"Kom!" zei vader, "we zullen nu eindigen. Morgen ochtend kan jij, als de

Heere wil, met moeder naar Reijmeringer gaan, daar komen enkele vrienden

samen. We verdeelen het om overal onder het getal te blijven. Dan zijn

de vijanden machteloos. En dan ga ik morgenavond. Ik zal nu den 124^{en}

Psalm lezen."

De eerwaardige landman nam den grooten familiebijbel en las eerbiedig en

ondanks de Duitsche letters vlot:

"Een lied Hammaälôth, van David: 't en waere de Heere, die bij ons

geweest is, segge nu Israël:

't En ware de Heere, die bij ons geweest is, als de menschen tegen ons

opstonden:

Doe souden zij ons levendigh verslonden hebben, als haren toorn tegen

ons ontstack.

Doe souden ons de wateren overloopen hebben; een stroom soude over onze

zielen gegaan hebben.

Doe souden de stoute wateren over onze ziele gegaan zijn.

De Heere sij gelooft, die ons in hare tanden niet en heeft overgegeven

tot eenen roof.

Onze ziele is ontkomen als een vogel, uyt den strick der vogelvangers,

de strick is gebroken, ende wij zijn ontkomen.

Onze hulpe is in den name des Heeren, die hemel ende aarde gemaeckt

heeft."

Daarna ging hij voor in ootmoedig dankgebed en begaf men zich ter ruste.

__________

[1] Dat deze heeren goed gezien hebben blijkt uit de volgende cijfers.

Bunschoten had in 1907 een bevolking van 2841 inwoners, waarvan 2654

Gereformeerden.

VI.

KERSTFEEST IN NEDERLAND.

Vroeg en streng was de winter begonnen, en het liet zich niet aanzien

dat er spoedig verandering in komen zou. Eerste Kerstdag lichtte

vroolijk en helder over het besneeuwde landschap en de bevroren plassen.

Doch het was nagenoeg bladstil zoodat de koude niet hinderde, maar

weldadig aandeed, de zenuwen staalde en den levenslust verhoogde.

Het was een Zondag als 't ware voor feestvieren gemaakt. 't Scheen dat

de natuur instemde met het jubellied der gemeente, waarin deze dankend

de vleeschwording van haar Hoofd en Middelaar herdacht. "Vrede op

aarde!" Die boodschap scheen door de opgaande zon in vurige strepen aan

de oosterkim geteekend te worden; ze schitterde in de kristallen van de

sneeuwlaag; ze botte uit in het krachtige groengrijze mos onder de

boomen, in het goudgele gras op de weilanden; ze klonk zelfs uit den

morgengroet, dien de koeien Klaas Beukman tegemoet loeiden, toen hij den

stal binnentrad om zijn beesten te verzorgen. Want de geheele wereld is

"voor onze oogen als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote

en kleine, gelijk letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods

geven te aanschouwen, namelijk zijne eeuwige kracht en goddelijkheid."

"Vrede op aarde!" In honderden kerkgebouwen kwamen tienduizenden samen

om zich te wiegelen op de zachte kabbeling van leerredenen, waarin hun

verteld werd, dat het in de achttienhonderd jaren na Jezus geboorte

voortdurend zoo onnoemelijk veel beter geworden was; dat de stikdonkere

nacht van de Middeleeuwen, waarin de menschen andersdenkenden

verbrandden en radbraakten, nu voor-goed achter ons lag; dat meer

verlichte denkbeelden, weldadiger begrippen en menschelijker

handelwijzen hadden doen postvatten; dat ieder nu voortaan God naar de

inspraak van zijn geweten kon dienen; en dat het nu zoo voortgaan zou:

al meer vrede, al minder oorlog, tot eindelijk de geheele aarde één

vrederijk zou zijn, en dan...? Dan blijft dat waarschijnlijk wel zoo;

want achteruitgang van de redelijke menschheid is ondenkbaar en

volmaaktheid is... volmaaktheid.

