zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en
ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen
met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in 't eerst niet,
wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een
slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond
te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw,
die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw
begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid
van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en
oprechtheid aldus tot hem sprak: "Mijn zoon, ik heb den sultan gezien
en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht
tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was
te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik
medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld
hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op
't laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op
en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren,
die nog met hem wilden spreken. Ik was daarover zeer verheugd, want
ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van 't lange staan
buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren;
morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer
zoo druk."
Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin's boezem brandde, hij
moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich
met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien,
dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van
den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals
de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden,
moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra
het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.
Den volgenden morgen ging Aladdin's moeder weer even vroeg met haar
geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs,
want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts
om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer
terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar
zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar
ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met
even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs
dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting
tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.
Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting
in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: "Reeds
sinds eenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken
dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand
heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en
wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?"
De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter
het antwoord niet schuldig blijven. "Heer", zeide hij, "het is u
zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten
inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men
haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan
heeft, dat van even weinig belang is." De sultan was met dit antwoord
niet tevreden en zeide: "Wanneer deze vrouw in de volgende zitting
weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik
haar kan hooren." De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op
zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken,
als hij dit niet uitvoerde.
Aladdin's moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor
den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien
zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed,
alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op
den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk
bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.
De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de
sultan Aladdin's moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had
aangezien, roerde hem. "Opdat je het niet vergeet", zeide hij tot den
grootvizier, "daar staat weer de vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd
heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en
haar zaak in 't reine brengen."
Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te
zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.
De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin's moeder en gaf haar een
teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon,
waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te
gaan innemen.
Aladdin's moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den
sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met
haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en
bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen
zij opgestaan was, sprak hij tot haar: "Goede vrouw, ik zie je reeds
langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde,
bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?"
Aladdin's moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten
tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij:
"Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone
en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon
voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de
onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te
dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees
koester, het mijn sultan mee te deelen."
Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen,
zich uit de divan te verwijderen en hem met den grootvizier alleen te
laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.
Aladdin's moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den
sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te
moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid
voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel
vreezen moest.
"Groote koning", zeide zij, opnieuw het woord nemend, "ik waag ook
nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in 't minste
aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en
genade schenkt."
"Wat het ook zijn mag", antwoordde de sultan, "ik vergeef het je nu al,
en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!"
Nadat Aladdin's moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij
den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde,
vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses
Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik
ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe
zij hem alles onder 't oog gebracht had, om hem van een hartstocht
af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in
de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, "inplaats van
naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn
verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan
en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer
ik weigeren zou tot u te gaan en voor hem om de hand der prinses te
vragen. Desniettemin heeft het mij 'n zeer groote zelfoverwinning
gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal,
groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te
willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis
na te streven."
De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en
goedheid aan, zonder in 't minste toorn en tegenzin te verraden,
of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede
vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen
doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste
haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen,
onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.
Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans
te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke,
kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel
allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn
verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef
zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was,
nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich
zelven van vreugde: "Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!" Nadat hij alle
steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en
naar hun meest in 't oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde
hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem:
"Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele
wereld niets kostbaarders en meer volmaakts vinden kan." De vizier
was eveneens geheel betooverd.
"Welnu", ging de sultan voort, "wat zeg je van dit geschenk? Is het
de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen
prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?"
Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De
sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat
hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij,
en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone
geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde
hem daarom en fluisterde hem in het oor: "Heer, ik moet bekennen,
dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie
maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop,
dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor
dezen tijd haar een veel kostbaarder geschenk vereeren kan, dan deze
Aladdin, dien gij heelemaal niet kent."
Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier
onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde
te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van
zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin's moeder en zeide
tegen haar: "Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik
toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat
ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan,
voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden
gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug."
Aladdin's moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als
zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand
toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van
een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten,
een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder
zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op:
ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede,
wijl haar gezicht van vreugde straalde.
"Ach, lieve moeder!" riep hij haar tegemoet, "mag ik hopen of moet
ik uit wanhoop sterven?"
Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en
zeide toen tot hem:
"Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je
terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken,
maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben."
Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen
had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij
genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk
tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk
gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij
voegde er aan toe: "uit 't heele gedrag van den sultan kon ik afleiden,
dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed
gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. "Ik had daarop
des te minder gerekend", ging zij voort, "als de grootvizier hem even
te voren iets in 't oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij
hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde,
wilde afbrengen."
Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste
aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite,
welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige
uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem
bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie
maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met
geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat
hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting
van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar
zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen
zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte,
dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen,
en toen zij in de stad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd
was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en
maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het
van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan
den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid,
zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk
versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet
omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht,
wat dit alles beteekende.
"Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?" gaf deze haar ten antwoord;
"weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond
trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal
spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet,
hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de
plechtigheid gebeuren zal."
