"Mannen!" zei hij plechtig tot zijn manschappen: "wij bennen hier om

wanordelijkheden te voorkomen! Nou zou d'r niks niemendal gebeurd zijn,

als ze daar binnen d'r mond gehouen hadden. Maar je kon dat zingen wel

een straat ver hooren! Dát maakt de lui duivelsch. Dus ze motten d'r

uit! Want zij maken het oproer! Vooruit; naar binnen."

Aan het hoofd der manschappen trad hij door de opening van de vernielde

winkelkast naar binnen.

"Jullie blijven hier!" commandeerde hij twee man; "de deur open, en zorg

dat er niemand van de straat binnen komt! En jij!" (tot den derden) "mee

naar boven!"

De beide politieagenten, die op order van hun chef de voordeur openden,

werden verrast door het zien van Mottige Mie en Lange Trui, die onder

toezicht van Rooie Hannes ijverig bezig waren de stoep met boter te

besmeren.

"Houe jullie je nou luikes!" raadde Rooie Hannes den agenten met een

vertrouwelijk knipoogje; "dan sel je een lolletje beleven!"

De deur van de achterkamer werd opengestooten.

"Hoeveel ben jelui?" riep de hoofdagent binnenkomend, "Keyser, tel ze!"

Keyser telde. "Drie en twintig, agent!"

"Overtreding!" (Tot Buter). "Zeg jij; jij bent zeker de baas van dit

honden- en apenspel?"

"Ik woon hier," antwoordde Buter zoo kalm mogelijk.

"Dan weet je wel dat er een stuk of vier te veel benne."

"Mijn vrouw, twee dochters, een dienstmeisje en ik zijn vijf; vijf van

de drie en twintig blijft achttien."

"Nou ja, goed! Waarom heb je de heele buurt bij elkaar geschreeuwd met

je psalmenzingerij? Jullie maakt volksoploopen en oproer. Dadelijk er

uit!"

"Waarom moeten...." begon Buter.

"Alla!" schreeuwde de agent, trad op den weerloozen man toe, greep hem

in de borst en slingerde hem een eind de kamer door. De beide agenten

trokken hun wapenstokken en begonnen woest op de vergaderden in te

slaan. Menigeen liep leelijk klappen op. Ze werden de trap afgejaagd;

het was meer geluk dan wijsheid dat allen beneden kwamen zonder nek,

armen of beenen te breken.

't Werd er niet beter op toen ze in den winkel waren. De twee bij de

voordeur geposteerde agenten voegden zich bij hun makkers en dreven de

geloovigen met stooten en stokslagen naar den uitgang. Van de straat af

vloog een zwerm van stukken sneeuwijs, steenen, drek en scherven van den

verwoesten winkelvoorraad naar binnen.

Plotseling weerklonk een felle angstkreet. De eerste broeder, die naar

buiten kwam, was op de botergladde stoep uitgegleden, en als een steen

voorover tegen den grond geslagen. Juichend sleurde het grauw hem bij

armen en kleederen verder. Sullend en glijdend kwamen de overigen het

huis uit.

"Ruimte daar!" hoorde men eensklaps boven al het rumoer uit.

Twintig soldaten van de 18^{e} afdeeling Infanterie kwamen de straat

ingerukt. Een paar leden van de Hervormde Kerk, welke dien weg langs

kwamen, hadden het godgeklaagd schandaal niet werkloos kunnen aanzien,

maar waren hulp gaan halen.

De menigte week uiteen; de verdrevenen konden zich weder verzamelen. De

familie Buter mocht zich weer binnenshuis begeven; ook Klaas Beukman zag

gelegenheid binnen te komen; de overigen mochten zich verwijderen. Maar

verder ging de zoogenaamde hulp niet; de soldaten beletten niet, dat

"velen erbarmelijk werden mishandeld, in den modder geworpen, geschopt

en sommigen licht gekwetst. Gods volk, ook de niet-gescheidenen, stond

op straat luidkeels te weenen." Enkele deuren in de buurt werden

geopend; men riep hier en daar de vrouwen binnen om haar andere

kleederen te leenen, want haar eigen plunje was zoo gehavend, dat de

draagsters niet voegzaam over straat konden gaan.