Toch waren er honderden bij honderden--óók goede Christenen--die op

dezen vredemorgen meer bepaald werden bij een ander woord, waarin ook

van vrede sprake was. Klaas Beukman was de eenige niet, wien de tekst

voor de aandacht kwam: "En meynt niet, dat ick gekomen ben om vrede te

brengen op de aerde; ick en ben niet gekomen om vrede te brengen, maar

het sweerdt."

Een heel ongepaste tekst op Kerstmorgen! Maar het was Klaas niet euvel

te duiden dat hij onwillekeurig aan die woorden dacht, want toen hij in

de keuken kwam zaten daar de twee soldaten, gezonden op verzoek van de

Synode der Christelijke Kerk, wier leeraren allen den vrede

verkondigden; gezonden in naam van den Christelijken koning, die den

godsdienstvrede bezworen had; gezonden om zooveel ze vermochten den

Christelijken vrede in zijn hart en huis te verstoren.

"Zoo, oude jongen!" riep de een; "zal je ons vandaag hier wat te doen

geven?"

"Ik heb alleen af te wachten wat door u gedaan zal worden," antwoordde

Beukman bedaard.

"Kom!" riep de ander; "houd je maar niet zoo van de dommen! Biecht eens

gauw op! Komen de Scholtianen vanmorgen hier?"

"Hier komt niemand," hernam Beukman.

"Dat is jammer! Zoo'n dag aldoor in huis is lang genoeg! 't Zou een

aardige afwisseling wezen om hier de kliek eens uit elkaar te jagen!

Waar hokken jullie dan vanmorgen?"

"Ik ben niet verplicht u aan te brengen waar de gemeente samenkomt."

"O neen, vrome broeder; bewaar jij je geheim maar! De sergeant zal er

wel achter komen, en dan vlieg jullie als witjes!"

Klaas Beukman begaf zich, zonder antwoord, naar het vertrek, waar vrouw

en kind hem met het ontbijt zaten te wachten.

Een uurtje later gingen de beide laatsten naar de woning van den

ouderling Reijmeringer, waar een klein gedeelte van de gemeente

samenkomen zou.

Gedurende de laatste twee maanden had de ijverige predikant Buddingh

meermalen vergeefs getracht de gemeente te Loosdrecht te bereiken om

daar het heilig Avondmaal te bedienen. Ook een poging, door hem in het

nabijgelegen dorpje Kortenhoef aangewend om daar te prediken, was

gewelddadig gestuit door politieagenten onder aanvoering van den

burgemeester en den hervormden predikant. Buddingh's schuld was het

zeker niet, indien eenige gemeente vergeefs op de vervulling van zijn

gegeven woord wachtte. Den 1^{en} April 1836 had hij zijn lidmaatschap

van het Hervormd Kerkgenootschap opgezegd en geen zes maanden later was

hij reeds voor ongeveer [f]2000 beboet. Binnen twee jaren zou dat bedrag

met proceskosten tot omstreeks [f]40000 oploopen. Eindelijk werd hij

gearresteerd en in de gevangenis gezet, terwijl te Middelburg al zijn

huisraad en lijfgoed gerechtelijk verkocht werd, zoo gestreng dat zijn

huishoudster met groote moeite een paar kousen wegstopte, opdat hij

tenminste iets zou terugvinden, wanneer hij uit de gevangenis ontslagen

werd. Maar toen Buddingh dat hoorde, nam hij het zeer kwalijk; hij wilde

en mocht geen vervolging ontduiken.

Er zou dus door den ouderling Reijmeringer een preek gelezen worden, en

wel voor zijn gezin, een zijner nichten die bij hem logeerde, en negen

genoodigde leden van de gemeente. Geen enkel artikel van de

Nederlandsche wet verbood zulk een samenkomst.

Ook bij Reijmeringer was reeds sedert weken een artillerist

ingekwartierd. Die nú bij hem woonde was echter pas gekomen, want de

gewoonte bracht mee dat de soldaten na twee, drie weken door anderen

vervangen werden. Dit had alleen ten doel om het leed te vermeerderen,

want men trachtte daardoor te voorkomen dat de soldaten op min of meer

vriendschappelijken voet met hun gastheeren zouden komen en zich dus al

te betamelijk zouden gaan gedragen.