Aladdin's moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis,
dat zij bijna buiten adem aankwam. "Ach!" riep zij haar zoon tegemoet,
die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid
was, "alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van
den sultan, maar er komt niets van."
Aladdin schrok hevig en antwoordde: "Lieve moeder, waarom zou de
sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?"
"Hedenavond nog", antwoordde zijn moeder, "trouwt de zoon van den
grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis." Zij vertelde
hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig
alle bizonderheden mee, dat hij er niet meer aan twijfelen kon. Bij
deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander
dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte
de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan
de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met
groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van
dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: "Lieve moeder, de
zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig,
als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u
intusschen voor het avondeten."
Aladdin's moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde
maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te
verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij
op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning
van den geest, die zijn moeder zoo 'n grooten schrik op 't lijf
had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als
vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: "Wat wil je? Ik
ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die
de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp."
"Luister", zei Aladdin, "je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo
dikwijls ik 't noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van
veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner
dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij
beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van
echter zijn woord te houden, huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór
afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb 't
zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou,
dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben,
wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt."
"Mijn gebieder", antwoordde de geest, "ik zal gehoorzamen. Heb je
nog iets anders te bevelen?"
"Voor 't oogenblik niet", antwoordde Aladdin en de geest verdween.
Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als
altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje
over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal
niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn
moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen
niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de
uitvoering van zijn bevel.
Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde
pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses
getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden
tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon
van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der
slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der
prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde
zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van
de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De
laatste, die naar buiten ging, sloot de deur achter zich toe.
Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf
der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters,
tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en
in een oogenblik op Aladdin's kamer bracht.
Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus:
"Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in 't geheim gemak,
en kom morgen vroeg even voor 't aanbreken van den dag weer terug."
Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op,
bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat
hij hem een geur had toegeademd, die hij van 't hoofd tot de voeten
bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.
Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar
gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: "Vrees niets,
geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde
is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo
zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied,
dien ik u verschuldigd ben.--Wanneer ik", ging hij voort, "gedwongen
geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen,
dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik
wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan,
uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen."
De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde
niet goed naar Aladdin's woorden en was niet in staat, hem iets
te antwoorden. De schrik en de verbazing over dit plotselinge en
onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat
Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich
eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep
heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven
nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht,
en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest
den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk
begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.
Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven,
om den geest op te roepen. Hij kwam op 't aangewezen uur weer terug
en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: "Hier ben ik,
wat hebt gij mij te bevelen?"
"Ga", antwoordde Aladdin, "haal den zoon van den grootvizier hier,
leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan
op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen."
De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den
jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een
oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit
hij het gehaald had.
Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door
den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte
had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden
zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maar namen alleen
de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van 't eene oord naar
't andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen,
zooals licht te denken is.
Nauwelijks had de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet,
of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te
wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de
kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen,
stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het
voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.
De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar 's lands
gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg
haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter
opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in
een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen
blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij
sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen
antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam
het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen
grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der
sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden
en hoe zij hem ontvangen had.
De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker
nog vermoeid was na de lange feesten. "Ik wil nu zelf naar haar
toegaan", voegde zij er bij, "en het zou me zeer verwonderen, als
zij mij evenzoo ontving."
Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der
prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte
haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet
alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing
een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte,
dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.
"Lieve dochter", zeide de sultane tot haar, "hoe komt het toch, dat gij
al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je
toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken
het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid."
Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen
zucht.
"Ach, mijn zeer vereerde moeder", riep zij, "vergeef mij, wanneer ik
het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden
nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn
schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken." Zij
schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond
nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in
een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij
zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te
weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest,
die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar
gesproken had. 's Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven
en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.
"Dit alles", voegde zij erbij, "was nauwelijks geschied, toen
de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer
terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te
antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij
mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven
zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen
toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind."
De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan,
wilde het echter niet gelooven.
"Lieve dochter", sprak zij tot haar, "je hebt er wel aan gedaan,
dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op,
er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een
zottin houden, als men je zoo hoorde spreken."
"Vereerenswaardige moeder", antwoordde de prinses, "ik verzeker u,
dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn
gemaal; hij zal u 't zelfde vertellen."
"Ik zal er hem naar vragen," antwoordde de sultane, "maar ook,
wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog
altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten
uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door
zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven,
en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog
meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de
pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij
en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan je
zooëven gesproken hebt." Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses,
en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden,
begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar
dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig
te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen,
om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen;
deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd
gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.
"Mijn lieve zoon", zeide de sultane tot hem, "zeg mij toch eens,
heb je je dezelfde inbeelding in 't hoofd gehaald, als je vrouw?"
"Heerscheres", antwoordde de zoon van den grootvizier, "zou ik eerst
mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?"