Een paar der broeders begaven zich naar den commissaris van politie om

hun beklag in te dienen. Den poveren uitslag van dat bezoek vindt men in

de volgende woorden uit het verslag opgeteekend: "De commissaris van

politie heeft uitdrukkelijk verklaard, dat hij ten deze slechts als

machine handelde. Daarin heeft hij recht, dat de door ons verlatene,

afhoereerende geestelijkheid, die het eerst ons ten prooi gaf aan de

wereldlijke macht, meerdere schuld heeft."

Jannetje had haar eersten kerkgang bij de Afgescheidenen achter den rug.

Persoonlijk was ze er nog al goed afgekomen; alleen haar bovenkleeding

was bedorven. Oom Builders bereikte blootshoofds en met een bloedigen

schram boven het linkeroog zijn huis, en tante moest met

bont-en-blauw-geslagen schouders en een aanval van koorts naar bed.

Maar nu wist het oprechte meisje waar zij bij behoorde! Het was reeds

niet meer: die akelige Afscheiding; ook wilde ze nu niet langer "dat die

Afscheiding er niet was." Van dien morgen af behoorde zij onder degenen

van welken het verslag meldt: "Van de mishandelden roemen er velen, dat

zij waardig zijn geacht, om den name Christi smaadheid te dragen."

__________

[1] De beide eerste scheldwoorden naar de predikanten de Cock en

Scholte. Ten onrechte wordt van het derde de eer der uitvinding aan

Justus Van Maurik jr. toegekend.

[2] Op dien dag werden zeventien huizen, waar bekende Afgescheidenen

woonden, door de politie "_bewaakt_."

[3] Smeris en klabak zijn twee Amsterdamsche vertalingen van het woord

politieagent.

XII.

VAN "HOOGER HAND."

De burgemeester van Bunschoten zat met veel gewichtigheid in zijn kamer

in het Raadhuis de ingekomen stukken te lezen. Ze waren niet zeer

talrijk en de inhoud had niet veel om 't lijf, zoodat de Edel Achtbare

zeer spoedig met dit werk gereed zou geweest zijn, indien hij nog iets

anders te doen had gehad; maar dat was het geval niet. Derhalve kon hij

aan het belangrijkste van de paperassen zijn geheele aandacht geven en

onmiddellijk handelend optreden.

Dat was dan ook geen kleinigheid: een schrijven van Zijne Excellentie

den Gouverneur der Provincie Utrecht, den heer Van Toulon. De gouverneur

was altijd zeer welwillend voor onzen burgervader; des te meer verraste

en schokte hem de inhoud van dezen brief. Hij had het epistel nu wel

drie maal gelezen, maar kon het zich toch niet ontveinzen: hoe

poesvriendelijk de vorm ook mocht zijn, Zijn Edel Achtbare werd door

Zijne Excellentie op de vingers getikt! Dat is nooit zeer aangenaam,

maar een onwillekeurig verzuim is toch denkbaar en vergeeflijk; we zijn

allen menschen en één mensch gaat maar één gang! Doch nu.... eigenlijk

verdacht te worden van inschikkelijkheid voor een van die verwenschte

scheurmakers... _hij_: burgemeester, allergetrouwst dienaar van Zijne

Majesteit, kerkvoogd van de "groote" kerk, persoonlijk bevriend met meer

dan één lid van de Haagsche Synode; volbloed-oom van twee en neef van

drie andere Hervormde predikanten... dát was om er een beroerte van te

krijgen!

De burgemeester dronk een glas water en belde heftig.

De bode kwam binnen.

"Veldwachter Koelewijn!" beval Zijn Edel Achtbare norsch en kortweg.

De bode af.

"Hij moet me kalm zien!" zei de burgemeester tot zichzelf en stak gauw

een versche pijp tabak op; iemand die rookt is normaal.

Veldwachter binnen; blijft in militaire houding op behoorlijken afstand

van den hooggeplaatsten man staan.

"Zeg, Koelewijn, wat.... e.... wat ben jij van je geloof?"

