steeds drie manschappen moesten blijven, en een derzelve gedurende den
nacht als schildwacht stond. Een der plaatselijke autoriteiten
verklaarde aan den predikant, nadat de militairen den 5^{en} December
weer vertrokken waren, dat deze inlegering had plaats gehad als een
lesje tot straf wegens het houden van openbare godsdienstoefening, en
dat, indien het weder gebeurde, de straf veel zwaarder zou zijn.
Aan een paar leden der gemeente, die zich bij het plaatselijk bestuur
tot bekoming van schadevergoeding hebben aangemeld, is verklaard, dat
die niet zoude betaald worden. Het plaatselijk bestuur heeft tevens
kunnen goedvinden bij een meisje, dat alleen woont en slechts één
vertrek heeft, een der militairen in te legeren."
"Wat zal daar nog eens het eind van wezen!" zei Huiskamp, toen Gerrit
zijn lectuur geëindigd had. "Want zoo kan het niet voortgaan!"
Neen! dàt vroegen en oordeelden tienduizenden in den lande met hem. Maar
waar 't ook op uitloopen zou: niemand dacht op Kerstdag 1836, dat het
eind nog zóó ver in 't verschiet lag. Nog nooit heeft een vervolger van
de gemeente zijn berekening goed gemaakt. Is de uitslag der vervolging
volslagen mislukking, dan heeft de vijand van Gods Kerk zichzelf
staatkundig en maatschappelijk onherstelbaar benadeeld. Daarvan is
Spanje sedert 1578 een voorbeeld. Maar nog erger is het, wanneer de
vervolger schijnbaar triomfeert en de poorten der hel naar zijn
schatting de gemeente overweldigen. Dat toont Frankrijk sedert 1685 bij
den dag meer.
Zou Nederland--eens de "Herberg van Gods Kerk"--daaraan zich spiegelen?
Op geen der Huiskamp's had het gehoorde dieper indruk gemaakt dan op
Jannetje. Ze begon de dingen in een ander licht te beschouwen. Toen
Gerrit Beukman naar Bunschoten verhuisde, had ze hem vèr, vèr van zich
verwijderd geacht. Wat ze gisteren gezien en vandaag gehoord had,
plaatste hem in haar oogen ver boven haar. En naarmate hij hooger steeg,
gevoelde zij hem minder ver. Dat iemand zijn kerk verliet, zooals zij
het noemde, kon ze nog niet goedkeuren. Doch in elk geval was het geen
lichtzinnige stap, en iemand die er zich zulke onheilen door op den hals
haalde, toonde daardoor zijn moed en oprechtheid.
"Dat komt van die akelige Afscheiding!" had Jannetje eenige maanden
geleden gejammerd. Maar nu was haar oordeel zooveel zachter geworden,
dat ze treurde: "Ik wou dat die Afscheiding nooit gekomen was!"
Op zeer verschillende gronden waren alle belanghebbenden dát met haar
eens!
VIII.
ZWARE KERKGANG.
Dik lag het donzig tapijt van de sneeuw over het landschap, en nog
steeds sneeuwde het voort. De felle wind joeg de vlokken heen en weer om
ze ten slotte grillig neer te werpen, totdat op sommige plaatsen zooveel
opeengehoopt was, dat het verkeer er ernstig door bemoeilijkt werd.
Voor de deur van het ouderwetsche, degelijke heerenhuis op de groote,
fraaie buitenplaats Postwinkel tusschen Abcoude en Baambrugge stond een
logge, stevige koets gereed, bespannen met twee flinke bruine paarden.
Dicht ingestopt zat de oude verweerde tuinman als koetsier op den bok.
Hij had een langen tocht voor zich.
De huisdeur werd geopend om de reizigers uit te laten, die in dit weer
een rit gingen maken. Een zonderling drietal trad naar buiten.