Rustig zat de man zijn pijp te rooken en de binnenkomenden te tellen,

dat was zijn plicht.

Onverhinderd namen allen plaats. Na opening van de bijeenkomst met

gebed, waarbij Reijmeringer voorging, werd door dezen Lukas II

voorgelezen. Daarna zong de kleine gemeente Psalm XXVII:3. Men gebruikte

de berijming van Datheen.

"Opdat ick daer magh merken en aenschouwen,

Heer, uwes huys seer schoone heerlickheyt

En den tempel, vry synde van benouwen,

Wel magh alsins doorsien met vrolickheyt.

Want als ick sal wezen bezwaert met noot,

Ick sal daer verborgen sijn taller tijt,

En in een heymelick oort syn bevrydt,

En daerna verhooght syn in eeren groot."

Gedurende het gezang verdween de artillerist.

De voorlezing van een der leerredenen van Erskine was begonnen. Een der

mannen, diaken bij de jeugdige gemeente, ging rond met een busje om de

gaven der vergaderden, in 't geheel veertien personen, in te zamelen.

Plotseling werd de deur van het vertrek wagenwijd opengeworpen; vier

artilleristen marcheerden met dreunenden voetstap naar binnen. Alle vier

tegelijk begonnen tierend en vloekend te vragen wat men uitvoerde. Want

ze hadden geen geleider en dus geen woordvoerder. De sergeant had hen

gezonden, maar was zelf op zijn gemak met een kop koffie en een pijp bij

de haard blijven zitten; hij had zelfs de moeite niet genomen om den

korporaal te commandeeren. De mannen wisten zelf wel wat ze doen

moesten: de fijnen op straat jagen of gooien, zooals ze verkozen. Dat

was een kunst waar geen leiding bij noodig was, en de dienstijver van de

manschappen was onverdacht!

"Wat voer jij daar uit, ezel!" grauwde een van de mannen tot den diaken.

"Centen ophalen? Verboden!" En meteen rukte hij den man het busje uit de

hand en keilde het door de kamer, zoodat het rammelend in een hoek bij

't venster terechtkwam.

"Sta jij daar te balken?" schreeuwde een ander op Reijmeringer

toetredend. "Dadelijk stil en daar vandaan! Vooruit!" Met een gevoeligen

ribbestoot werd de ouderling van zijn plaats verdreven.

"Nou allemaal het gat uit!" "Allo, marsch!" "We zullen je dat gekwezel

wel afleeren!" "De heele kamer leeg!" De vier mannen brulden en vloekten

om 't hardst.

Die niet onmiddellijk aan de ruwe bevelen voldeed, werd "beenen

gemaakt." De een werd bij den kraag gepakt, de ander aan den arm

weggesleurd. Allen--uitgenomen de leden van het gezin--waren in een paar

minuten op straat gesmeten. Ook de nicht van den huisheer--die

natuurlijk meende dat zij tijdelijk tot de huisgenooten behoorde--kreeg

bevel om "op te rukken."

"Ik logeer hier," antwoordde zij.

"Dat raakt niet!" schreeuwde de soldaat. "Van logeeren weten we hier

niet af! Ga je of ga je niet?" Met die woorden kneep hij haar in den

arm, dat ze 't van pijn uitschreeuwde en duwde de arme vrouw naar

buiten.

Hoeden en overkleeren werden hun, voorzoover men ze dadelijk vinden kon,

goedgunstig als oud vuil nageworpen.

"Zie zoo, kameraad!" riep een der soldaten, nadat hun heldendaad

volbracht was, tot hun achterblijvenden makker. "Nu is je woning weer

gezuiverd! Genoegelijk Kerstfeest verder!"

De bende verdween. De ingekwartierde soldaat was genadig genoeg om

Reijmeringers nicht den toegang tot het huis weer te vergunnen. Daarna

eischte hij koffie en koek, en morgen versch vleesch, want eindeloos

spek en ham stonden hem tegen.

