Ende hij seide tot haer: waer is uw geloove? maer sij bevreest sijnde

verwonderden haer, seggende tot malkanderen: wie is toch dese, dat hij

oock de winden ende het water gebiet, ende sij sijn hem gehoorzaem."

Met gemak en vuur sprak hij langer dan anderhalf uur over dit onderwerp,

dat hem zoo rijke stof gaf. Voor zijn hoorders duurde de dienst echter

veel te kort.

Toen eindelijk het gezelschap weer aan land kwam, stond de veldwachter

hen op te wachten. Van allen werden de namen genoteerd; voor ieder

hunner zou beboeting volgen. Toch had geen van allen een tittel of jota

van de wet overtreden, alleen had dominee gehandeld tegen de uitlegging,

welke het laatste koninklijk besluit van de grondwet gaf.

Nog denzelfden avond maakte mevrouw Karper kennis met Klaas Beukman,

dien ze in zijn huis ging bezoeken.

De afspraak, met moeder Grietje gemaakt, werd bekrachtigd. Alleen merkte

Klaas op dat misschien een jong vriendinnetje onder zijn geleide naar

Amsterdam zou meegaan. Des te aangenamer voor mevrouw, die nooit genoeg

gezelschap had naar haar zin.

Wèl-voldaan over haar uitstapje keerde ze den volgenden morgen

huiswaarts.

__________

[1] Nauwelijks was ook in dit gedeelte van ons land door de

Afgescheidenen godsdienstoefening op het water gehouden;--'t geen in

andere provinciën reeds vroeger geschied was--; of de burgemeester van

Bunschoten ontving de volgende aanschrijving:

"No. 901. Kabinet. Utrecht 12 Mei 1837.

Men heeft mij op eene indirecte wijze kennelijk gemaakt dat bij de

afgescheidenen in uwe gemeente het voornemen zoude bestaan hunne

godsdienstoefeningen bij daartoe gunstig weer op zee in schuiten te

houden.

Ik verzoek UEdg. mij te onderrigten wat hier van zij en in het

bevestigende geval mij casu quo deswege eenige bijzonderheden bijv. zoo

nopens hun getal, den woordvoerder en hunne verrigtingen mede te deelen.

_De Staatsraad-Gouverneur van de Provincie Utrecht._

L. VAN TOULON."

X.

"POSTWINKEL."

Het was in de laatste dagen van Maart 1837 nog alles behalve lenteweer.

Slechts zoo nu en dan kwam de zon door; meestal werden zware regenvlagen

afgewisseld door hevige buien van losse, natte sneeuw. De wegen waren

dan ook over 't algemeen veranderd in modderpoelen, die van menschen en

beesten bovenmatige inspanning eischten; al viel een ritje niet zóó

bezwaarlijk als een week of vier geleden.

Den vierden Zaterdag na den dag, waarop mevrouw Karper haar bezoek aan

Loosdrecht gebracht had, was voor Klaas Beukman het oogenblik gekomen om

zijn reis langs "Postwinkel" naar Amsterdam te ondernemen. Den volgenden

Maandag vroeg moest hij in die stad de behandeling van zijn rechtszaak

bijwonen. Het gold een boete, die hij opgeloopen had voor het openzetten

van zijn huis voor verboden godsdienstoefening.

Een bijzondere gunst van zijn God achtte hij het, dat juist een paar

dagen tevoren plotseling en onverwacht de inkwartiering--ten minste

tijdelijk--was ingetrokken, waarmede hij nu bijna zes maanden, met

verkrachting van alle wetten des lands, gekweld geweest was. Nu kon hij

tenminste met een geruster hart drie dagen van huis gaan en zijne vrouw

alleen achterlaten zonder vrees voor ruwe behandeling.

Aan den morgen van Zaterdag, den 25^{en} Maart, ongeveer te tien uur,

kwam dus de oude bekende huifkar voor. Na hartelijk afscheid van zijn

vrouw ging Klaas voor in de kar zitten en nam de teugels in handen. Het

vriendinnetje, dat de reis onder zijn geleide maken zou, nam naast hem

plaats, en Beukman reed met Jannetje Huiskamp weg.