"Ik ben al tevreden", zeide de sultane, "en behoef niets meer te weten;
jij bent verstandiger dan je vrouw."
De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de
sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd,
om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en
vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar
de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk
op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend
daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen
bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in,
niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag,
moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.
Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed
onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden,
trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen
naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de
nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen,
en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan,
waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.
De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste
maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en
onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer
ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin's bevel den
volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam
toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer
van het paleis, waaruit hij het gehaald had.
De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij
prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe
zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo
slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer,
om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier,
die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde,
dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig
op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.
De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen
en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: "Nu,
mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als
gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht
hebt?"
De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog
veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde
er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen
zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar
vol toorn en met getrokken sabel toe: "Wanneer je mij niet bekent,
wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!"
De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden
sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel,
brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: "Geliefde
vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd
heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de
plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen
en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen
nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel."
Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde,
vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige
nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd
werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de
woorden: "Wanneer gij ook maar in 't minst aan mijn verhaal twijfelt,
dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik
ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal,
als ik."
De sultan deelde den diepen kommer, waarin de prinses door een zoo
zonderling avontuur gebracht moest worden.
"Lieve dochter", sprak hij tot haar, "het was zeer verkeerd van je, dat
je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt,
die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet
uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je
integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij
een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts
uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven
verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen
zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe."
Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den
grootvizier roepen.
"Vizier," zeide hij tot hem, "heb je je zoon al gezien en heeft hij
je niets verteld?"
Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had,
vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer
vernomen had. "Ik twijfel niet", zeide hij ten laatste "dat mijn
dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij
zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem,
wat er waars aan de zaak is."
De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee,
wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets
verbergen moest en zeggen, of alles waar was.
"Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader", antwoordde de
zoon. "Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar
al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling, die ik
in 't bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is
namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht,
zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen
woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met
alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de
ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog
getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene
plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch
mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer
ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in
een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats
te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik
eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u
niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en
kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses,
mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid
koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen,
dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des
sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge
verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een
onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet,
of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk
toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als
voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke
u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultan
te verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt."
Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had,
zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch,
daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden,
niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld
aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf
zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te
brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was;
zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de
sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer
geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het
paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in
de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil
ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou
blootgesteld blijven.
Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn
verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen
had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis
en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken,
en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en
vermakelijkheden op.
Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes
aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak
van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den
grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar
hun eigen huis had zien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en
verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag,
dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met
zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het
huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had
hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen,
om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de
geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden
Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte
op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding
van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.
Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de
sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer
bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij
verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar
het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.
Aladdin's moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd
had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde
plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen,
of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel
als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg
hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden:
"Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden
geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen,
gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord."
De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en
herkende eveneens Aladdin's moeder. Terstond riep hij den overste
der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.
Aladdin's moeder naderde den voet van den troon en wierp zich
neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij
begeerde.
"Groote koning", antwoordde zij, "ik verschijn ten tweeden male voor uw
aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren,
dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat
ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig,
dat gij u de zaak moogt herinneren."
De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts
daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn
van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt
niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de
armoede van Aladdin's moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor
hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans
in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij
zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de
prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer
lage afkomst zijn moest.
De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te
zeggen.
"Heer", antwoordde hij hem, "ik meen, dat er een onfeilbaar middel
bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin,
zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet
slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn
rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen
toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel
zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk
overwogen heeft."
De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich
tot Aladdin's moeder en zeide na even nagedacht te hebben tot haar:
"Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en
ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner
dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen,
zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn,
zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij
mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden
gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit
zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden,
die door veertig andere buitengemeene schoone en op 't prachtvolst
aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de
voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter,
te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord."
Aladdin's moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan
neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze
verlangen van haar zoon. "Waarachtig", zeide zij, "waar zal hij zoo
vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan
halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche
gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen
te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de
sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd
en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn."
Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen
troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen
hem: "Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aan een huwelijk met
prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig
ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de
grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten
gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je
thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder 't oog had gebracht,
dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht,
zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht
met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord,
dat ik je thans zal mededeelen."
Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan
haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de
verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. "Mijn
zoon", sprak zij ten slotte, "hij verwacht een antwoord; maar onder
ons gezegd", ging zij lachend voort, "ik geloof, dat hij lang zal
moeten wachten."
"Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt", antwoordde Aladdin,
"en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde
eischen 't mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer
te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht,
of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke
prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt
is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen
aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen,
moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan."
Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin
de lamp en wreef haar. Terstond verscheen de geest, en vroeg met
de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij
bereid was hem te bedienen.
Aladdin sprak tot hem: "De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter,
tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen
van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den
tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder
verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte
slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde,
slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo
spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden
kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit." De geest zei,
dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.
Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van
veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van
gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen,
diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre
overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was
met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven, zoowel de blanke
als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis,
dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het
tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was,
en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde,
dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.
Toen Aladdin's moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich
zeer, dat zij zooveel menschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de
eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij
den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit
niet toe.
"Lieve moeder", sprak hij tot haar, "wij hebben thans geen tijd te
verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan
den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk
benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt,
opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte
verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn
schoonzoon te worden."
Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de
deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een
blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg,
te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten
slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig
op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit
geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.
Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin's woning,
of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog
alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren,
wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde,
om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding
der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met
edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden
te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De
pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid, de
schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun
feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de
glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste
harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan
hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en
in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de
toeschouwers in zoo'n groote verbazing en bewondering, dat zij niet
moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te
zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest
blijven staan op de plaats, waar hij was.
Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te
komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen
en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van
de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De
dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van
dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor
een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem,
om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest
vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: "Wij
zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is."
Zoo kwam de eerste slaaf aan 't hoofd van den geheelen stoet op 't
tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans
tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der
verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter
ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen, die
Aladdin's geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen
hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends
te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was
armelijk in vergelijking bij die van Aladdin's afgezanten. Daar men
den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven,
ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den
ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar
binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij
allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven
cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij
droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder
en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden
tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en
de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen,
waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.
Ondertusschen naderde Aladdin's moeder den voet van den troon, wierp
zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: "Heer, mijn zoon Aladdin
weet zeer goed, dat het geschenk, 'twelk hij u zendt, ver beneden
blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij,
dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het
niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij
er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt,
na te komen."
De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin's moeder met
opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertig
gouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste,
schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven,
die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht
hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast
geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van
dus den groet van Aladdin's moeder te beantwoorden, keerde hij zich
tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele
rijkdommen mochten gekomen zijn.
"Welnu, vizier", zeide hij luid tot hem, "wat denk je van hem, wie 't
ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt,
zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig,
mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?"
Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een
onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon
des sultans worden zou, zoo waagde hij 't toch niet, zijn meening
te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin's geschenk
meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij
antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak:
"Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een
zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt,
onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog
veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche
wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses,
uwe dochter, kon opwegen." De heeren van het hof, die de zitting
bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen te kennen, dat zij
evenzoo dachten als de grootvizier.
De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht
niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om
zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke
rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan
had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden,
de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze
de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter
wenschte. Om daarom Aladdin's moeder volkomen te bevredigen, zeide
hij tot haar: "Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem
verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt,
om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te
meer zal hij mij plezier doen."
Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen
sport van het geluk te zien, snelde Aladdin's moeder naar huis; de
sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op
en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en
naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij
zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit
bevel werd terstond uitgevoerd.
Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men
liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan,
die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld
had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de
tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijn
verhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd
had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin's moeder met
een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.
"Mijn zoon", zeide zij tot hem, "ge hebt alle reden om tevreden te
zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet,
wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid
laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat
je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om
je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor
op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die
hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb,
ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik
mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met
ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen."
Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich
alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn
moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die
hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen
had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn
oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den
dag. "Geest", zei Aladdin tot hem, "ik heb je geroepen, opdat je me
aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil
ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit
een vorst gedragen heeft." Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest
maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hief hem op en droeg
hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd
was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige,
ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een
matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende
wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle
warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders,
dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose
geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger
geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat
hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in
plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al
verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd
waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde
ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij
zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg
de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald,
en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. "Ja", antwoordde Aladdin,
"ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en
snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek,
het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen
waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven
bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die,
welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg,
ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in
twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ook voor mijn moeder zes
slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed
moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk
een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig,
alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend
goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had;
ga, en haast je."
Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en
verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan
tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes
slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin's moeder,
in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles
aan Aladdin over.
Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder
gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in
handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun
tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het
volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den
eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk
schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan
haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken;
ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.
Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg
hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem
noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin
zich gereed, des sultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij
vaardigde een zijner slaven af--ik zal niet zeggen den schoonsten,
want zij waren allen gelijk--naar het paleis, met het bevel zich tot
den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de
eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf
kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom
dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.
Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in
de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren
een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo'n edele houding,
dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had
kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in
een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval
en bewondering door de lucht klonken, in 't bijzonder, toen de zes
slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en
links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen
niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de
goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers,
die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden
lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem
nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen,
herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd
gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne
gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder
andere eigenschappen ook die bezat, haren bezitter langzamerhand
alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe
hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men
schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den
overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds
een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk
droegen en begeleidden. In 't bijzonder werd ook het paard door kenners
bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder
zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee
het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan
hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand,
trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd,
want hij scheen beide waardig te zijn.
Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst
in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde
hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten
en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der
deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte,
liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of
audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er
zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet
verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der
zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde
hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.
Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke
en prachtige kleeding, zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als
in 't bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en
zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij
van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn
verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan
en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin
zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk
omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem
nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong
hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats
te nemen.
Hierop nam Aladdin het woord en sprak: "Heer, ik neem de eer, welke
gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen;
veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik
uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet,
hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid
van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door 't een of
ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik,
dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid
te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op
te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst
verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote
koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou,
wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien."
"Mijn zoon", antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde,
"gij zoudt mij onrecht doen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan
de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij
voortaan te dierbaar, dan dat ik het niet door aanwending van het
heilmiddel, waarover ik beschikken kan, zou pogen te behouden. Ik stel
het genoegen je te zien en te hooren, boven al mijne en uwe schatten."
Bij deze woorden gaf de sultan een teeken, en weldra dreunde de
lucht van het geschal der hobo's en pauken; tegelijkertijd voerde de
sultan Aladdin naar een prachtvolle zaal, waar een heerlijk feestmaal
opgedragen werd. De sultan at geheel alleen met Aladdin. De grootvizier
en de voorname heeren van het hof stonden hun, ieder naar zijn rang
en waardigheid, tijdens het maal ter zijde. De sultan, die zijn oogen
voortdurend op Aladdin gevestigd hield--want het deed hem buitengewoon
veel genoegen, hem aan te zien--bracht het gesprek op verschillende
onderwerpen. Daarbij sprak Aladdin, over welk onderwerp het gesprek
ook liep, steeds met zooveel kennis en verstand, dat hij den sultan
volkomen in de goede meening versterkte, welke deze reeds bij den
aanvang van hem gekregen had.
Na den maaltijd liet de sultan den oppersten rechter van zijn hoofdstad
roepen, en beval hem op staanden voet het huwelijkskontrakt tusschen
prinses Bedroelboedoer, zijn dochter, en Aladdin te ontwerpen en
op te schrijven. Gedurende dien tijd onderhield de sultan zich met
Aladdin over allerlei onverschillige dingen in tegenwoordigheid des
grootviziers en van de groote heeren van het hof, die het scherpe
verstand, de groote gemakkelijkheid om zich uit te drukken en de fijne
en zinrijke opmerkingen, waarmede de jongeling het gesprek kruidde,
niet genoeg konden bewonderen.
Toen de rechter het kontrakt met alle noodige formaliteiten voltooid
had, vroeg de sultan aan Aladdin, of hij in het paleis blijven en
de bruiloft nog heden vieren wilde. "Heer", antwoordde Aladdin, "hoe
ik ook brand van verlangen, uwe genade en goedheid in haar ganschen
omvang te genieten, verzoek ik u toch mij zoolang tijd te laten, tot
ik een paleis heb kunnen laten bouwen, om de prinses overeenkomstig
haar rang en waardigheid te mogen ontvangen. Daarom verzoek ik u om
een plaats vóór het uwe, opdat ik dichtbij ben om u mijn opwachting
te kunnen maken. Ik zal niets verzuimen om ervoor te zorgen, dat
het in den kortstmogelijken tijd voltooid worde." "Mijn zoon", zei
de sultan, "kies u elke plaats uit, die u geschikt voorkomt; voor
mijn paleis is ruimte genoeg, en ikzelf heb er reeds aan gedacht,
die te laten bebouwen; maar bedenk wel, dat ik hoe eer hoe liever
mijn dochter gehuwd wensch te zien, om de maat mijner vreugde vol te
meten." Bij deze woorden omhelsde hij Aladdin nogmaals, en deze nam
afscheid van den sultan met zulk een zwier, alsof hij van jongsaf
aan het hof verkeerd had en daar was opgevoed.
