"En," voegde Drieling er bij, "om eigenlijk met alles ontevreden te

wezen en het je zoo lastig mogelijk te maken."

"Maar dat mag de luitenant toch niet bevelen!" riep Verlinden

verontwaardigd.

"Ja wat mag of niet mag! Daar heeft een gewoon soldaat geen zeggen of

oordeelen over," hernam Drieling. "In dienst heb je te doen wat je

geheeten wordt. Ik wil je dan ook wel zeggen dat ik voor mij er met

plezier voor teekenen wil om m'n heele verdere leven alle nachten zoo

goed te liggen als de laatste drie nachten."

"Nu begrijp ik er niets meer van!" riep Van der Kolk; "en er moest met

alle geweld een andere slaapplaats voor je klaargemaakt worden!"

"Wat zal ik je zeggen!" antwoordde Drieling, "je kan me gelooven, heel

veel soldaten hebben er een broertje aan dood om jullie zoo'n overlast

aan te doen. Voor mijn part mag je dag en nacht psalmen zingen en

bidden, zie je! Je mag het laten óók, zie je! Mijn 'n zorg! Maar ik kan

je met een woord van waarheid verklaren, dat de luitenant ons heel

pertinent bevel gegeven heeft om zoo tegen je tekeer te gaan; niet waar,

Pronkert?"

"Ja"; beaamde deze; "hij zei: jullie bent veel te zacht voor dat ontuig!

Ik verkies dat je een beetje den beest speelt en ze 'reis frisch

uitvloekt en niet met alles tevreden bent. Dat waren z'n eigen woorden.

En anders, zei hij, zal ik zorgen dat je een maand de kast ingaat!"

Een geweldige stoot tegen de voordeur schrikte het gezelschap op. Van

der Kolk ging naar voren om maar dadelijk open te doen. De luitenant in

eigen persoon trad binnen, liep den huisvader onderst-boven en kwam de

kamer in.

"Gaat alles goed?" vroeg hij aan de mannen, die onmiddellijk militaire

houding aangenomen hadden.

"Opperbest, luitenant!"

"Gedaan zooals ik bevolen heb?"

"Ja, luitenant."

"Nu... niet te zoetsappig, hoor jongens?"

De luitenant wilde vertrekken, maar de jonge Verlinden trad hem in den

weg.

"Luitenant, wat hier vanmiddag op uw bevel geschied is, noem ik _laag_!"

Tot antwoord ontving hij een ribbestoot, die hem wankelen deed. De

luitenant verliet hoonlachend kamer en huis.

"Jongeheer!" waagde Pronkert te zeggen, zoodra de officieele beul

verdwenen was, "je hebt geen ongelijk; maar 't zal _mij_ benieuwen of

dát je niet opbreken zal!"

Het bleek weldra dat de soldaten hun luitenant goed kenden.

Twee dagen later kreeg Verlinden een dagvaarding thuis tegen Vrijdag den

9^{en} Juni 1837 voor de correctioneele Rechtbank te Amersfoort, wegens

beleediging van een officier in functie. Ter terechtzitting werden alle

feiten wederzijds erkend. Verlinden had dus gemeend dat de Rechtbank in

elk geval zeer verzachtende omstandigheden in aanmerking nemen zou. Maar

den 15^{den} dier maand werd hij veroordeeld tot vier maanden

gevangenisstraf en de kosten van het proces. Zooals men denken kan, ging

hij in hooger beroep.

De straf voor die laatste oproerige handeling bleef niet uit. Den

20^{en} Juni kreeg Gerrit Beukman, de hoofdonderwijzer, een brief van

den volgenden inhoud:

"Amersfoort, 19 Junij 1837.

Deze is dienende om u kennis te geven, dat de naar aanleiding van art. 6

van het huishoudelijk schoolreglement voor de provincie Utrecht, door

mij verleende goedkeuring tot het opnemen van uwen ondermeester wordt

ingetrokken, u verzoekende en desnoods gelastende, na ontvangst dezer

denzelven als zoodanig niet verder op uwe school werkzaam te doen zijn,

totdat door mij of door de provinciale Commissie van onderwijs, ten

dezen nader zal zijn gedisponeerd. Van den ontvangst dezes, verzoek ik u

mij bericht te geven.