Voorop ging een dame van ongeveer zestigjarigen leeftijd; een tamelijk
lange, stevig-gebouwde vrouw met forsch, bijna mannelijk gelaat, maar
dat toch nog enkele sporen van vroegere eigenaardige schoonheid
vertoonde. Ze was zeer ouderwetsch, maar deftig en zelfs kostbaar
gekleed. Toch zaten de kleeren niet sierlijk; zelfs niet net, en van
onder den diepen hoed sprongen enkele lokken weerbarstig grijs haar
tevoorschijn. Met de rechterhand steunde ze tamelijk zwaar op een
sterken wandelstok. Ze was wel niet kreupel, maar liep toch min of meer
moeilijk; evenwel zou ze er niet aan denken den arm van eenigen heer aan
te nemen, al werd die haar hoffelijk aangeboden, of de hulp van haar
gezelschapsjuffrouw in te roepen. Maar Piet, de oude koetsier, die van
den bok geklauterd was, mocht haar familiaar onder den linkerarm steunen
toen ze het rijtuig insteeg. Want de moeder van Piet was de min van
mevrouw geweest, en Piet, die een jaar of zes ouder was dan zijne
meesteres, wist zich nog best den tijd te herinneren toen hij haar
altijd gewoonweg Jansje noemde. Dat was nu wel van Jansje jongejuffrouw,
van jongejuffrouw juffrouw en van juffrouw mevrouw geworden, maar
toch..... Piet zei wel eens tot zijn vertrouwde vrienden: "In den grond
van de zaak is het toch eigenlijk Piet en Jans gebleven." En in zekeren
zin had hij geen ongelijk.
Vlak achter mevrouw Karper kwam een heel ander soort van mensch. Met
veel gevoel van eigenwaarde, maar toch met betamelijke voorzichtigheid,
omdat de stoep zoo glad was, stapte een man van middelbaren leeftijd
naar buiten; een groote, beenige, grof-gespierde man met vierkant hoofd
en breede gelaatstrekken. Dat hij geheel in het zwart gekleed was, kon
men niet zien, want behalve het hoofd verdween de geheele persoon tot
aan de hielen in een kolossale blauw-duffelsche jas, van de soort die
kuitendekker of nog juister schanslooper genoemd wordt. De steek, die
door jarenlangen dienst van zwart rossig-roodbruin geworden was,
kenmerkte hem als predikant. Zoodra hij ingestapt was ging hij zonder
complimenten naast mevrouw zitten, waarbij de ruimte in zijn voordeel
niet nauwkeurig in twee helften verdeeld werd. Doch de reiskoetsen van
dien tijd waren breed genoeg.
De derde was een spichtige, magere juffrouw van omstreeks vijf en dertig
jaar, die eenvoudig maar goed in 't pak zat en steeds bij mevrouw was,
behalve 's nachts. Kamenier was ze niet, want mevrouw hielp altijd
zichzelve; gezelschapsjuffrouw was ze evenmin, want mevrouw was bijna
nooit zonder gezelschap en de jonge dame sprak zelden een paar woorden;
dienstbode kon ze ook niet heeten, want zonder haar was het
dienstpersoneel ruim compleet; vriendin was ze nog minder, want op dien
voet ging mevrouw niet met haar om. Haar plaats in het gezin werd door
mevrouw gewoonlijk aangeduid met de woorden: "zoo iemand om me heen;" en
in die positie bewees ze haar meesteres van den morgen tot den avond
allerlei diensten, die niet onder woorden te brengen maar voor iemand,
die er aan gewend is, onmisbaar zijn. De juffrouw ging tegenover mevrouw
zitten, maar had daar volstrekt niet het rijk alleen. Verreweg het
grootste gedeelte van de voorbank werd ingenomen door pakjes van
allerlei aard, een groote kalebas en een wit smoushondje met blauw
lintje om den hals.
"Al klaar?" vroeg Piet, die als palfrenier dienst deed, op
vertrouwelijken toon.
"Ja Piet," antwoordde mevrouw; "en je weet waarheen."
Piet knikte toestemmend, bonsde het portier dicht, besteeg zijn verheven
zitplaats en reed den weg op.