Aladdin steeg nu weder te paard en keerde met denzelfden stoet,
waarmede hij gekomen was, en door dezelfde menigte en onder het
bijvalgeroep der massa's, die hem alle mogelijke heil en zegen
wenschten, naar huis terug. Nauwelijks was hij afgestegen, of hij
nam de lamp en riep den geest als naar gewoonte. Deze liet niet
lang op zich wachten maar verscheen dadelijk en bood zijn diensten
aan. "Geest", sprak Aladdin, "ik heb alle reden je stiptheid te roemen;
je hebt alle bevelen, die ik je in naam dezer lamp, je meesteres,
gegeven heb, stipt volbracht. Heden echter gaat het er om, of je uit
liefde tot haar zoo mogelijk nog meer ijver en gehoorzaamheid aan
den dag zult leggen, dan tot nu toe. Ik verlang namelijk dat je in
den kortst mogelijken tijd tegenover het paleis van den sultan, maar
toch op een behoorlijken afstand daarvan, een paleis zult bouwen, dat
waardig is, prinses Bedroelboedoer, mijn gemalin, te herbergen. De keus
der bouwstoffen, namelijk porfier of jaspis, agaath of lazuursteen,
of ook het allerfijnste bontgestreepte marmer, zoowel als de overige
inrichting van den bouw, laat ik geheel aan je over; evenwel verwacht
ik dat je mij boven-in een groote zaal met een koepel en vier gelijke
zijden bouwt, waarvan de wanden afwisselend van echt goud en zilver
moeten zijn vervaardigd; vier en twintig vensters moeten er in zijn,
zes aan elken kant, waarvan het traliewerk, uitgezonderd een enkel, dat
onvoltooid moet blijven, kunstvol en zonder overlading met diamanten,
robijnen en smaragden versierd moet zijn, zooals iets dergelijks nog
niet op de wereld gezien is. Verder moeten zich bij het paleis een
voorhof, een binnenplein en een tuin bevinden; vóór alle dingen echter
moet ik op een plaats die ge mij zult aanwijzen, een schat vinden van
gemunt goud en zilver, en bovendien moeten er verschillende keukens,
voorraadkamers, magazijnen en bergkamers zijn vol kostbaar gerei voor
elk jaargetijde, die volkomen overeenstemmen met de overige pracht
van het paleis; dan nog stallen vol met de schoonste paarden, en een
behoorlijk aantal stalmeesters en stalknechten. Ook het jachtgerei moet
ge niet vergeten, en het spreekt vanzelf dat je ook voor een toereikend
aantal bedienden voor de keuken en de overige huishouding, zoowel
als voor een behoorlijk aantal slavinnen ten dienste der prinses,
hebt te zorgen. Je zult me begrepen hebben wat mijn wensch is; ga,
en kom terug als je alles hebt gereed gebracht."
De zon ging juist onder, toen Aladdin den geest wegzond voor den bouw
van het paleis, zooals hij het zich had uitgedacht. Den volgenden
morgen stond Aladdin, dien de liefde tot de prinses niet rustig slapen
liet, in alle vroegte op, en meteen verscheen de geest. "Heer",
sprak hij, "uw paleis is klaar; kom en zie of gij ermee tevreden
zijt." Aladdin vond alles zoo boven verwachting, dat hij zich niet
genoeg kon verwonderen. De geest leidde hem overal rond, en overal vond
hij rijkdom, schoonheid en pracht; daarbij nog bedienden en slaven,
allen overeenkomstig hun rang en staat gekleed. Ook liet hij niet na
hem als de hoofdzaak de schatkamer te toonen, waarvan de deur door
den schatbewaarder geopend werd, en Aladdin aanschouwde hier heele
stapels goudzakken van verschillende grootte, alle naar de sommen,
die zij bevatten, tot aan het gewelf opgestapeld, en alles in zulk
een volmaakte orde dat zijn hart van vreugde opsprong. Bij het naar
buiten treden verzekerde de geest hem dat hij zich op den trouw van den
schatmeester geheel kon verlaten. Daarop voerde hij hem in de stallen,
en toonde hem de schoonste paarden ter wereld, en stalknechten,
die ijverig bezig waren, ze te verplegen en te verzorgen.
Eindelijk ging hij met hem door de voorraadkamers, waarin allerlei
voorraden, voornamelijk voeding voor de paarden en versierselen,
lagen opgehoopt.
Nadat Aladdin het geheele paleis van boven tot beneden, van zaal
tot zaal en in 't bijzonder de zaal met de vier en twintig vensters
in oogenschouw had genomen en daarin meer pracht en rijkdom dan hij
ooit had gehoopt, en tevens alle mogelijke gemakken had aangetroffen,
zei hij tot den geest:
"Geest, niemand kan meer tevreden zijn dan ik, en het zou onbillijk
van mij zijn, als ik mij ook maar in het minst wilde beklagen. Maar
iets ontbreekt nog, waarvan ik niets gezegd heb, omdat ik er niet
aan dacht. Ik wenschte namelijk van de poort van des sultans paleis
tot aan den ingang van de kamer, die in dit paleis voor de prinses
bestemd is, een tapijt van het schoonste fluweel gespreid te hebben,
opdat zij daarover kan loopen, als zij uit het paleis van den sultan
komt."--"Ik kom in een oogwenk terug", sprak de geest en verdween. Een
poosje later zag Aladdin met groote verbazing zijn wensch vervuld,
zonder dat hij wist hoe het was toegegaan. De geest verscheen nu
weer en droeg Aladdin in zijn woning terug, terwijl juist de poort
van des sultans paleis geopend werd.