De Heer Burgemeester is door mij uitgenoodigd, mij van de niet nakoming

van boven vermelden last onverwijld kennis geven.

De schoolopziener van het 3^{e} distr. Utrecht,

H. G. SCHLUITER."

De ondermeester was dus ontslagen zonder vorm van proces en zonder

opgave van redenen. De eenige van wien hij zelf het vernam, was de

hoofdonderwijzer.

Den 20^{en} Juli diende zijn zaak in hooger beroep in Amsterdam. Hij

werd veroordeeld tot eene maand gevangenisstraf en de kosten. Het vonnis

werd onmiddellijk tenuitvoergelegd.

Aan den avond van den 19^{en} Augustus keerde Verlinden uit de

gevangenis te Bunschoten terug, om daar.... in de eerste plaats te

zorgen voor de betaling van de proceskosten en daarna te zien hoe hij nu

verder aan den kost komen zou.

XIV.

JANNETJES BESLUIT.

"Zoo meid, daar hebben we je gezond en wel terug! Nou, je hebt het

uitgehouden, moet ik zeggen!" Met die woorden gaf moeder Huiskamp haar

Jannetje eenige hartelijke zoenen, toen ze Zaterdagsavonds, na

veertiendaagsch verblijf in Amsterdam, het ouderlijk huis weer

binnentrad. "Kijk, kind, je bent op een mooien tijd thuis. Vader komt er

aan; ik zou net de karnemelk opdoen. Wat blijft het nog vroeg donker

worden, hè! Kom bij het licht!"

Moeder nam haar mee naar binnen, waar de lamp reeds stond te branden, en

bekeek haar dochter met zooveel hartelijkheid alsof die evenveel jaren

afwezig was geweest als het weken geduurd had.

"Zoo heeft de Heere je weer veilig bij ons gebracht hè?" praatte de

goedige vrouw voort. "Het is nu wel zoo'n afstand niet, maar je weet

toch nooit wat er kan gebeuren! Een ongeluk ligt in een klein hoekje.

Maar...."

Jannetje kwam nu in de schemering, die men bij gebrek aan beter het

volle licht moest noemen.

"Maar... ben je... is dat?... zie ik wis of mis, heb je den eigensten

hoed op?"

"Neen, moeder, ik heb een nieuwen moeten koopen, want de mijne was

bedorven. Kijk maar eens goed naar me! Zie je ook niet wat vreemds aan

mijn mantel?"

"Nou je 't zeit! Wel, heb ik van m'n leven! Je hebt een anderen mantel

om! Wat is er gebeurd, kind? Je hebt toch geen ongeluk gehad?"

"Dat is een heele geschiedenis, moeder. Ik ben in de modder gevallen,

maar het is goed afgeloopen. Vanavond zal ik je dat eens in kleuren en

geuren vertellen. Ik heb honger!... o Gelukkig, daar is vader."

De klink van de deur werd opgelicht; vader Huiskamp stapte binnen,

schopte achter de voordeur de klompen uit en kwam op de dikke

zwart-wollen kousen de keuken binnen.

"Goeien avond," zei vader, ging op Jannetje los, kneep haar even in den

linkerwang bij wijze van welkomstkus en zei bedaard: "De Heere zegene je

ingang, kind! Zoo moeder, schep nou maar op!"

Huiskamp nam in zijn honderdjarigen leuningstoel aan 't hoofd van de

klaptafel plaats en zette de voeten op de verwarmde koperen stoof, die

voor hem gereed stond. Twee knechts en twee stevige boerendeerns kwamen

binnen en schikten bij; nadat ieder hunner op z'n beurt "Dag Jannetje!"

gezegd had.

De reizigster had onderwijl hoed en mantel afgelegd en voor moeder de

stroop uit de keukenkast genomen en op de klaptafel gezet, terwijl de

vrouw des huizes de groote schaal vol karnemelk met gort opdroeg. Moeder

nam rechts en Jannetje nam links naast vader plaats.

De heer des huizes nam z'n pet af en bromde: "Nou!" Daardoor werden de

aanzittenden uitgenoodigd zich met hem in het gebed te vereenigen.