Het was Zaterdag, de 25^{e} Februari 1837, namiddags om een uur of drie,
toen dit gezelschap den tocht begon naar Loosdrecht, waarheen mevrouw
Karper haar vriend dominee Waterman bracht. Deze had een paar dagen bij
haar gelogeerd en zou morgen in Loosdrecht preeken. Dat wil zeggen hij
zou, als er niets in den weg kwam, voorgaan in een gezelschap van minder
dan twintig personen. Mevrouw Karper had besloten dien dienst bij te
wonen en dus van Zaterdagavond tot Maandagmorgen te Loosdrecht te
blijven. De "iemand om haar heen" werd ongevraagd en ongeweigerd
meegenomen; of ze daar pleizier in had kwam niet in aanmerking. Mevrouw
zag tegen geen kleinigheid op en was aan beboeting en dergelijke dingen
reeds gewend. Daar ze zelve reeds een paar keeren vrijgesproken was door
de Rechtbank te Amsterdam, besteedde zij haar rijkdom aan het betalen
der boeten van geloofsgenooten, voorzoover ze daarvan te hooren kreeg en
de vervolgden van haar tusschenkomst gediend waren, hetgeen lang niet
bij allen het geval was. Meermalen was ze ook met inkwartiering
gestraft; doch daar was geen aardigheid aan. Haar huis had vertrekken in
overvloed, en zij had over schatten te beschikken, zoodat ze het niet in
haar zak voelde. Veel praktischer was het om minvermogenden en armen op
die wijze uit te zuigen en hun het leven ondragelijk te maken.
Mevrouw achtte het echter "een paal boven water" dat ieder die bij haar
in huis was even weinig als zijzelf met vrees of zenuwachtigheid behebt
was. Derhalve had ze tot juffrouw Rika eenvoudig gezegd: "Kind, we gaan
morgen naar Loosdrecht." En juffrouw Rika wist dat ze geen keus had.
Het huis van mevrouw Karper was een herberg der kerk. Haar zalen zette
zij open voor het houden van de verboden godsdienstoefeningen; haar
overige vertrekken waren altijd als slaapkamers beschikbaar voor
predikanten, die een onderkomen zochten op hun zwerftochten door het
land, om de kleine gemeenten onder het kruis te bedienen. Allerlei soort
van menschen kwamen op die wijze onder haar dak; slechts op deze
voorwaarde: dat ze "voor de waarheid waren," dat is tot de
Afgescheidenen behoorden. De Cock, Van Raalte, Brummelkamp, Van Velzen,
Sonne, Buddingh, Scholte, waren onder haar gasten; maar ook mannen als
Waterman, die nu juist niet met de bovengenoemden op één lijn konden
gesteld worden.
De afkomst van Waterman lag geheel in het duister. Als zuigeling van
vijf of zes maanden was hij aan het strand van de Zuiderzee gevonden,
zonder eenige aanwijzing hoegenaamd, die inlichting omtrent hem
verschafte. Daar niemand zeggen kon of het ventje gedoopt was, had men
hem, misschien voor de tweede maal, het sacrament des doops toegediend
en bij die gelegenheid den passenden naam Mozes gegeven. Tenzelfden dage
werd hij met den geslachtsnaam Waterman vereerd. De jongen kon goed
genoeg leeren en was predikant geworden. De stijf-orthodoxe visschers,
die hem gezamenlijk verzorgd hadden, beleefden genoegen van hun
liefdewerk. In beschaving had hij het niet veel verder gebracht dan zijn
ruwe, welmeenende pleegouders; ten opzichte van de leer was hij niet uit
hun voetspoor geweken. Nauwelijks openbaarde zich de Scheiding of
Waterman sloot zich er bij aan. Over bangheid had hij wel eens hooren
spreken; bij ondervinding wist hij echter niet wat dat was. Het kostte
hem moeite genoeg zich bedaard te houden wanneer een godsdienstoefening,
die hij leidde, door de overheid verstoord werd. Zijn vuisten waren even
sterk als gewillig, wanneer "de Geest vaardig over hem werd," zooals hij
dat noemde. De geest, dien hij dan bedoelde, was echter meer die van
Datheen dan die van Christus. Hij mocht wel eens een enkelen keer een
veldwachter, die hem wat ruw aanpakte, allernadrukkelijkst een duw
teruggeven, waarvoor hij dan later met de meeste opgewektheid een paar
maanden gevangenisstraf onderging.