Jannetje ging eens een paar dagen doorbrengen bij oom en tante Builders,

die in een der beste straten van de Jordaan te Amsterdam in een

manufacturenwinkel een behoorlijk burgerlijk bestaan vonden. Oom en

tante waren altijd met haar ouders op den besten voet geweest; de

Afscheiding, waartoe beiden overgegaan waren, had daarin geen wijziging

gebracht. Ofschoon vader en moeder Huiskamp nu niet bij voorkeur hun

dochter daar een Zondag zagen doorbrengen, hadden ze er ook geen

overwegend bezwaar tegen. Hetgeen in de laatste maanden in Loosdrecht

was voorgevallen, had ook op hen zijne uitwerking niet gemist; de oogen

gingen hun hoe langer hoe meer open. Een bekend staatsman heeft eens

gezegd: "Alle bescherming is vervolging." Wellicht kan men nog meer naar

waarheid de spreuk omkeeren en zeggen: "Alle vervolging is bescherming."

En Jannetje die heel goed wist, dat ze door die reis om zoo te zeggen

midden in de Afscheiding terecht kwam, had daar eigenlijk wel eens zin

aan; ze wilde wel eens met eigen oogen zien hoe het toeging in die

kringen, waar..... Gerrit toe behoorde.

Een bezoek bij mevrouw Karper was nu juist niet hetgeen het eenvoudige

landmeisje in de eerste plaats aantrok. Maar daar was geen ontkomen aan,

en haar vriend Beukman verzekerde haar, dat dit haar erg meevallen zou.

De reizigers werden dan ook allerhartelijkst ontvangen door mevrouw, die

hen, doch zonder eenige reden, reeds eenige uren vroeger verwacht had.

Ze werden na de eerste begroeting door de vrouw des huizes in een groote

zaal gebracht, welke naar de meening van Jannetje in ruimte en prachtige

meubileering zeker niet voor de mooiste kamer in het paleis des konings

behoefde onder te doen. Daar vonden ze een klein maar zeer gemengd

gezelschap bijeen. Juffrouw Rika was ijverig in de weer met het schenken

van koffie, die ze met een schaal vol koek door een jonge dienstbode den

gasten aanbieden liet. Een paar keurig-gekleede meisjes van acht of

negen jaar, blijkbaar uit den hoogeren stand, logeergasten uit Utrecht,

stoeiden ongehinderd samen in een hoekje van de groote salon. Twee

boeren-echtparen zaten heel gemakkelijk in gesprek met het middelpunt

van den kleinen kring, een jongen man in ambtsgewaad, met scherpzinnig

maar vriendelijk en openhartig voorkomen, aan wiens rechterzijde de

leunstoel voor mevrouw open stond.

"Dominee Van Raalte," sprak mevrouw Karper; "ik breng u hier mijn vriend

Klaas Beukman uit Loosdrecht, en mijn jonge vriendin Jannetje Huiskamp."

Dadelijk daarna verdween mevrouw weder om in de huishouding werkzaam te

zijn. Zij bracht haar gasten bij elkaar, liet hun geheel vrij en gaf hun

haar gezelschap alleen wanneer het haar volkomen gelegen kwam, dat nooit

dikwijls of lang het geval was; zonder in 't minst om een hunner of om

allen tezamen ook maar eenigszins van haar gewoonten af te wijken.

Tenzij hooger belangen dat eischten; maar dan deed ze het niet terwille

van haar gast, maar van haar Heere.

Dominee Van Raalte had dikwijls genoeg in Loosdrecht gepredikt om

Beukman te kennen. Spoedig zaten die beiden in druk gesprek gewikkeld,

waarin ook de twee boeren en hun echtgenooten betrokken worden.