"Hervormd, Edel Achtbare!"

"Zoo! Maar.... e.... je hoort toch in je hart eigenlijk bij dat

canalje."

Het is min of meer moeilijk om op zoo vage en zoo vleiende onderstelling

te antwoorden: "Tot uw dienst, Edel Achtbare!" Veldwachter Koelewijn

vergenoegde zich dus met te zeggen "Ik behoor tot de Nederlandsche

Hervormde kerk, Edel Achtbare."

"Je heult, zeg ik je, met de Separatisten!" bulderde het achtbaar hoofd

der gemeente, wiens gemoed de gouwsche-pijp-kalmte begon te verliezen en

opnieuw de beroerte-opwinding naderde.

"Als ik zoo vrij mag zijn, Edel Achtbare, welk bewijs--"

"Welk bewijs? Je bent er orthodox genoeg voor, kerel!"

De veldwachter zweeg; het is uiterst moeilijk uit te maken hoe orthodox

iemand wezen moet om met canalje te heulen.

"Nu, wat heb je daarop te zeggen? Antwoord je _mij_ niet? Als ik één

woord spreek, ben je ontslagen!"

Onwillekeurig dacht de eenvoudige veldwachter aan een ander

hooggeplaatst man, die ongeveer achttien eeuwen geleden hetzelfde gezegd

had tot een gevangene... tot zijn eeuwige schade.

"Edel Achtbare, ik kan niet anders zeggen dan ik u al gezegd heb!"

"Hm! Je bent een rechte sfinx!"

De veldwachter zweeg; hij was in de verte niet zoo ontwikkeld als de

burgemeester en had dus niet de eer te begrijpen met welken geest of

welk beest hij thans vergeleken werd.

"Kijk hier!" ging de burgervader voort, een brief in folio-formaat in de

hoogte houdend. "Van hooger hand, van niemand minder dan Zijne

Excellentie den Gouverneur der Provincie Utrecht; die me opdraagt ten

spoedigste te berichten of veldwachter Koelewijn in betrekking als

_ambtenaar_, dan wel als _separatist_, in de vergaderingen der

scheurmakers geweest is. In het laatste geval moet ik dadelijk een ander

als veldwachter voordragen en word je onmiddellijk ontslagen."

"Edel Achtbare, ik herhaal dat ik lid ben van de Hervormde Kerk en niet

Afgescheiden. Maar als ik zoo vrij mag wezen te vragen of iemand mij

aangeklaagd heeft.."

"Jawel, ik wil open kaart met je spelen, want ik.... wel je bent altijd

goed voor je werk geweest... ik heb niets op je aan te merken. Luitenant

Van der Poort is maar heel weinig ingenomen met je houding, wanneer de

onwettige vergaderingen door hem ontbonden worden. Jij gaat dan zoo

zacht met die snuiters om alsof ze van kraakporselein waren, en zoo wek

je verdenking."

"Edel Achtbare; ik behandel ze menschelijk."

"Kletspraat! Je hebt je te houden aan de bevelen van den luitenant! Die

heeft over je gerapporteerd aan Zijne Excellentie. Nu, jij kent

luitenant Van der Poort even goed als ik als een hoogst-beschaafd man,

die..."

Luid en dringend kloppen aan de deur noodzaakte den burgemeester zijn

lofspraak op den luitenant af te breken. "Binnen!..... Wat is er? Ik ben

immers en besogne!"

"Edel Achtbare, Sergeant Spruiter verzoekt zeer dringend dadelijk

toegelaten te worden."

"Waarom heb je hem niet gezegd dat ik in conferentie ben?"

"Dat heb ik gezegd, Edel Achtbare; het helpt niets. De sergeant zegt hij

moet en zal u onmiddellijk spreken."

"Laat hem dan maar binnen... Koelewijn, wacht even buiten."

Eenige oogenblikken later trad de sergeant de kamer in.

"Wel sergeant?"

"Edel Achtbare! ik kom uw hulp inroepen als hoofd der politie."

"Tegen de separatisten? Zendt luitenant Van der Poort je hierheen?"

"Verekskuseer, Edel Achtbare! Het is juist van wegens den luitenant."