Vader Huiskamp was gewoon voor te gaan in gebed; kort, zeer kort, want

anders werd de karnemelk noodeloos koud. Straks, na het eten, had men

beter den tijd. Dan zou hij tot besluit van den dag nog een hoofdstuk

uit de profetieën van Jeremia lezen en eindigen met een gebed, waarin

letterlijk alle nood der Christenheid, voorzoover hij er mede bekend

was, uitvoerig herdacht zou worden; en dán zou hij op geen vijf minuten

zien.

Onderwijl de karnemelk, die kokend-heet opgedaan was, een beetje

besloeg, at ieder eenige ferme sneden bruine stoeten met boter; niet

overmatig, maar toch zooveel dat een stadsmensen het voor dien dag

daarbij maar laten zou. Toen volgde voor ieder de karnemelk, ook niet

heel veel, slechts twee diepe borden vol, niet zoozeer als voedsel dan

wel om "de holletjes in de maag te laten vol loopen."

Toen eindelijk avondeten en huisgodsdienstoefening afgeloopen waren, het

dienstpersoneel zich verwijderd had, en moeder de vrouw bezig was voor

de koffie te zorgen, stak vader een pijp op en zei: "En vertel nou'

reis."

Naar eer en plicht begon Jannetje met de hartelijke groeten van oom en

tante Builders over te brengen en te zeggen "dat ze allebei nu weer

heelemaal beter waren."

"Scheelden ze dan wat?" vroeg moeder verwonderd.

"Neen," zei Jannetje; "ze waren heel wel; maar Zondag vóór acht dagen is

tante met de koorts en erge pijn in de schouders naar bed gegaan."

"Ja, dat is koorts;" besliste vader; "dan heb je altijd pijn in je

schouderbladen."

"Goed kamillendrinken en zweeten!" raadde moeder aan, alsof ze voor het

ziekbed stond.

"Neen," zei Jannetje weer, "het was omdat ze zoo geslagen was, en

oom...."

"Kind!" riep vrouw Huiskamp. "M'n eenige zuster! Maar hoe zat dat dan?"

"Laat u me nou geregeld doorvertellen," zei Jannetje, die zich

verbeeldde dat haar verslag niets aan duidelijkheid te wenschen

overliet. "Waar was ik ook weer? o Ja, oom had een diepe snee boven z'n

linkeroog en kwam zonder hoed thuis."

"En hoe kwam dat nu weer?" vroeg vader van uit de rookwolken, waarin hij

zich gestadig hulde.

"Ja, ziet u, doordat we uit de kerk kwamen," lichtte Jannetje toe, alsof

de kerk een speciale inrichting was om afgeranseld en gewond te worden.

"Ik heb ook al een nieuwe hoed en mantel moeten koopen."

"Kind, je maakt me zoo ongerust!" begon moeder weer.

"Vrouw, laat zij nou vertellen," vermaande vader, wiens zenuwen sterk

genoeg waren om steeds de vermaning van Salomo na te leven: "Vreest niet

voor haastigen schrik."

"Kijk," zei Jannetje, "het zit zóó: de Afgescheidenen in Amsterdam

houden, omdat de stad zoo groot is, wel op twintig plaatsen kerk. En zoo

waren wij dan naar mijnheer Buter in de Lindenstraat gegaan. En alles

ging goed; maar voor de deur stonden ze te schelden en te vloeken en de

glazen in te gooien. En om half-elf kwamen twee politieagenten boven,

achter waar wij zaten...."

"Was de deur dan open?" vroeg moeder.

"Welneen, maar we merkten later dat ze de winkelkast opengebroken

hadden.... en liepen naar binnen en begonnen ons allemaal met stokken te

slaan, en naar buiten te duwen, en de trappen af te gooien, en de deur

uit te jagen. De stoep hadden ze met boter besmeerd en we vielen

allemaal naar buiten, en ze ranselden ons af, en het volk gooide met

steenen en vuil. En tante, die kon zoo hard niet loopen, die goeie ziel,

die kreeg van een agent een pak slaag met een stok. En ze hadden in den

winkel al het aardewerk kapot geslagen, want die mijnheer Buter is

winkelier in aardewerk en zulk goed, en ze gooiden ons met de stukken

van zijn eigen potten en pannen, en oom kreeg een scherf boven z'n

linker oog, 't was op het kantje af dat ze hem het oog uit z'n hoofd

gooiden! En 's middags moest het bij oom dichtgenaaid worden; en tante

ziek naar bed. Mijn kleeren waren heelemaal bedorven. Nu ik er weer zoo

inkom...."