Gerrit Beukman en zijn moeder waren veel vroeger weer thuis dan de

familie Huiskamp uit de kerk kwam.

Daar hadden de menschen een recht stichtelijke preek gehoord. De

dominee, die reeds zoo dikwijls het Kerstevangelie behandeld had en niet

elk jaar hetzelfde kon zeggen, had ditmaal de aandacht zijner hoorders

meer bijzonder bepaald bij Lukas II:7: "En zij baarde haar eerstgeboren

zoon, en wond hem in doeken, en legde hem neder in de kribbe, omdat voor

henlieden geen plaats was in de herberg."

VII.

HET NIEUWSTE NIEUWS.

Dát had heel wat voeten in de aarde gehad, maar het was eindelijk toch

gelukt!

Vader en moeder Beukman wilden zoo gaarne dat Gerrit den tweeden

Kerstdag 's avonds mee naar de Huiskamp's zou gaan. Gerrit dacht dat hij

even graag thuis bleef; maar toch: liefst wilde hij er ook wel heen; hij

wist het niet! Indien echter de twee soldaten bleven, zou het te gewaagd

zijn om alle drie van huis te gaan.

Gelukkig had de burgemeester daar geen zeggen over; anders zou

natuurlijk juist dát gebeurd zijn, wat Klaas Beukman _niet_ wilde. De

sergeant moest hierin beslissen. En deze was goedgunstig genoeg om de

beide soldaten voor dien avond vrijaf te geven. Dat had Beukman waarlijk

niet aan eigen verdienste te danken; maar de sergeant hoorde dat het een

bezoek bij Hervormden gold, en er was geen reden om leden van de groote

Kerk tegen zich in 't harnas te jagen. Daar kwam nog bij dat de

burgemeester er tegen was; reden genoeg voor den sergeant om te toonen

dat _hij_ de baas was. Zoo werd gedurende een uur of drie, vier de

inkwartiering en daarmede het feitelijke huisarrest geschorst. Het had

nog z'n bezwaren, want men moest afwachten hoe de soldaten zouden thuis

komen na den geheelen avond in de kroeg gezeten te hebben. Maar daar

werd het op gewaagd.

Natuurlijk waren de vrienden nauwelijks veilig en rustig bij elkaar

gezeten of het gesprek kwam op de gebeurtenissen van den vorigen dag.

Want het was bij de onwettige handeling ten huize van Reijmeringer niet

gebleven. Op hetzelfde uur waren de vergaderden bij Karsemeijer, den

anderen ouderling, op gelijke wijze uiteen gejaagd. Daar hadden de

handhavers van wet en orde zich zelfs niet ontzien er met de kolven

hunner geweren op in te slaan toen ze niet spoedig genoeg naar hun zin

gehoorzaamd werden.

"Ik kan toch zoo innig met jullie te doen hebben," zei vrouw Huiskamp

hartelijk; "als ik zie dat je beste van het dorp zoo behandeld worden

als dieven en moordenaars. Ik zeg wel tegen Teunis: 't is om bij te

huilen!"

"Dat mag wel zoo wezen!" antwoordde Klaas Beukman. "Maar er kon wel eens

een tijd komen, dat de menschen zullen denken aan wat onze Heiland tot

de vrouwen zei: "Ghij dochters van Jeruzalem, en weent niet over mij,

maar weent over uselven ende over uwe kinderen!" Want het kon nog wel

eens wezen dat er een rechtvaardig oordeel over het land ging en de

kandelaar van z'n plaats geweerd werd."

"Ja 't is moeilijk," zuchtte vader Huiskamp. "Er _is_ nog zooveel goeds

in de groote Kerk, en je denkt dan alweer: weten de menschen wel wat

hier al zoo gebeurt?"

"Och, vriend!" hernam Klaas, "het heele land door gebeuren zulke dingen

en als ik zoo van andere plaatsen lees, dan moet ik zeggen: wij komen er

nog al genadig af. De Heere bewaart ons nog voor veel, dat onze broeders

en zusters op andere plaatsen te lijden hebben. Ik zou je daarvan kunnen

vertellen en voorlezen dat je 't niet eens gelooven zou."