Moeilijk en langzaam sjouwde het groote rijtuig den bijna onbegaanbaren
weg langs, tegen den fellen wind in, die met duizenden sneeuwvlokken
Piets oogen verblindde. De reizigers merkten daar echter niet veel van,
ze schommelden verder onder tamelijk geregeld gesprek tusschen mevrouw
en dominee. Toen het onderhoud wegstierf, liet mevrouw zich door
juffrouw Rika de kalebas aanreiken. Daaruit haalde ze drie zure appelen
en drie messen tevoorschijn, en bediende ieder der aanzittenden met een
stel daarvan.
"Ik heb maar een deel van het dessert op reis meegenomen," lichtte ze
toe. "Dun schillen hoor! Anders gaat er zooveel van verloren. Ik kan die
dikke schillen niet zien!"
Dat bevel was echter gemakkelijker gegeven dan volbracht.
"Lust u de appelen niet met schil en al, dominee?" vroeg mevrouw, die
het aan 't hart ging haar mooie appelen zoo gekerfd te zien. "Rika is
nog jong; bijt jij er zoo maar in, kind; dat doe ik ook. Ik zal de
messen maar weer bergen."
Ze voegde de daad bij 't woord, voorzoover twee messen betrof. Maar om
dominee Waterman het zijne uit handen te krijgen, voordat hij verkoos
het te geven, daar was meer kracht van wil en spieren toe noodig dan
zelfs zij bezat.
"Ik ben er al mee klaar!" riep deze, het raampje naar beneden latende om
de schillen naar buiten te werpen.
"Wacht!" riep mevrouw; "er zit nog zooveel in!" Maar het was te laat!
Op hetzelfde oogenblik stond de koets stil. Piet kwam naar omlaag,
opende het portier en trok met de rechterhand aan de pet, bij wijze van
salut.
"Mevrouw, daar staan we. We kunnen d'r niet verders door."
"Jawel Piet!" antwoordde mevrouw.
"Jawel Piet!" bauwde deze haar na. "_Neen_ mevrouw. _Ik_ kan de bruinen
niet verder krijgen!"
"Vriend!" zei dominee; "doe dat deurtje weer dicht; daar komt nogal kou
binnen."
"Jawel!" hernam Piet verwijtend. "En dan? Als dominee er'reis even
uitkwam en een handje hielp, zou hij beter doen!"
"Wat moet er dan gebeuren, vriend?" vroeg de dominee.
"Dat zullen we dán wel zien," antwoordde Piet lakoniek.
Dominee stapte in de sneeuw.
"En de juffrouw d'r ook uit! Mevrouw kan wel blijven zitten."
Een oogenblik later stond de juffrouw naast dominee.
"Ga jij nou maar even daar bij dien boom wachten," sprak Piet
beschermend. "En dan zullen wij tweeën 'reis kijken of we dat ding weer
aan 't rollen kunnen krijgen. Dominee, als jij nou 'reis even aan de
spaken van het achterwiel ging, hè? Ik zeg het nou maar alsof je mijns
gelijke was. Dan duw ik de bruinen weer terug."
Na heel wat gehaspel gelukte het eindelijk de wielen van het rijtuig
weer uit den sneeuwhoop los te worstelen.
"Zoo! Gaan d'r nou maar weer in!" veroorloofde Piet. "Hier, juffie, nou
kan je weer op je warme plaatsje gaan zitten, dan gaat Piet maar weer
voorop."
"En nu zingen we samen een versje," zei mevrouw zoodra het rijtuig weer
in beweging was.
"Psalm 122 vers 1 en 3," gaf dominee op, en begon onmiddellijk met
dreunende stem, zonder te onderzoeken of de beide dames die versjes nu
juist wel in de berijming van Datheen van buiten kenden:
Soo haest als ick hoore spreken:
Welaan, laat ons alle seer saen
In dat huys onses Heeren gaen:
Met vreught is mijn hert ontsteken;
Dat ons voeten sullen hier naer
Staen binnen de poorten eerbaer
Van Jerusalem wel gestichtet.