"Ja, die stuurt je hè?"

"Nogmaals verekskuseer; ik ben tijdelijk eerst-aanwezend. De luitenant

is zoo raar, altemet net alsof hij niet goed bij z'n positieven is."

"Wat blief je?"

"Jawel Edel Achtbare! Hij loopt met uw verlof al door maar te bidden en

te vloeken, en z'n eigen vuistslagen te geven, en te schreeuwen en te

gillen van heb-ik-jou-daar! Zoodat ik maar een man of vier bij hem gezet

heb om ongelukken te voorkomen, en nu met versnelden pas bij UEdel

Achtbare kwam. Ik kan geen verstandig woord aan hem kwijt raken en we

hebben z'n sabel al moeten wegmoffelen, want hij wou z'n eigen

tekortdoen."

"Zoo, zoo! Goed. Ga maar vooruit, sergeant! Ik kom bij je."

Sergeant, na militair saluut, verdween.

De burgemeester schoot zijn winterjas aan, want het was een koud dagje

in Maart, en ging de kamer uit. Daar stond, volgens bekomen order, de

veldwachter totdat hij weer binnengeroepen zou worden.

"Ga maar mee, Koelewijn," zei de burgemeester, haastig voortloopend; "er

schijnt iets met luitenant Van der Poort niet in orde te zijn."

Het tooneel, dat burgemeester en veldwachter een minuut of tien later te

zien kregen, toen ze de kamer binnentraden waar de luitenant zich

bevond, was wel geschikt om hun, ieder op z'n eigen manier, aan het

zooeven gehouden gesprek te herinneren.

Tusschen het venster en den schoorsteen tegen den muur, in een grooten

leuningstoel, zat de luitenant in volle uniform. Zijn beenen waren met

een strik aan elkaar gesnoerd; aan elken arm werd hij door een sterken

soldaat vastgehouden. De mannen moesten alle kracht inspannen om hem

meester te blijven. In het vuurrood gelaat rolden de oogen woest heen en

weer. Onophoudelijk vervulde de ongelukkige het vertrek met zijn gebrul.

"Verloren! Verloren! Ik heb ze uit elkaar laten ranselen! Ik heb de

gemeente van den levenden God vervolgd! Voor eeuwig verdoemd! Ik heb

zijn oogappel aangeraakt! Voor mij is geen vergeving! Verloren!

Verloren!"

De burgemeester beproefde een paar woorden tot hem te spreken, maar

vergeefs. De krankzinnige gaf geen enkel blijk dat hij er iets van

begreep, maar bleef onafgebroken zijn wanhoopskreten uitstooten.

"Haal een rijtuig!" beval de burgemeester den veldwachter.

Geen half uur daarna reed een gesloten wagen, met twee paarden

bespannen, zoo snel mogelijk den weg op naar Utrecht. Aan handen en

voeten geboeid, door drie zijner soldaten in bedwang gehouden, werd de

luitenant overgebracht. Voorop naast den boer, die als koetsier dienst

deed, zat veldwachter Koelewijn met het bevelschrift en de overige

noodige papieren van den burgemeester in den zak.

XIII.

DE ONDERMEESTER.

Z.Exc. de gouverneur des konings in de provincie Utrecht kreeg op zijn

schrijven aan den burgemeester van Bunschoten om inlichtingen omtrent

den veldwachter Koelewijn twee antwoorden; dat is een meer dan hij

verwacht had en evenzeer een meer dan hij begeerde.

De burgemeester berichtte hem dat hij onmiddellijk het strengste

onderzoek ingesteld had, maar totnogtoe geen redenen gevonden om den

veldwachter voor ontslag voor te dragen. De zaak bleef hem echter,

zooals vanzelf sprak, "een punt van voortdurende waarneming".