Jannetje barstte in tranen uit, legde de armen op tafel en het hoofd op

de armen, en begon hartstochtelijk te snikken.

"Zoo, zoo!" gromde vader en smoorde zijn verontwaardiging door heftige

trekken aan zijn pijp.

Moeder haastte zich om wat valeriaan klaar te maken.

"Hier schaap, drink 'ereis, maar dat is verschrikkelijk! Waar moet dat

naar toe! Och Heere, geef uitkomst."

Jannetje hief het hoofd op, dronk werktuigelijk het

rood-en-groen-gebloemde kopje leeg en kwam weer wat tot bedaren.

"Ik _wil_ nu niet langer! Ik _kan_ niet en ik _mag_ niet! Als je bij zoo

iets bij bent geweest, dan voel je dat je _daar_ bij hoort! Liever met

het volk Gods kwalijk gehandeld te worden dan... hoe staat het er ook

weer? Werktuigen van den satan zijn ze, dáár! De Heere zal het

bezoeken!"

"Kind! Kind!" vermaande moeder. "Bezondig je niet! Er zijn nog heel wat

ware vromen onder!"

"Ja," antwoordde het meisje, door haar rechtsgevoel en haar liefde tot

Gods kinderen welsprekend gemaakt, "juist, moeder, daar heb je 't! Dat

is juist de kunst van de hel! Dat gemeene volk, die dronkelappen en die

slordige wijven en die straatjongens zouen niets kunnen doen als ze niet

wisten dat dominees en burgemeesters het heel mooi vonden. Die agenten

zouden weerlooze oude vrouwen niet doodranselen als er geen koning en

geen gouverneurs en geen rechters achter zaten. Als er dan ware vromen

onder zijn, dan zullen die het zwaar te verantwoorden hebben!"

"En ben je den tweeden Zondag nog naar de kerk geweest?" vroeg vader,

die onrustig werd en daarom beproefde Jannetjes woordenstroom in andere

bedding te leiden.

De goede man had echter onbewust het verkeerde middel gekozen om zijn

dochter te kalmeeren.

"Neen, vader; ik mocht niet van den commissaris van politie."

"Wat is dat nu weer!" vroeg moeder. "Kan de commissaris van politie je

dan verbieden om naar de kerk te gaan!"

"Ja, 't is toch zoo! Al de huizen, waar de Afgescheidenen gewoon zijn,

worden door agenten bewaakt en Zondags wordt aan ieder, die er in gaat,

z'n naam en woonplaats gevraagd; en de commissaris heeft hun laten

weten, dat hij order had gekregen om voortaan geen enkelen vreemde van

buiten toe te laten. Dus kon ik Zondag niet met oom en tante mee!"

"Ben je dus Zondag heelemaal niet naar de kerk geweest, kind?" vroeg

moeder met een zweem van afkeuring in den toon.

"Neen, moeder, dat was me immers onmogelijk, zooals je ziet!"

"Ende laat ons onse onderlinghe bijeenkomste niet nalaten!" zei vader,

ernstig den vinger zwaaiend. "Dat is niet goed, Jannetje!"

"Vader, ik _kan_ niet meer! Ik _kan_ niet kalm en veilig in mooie kerken

zitten, al preekte daar ook een engel uit den hemel, onderwijl de

kinderen Gods door de menschen, die over die kerken regeeren, als

beesten verjaagd en vermoord worden!"

"Ho, ho!" berispte vader haar, "ik zal de laatste wezen om het goed te

praten, maar we moeten oppassen dat we niet overdrijven."