Jerusalem is gebouwt vast,
En door vrede tsamengepast,
En tot een stad Godts fijn gerichtet.
Binnen uw mueren wonen sal,
Liefde, vrede, met eenigheyt;
De huysen en palleysen breyt
Zijn vol van Godts zegening al!
Om den wil der broederen mijn,
En der vrienden die binnen sijn,
Wensch ick u vreed in allen hoecken,
Om dat oock Godts Tempel seer reyn
Staet binnen u mueren niet kleyn,
Wil ick steets uwen voorspoet soecken.
Een paar broodjes met worst verkortten daarop den tijd. Nog enkele
keeren moest dominee even er uit om nieuwe hinderpalen te helpen
overwinnen; maar eindelijk tegen vijf uur bereikte de koets behouden en
wel, al was het ook een uur te laat, het logement te Loosdrecht.
De beide dames bleven daar logeeren; maar dominee werd natuurlijk
verwacht en verwelkomd bij den broeder, bij wien aan huis hij den
volgenden dag den dienst leiden zou.
"En hoe wou jij nu?" vroeg mevrouw aan Piet. "Denk je vanavond nog thuis
te komen?"
"Daar zal wel een zware wijs op gaan!" zei Piet. "Je komt er altemet
niet eens bij dag goed door! Wat denk je van morgen-ochtend, mevrouw?"
"Dat is de dag des Heeren, Piet!"
"Ja, dat zeg je naar waarheid, mevrouw," hernam de koetsier, zich
verlegen achter het oor krabbend. "En ik ben er ook niet voor; maar aan
den anderen kant het zijn onze eigen beesten en ik ben het ook zelf."
"En haal me dan Maandagochtend;" sprak mevrouw, die tegen deze logica
niets afdoends wist in te brengen, met hem af.
"Zie je, mevrouw," voegde Piet er nog bij om zijn geweten geheel gerust
te stellen; "ik zou wel blijven tot Maandag, maar dat kan nu eenmaal
niet van wegens den schimmel en de rest."
IX.
EEN "SCHIP DER KERK."
De aankomst te Loosdrecht van het rijtuig, waaruit twee dames, een
smoushondje en een man met driekanten hoed tevoorschijn kwamen, was niet
bijzonder geschikt om de voorgenomen vergadering geheim te houden.
Natuurlijk wist binnen vijftien minuten ieder het belangrijk nieuws.
Nauwelijks hadden dan ook den volgenden morgen de leden der gemeente in
het aangewezen lokaal hun plaatsen ingenomen of de deur werd
opengestooten en naar gewoonte traden vier artilleristen binnen, die
korte metten maakten. Binnen enkele minuten stonden alle aanwezigen op
straat. Gewillig hadden ze op de eerste aanmaning zich verwijderd, maar
dat belette niet dat de soldaten hen met duwen en slagen voortdreven.
Den dominee werd de tromp van een geweer voorgehouden met de verzekering
dat het geladen was en bij het minste verzet stellig gebruikt worden
zou.
Men was reeds van zins ieder naar zijn eigen huis te gaan, toen de
diaken Nicolaas Pos, een van de verdreven vrienden, uitriep: "Broeders
en zusters, gaat maar met mij mee!"
Allen volgden hun vriend, die den weg insloeg naar de Loosdrechtsche
plassen. Ook mevrouw Karper en haar juffrouw gingen mee.
Daar lag aan den oever het schip van den diaken. Hij was op de gedachte
gekomen om dat voor kerk te gebruiken. Wat van zoo stoute daad ook de
gevolgen mochten zijn, men kon in elk geval zeker wezen van een paar
rustige uren.
Spoedig liepen allen de plank over. Zoodra de laatste aan boord was,
staken de eigenaar met zijn knecht en geestverwant van wal.
Het was niet gemakkelijk om in de kleine kajuit allen plaats te vinden,
maar "waar een wil is, is een weg." Het benauwde vertrekje was voor de
opeengepakte vervolgden, die bijna op elkanders knieën zaten, een
voorportaal des hemels. Dominee Waterman kon zich uitnemend in zoo'n
toestand schikken; het eenige wat hem hinderde was dat hij zijn stem zoo
moest inbinden.