Dezen--pachters van mevrouw Karper--waren maar even over komen loopen om

den predikant te begroeten, wiens leerredenen ze den volgenden dag

hoopten te hooren. Ze waren bij de eigenares van de door hen bewoonde

hofsteden als vrienden over huis. Er was altijd kans dat in slechte

jaren de pachtsom tijdelijk daalde, maar voor opslag behoefden ze

levenslang niet te vreezen.

"Ik heb verleden Zondag in Amsterdam voorgegaan," verhaalde dominee Van

Raalte; "de vervolging begint ook daar sterk te woeden. De politie heeft

het gewone vergaderlokaal van de gemeente gesloten, zoodat we nu

samengekomen zijn ten huize van broeder Budde aan den Nieuwe Zijds

Achterburgwal bij de Gasthuismolensteeg."

"En is de gemeente daar nog lastig gevallen, dominee?" vroeg een der

pachters.

"Nog niet!" was het antwoord; "maar...."

"Maar?" vroeg Beukman. "Ik denk morgen in Amsterdam te zijn en hoop den

dienst bij te wonen."

"Dan wensch ik u van God toe, dat ge dat ongestoord zult kunnen doen,

maar ik vrees er voor! Het gemeen wordt daar woelig en van overheidswege

wordt niets ter bescherming van Gods kerk gedaan. Er zijn morgen

verscheidene plaatsen van samenkomst, bijvoorbeeld bij Budde, bij

Hoogkamer, bij Buter...."

"Ook bij Buter?" viel Beukman dominee in de rede. "Ik hoop bij hem tot

Maandag te logeeren. Buter in de Lindenstraat bij de Noorderkerk?"

"Dezelfde; een broeder die veel voor den naam des Heeren overheeft! En

zal deze juffrouw daar ook zijn?"

"Ik ga naar mijn oom en tante Builders, dominee."

"Dien naam herinner ik me niet. Behooren ze ook tot de onzen?"

"Ja dominee,--maar ik ben nog Hervormd."

"Het doet me genoegen, juffrouw, dat te hooren."

Jannetje keek den spreker verbaasd aan; ze dacht dat hij haar niet goed

verstaan had.

"Ja, juffrouw; wanneer iemand zegt dat hij iets nog is, dan schijnt hij

uitzicht te hebben binnen niet al te langen tijd iets anders te zijn."

Mevrouw kwam binnen om haar gasten tot den maaltijd te noodigen.

"We eten maar vroeg," zei ze, "want onze broeder Beukman moet nog naar

Amsterdam, en zal daar zeker niet graag zoo laat aankomen."

De beide boerenparen namen afscheid, en de overigen volgden mevrouw naar

de eetzaal, een fraai vertrek met heerlijk uitzicht over een vijver en

verder de buitenplaats in, dat niet minder dan de salon de bewondering

van Jannetje gaande maakte.

De keurig-gedekte en rijk-voorziene tafel was in de oogen van Jannetje

een ware bruiloftsdisch, maar ze gevoelde zich recht op haar gemak; van

stijve of hoofsche vormen was geen sprake. Integendeel: alles--behalve

de huisgodsdienst waar overvloedig tijd voor genomen werd,--ging zoo

gejaagd dat van gezellige gesprekken gedurende het tafelen niets komen

kon. Het sterke gestel van mevrouw kende geen vermoeidheid; haar

zenuwachtigheid jaagde haar steeds voort. Des zomers verliet ze met

zonsopgang haar bed en des winters kon van haar gezegd worden wat de

Spreukendichter van de "deugdelijke huisvrouw" getuigt: "Zij staat op

als het nog nacht is." Maar daarom ging ze niet vroeg ter ruste; des

avonds zou koning Salomo van haar geschreven hebben: "Haar lamp gaat des

nachts niet uit." Dat was niet altijd even welgevallig in de oogen harer

dienstboden, die duchtig ondervonden: "Zij beschouwt de gangen haars

huizes." Maar toch hadden ze er over 't algemeen vrede mee, want het was

een uitstekend-goede dienst, en geschikte dienstbodens werken gewoonlijk

met lust, wanneer ze van haar meesteres verklaren kunnen: "Het brood der

luiheid eet zij niet."