"Voorlezen?" vroeg vrouw Huiskamp.

"Ja voorlezen. Er komt tegenwoordig elke maand een tijdschrift voor ons

uit. Maar als je dat leest.... ik wist niet dat de vijanden van Gods

volk zoo tekeer gingen. Als je dat leest dan versta je wat de psalmist

zegt: Uwe wederpartijders hebben in 't midden van uwe vergaderplaatsen

gebrult, sij hebben haere teeckenen tot teeckenen gestelt. Een yeder

wert er bekent als een die de bijlen omhooge aenbrengt in de dichtigheyt

van een geboomte."

"Kijk!" zei Huiskamp; "ik mag er dan al niet glad voorleggen dat de

Afgescheidenen heelemaal op den rechten weg zijn; maar ik ben toch ook

zóó niet of ik wil er wel wat van hooren."

"Ik heb," zei Beukman, "die twee stukken die verschenen zijn

meegebracht, en als je wou dan...."

.... "dan moest Gerrit er een paar berichten uit voorlezen," vulde

moeder Griet heel gevat aan; "dan kan vader z'n pijpje blijven rooken."

Gerrit wist de oogen van allen en voelde die van Jannetje op zich

gevestigd; hij waagde het niet haar aan te zien. Zou zij het liefste hèm

hooren?

"Ik zal dan maar even voorlezen, vader, wat er over dominee Van Raalte

instaat," zei Gerrit, de afleveringen doorbladerende. "O hier is het: Op

Zondag den 23^{en} November, laat in den avond zijn te Ommen, provincie

Overijsel, een en twintig huizen, waarin gescheidenen van het Hervormd

Kerkbestuur woonachtig waren, door het gemeen in onstuimige woede

aangevallen, en zijn daarin door eene hagelbui van zware keisteenen,

waarmede nog den volgenden morgen de weg bezaaid lag, de glazen en een

menigte dakpannen vernield. De Eerw. Van Raalte had aldaar dien dag het

avondmaal bediend. Voorzooverre wij weten is niemand van de vervolgde

gemeente gekwetst geworden. De burgemeester dier plaats heeft geene

pogingen aangewend tot stuiting van dat geweld."

"Jongen! jongen! dat is Godgeklaagd!" riep vrouw Huiskamp.

"Wie is die dominee Van Raalte?" vroeg haar man.

Jannetje zat zwijgend met schitterende oogen Gerrit aan te zien. Hoe

dacht zij over het gehoorde?

"Nog een jonge man," antwoordde Gerrit; "ik denk zoo wat zes en twintig

jaar; klein van stuk, maar sterk, en iemand die alles aandurft als hij

't maar voor recht houdt. Ik zal je even voorlezen wat er verder met hem

gebeurde. "Te Heemse, provincie Overijsel, alwaar de predikant Van

Raalte naar den toestand der gemeente onderzocht en lidmaten had

aangenomen, zocht, in den avond van Dingsdag den 22^{sten} November,

l.l. een twintigtal met stokken gewapende mannen Zijn WelEerwaarde, het

voornemen te kennen gevende om hem te dooden. De Heere had het echter

zoo bestierd, dat ze Z.Eerw. niet vonden, die door de leidinge Gods naar

Ane, een buurtschap onder Gramsbergen, vertrokken was. Na ook den

volgenden dag te Gramsbergen en 's avonds te Dedemsvaart gepredikt te

hebben, vertrok Z.Eerw. naar Ommen, dezelfde plaats waar wij gemeld

hebben dat de huizen der gescheidenen ten getale van _vijf_ en twintig

(niet _een_ en twintig) vernield zijn. Aldaar werd eene bijeenkomst,

waar Z.Eerw. met _zeventien_ gescheidenen tegenwoordig was, door den

Vrederegter van die plaats, die iemand beval alarm te slaan en het

gepeupel, waaronder de glazeninwerpers waren, te hulp riep, aangevallen.