"Ik overdrijf niet, vader. Maar wij weten niet wat er zoo allemaal

gebeurt. Daar heb je het geval nog pas-geleden in Kesteren. Dat is

verleden week gebeurd en het werd ons verteld door de familie van de

menschen. Daar waren nu Woensdag vóór acht dagen des avonds negentien

menschen bij elkaar;--ik kan den naam je noemen, bij een kleinen

landbouwer Arie de Weert. Ze hoorden wel veel rumoer om het huis heen

maar gingen voort met preeklezen. Eindelijk hoorden ze lawaai op het

dak; niet anders te denken dan het was de wind, want het woei hard. Maar

jawel; is 't niet Godgeklaagd? ineens zagen ze vuur. Het heele dak en

het achterhuis stonden in volle vlam. Nog net bijtijds konden de

geloovigen het huis uit vluchten. Niemand stak een hand uit om te

blusschen. Niets is er gered dan het eenige koebeest van de Weert. Ze

zouden nu moeten bedelen als er geen Afgescheidenen waren!.... Ik.... ik

_wil_ en _zal_ niet langer bij de vervolgers hooren!"

Jannetje stampte met den voet op den grond; vader en moeder zaten

bedrukt te kijken. Gedurende de eerstvolgende minuten zwegen allen.

"Ja, ja!" zei vader Huiskamp eindelijk, "er gebeurt al wat in de

wereld!"

Zoomin zijn vrouw als zijn dochter gevoelden zich geroepen dit tegen te

spreken of te bevestigen.

"Drink je koffie eens leeg, beste meid," zei moeder. "'t Is jammer, niet

waar vader? dat zij Zondag niet hier was."

"Hoe dat zoo moeder?" vroeg Jannetje.

"Omdat we Zondag morgen nog zoo'n mooie preek van onzen dominee gehoord

hebben, ook zoo wat over hetzelfde," hernam moeder terwijl ze voor alle

drie de kommetjes inschonk; "je kreeg er zoo'n inzicht in, zie je."

"Ja," zei vader, "een dierbare tekst."

"Lees 'm 'reis voor, vader," vroeg vrouw Huiskamp. Haar man greep den

Statenbijbel, die naast het pijpenrek op een kastje stond, sloeg dien

open en begon: "Hier heb je het: uit Johannes zes:

Van doen af gingen vele syner discipelen terugge ende wandelden niet

meer met hem.

Jezus dan seyde tot de twaelve: wilt ghijlieden oock niet wechgaen?

Simon Petrus dan antwoordde hem: Heere, tot wien sullen wij henengaen?

ghij hebt de woorden des eeuwigen levens.

Ende wij hebben gelooft ende bekent, dat ghij sijt de Christus de Sone

des levendigen Godts."

Vader sloot het heilige boek en zette het weder op zijn plaats.

"Dierbaar hè?" vroeg moeder aan Jannetje.

"Ja moeder, die tekst is mooi genoeg," stemde haar dochter toe.

"Het wás ook mooi!" zei vrouw Huiskamp weer.

"Dat kan wel, moeder," hernam Jannetje; "maar ik zie nog niet hoe dat

iets met de Afscheiding te maken heeft."

"Zie je dát niet, kind? Hoe is 't mogelijk! Hoe dat de Heere Jezus hier

nu niet meer lichamelijk rondwandelt, maar hoe dat hij toch in zijn kerk

gebleven is en altijd blijven zal; en hoe dat die nu hier de wereld

doorgaat, en hoe dat..... ik kan het allemaal niet zoo zeggen!... hoe

dat er toen ook al een Judas bij was; en de Heere Jezus dat heel goed

wist en hij hem toch niet uit zijn kerk uitstootte; en hoe dat... zie

je... als nou maar de ware belijders... e... begrijp je?"

Moeder bleef in het schema van de preek steken. "Ik begrijp het nog

niet," zei Jannetje lastig.

"Nou," vulde vader aan; "als die nou maar op de vraag: "Wilt gijlieden

ook niet weggaan?" met Petrus zeggen: "Neen, Heere!""

Jannetje zweeg.