Nauwelijks was de laatste der aanzittenden gereed, waarop mevrouw met

kwalijk-verborgen ongeduld had zitten wachten, of het geheele

dienstpersoneel werd binnengeroepen om den huisgodsdienst bij te wonen.

De paar minuten, die verliepen tusschen het ontbieden en het komen van

de meisjes, vulde mevrouw aan door tot Beukman te zeggen: "Vriend

Beukman, dadelijk na den dienst moeten wij elkaar even spreken."

Zoodra dominee, wien verzocht was voor te gaan, zijn gebed geëindigd

had, stond mevrouw op, wenkte Beukman en verliet door hem gevolgd het

vertrek. De gasten konden zich weer vermaken, of bezighouden, of rusten,

elk naar eigen keuze.

Het zou niet licht voorkomen dat mevrouw eenige afspraak vergat of eenig

voorgenomen plan verwaarloosde. Ze gebruikte dus in haar onderhoud met

Beukman zeker vijftien minuten--voor haar doen een langen tijd--om alles

te weten te komen wat ze weten wilde omtrent den ontslagen tuinbaas te

Middelburg. Hoe ze hem helpen wilde, wist ze nog niet, maar dàt ze het

doen zou, stond bij haar vast. En Beukman had voortaan een adres waar

hij komen kon zooveel hij wilde.

Met evenveel hartelijkheid als haar Loosdrechtsche vrienden verwelkomd

waren, werden ze nu weer op reis gezonden; niet omdat mevrouw ze zoo

graag vertrekken zag; maar omdat er meer te doen was, omdat ze vóór

donker in Amsterdam moesten zijn en omdat het paard genoeg gerust had.

"Nu, lieve kind," zei mevrouw tot afscheid tot Jannetje, "de Heere

heilige het aan je hartje."

Daarmee bedoelde ze niet het bezoek van heden, maar den kerkgang van

morgen, en vooral de bezwaren welke die haar bezorgen kon.

XI.

HOOG EN LAAG GEMEEN.

De heer Buter, de vriend van Klaas Beukman, bewoonde in de Lindenstraat

tusschen de Noorderkerk en de Lindendwarsstraat een vrij ruim huis. Hij

had als winkelier in huishoudelijke artikelen een goed burgerbestaan.

Reeds sedert het begin der beweging had hij met zijne vrouw zich van

ganscher harte bij de Afscheiding aangesloten; en zij werden gerekend

onder de leden, van wier standvastigheid in de vuurproef der vervolging

men zich verzekerd houden kon. Dat was gelukkig niets ongewoons. De

ouderling van de kleine gemeente, Wormser, die in "De Reformatie"

verslag gaf van hetgeen in dit hoofdstuk verhaald wordt, kon er

bijvoegen: "Sommigen onzer Amsterdamsche broeders zijn in druk en

benauwdheid wegens het voorgevallene. De meesten echter staan goed,

welgetroost in den Heere."

Broeder Buter had dus niet geaarzeld, toen "de openbare vergaderplaats

der gemeente te Amsterdam, tot straffe voor de openlijk daarin plaats

gehad hebbende prediking, laatstelijk van den predikant de Cock, door de

politie gesloten was," zijn huis aan te bieden voor de samenkomsten.

Dankbaar werd het aanbod aangenomen, want de zoogenaamde Jordaan was

evenals Kattenburg rijk aan gemeenteleden; en er bestond meer dan één

reden om den menschen de gelegenheid voor godsdienstoefening zoo dicht

mogelijk bij hun woningen te geven; om er slechts één te noemen: hoe

korter de afstand is wanneer men onder ketelmuziek, steenworpen en

stokslagen naar huis gaat, des te beter.

Een ruime achterkamer was bestemd voor de te houden samenkomst,

waar--ten einde alle aanmerkingen te ontgaan--behalve de leden des

gezins niet meer dan negentien personen bijeen zouden zijn. Die kamer

bereikte men door den winkel heen langs een trap achter in de gang.

Het ontbijt stond reeds vroeg op den morgen gereed in de voorkamer.