De wachters van het paleis, die de poort openden en naar den kant waar
nu Aladdin's prachtgebouw stond, altijd een vrij uitzicht hadden gehad,
waren zeer verrast, toen zij dit uitzicht bebouwd vonden en vandaar tot
aan de poort van het paleis huns meesters een fluweelen tapijt zagen
liggen. Aanvankelijk konden zij zich niet begrijpen wat dat zijn mocht;
maar hun verbazing steeg nog, toen zij heel duidelijk het heerlijke
paleis van Aladdin zagen. De tijding van dit groote wonder verspreidde
zich als een loopend vuur door het geheele paleis. De grootvizier,
die zich dadelijk na de opening der poort in het paleis aanmeldde,
was even verrast als alle anderen, en deelde de zaak dadelijk aan den
sultan mede, verklaarde haar echter tevens voor tooverij. "Vizier",
antwoordde de sultan, "waarom zou het een werk van tooverij zijn? Je
weet zoo goed als ik, dat het 't paleis is, dat Aladdin naar ik hem
in je tegenwoordigheid veroorloofde, voor de prinses, mijn dochter,
heeft laten bouwen. Na de proeven die hij ons van zijn rijkdom gegeven
heeft is het volstrekt niet zoo bevreemdend, dat hij dit paleis in zoo
korten tijd heeft voltooid. Hij heeft ons daarmee willen verrassen en
ons willen toonen, dat men met baar geld in één nacht wonderen kan
doen. Beken het maar, dat er zoo iets als ijverzucht bij je onder
doorloopt, als je van tooverij spreekt." Intusschen werd het tijd
ter Raadsvergadering te gaan, en braken zij het gesprek af.
Toen Aladdin in zijn woning was teruggebracht en den geest had
weggezonden, vond hij zijn moeder al op en bezig een der gewaden aan
te passen die hij voor haar had laten komen. Hij droeg haar nu op,
om op den tijd, dat de sultan gewoonlijk uit de Raadsvergadering kwam,
onder begeleiding der slavinnen die de geest haar gebracht had, naar
het paleis te gaan. Als zij den sultan zag, moest zij hem zeggen, dat
zij kwam om de eer te hebben de prinses 's avonds naar haar paleis te
begeleiden. Zij ging, maar hoewel zij zoowel als haar slavinnen als
sultanes gekleed waren, was toch de volksmenigte die zich verdrong
om te kijken, veel kleiner dan anders, daar zij gesluierd waren
en een passend overkleed den rijkdom en de pracht harer kleeren
bedekte. Aladdin steeg nu te paard, verliet zijn ouderlijk huis, om
er niet weer terug te keeren; hij vergat evenwel de wonderlamp niet
die hem zulke heerlijke diensten had bewezen, en trok toen openlijk
naar zijn paleis met dezelfde praal, waarmee hij zich den vorigen
dag aan den sultan had voorgesteld.
Zoodra de poortwachters van het vorstelijk paleis Aladdin's
moeder bemerkten, meldden zij het den sultan. Dadelijk werd aan de
trompetters, de pauken- en trommelslagers, de dwarsfluiters en de
hoboïsten die reeds op verschillende punten van de terrassen van
het paleis waren opgesteld, een teeken gegeven, en in een oogenblik
weerklonk er vroolijke muziek die de gansche stad de vreugdetijding
meldde. De kooplieden begonnen hun winkels met mooie tapijten,
draperieën en groen te versieren, en maakten toebereidselen om de stad
te verlichten. De handwerkslieden verlieten hun arbeid en trokken in
groote scharen op naar het plein tusschen het paleis des sultans en dat
van Aladdin. Dit laatste trok hoofdzakelijk de algemeene bewondering,
daar het paleis van den sultan met het nieuwe in geen vergelijking
kon komen. Het meest waren zij er echter verbaasd, daar zij niet
begrijpen konden, door welk ongehoord wonder zij nu een paleis
aanschouwden, waar zij daags te voren noch den grond hadden zien
leggen, noch bouwstoffen gezien hadden. Aladdin's moeder werd in het
paleis met veel eer ontvangen en door den opperste der slaven in de
kamer van prinses Bedroelboedoer geleid. Zoodra de prinses haar zag,
ging zij naar haar toe, omarmde haar, en liet haar op de sofa plaats
nemen, en terwijl haar slavinnen haar toilet voltooiden en haar met
de schoonste juweelen van Aladdin's geschenk sierden, deed zij voor
Aladdins' moeder een kostelijk ontbijt gereed zetten. De sultan,
die er ook bijkwam om nog zoolang mogelijk met zijn dochter tezamen
te kunnen zijn, vóor zij van hem scheidde en het paleis van Aladdin
betrok, bewees haar eveneens groote eer. Aladdin's moeder had reeds
meermalen met hem in de raadsvergadering gesproken, maar hij had
haar nog nooit, zooals nu, zonder sluier gezien. Hoewel zij reeds
een aanzienlijk aantal jaren torste, zag men toch aan haar trekken,
dat zij in haar jeugd zeer schoon moest geweest zijn. De sultan, die
haar altijd zeer eenvoudig, ja zelfs armoedig gekleed had gezien,
was vol bewondering, nu hij haar even rijk en smaakvol gekleed zag
als zijn dochter. Hij besloot daaruit dat Aladdin in alle opzichten
even ervaren, verstandig en vol doorzicht was.