"En getrouw, hè vader?" begon vrouw Huiskamp weer. "Getrouw! Aan het

adres van de onbekeerden; _ik_ oordeel u niet, maar het zal wat te

zeggen wezen altijd met den Heere gewandeld te hebben en er toch niet

bij te behooren. En de geloovigen vermaand om nu ook bij hem te blijven,

waar hij ook heengaat en al zijn er Judassen bij; maar niet hetzelfde

juk met de ongeloovigen aan te trekken. En toen dat eindelijk allemaal

toegepast op de beroering in onze dagen."

Jannetje bleef zwijgen en vader bleef rooken.

"En toen," ging moeder maar weer voort, "dat nagebed. Dat smeeken aan

den Heere of toch de eenigheid van de geloovigen mocht openbaar worden;

en of we allen maar van de menschen mochten afzien en op hem alleen

zien! En of er meer liefde mocht komen en geen wortel van bitterheid

opspruiten. En of we niet mochten blijven bij het uitwendige om maar

alleen op de belijdenis te kijken, daar je zoo licht het innerlijke

leven bij vergeet; en hoe het ons in de eeuwigheid niets helpen zal als

onze buurman een zuivere belijdenis had.--Ik kan je zeggen, hij zei me

te vroeg Amen, en ik dacht, was je nog maar zoo doorgegaan!"

"Ja," zei vader plechtig; "ik zeg maar: zoolang als je nog zulke

getuigenissen te hooren kan krijgen, dan..."

"Nu wat dan, vader?"

"Dan?.. Nou.. dan.. e.. zooals ik zeg..."

"Vader meent maar," hielp zijn vrouw hem, "dat een mensch z'n eigen wel

tweemaal bedenken mag voordat hij daar tegen ingaat."

Een paar minuten stilte.

"Weet u ook hoe het Zondag bij Reijmeringer gegaan is?" vroeg Jannetje

plotseling.

Vader keek onaangenaam verrast op, klopte zijn pijp uit en stopte een

versche; toen nam hij een kooltje vuur:

"Ja.. pf!.. dàt is nou.. pf.. pf.. zie je.. pf! hoe zal ik zeggen?..."

Jannetje wachtte geduldig.

"Ja zie je, dáár kan ik me nou ook zoo glad niet bij neerleggen."

"Waarbij niet, vader?"

"Daar waren meer dan negentien, zie je, en..."

"Ja vader," viel vrouw Huiskamp hem in de rede; "maar laten we nou

eerlijk wezen en zoowel het voor als het tegen zeggen. En dát vond ik

nou ook veel te ver getrokken, al zeg ik het zelf; dát was spijkers op

laag water zoeken! Ja, er waren er twintig; maar hoe! Neen, daar kan ik

nou nog zelfs niet overheen."

"Ik zeg immers ook dat ik het niet kan goedkeuren!" riep vader een

beetje kriegel.

"Jawel, maar omdat je zoo maar alleen zeit: er waren meer dan negentien.

Maar dat ééne schaap van drie maanden, dat was alles.... zie je, ik kan

begrijpen dat je de menschen zóó tegen de kerk maakt."

Jannetje wachtte zwijgend; ze was den heelen avond onhandelbaar; ze

praatte onophoudelijk telkens als vader en moeder maar liever gehad

hadden dat ze haar mond gehouden had; en ze zweeg gedurig als een mof,

telkens als ze haar ouders met een enkel woordje uit de verlegenheid had

kunnen redden.

"Zie je," zei moeder eindelijk; "de burgemeester kwam tellen en vond

negentien groote menschen, nou daar was niets tegen. Maar vrouw Klippers

had haar zuigeling van drie maanden meegebracht, en dat was de

twintigste. Nou toen wou zij met het kind weggaan maar dat mocht niet,

en toen moesten ze allemaal er uit. En tegen Reijmeringer is

proces-verbaal opgemaakt, die krijgt nou boete."

"Maar," vergoelijkte vader; "ze zijn niet geslagen of zoo iets;

Reijmeringer moest zelf zeggen dat alles heel fatsoenlijk in z'n werk

ging."

"En heeft dominee misschien 's avonds ook stichtelijk gepreekt over dat

schandaal?" barstte Jannetje los. "Hoe _kunt_ u nog langer bij zoo iets

blijven?"

"Maar beste meid," hernam vader; "we zeggen je immers zelf hoe leelijk

wij het vinden."

"Jawel: maar ondertusschen doet u er aan meê."