Toen de huisvader--het laatstgenoemde vertrek binnen getreden--even naar

buiten keek, zag hij dat het weer er niet op verbeterd was. De grijze

wolken, die elk zonnestraaltje onderschepten, lieten groote

sneeuwvlokken los, welke onmiddellijk bij aanraking met de natte gevels,

de zwart-uitgeslagen stoepen en de modderige straat wegsmolten en

voortdurend de onreinheid vermeerderden. In de hoeken van de stoepen

lagen restanten van het sneeuwijs der vorige dagen nog opgehoopt,

vermengd met stukken baksteen, afkomstig van een huis, dat op twintig

schreden afstands afgebroken werd. Alles zag er dus even treurig en

triestig uit; maar toch werd de aandacht van den heer Buter tot iets

anders getrokken.

"Mina!" zei hij tot zijn vrouw, die bezig was met brood snijden; "kom

eens gauw even kijken. Er staan vier politieagenten voor de deur!"

"Wat blief je?" riep juffrouw Buter en liep met het mes in de hand naar

het venster. "Al z'n leven! Zou er niemand door mogen?"

"Wie weet het!" antwoordde haar man, "maar het is ook mogelijk dat ze

hier geplaatst zijn om ons tegen opstootjes te beschermen."

"Het kàn zijn!" zei Klaas Beukman, die ook even was komen kijken. "Maar

naar de ondervinding, die wij in Loosdrecht opgedaan hebben, zou ik je

raden daar maar niet te vast op te rekenen!"

"Zou je 't ook eens even vragen, Hein?" opperde zijn vrouw.

"Dat kan in elk geval geen kwaad," meende haar man en ging naar beneden.

Een stuk of wat straatjongens en enkele baliekluivers, die voor hun doen

buitengewoon vroeg bij den weg, of waarschijnlijker sedert den vorigen

namiddag nog niet thuis geweest waren, stonden met de grootste

belangstelling te wachten op de dingen, die komen zouden.

Zoodra Buter de voordeur opende, schreeuwde een van de bengels: "Daar

heb je den Scholtiaan!"

"Dag apenbakkes!" juichte een van z'n kornuiten.

"Mijnheer," zei Buter tot een der agenten, "mag ik vragen waarom er

politie voor mijn huis staat?"

"Om jou op te hangen!" schreeuwde een van de halfdronken kerels.

"Om de orde te bewaren;" antwoordde de man van de wet en begon heen en

weer te loopen ten teeken dat de audiëntie afgeloopen was.

"Zeg Kees!" krijschte een wijf, dat in nachtjak en met uit de vuile

slaapmuts hangende hairen uit een water- en vuur-kelder kwam aanloopen,

"misskien lust die Skoltiaan wel een paardevijg?"

"Daar zeg je zoo wat, Mottige Mie!" bulderde Kees en bukte zich reeds om

het voorgestelde projectiel te zoeken.

De politieagenten bewaarden de orde--bij zichzelven; ze stonden zoo kalm

en onbeweeglijk alsof ze in een wassen-beeldenspel opgezet waren.

Buter sloot spoedig de deur; hij wist genoeg!

De huisgodsdienst vóór het ontbijt werd niet zoo maar voor den vorm

gehouden! Met ernst en aandrang smeekte de huisvader, toen hij in het

gebed voorging, om den bijstand des Heeren Heeren, en om de genade die

noodig was ten einde geduldig en blijmoedig het lijden te verdragen, dat

bijna zeker binnen enkele uren ter wille van Gods naam over hen komen

zou. Hartelijk stemden zijne vrouw, zijn beide dochters, het

dienstmeisje en zijn gast met hem in. De kleine groep verkwikte en

versterkte zich daarna door de lezing van 1 Petr. IV:12-19:

"Geliefde, en houdt u niet vreemt over de hitte der verdruckinge onder

u, die u geschiet, tot versoeckinge, als of u yet vreemts overquamen.