Spoedig drong het gemeen dan ook in het voorhuis, zich aanbiedende om

onzen leeraar er uit te halen, maar schoon wederom in vijf huizen de

glazen werden ingeworpen, werd het oproer, door denzelfden Vrederegter

nog genoegzaam in tijds gestild om verder geweld te voorkomen. In één

oogenblik was de aanvaller in eenen beschermer veranderd door Hem, die

de harten in zijne hand heeft. In den morgen van Zaterdag

daaraanvolgende vertrok Z.Eerw. naar Den Ham, alwaar in tegenwoordigheid

van slechts acht à tien personen door Z.Eerw. werd gedoopt. De

burgemeester deed daarop Z.Eerw. onder betuiging dat hij geene

oproermakers in de gemeente wilde hebben, arresteeren en in eene herberg

brengen, alwaar de predikant gelegenheid had om vijanden der waarheid,

aldaar tegenwoordig, het Evangelie te verkondigen. Vandaar werd Z.Eerw.,

door zeven manschappen, gewapend met pieken, naar Ommen getransporteerd,

onder het gejuich der groote menigte, waaronder slechts enkele vromen

hun beklag deden. In eene herberg gebracht zijnde, riep de Vrederegter

aan de dienaren toe: "Breng hem naar de gevangenis!" Bij het uitgaan

zocht men Z.Eerw. te laten vallen en wierp Z.Eerw. in een hok, waar nog

een gevangene op stroo lag. Daar werd nog een glas ingesmeten waarover

de medegevangene van Z.Eerw. een vreeselijk misbaar maakte. Men bracht

vervolgens eene wacht op de been, die het aan geene scheldwoorden liet

ontbreken, terwijl sommigen daarvan den wensch te kennen gaven, om

Z.Eerw. op te hangen en een ander met de verschrikkelijkste

verwenschingen beloofde Z.Eerw. te zullen ombrengen, indien hij ooit

weder te Ommen kwam. Den volgenden dag des morgens, werd onze leeraar

met twee dienaars en wederom vijftien à twintig man, gewapend met

pieken, geweren en pistolen, dezelfde personen, die de glazen hadden

ingeworpen, te voet zeven uren ver naar Deventer begeleid. Aldaar werd

Z.Eerw. in de gevangenis gebragt, maar door den Officier der Regtbank,

die Z.Eerw. zeer vriendelijk toesprak en edelmoedig bijstand bood,

ontslagen. Zijne Excellentie de gouverneur van Overijsel schijnt zich

deze zaak, nadat zich sommigen der gescheidenen daarover bij Z.Exc.

beklaagd hebben, aan te trekken, voor het minst zijn thans te Ommen de

soldaten bij gescheidenen en niet-gescheidenen ingekwartierd. Het

voorgevallene heeft de banden van gemeenschap versterkt, zoowel te Ommen

als in de omliggende gemeenten. De gemeente te Ommen, welke sedert reeds

wederom door den predikant Van Raalte bezocht is, is dienzelfden dag met

drie en twintig personen vermeerderd, die liever met het volk Gods

wenschen kwalijk gehandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting

der zonde te hebben (Hebr. XI:25).

Bij vonnis van de Regtbank van Zwolle, in dato 24 November l.l. is onze

leeraar Van Raalte veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, omdat

Z.Eerw. eenen burgemeester, die de godsdienstoefening stoorde, vermaand

en hem onder het oog gebracht had, dat hij zich een vijand van God en

van het volk Gods betoonde. Van dat vonnis is, zoo wij ons niet

bedriegen, geappelleerd.""

Meermalen was Gerrit onder het lezen gestoord door uitroepen van

medelijden en verontwaardiging.

"Dat had ik nooit kunnen denken!" zei eindelijk met nadruk vader

Huiskamp, zijn pijp uitkloppende.

"Maar is daar dan niets tegen te doen?" jammerde zijn vrouw.

"_Wij_ worden nu eenmaal buiten alle wetten gesteld," antwoordde Klaas

Beukman. "Overal mogen minder dan twintig menschen vrijelijk samenkomen,

maar _wij_ niet."