Doch ongeveer terzelfder tijd kwam er een brief van iemand, die zich Jan

Verlinden noemde en zich bekend maakte als ondermeester aan de school te

Bunschoten. Naar het scheen had dat jonge mensch heel wat noten op z'n

zang. De stijl van den brief was goed, maar de inhoud

alleronbetamelijkst. Genoemde Jan Verlinden schreef dat de veldwachter

alleen daarom zich aan het hoofd der patrouilles bevonden had, omdat de

gescheidenen aan den burgemeester betuigd hadden, dat ze voortaan voor

elken soldaat, die zonder van burgemeester of politieagent vergezeld te

zijn, binnendringen wilde ter storing van de godsdienstoefening, zooals

meermalen had plaatsgehad, hunne woning zouden sluiten.

Z.Exc. kon niet anders dan volmondig erkennen dat de gescheidenen in dit

opzicht de letter der wet in hun voordeel hadden. Maar Z.Exc. had,

evenals al zijn geestverwanten en in 't algemeen alle verlichte

menschen, een afkeer van letterknechterij. Z.Exc. en zijn vrienden

hadden wel iets van den schooljongen, die de volgende beschrijving van

den kreeft gaf: "De kreeft is een roode visch, die altijd achteruit

loopt." Waarop de examinator antwoordde: "De kreeft is geen visch maar

een schaaldier, hij is rood alleen wanneer hij gekookt is, en heeft

slechts den schijn van achteruit te loopen; overigens is het antwoord

heel goed." Want volgens de _letter_ der wet was geen der samenkomsten

van de gescheidenen een "associatie"; volgens de _letter_ der wet

mochten minder dan twintig personen vrijelijk samenkomen; volgens de

_letter_ der wet is achttien en al wat daaronder is minder dan

negentien; volgens de _letter_ der wet moest alle inkwartiering

gelijkelijk over de inwoners van een plaats verdeeld worden; volgens de

letter der wet moesten alle inkwartieringskosten behoorlijk vergoed

worden; en volgens de _letter_ der wet behoefde niemand een soldaat of

een patrouille zonder burgemeester of veldwachter met schriftelijke

volmacht van den burgemeester in zijn huis toe te laten. Doch: "de

letter doodt, maar de geest maakt levend;" Z.Exc. was niet de eerste en

zou de laatste niet zijn van de ongeloovigen, die dezen tekst uit Gods

Woord misbruiken zoo dikwijls het in hun kraam tepaskomt om hun eigen

willekeur goed te praten.

Wat Z.Exc. echter geheel van zijn stuk bracht, dat was het slot van den

brief. Hij kon zijn eigen oogen niet gelooven! "Overigens kan Uwe

Excellentie er verzekerd van zijn, dat de door haar gezonden militairen

gezegende werktuigen zijn om Sion uit te breiden."

Zoo'n kwajongen! Hij zou antwoord hebben!

En hij kreeg antwoord.

Den 14^{en} April 1837 ontving Jan Verlinden een briefje van den

schoolopziener in het 3e district Utrecht, waarin hem gemeld werd, "dat

het Gouvernement plan had hem de school te ontzeggen, _niet zoozeer_ om

zijn godsdienstige denkwijze, dan wel omdat hij bevonden werd zich tegen

het Gouvernement aan te kanten. Hem werd nog gelegenheid gegeven om te

verklaren of hij voortaan aan den wil van het Gouvernement zich zou

zoeken te onderwerpen, dan of hij dacht voor te gaan met hetzelve tegen

te werken."

"Zou dit briefje"--zoo vroeg de jonge man zich af--"ook in verband

kunnen staan met hetgeen gisteren gebeurd is?"

Dien dag had hij gedwongen te Amersfoort doorgebracht. Jan Verlinden was

een paar weken geleden aangeklaagd dat hij in een godsdienstige

samenkomst, den 19^{en} Maart gehouden en uiteengejaagd, een der

militairen een duw gegeven had. Indien dit vergrijp bewezen kon worden,

zou het hem eenige maanden gevangenisstraf op den hals halen. Zijn

vijanden twijfelden niet aan dien afloop want drie van de toen aanwezige

militairen hadden de aanklacht van hun makker met eede bevestigd. Men

keek dus heel verwonderd toen de jonge man bewijzen kon dat hij op

'tzelfde oogenblik, waarop hij het vergrijp gepleegd hebben zou, zich in

een ander huis te Bunschoten bevond. Aangezien Afgescheidenen, in

hoeveel opzichten ook van Hervormden verschillend, toch dit met hen

gemeen hebben, dat ze zich niet op twee plaatsen tegelijk bevinden

kunnen, werd Jan Verlinden door de Rechtbank vrijgesproken.

