten en ieder der leden aanwijzen waar en

wanneer het zijn beurt zou zijn om de onderlinge samenkomst bij te

wonen.

In de vergadering ten huize van Reijmeringer had Gerrit tevergeefs naar

Jannetje uitgezien. Zoodra tegen half twee het middagmaal afgeloopen

was, stapte hij de deur uit om zijn oude buren Huiskamp eens te

bezoeken. Van het erf op den grooten weg tredende, zag hij de geliefde

zijns harten het ouderlijk huis uit komen en den anderen weg opgaan.

Natuurlijk verdween zijn plan om vader en moeder Huiskamp een bezoek te

brengen als sneeuw voor de zon. Met enkele stappen had hij het meisje

ingehaald.

"Goeden middag, Jannetje! Hoe gaat het?"

"Wel heb ik....! Goeden middag, Gerrit!" riep het meisje met zooveel

verrassing in haar stem, dat Gerrit zich er van verzekerd hield dat ze

hem niet vroeger opgemerkt had, toen beiden zich naar buiten begaven.

"Ben je de vacantie hier gekomen?"

"Ja! Je weet niet hoe ik er naar verlangde! Maar gaat het goed? En hoe

maken de oudelui het?"

"Al wèl! Al wèl!" antwoordde Jannetje terwijl ze samen voortliepen.

"Ik wou juist eens naar je vader en moeder gaan zien."

"Zoo? Maar dan loop je te ver!" antwoordde Jannetje stilstaande, om hem

niet nog verder van zijn doel af te brengen.

"Ja; maar dat heeft nog op geen kwartiertje haast. Ik mag toch zeker nog

wel een eindje meeloopen?" vroeg Gerrit eveneens stilstaande.

Een oogenblik keken ze elkaar in de oogen; één oogenblik slechts, maar

lang genoeg om Jannetje de hare met een blos te doen neerslaan.

Samen gingen ze verder, het meisje begon: "Ik dacht dat...."

Wat dacht ze? Dat Gerrit wel komen zou; en was ze daarom uitgegaan? Dat

hij niet komen zou; en was ze daarom ook maar niet thuis gebleven?

Gerrit durfde niet er naar raden, maar verstoutte zich om te vragen:

"Wist je niet dat ik in Loosdrecht zou komen met de vacantie?"

"Ja... dat 's te zeggen: we dachten het wel."

"Mijn vader zal het zijn ouden vriend toch wel verteld hebben!"

"We zien je ouders niet meer zoo dikwijls als vroeger... dat 's te

zeggen..."

"Dat 's te zeggen: ze komen niet meer zoo dikwijls bij elkaar aan huis

hè?"

"Neen!" zei Jannetje kortaf.

"Maar daarom zal _jij_ mijn ouders toch wel meer ontmoeten, niet waar?"

Jannetje knikte toestemmend. Zwijgend wandelden ze samen een eindje

verder.

"Ga je... ergens heen?" vroeg Gerrit.

"Neen... zoo maar!" was het antwoord.

"Hier linksaf komen we in het bosch. Is dat goed?"

Opnieuw knikte Jannetje: "Maar moet je nu niet naar vader en moeder?"

"Neen!" stootte Gerrit plotseling vastberaden met harde stem uit. "Als

ik mag ga ik met jou mee, want ik wou je wat zeggen."

Ze hadden de door Gerrit bedoelde laan ingeslagen, en waren, nu buiten

de kom van het dorp, vrij-wel zeker dat ze bijna of in 't geheel niemand

ontmoeten zouden. Alles rondom hen was vriendelijk en vroolijk en ademde

sabbatsstilte. Boven hun hoofden waren de koolmeesjes ijverig bezig met

het zoeken en verslinden van insecten en larven. Met een vlugheid en

behendigheid, die de apen hun hadden kunnen benijden, voerden de mooie

vogeltjes allerlei toeren uit; hingen zich aan één pootje, 't kopje

omlaag, aan het dunste takje op, pikten het ledig en schoten plotseling

en pijlsnel naar een ander twijgje. De vinken fladderden het jonge paar

voor de voeten, telkens een eindje verder naarmate de beide menschen

langzaam voortliepen. Dwars over den weg huppelde een eekhoorn om den

naastbijzijnden boom te bereiken. Op een open plekje dommelden tien,

twaalf konijnen in het zonnetje, om weg te rennen zoodra ze de naderende

voetstappen hoorden. In de verte stierf het gekraai van een paar hanen

weg, die elkaar antwoordden, en rondom overstemd werden door de

lijsters, die zoo druk allerlei zang van andere vogels nabootsten, dat

ze hun eigen taaltje niet meer hooren deden. Prachtige groote juffers

snorden op de gouden of smaragden vleugels om hen heen, en van uit den

hoogen beuk hoorden ze het eentonige, slaperig-vredige: "Koe-ke-roe

koe-ke-roe!" van de houtduif.

Doch hanen, lijsters en houtduiven konden elk op zijn eigen manier

zeggen en zingen wat ze wilden: Gerrit en Jannetje hadden slechts ooren

voor wat de een tot den ander spreken zou en--wat niet kwam!

Gerrit, die "wat wou zeggen," bracht het niet verder dan: "Wat is het

hier mooi!"

"Heel mooi," bevestigde Jannetje stijfjes.

"Er is heel wat gebeurd sedert een jaar geleden," zei Gerrit.

Hij geloofde haast, maar wist het niet zeker, dat Jannetje lispelde:

"Dat is er!"

"En er is geloof ik een groote reden weggevallen, waarom....."

Jannetje zag even vragend op.

... "waarom ik niet zou kunnen vragen..." ging Gerrit eensklaps voort.

"o Jannetje; we kennen elkaar al van kleine kinderen af... ik voelde het

toen ik verleden jaar wegging.... maar toen mocht ik het niet zeggen...

ik wist niet of je dat toen wel wou... maar nu hoop ik het... o lieve

Jannetje, ik kan niet zonder je leven!"

"O!" was al wat het meisje uiten kon. Ze bleef staan. Gerrit vatte haar

linkerhand, die ze niet wegtrok. Met de rechterhand bedekte ze haar

oogen.

"Jannetje, zeg me: heb ik me bedrogen? Zeg me wat!"

Zwijgend schudde de jonge vrouw ontkennend het hoofd. _Had_ hij zich

niet bedrogen? Of wou zij niets zeggen?

"Zeg toch wat, Jannetje! Ik wist wel dat ik--eens in Bunschoten, niet

lang buiten de Scheiding blijven zou;--ik mocht dus toen nog niet

vragen.... maar nu... ik heb het uit een brief van vader gelezen.... en

God gedankt.... toen kwam er weer hoop in mijn hart...! o Laat me niet

zonder antwoord!"

"Wat zal vader..." was het eenige, dat het meisje zeggen kon.

"Vader Huiskamp, meen je? Als ik maar eerst weet dat ik met hem er over

spreken mag, dan komt dát wel in orde!"

"Ik weet niet of vader het goedvindt!"

"_Ja!_ Als ik maar mag zeggen: vader Huiskamp, je dochter vindt het

goed."

Jannetje antwoordde niet. Gerrit begreep daaruit dat zij niet

tegensprak. Hij liet haar hand los en sloot haar in zijn armen om den

eersten vurigen kus haar op de lippen te drukken.

De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland · 第 7 / 11 段