In machtelooze woede stond de sergeant aan den oever te vloeken op het
gespuis, dat hem zoo slim ontkomen was. Zijn gemoedstoestand werd er
niet beter op, toen hij na een korte poos lustig en krachtig over het
water hoorde weergalmen: (Ps. 68:5.)
Gy verquickt uw volck goedertier,
En maekt dat een yegelick dier
Daar woont sonder verderven;
Uwen kindren deelt gy uw goet,
In 't kruys geeft gij hen goeden moet,
Sonder troost sy niet sterven;
Gij hebt, na uwe goedigheyt
Den reynen jonckvrouwen bereyt
Een oorsaeck, soo 't mag blijcken,
Om te singen in 't gantsche lant,
Als onze vijanden met schant
Veltvluchtig moeten wijcken.
Toen de dienst afgeloopen was, werden aanstalten gemaakt om weer aan
land te gaan.
"Geliefden!" vroeg dominee Waterman; "hebben wij het hier niet goed?
Gaat het ons niet gelijk de psalmist zegt in Psalm 84:5.
Heer, tot wien wij in den noot vlien,
Wilt uwen Gesalfden aansien;
Want veel beter is slechts een ure
In u huys, dan elders, dit 's klaer,
Duysent sijn: beter is oock daer
Een wachter te sijn aan de deure,
Dan 't is in den palleysen soet
Der godtloosen met overvloet."
"Dát hebben we! Dàt is waar!" was het eenparig antwoord.
"En waarom," vroeg de voorganger, "zouden we dan niet samenblijven voor
de middag-godsdienstoefening?"
Dat woord was uit aller hart gegrepen.
Veel mondvoorraad was er niet aan boord; een flink stuk brood en eenige
beschuiten, een handvol koffieboonen en een tamelijke hoeveelheid water
in het vat. De eigenaar van het scheepje achtte het een eere en
voorrecht dien geringen voorraad onder de aanwezige geloofsgenooten te
verdeelen, en was slechts met moeite er toe te bewegen om zijn gerechte
portie te nemen. Doch deze menschen, die gewoon waren aan het
uitschrijven van vastendagen, hadden niet veel behoeften.
Het was geen brood der bedruktheid, dat deze volgelingen huns Heeren
thans spijzigde. Ze hielden een liefdemaal met zooveel verheffing des
harten, dat het kleine groene klaptafeltje met rooden rand in de kajuit
hun in een feestdisch veranderd werd.
Binnen enkele weken zou de dag komen, waarop dit tafeltje nog hooger
historische beteekenis verkrijgen zou; de dag waarop het, met een wit
laken bedekt, de beide sacramenten der Christelijke Kerk zou dragen. Dan
zou in het nietige kajuitje de predikant Scholte aan twee zuigelingen
den heiligen Doop bedienen, en de kleine gemeente daar onder zijn
leiding "den dood des Heeren verkondigen totdat hij komt."
"Totdat hij komt!" Is het vreemd dat het vervolgde kuddeke met
opgestoken hoofde vroeg: "Hoe lang nog, Heere?"
"Nu mogen we nog wel eens een versje samen zingen," zei mevrouw Karper,
die altijd zorgde dat de lofzang niet te lang zweeg.
Uit volle borst weerklonk Psalm 138:4:
"Als ick door anghst en tegenspoet
Ben in kleynmoet,
Gij mij verquicket;
Oock tegen myn wreetste vyant
U rechter hant
My hulp toeschicket.
Gij zult myn kruys eyndigen hier;
Want goedertier
Zijt gy gestadigh:
Het werck uwer handen sult gy
Volvoeren vry,
o Heer, genadigh."
"Ja," sprak een der aanwezigen; "wij mogen hier nog ongestoord en van
alles wat we noodig hebben voorzien samen nederzitten, en hebben nog
niet zooveel van de vervolgingen te lijden;[1] maar ons gebed mag wel
dag en nacht opgaan voor de broeders en zusters, die zwaarder beproefd
worden. Als je bijvoorbeeld hoort hoe het nu acht dagen vóór Kersttijd
in Oosterwolde toegegaan is...!"