"Neen, dàt hebben we gisteren nog ondervonden!" zuchtte moeder Beukman.

"Ik denk haast," mengde Jannetje zich voor het eerst in het gesprek,

"dat de sergeant dat niet geweten heeft, anders zou hij toch..."

"Denk dat maar niet, Jannetje," viel Gerrit haar in de rede. "De

burgemeesters doen precies zóó en die kennen de wet toch wèl. En zelfs

de nóg hooger-geplaatsten zijn niet beter dan die sergeant. Wat dunkt je

anders van deze kennisgeving:

"De waarnemende burgemeester; belast met de politie der stad Hattem,

brengt ter kennis van de belanghebbenden, welke in hunne huizen

verzamelingen van _minder_ dan twintig personen tot het houden van

godsdienstige oefeningen toelaten, dat hem van hooger hand bevelen zijn

toegezonden, onder welke bepalingen dezelve zullen gedoogd worden, en

zich daarnaar niet gedragende, aan geregtelijke vervolgingen zullen

blootstellen.

Deze zijn:

1. Dat het verboden is:

_a._ Dat in dergelijke vergaderingen gehouden worden, dezelfde of

soortgelijke openbare godsdienstoefeningen, als door de erkende

Kerkgenootschappen in bepaaldelijk daartoe bestemde gebouwen worden

gevierd, en tot welke elk en een iegelijk vreije toegang heeft, waarin

een aan den geestelijken stand toegewijd persoon of leeraar, in

geestelijk ambtgewaad optreed, om het werk van de Eeredienst of

godsdienst te verrigten.

_b._ Het inzamelen van gaven of giften tot instandhouding van hunne

oefeningen.

_c._ Het bedienen van sacramenten, van doop, avondmaal, inzegenen van

huwelijken, als andersints.

_d._ Het beroepen van leeraren en het benoemen van ouderlingen, diaconen

etc. en het houden van categisatien.

_e._ De aanneming van ledematen, en in een woord alles wat maar

eenigsints kan gerekend worden tot kerkelijke of eeredienst te behoren

of bij de uitoefening voor de eeredienst der erkende en wettige

godsdienstige genootschappen gebruikelijk is, en deze vergaderingen zich

enkel kunnen en moeten bepalen tot het zoogenaamde oefening houden,

waardoor verstaan wordt, dat eenige personen, in meerder of minder

getal, doch altijd onder de twintig (tenzij vergunning gevraagd en

verleend zal zijn dit getal te boven te gaan) zich te zamen kunnen

vereenigen, om in stilte binnen's huis, met gesloten deuren elkander

door onderlinge gesprekken, het lezen van den bijbel, van psalmen,

gezangen, of andere godsdienstige werken of geschriften, het doen eener

verhandeling, of gemeenschappelijke mededeeling en overdenking hunner

denkbeelden en gevoelens, over godsdienstige onderwerpen te leeren, te

stichten en te oefenen, zonder verder eenige van die daden te verrigten,

die hierboven als de kenmerken en eigenschappen eener eeredienst zijn

opgegeven.

Almede wordt uitdrukkelijk verstaan, dat de zamenkomsten tot het houden

van oefeningen, nergens anders mogen plaats hebben, dan binnenshuis in

bewoonde en geslotene woningen en geensints in schuren of andere

dergelijke gebouwen, als wordende alle openlijkheid der verrigtingen van

die zamenkomsten ten ernstigsten verboden.

Hattem, den 17 September 1836.

De Waarnemend Burgemeester voornoemd

W. C. van Braam.""

"Neen maar!" zei vrouw Huiskamp, "daar is het eind van weg!"

"En," ging Gerrit voort; "wat volgde er nu op? Den 26^{en} November

werden er ongeveer vijf en zestig militairen ingelegerd bij de

gescheidene gemeente te Hattem, tien derzelve bij den predikant

Brummelkamp, zes bij den diaken Geerlings, en zes bij den man, in wiens

huis bijeenkomsten gehouden waren.

De Vurige Oven: Een verhaal uit den tijd der dragonades in Nederland · 第 2 / 11 段