"_Wij_!" riep moeder, "schaam je je niet?"

"Ik meen niets scherps te zeggen, moeder; ik deed er ook aan mee. Ieder

die er bij blijft behooren. Van u weten ze dat het uw lust is den Heere

te dienen; en dus sterkt u de handen van de vijanden. Zij zeggen

natuurlijk dat het zoo kwaad niet zijn kan in een kerk, waar de

Huiskampen in blijven. o Gaat u ook over!"

"Ik en je moeder vinden geen vrijheid om de kerk te verlaten zoolang de

Heere er niet kennelijk geheel uit geweken is."

"Vader, ik vind geen vrijheid om te blijven. Ik vind het vreeslijk om

alleen te gaan, maar ik mag niet anders."

"Jannetje," zei vader, "we kunnen je niet met geweld tegenhouden."

"Maar het is me een verdriet op m'n ouden dag!" jammerde moeder.

"Moeder, God weet het, hoe erg ik het vind u verdriet aan te doen, maar

ik mag niet anders."

"Nou, kind, dan moet je doen wat je niet laten kan."

"Als je maar niet je dwaling eerst inziet, als het te laat is,"

waarschuwde vader nog.

* *

*

Jannetje, hoewel gewaarschuwd, bleek niet voor overtuiging vatbaar. "Ze

is een best kind," zei moeder, "maar ze heeft haar eigen zinnetje!" Den

volgenden dag was ze niet te bewegen mee naar de kerk te gaan. In de

samenkomsten der Afgescheidenen kon ze niet komen zonder het getal van

negentien te overschrijden. Ze kon het dien dag heel goed zonder preek

stellen; ze had meer stichting in de eenzaamheid door haar eenheid met

de vervolgden, dan ze door de mooiste preek van den besten Hervormden

predikant had kunnen genieten.

Maar 's middags liep ze "even" bij Beukman aan, en toen ze een uur later

weer naar huis ging, wist Klaas Beukman dat hij 's avonds aan de

broeders en zusters mocht mededeelen, dat Jannetje Huiskamp zich bij hen

aangesloten had.

XV.

DIAKONALE ARMENZORG.

Driekwart eeuw geleden was het verzenden per post van een brief een duur

ding, waar gewone menschen alleen toe overgingen wanneer het beslist

noodig was. Bovendien hanteerde Klaas Beukman liever drie uren achtereen

den ploeg dan een half uur de pen; en zijn vrouw deed aan

brieven-schrijven in 't geheel niets. Zoo nu en dan hoorden zij en

Gerrit wat van elkander, wanneer boeren uit de beide dorpen elkaar op

een of andere markt ontmoet hadden; ook kwamen er wel brieven van

Gerrit, maar het was een zeldzaamheid als hij er een van zijn ouders

ontving. Het meeste vernamen de ouders en hun kind nog van elkaar door

de predikanten, die bijna voortdurend op reis waren om nu hier, dan daar

de diensten te leiden.

Niet zelden moesten die tochten in het geheim geschieden om de

vervolgingen onderweg te voorkomen zoowel als om de bediening des Woords

en der Sacramenten in de plaats waar de predikant verwacht werd, niet

reeds vooraf onmogelijk te maken door ruchtbaarheid aan zijn komst te

geven. Somtijds werden de samenkomsten op zeer afgelegen plaatsen en

midden in den nacht gehouden. Zoo kwam, om slechts één voorbeeld te

noemen, de predikant Brummelkamp den 19^{en} Augustus 1837 te Bunschoten

aan en predikte den 20^{en}, Zondags, des nachts te Malestijn, zooals de

notulen het zeer grootsch noemen, dat is: op een boerderij tusschen

Bunschoten en Spakenburg, die Malestijn heette. In die

godsdienstoefening werd aan een kind het sacrament des doops bediend.

De geloovigen werden niet gehangen; hun leeraren werden niet

geradbraakt; maar overigens hadden de Afgescheidenen aanleiding genoeg

om hun lot in het vrije "Gereformeerde" Nederland te vergelijken met dat

van de Hugenoten onder den grooten koning Lodewijk XIV.

De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland · 第 6 / 11 段