Maar gelyck ghy gemeynschap hebt aen het lijden Christi, also verblydt

u; opdat ghy oock in de openbaringe sijner heerlickheyt u mooght

verblyden ende verheugen.

Indien ghy gesmadight wordt om den name Christi, so zyt ghy saligh: want

de geest der heerlyckheit en de Geest Godts rust op u, wat haer aengaet

hij wort wel gelasterd, maer wat u aengaet hij wordt verheerlickt.

Doch dat niemandt van u en lyde als een doodtslager, of dief, ofte

quaetdoender, ofte als een die sich met eens anders doen bemoeyt:

Maer indien yemandt lijdt als een Christen, die en schame sich niet,

maer verheerlicke God in desen deele.

Want het is de tijdt dat het oordeel beginne van het huys Godts: ende

indien het eerst van ons begint, welck sal het eynde sijn dergene die

den Euangelio Godts ongehoorsaem sijn?

Ende indien de rechtveerdige nauwelicks saligh wort, waar sal de

godtloose ende sondaer verschynen?

Soo dan oock die lyden nae den wille Godts, dat sy hare sielen hem als

den getrouwen schepper bevelen met weldoen."

Het is waar, de heer Buter las dat in oud-Hollandsch voor, en was door

die gehechtheid aan de taal der vaderen wel honderd jaren bij zijn tijd

ten achter. De heeren van de Haagsche Synode, die daarom met spot en

verachting op hem neerzagen, schreven veel mooier Hollandsch! Zie maar

eens welk ontzaglijk verschil:

"De Commissie (uit de Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk) heeft

geoordeeld, eerstelijk wat betreft het houden van onwettige

godsdienstige bijeenkomsten, waardoor ook in nabij gelegene provincien

aanleiding tot wanorde en tot scheuring werd gegeven, Zijne Excellentie

den Minister belast met de generale directie voor de zaken der Hervormde

Kerk, dringend te moeten verzoeken ter aanwending van zijne

tusschenkomst en veelvermogende pogingen bij Zijne Excellentie den

Minister van Justitie, ten einde van wege laatstgemelde eene krachtige

aanschrijving moge worden uitgevaardigd aan de officieren en ambtenaren

onder deszelfs ministerieel departement, met name in de Provinciën

Groningen en Drenthe behoorende, ten einde ook zonder aangifte van

eenige contraventie tegen de bestaande wetten, met allen ijver werkzaam

te zijn ter handhaving der artikelen 291-294 van het strafwetboek voor

het koningrijk, van welk verzoek Z.Ex. den Minister van Justitie

afschrift is toegezonden.

H. H. DONKER CURTIUS, _Pres._

J. J. DERMOUT, _Secr._"

Dat ouderwetsche Hollandsch van Buter is misschien vloeiender; maar die

nieuwe taal van de Synode slaat er beter op los!

Even over half tien kwamen de "kerkgangers," achttien in getal, want om

gewaarborgd te zijn tegen alle spitsvondigheid werd Beukman voor den

negentienden gerekend. Onder die achttien waren ook mijnheer en juffrouw

Builders en Jannetje Huiskamp.

De aankomenden hadden weinig last van de kijkers, die langzamerhand

sterk in aantal toegenomen waren. Ze werden alleen slechts nagejouwd en

uitgescholden, terwijl een enkele maal een vuil stuk sneeuw hun om de

ooren vloog. Geen hunner had eenig voordeel gehad van de aanwezigheid

der politieagenten.

Op straat ging het tamelijk luidruchtig toe. Boven het gejoel en

gestommel uit klonken telkens de kreten: "Coksejanen! Scholtianen! Fijne

beschuiten!"[1]

"Ik zag," zei een van de broeders: "bij Steenhorst in de Nieuwe

Leliestraat ook politie voor de deur."[2]

"En ik," sprak een ander, "hetzelfde bij Hoogkamer op den Nieuwe Zijds

Voorburgwal. De politie schijnt het zich vandaag al bijzonder aan te

trekken."

"Broeders en zusters," zei Buter; "laat de politie voor wat ze is. Onze

hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aerde gemaeckt heeft.