De jonge man verzuimde niet den schoolopziener te antwoorden--alweer een

antwoord dat eigenlijk zoo'n Afgescheiden meester niet voegde. Hij

schreef "dat hij zich met die zaak niet kon of mocht inlaten tenzij hij

schriftelijk verstaan had, _welke_ beschuldigingen of bezwaren het

Gouvernement tegen zijn persoon had en of die van zulk een aard konden

zijn om hem de school te ontzeggen."

De kleine gemeente onder het kruis had, tegen alle verwachtingen in, het

heerlijk Pinksterfeest betrekkelijk ongestoord kunnen vieren. Alleen was

op den eersten dag ten huize van een der broederen een

godsdienstoefening op zeer bijzondere wijze gestoord. Slechts negentien

personen waren aanwezig, maar luitenant Van der Does, de opvolger van

den ongelukkigen krankzinnige, had goedgevonden "ter voorkoming van

overtreding," niet alleen een militaire wacht voor het huis te plaatsen,

maar ook twee militairen in de kamer te posteeren. Deze hielden zich

rustig tot ongeveer in het midden der oefening, toen plotseling de

vergaderden opgeschrikt werden door een hunner, die zoo luid mogelijk

riep:

"Wonen alle die hier zijn in Bunschoten?"

"Ik zou u wel willen verzoeken," sprak de dienstdoende ouderling, "onze

godsdienstoefening niet te storen."

Zonder antwoord te geven trad de soldaat op een bejaarde vrouw toe, die

onder het gehoor zat, legde haar de hand zwaar op den schouder en vroeg:

"Waar woon jij?"

"In Spakenburg!" antwoordde ze verschrikt.

"Direct er uit!" schreeuwde hij, greep haar bij den arm, noodzaakte haar

op te staan, duwde haar de kamer door en wierp haar met een flinken zet

de deur uit.

"Ga nou je gang maar!" veroorloofde hij genadig den ouderling.

Zulke rechtsverkrachting werd evenwel onder de kleinigheden gerekend.

"De groote vraag is echter," merkte Jan Verlinden aan, "of de soldaat op

eigen gezag gehandeld dan wel een order van den luitenant uitgevoerd

heeft."

Dat zou niet lang een open vraag blijven.

Den avond vóór Pinkster waren de infanteristen Pronkert en Drieling

ingekwartierd bij W. van der Kolk, ontvanger der Eem- en havengelden.

Het viel den geplaagden landbouwer, die klein behuisd was, moeilijk

genoeg om de beide manschappen behoorlijk onderdak te brengen, doch de

mannen waren zeer handelbaar en tevreden met hun logies.

Laat in den namiddag van Dinsdag na Pinkster, den 16^{en} Mei, zaten de

huisgenooten, terwijl de ingekwartierden afwezig waren, rustig bijeen.

"O, wat gebeurt daar!" riep plotseling de huismoeder.

Hevig geklop en gebons op de voordeur werd gehoord. Twee stemmen

schreeuwden door elkaar: "Doe voor de die en dat dadelijk open,

ellendelingen! Wou je de militairen buitensluiten? Open, zeg ik je,

ontuig! of we trappen de deur in! En dan rijgen we je een voor een aan

de bajonet!"

De gruwelijkste vloeken doorspekten deze bedreigingen. Soms werd alles

onverstaanbaar gemaakt door de kolfstooten, waarmee de deur gerammeid en

deerlijk beschadigd werd.

Van der Kolk ijlde naar de voordeur en riep door het sleutelgat:

"Heeren, weest zoo goed als naar gewoonte de zijdeur door te komen,

langs het kantoor; deze deur gaat nooit open."

"Verwaande kwast!" werd hem als antwoord tegengebruld. "Kommandeer jij

ons? Dadelijk open of.... Ik verkies _hier_ in te komen, begrijp je!"