"Wat is daar gebeurd?" vroegen enkelen.
"Daar was," ging de eerste spreker voort: "door dominee Brummelkamp doop
en avondmaal bediend; en onderwijl kwam een veldwachter uit naam van den
burgemeester eischen dat allen vertrekken zouden. Maar ze bleven waar ze
waren. En 's middags was er weer dienst, die ongestoord kon afloopen.
Maar 's avonds kwam een troep militairen het dorp binnenrukken van een
officier, vier onderofficieren en zes en twintig mannen. En die werden
alle een en dertig ingekwartierd bij mijn neef Klaas Smit, die zijn huis
voor de twee godsdienstoefeningen had gegeven. Ze zijn er langer dan
twee weken gebleven, en alle schadevergoeding, waarop hij toch volgens
de wet aanspraak had, is geweigerd."
"En wanneer het dan rechtstreeks in het dagelijksch brood voor vrouw en
kinderen ingrijpt," zei daarop moeder Beukman; "dan kan het wel eens
donker worden voor de ziel. Daar hebben wij door Gods genade nog geen
ondervinding van, maar mijn mans neef Moorhoff te Middelburg heeft dat
moeten ondergaan. Die is uit zijn brood gestooten. Hij heeft een
certificaat gekregen waar het in ronde woorden in staat. Ik heb hier een
afschrift er van, dat hij ons zond. Daar staat: "Ik ondergeteekende
verklaar, dat ik mij ten allen tijde bereid houde om ten aanzien van E.
Moorhoff, tuinbaas in mijne dienst, de beste getuigenis af te leggen,
zoowel ten opzigte van zijne bekwaamheid als van zijn gedrag, en dat hij
in die betrekking gedurende 14 jaren bij mijn ouders en 6 jaren bij mij
is werkzaam geweest, en dat de reden van zijn vertrek alleenlijk daarin
bestaat, dat hij zich van het kerkbestuur heeft afgescheiden.
Middelburg, 2 January 1837.
J. C. SCHORER VAN DE SOUBURGEN.""
De verbazing der vrienden was niet zoo groot als hun verontwaardiging.
De meesten hunner wisten zelf reeds dergelijke staaltjes van
verdraagzaamheid; maar men was niet gewend aan zulke ruiterlijke
verklaringen van de vijandschap. Mevrouw Karper nam zich voor deze zaak
niet te vergeten. Ze vroeg aan vrouw Beukman eenige nadere
bijzonderheden, en vernam toen ook dat Klaas Beukman denkelijk
eerstdaags in Amsterdam zou moeten zijn, omdat hij in hooger beroep was
gekomen over hem opgelegde boete. Mevrouw rustte niet voordat haar
nieuwe vriendin beloofd had, dat haar man op zijn weg daarheen bij
mevrouw zou aankomen.
Dominee Waterman was er juist de man naar om van de omstandigheden
waarin hij zich bevond, zooveel mogelijk partij te trekken. Daarvoor had
hij geen wèl-overdachte en nauwkeurig uitgewerkte leerredenen noodig.
Hij hield dus de preek, welke voor dien middag bestemd was, achterwege.
Zijn ruwe welsprekendheid kon beter tot haar kracht komen door een voor
de vuist uitgesproken leerrede over een tekst, die hij thans meer gepast
oordeelde.
Onmiddellijk na het voorgebed boeide hij zijn hoorders door als zijn
onderwerp op te geven Lukas 8:22-25: "Ende het geschiedde in een van die
dagen, dat hij in een schip ginck, ende syne discipelen met hem, ende
hij seide tot haer, laet ons overvaren aan d' ander syde des meyrs. Ende
sij staken af.
Ende als sij voeren, viel hij in slaep: ende daer quam een storm van
windt op het meyr: ende sij wierden vol waters, ende waren in noodt.
Ende sij gingen tot hem, ende weckten hem op, zeggende: Meester,
Meester, wij vergaen. Ende hij opgestaen sijnde bestrafte den windt ende
de watergolven, ende sij hielden op ende daer wiert stilte.