Maar het is tien uur. We zullen beginnen."

De heer Buter zou een leerrede van Van der Groe voorlezen, en opende de

vergadering met gebed. In het achtervertrek hoorde men het straatrumoer

wel, maar niet sterk genoeg om er ernstig door gestoord te worden. Na

het gebed gaf de voorganger op te zingen Ps. 46:1.

Als ons de noot overvalt krachtigh,

Ons borcht en heyl is God almachtigh;

Sulcks bevinden wij in den noot,

En hebben in hem troost seer groot.

Dies vreesen wij in geenen dinge,

Al waer 't dat de werelt verginge,

En de bergen hen wierpen snel

In 't midden der zee diep en fel.

Nauwelijks waren de eerste tonen van het lied aangeheven, of een helsch

geraas en getier deed zich hooren. Half-dronken leegloopers bulderden

vloeken en verwenschingen; de straatjeugd maakte muziek met fluitjes en

ratels; gillend en krijschend klonken de scheldwoorden der vrouwen boven

alles uit. Het gerinkel van glasscherven getuigde van wat er in de

voorkamer gebeurde.

"Jongens!" schreeuwden een paar kerels; "help reis een handje! Die

winkelkast en de deur motte open!"

De winkelkast was op ouderwetsche wijze als balkon naar buiten gebouwd

een voet of twee over de rooilijn heen. Ze was afgesloten door luiken,

die aan de straatzijde waren verzekerd met ijzeren handboomen,

kruiselings gelegd en van hangsloten voorzien.

De oproeping vond gretig gehoor. In een oogwenk waren een paar ijzeren

bouten bij de hand om de kruisboomen te forceeren. Spoedig was dit

gelukt, en nu begon een bombardement, waarvoor onmiddellijk glazen en

sponningen van het winkelraam bezweken en van de uitgestalde koopwaren

niets breekbaars heel bleef.

Van preeklezen was geen sprake meer. De vrienden zaten weerloos bijeen

als een kuddeke, dat vreezen moest elk oogenblik door de wolven

besprongen te worden.

Eindelijk trad de politie op. De hoofdagent ging voor de deur staan en

hield een toespraak tot het grauw.

"Jongens, nou make jullie het wat al te bont!"

Luid gejuich volgde op deze ontboezeming.

"Hoor hèm ereis! Zeg, ouwe jongen, jij bent toch geen Skoltiaan? Kan je

denken! dan was ie al lang de laan uit! Ga weg, smeris! anders krijg je

bij ongeluk een steen tegen je kop!"[3]

"Wacht nou een amerijtje!" raadde de agent gemoedelijk; "dan selle me

d'r een eind aan maken. Hou jullie je nou even kalm, dan gaane wij na

binne!"

"Hoera! De Skoltianen komme d'r uit!"

"Ga jij gerust je gang, vader!" riep een forsche kerel. "Ik zal ze hier

wel even zoet houen!" (Tot den volkshoop). "Houe jullie je pooten nou

een oogenblikkie tuis! Of wat let me: je krijgt met Rooie Hannes te

doen! Wie wil er een pak op z'n nuchtere maag hebben! Toone jelui nou

dat er tegen _ons_ geen pelisie noodig is! Als je nou zoet je beurt

afwacht, komme binne vijf minuten de Skoltiane buite!"

"Hoera voor Rooie Hannes! Dat beloven we je, hoor!"

"En wie heit er nou net als ikke een paar cente voor over," ging de

plaatsvervanger der politie voort, "om as ordelijke burgers de pelisie

een handje te helpen? Dan sel je een grap beleven! Lange Trijn, verkoop

jij _mijn_ nou' ereis een halfpondje boter voor de laagste prijs!"

Een donderend Hoera! bewees dat de bedoeling van Rooie Hannes begrepen

was. Binnen twintig tellen was Lange Trijn met de boter terug.

Onderwijl was de hoofdagent tot het besluit gekomen dat er een eind aan

het relletje moest gemaakt worden.

De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland · 第 4 / 11 段