De deur kraakte onder de slagen en de trappen. Ten einde erger te

voorkomen, haastte de huisheer zich de deur open te sluiten.

Hij werd opzij geworpen, de beide militairen stapten de huiskamer binnen

en vielen op een paar stoelen neder.

"Een beetje op zij!" grauwde Pronkert de vrouw des huizes toe. "Sta maar

'reis op, lui oud wijf, en breng brood, boter en een paar goeie porties

vleesch."

"En jij, vrome non!" beval Drieling tegen een der dochters, "dadelijk

een flesch of wat goed-belegen bier!" (Tot den zoon des huizes): "Hier,

kwajongen; zet even netjes die twee geweren daar in den hoek!"

Zooveel mogelijk werden de bevelen gehoorzaamd. Men wist uit anderer

ondervinding dat ergerlijke mishandeling het gevolg van tegenstribbelen

kon zijn. De beide kerels waren echter zoo welwillend ditmaal met ham

inplaats van versch vleesch genoegen te nemen.

Nadat ze onder ruwe scherts naar hartelust gegeten en gedronken hadden,

nam Drieling het woord.

"Zeg eens, oude jongen; ik verkies niet langer in dat hok te slapen,

waar we nu drie nachten gelegen hebben."

Een vrij-groote kamer was ter beschikking van de manschappen gesteld,

maar de zoon des huizes moest daar ook slapen, waartegen de beide

soldaten totnogtoe geen bezwaar gehad hadden.

"Heeren, wij zijn klein behuisd; er is geen andere kamer."

"Kom, Drieling," zei Pronkert tot zijn kameraad, "dan zullen we zelf

maar even dat zaakje opknappen."

Ze liepen de kamer uit, maar kwamen na enkele minuten weer binnen.

"Scholtiaan," riep Pronkert, "dat kantoor van je is ruim en goed; daar

is ook een bedstee. Je wijf maakt daar dadelijk een bed in de bedstee en

een veldbed op den grond, hoor je! Dan zullen m'n kameraad en ik

voorloopig er genoegen mee nemen om samen in één kamer te slapen. En dan

mag je nog van geluk spreken dat je zoo schappelijk behandeld wordt."

"Mijnheer, dat is het kantoor voor mij als ontvanger van de Eem- en

havengelden; daar heb ik geen beschikking over."

"Dat hoeft ook niet, vrome kwezel!" grijnsde de andere soldaat. "_Wij_

beschikken er over en dat is voor jou voldoende."

"Mijnheer; ik mag wezenlijk niet...."

"Kom Pronkert!" zei Drieling, "dan moeten we zelf maar even het

beddegoed halen!"

"O neen!" riep de huismoeder verschrikt.

Drieling schaterde van 't lachen. "Als je ze een handje helpen wil, is

't ook weer niet goed! Vooruit dan, geliefde zuster!"

De slaapplaatsen werden in het kantoor in orde gemaakt. Naar het scheen

kwam nu de woestheid van de beide militairen een weinig tot bedaren.

's Avonds zaten ze bij de huisgenooten een pijp te rooken. Jan Verlinden

was zijn vrienden eens komen bezoeken, en zat ook in 't gezelschap.

"Ik hoop dat alles nu naar genoegen is?" vroeg Van der Kolk.

"Och!" zei Pronkert, "ik geloof niet dat je anders zooveel last van mijn

en m'n kameraad gehad hebt, wel vadertje?"

"Neen," vulde Drieling aan; "er zijn wel kwaadaardiger rakkers in onze

compagnie, al zeg ik 't zelf."

"Nu de vrienden er toch over doorpraten," ging Van der Kolk voort; "moet

ik eerlijk zeggen dat wij het ons ook al niet begrijpen konden."

"Ja, maar wat moet je doen!" zuchtte Pronkert; "ik ga ook niet graag een

week of wat de doos in!"

"En waarom zou je de doos ingaan, vrind?" vroeg Van der Kolk.

"Kijk, het zit 'm zóó!" lichtte de soldaat toe. "We hadden order van den

luitenant om niet anders dan door de voordeur naar binnen te willen..."

De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland · 第 5 / 11 段