Toen de nacht aanbrak nam de prinses afscheid van den sultan. Dit
afscheid was hoogst teeder en er vloeiden rijkelijk tranen; zij
omhelsden elkander verscheidene malen, zonder een woord te spreken,
maar eindelijk verliet de prinses haar vertrekken en ving den tocht
aan; aan haar linkerzijde ging Aladdin's moeder en achter haar honderd
slavinnen in de prachtigste kleeding. Verschillende muziekkorpsen,
die van de aankomst van Aladdin's moeder onafgebroken tot nu toe
gespeeld hadden, vereenigden zich nu en gingen vooruit; daarop volgden
honderd trawanten en evenveel zwarte slaven in twee rijen, met hun
oppersten aan het hoofd. Vierhonderd jonge edelknapen van den sultan,
die in twee rijen met fakkels in de hand aan beide zijden liepen,
verspreidden een lichtglans, die in vereeniging met de verlichting der
beide paleizen van den sultan en van Aladdin het gebrek aan daglicht
op de heerlijkste manier verhielp.
In dezen optocht trad de prinses over het tapijt van het paleis
haars vaders tot aan dat van Aladdin en hoe meer zij voorwaarts
kwamen, des te meer vermengde en vereenigde zich het spel van haar
muziekkorps, met dat wat zich van de terrassen van Aladdin's paleis
hooren liet. En deze muziek, hoe wonderlijk en verward zij ook klonk,
vermeerderde evenwel zeer de vreugde, niet alleen op het groote plein
dat van menschen wemelde, maar ook in de beide paleizen, in de heele
stad en nog wijd in den omtrek.
Eindelijk bereikte de prinses het nieuwe paleis, en Aladdin ijlde met
licht begrijpelijke vreugde naar den ingang van het voor hen bestemde
vertrek, om haar daar te ontvangen. Aladdin's moeder had haar reeds
haar zoon, die van een schitterenden bediendenstoet omgeven was,
aangewezen, en de prinses vond hem reeds bij den eersten aanblik zoo
mooi, dat zij geheel betooverd werd.
"Dierbare prinses", zeide Aladdin tot haar, terwijl hij op haar toetrad
en haar vol eerbied begroette, "mocht ik het ongeluk hebben, u door
mijn vermetelheid waarmede ik naar het bezit van een zoo beminnelijke
prinses, de dochter van mijn sultan, gestreefd heb, te mishagen, dan
moet gij de schuld geven aan uwe schoone oogen en aan de macht uwer
bevalligheid, maar niet aan mij."--"Prins", antwoordde de prinses,
"--want als zoodanig verschijnt gij voor mij--ik gehoorzaam den wil
mijns vaders, en kan, nadat ik u gezien heb, wel zeggen dat ik hem
zonder tegenstreven gaarne gehoorzaam ben." Aladdin was ten hoogste
verblijd met dat vriendelijke en voor hem aangename antwoord en liet
de prinses, die zulk een langen weg gegaan was, waaraan zij niet
gewend was, niet lang staan, maar vatte hare hand, kuste die teeder
en geleidde haar in een groote, door een oneindig aantal waskaarsen
verlichte zaal, waar door toedoen van den geest een heerlijk maal
was aangericht. De schotels waren van zuiver goud en met kostelijke
spijzen gevuld. De vazen, schalen en bekers, waarmee de tafel rijkelijk
bezet was, waren eveneens van goud en van uitmuntende bewerking. Ook
de overige versieringen en het heele voorkomen van de zaal waren
met deze pracht in overeenstemming. De prinses was geheel betooverd,
zooveel rijkdommen bij elkaar te zien en sprak tot Aladdin: "Prins, tot
nu toe had ik gedacht, dat er niets schooners op de wereld kon zijn,
dan het paleis van den sultan; maar alleen reeds deze zaal overtuigt
mij, dat ik mij vergist heb."--"Prinses", antwoordde Aladdin, terwijl
hij haar naar den voor haar bestemden zetel voerde, "ik neem deze
beleefdheid aan, zooals ik dat verschuldigd ben, maar ik weet wel,
wat ik ervan te denken heb."
Prinses Bedroelboedoer, Aladdin en zijn moeder zetten zich nu aan
tafel en dadelijk begon een liefelijke en welluidende muziek, en
tevens een gezang van bijzonder schoone meisjes, en dit concert duurde
onafgebroken voort tot aan het einde van den maaltijd. De prinses was
als betooverd en verzekerde in het paleis haars vaders, den sultan,
nooit iets dergelijks gehoord te hebben. Maar zij wist niet dat deze
zangeressen feeën waren, die de geest, de slaaf van de lamp, hiervoor
uitgezocht had.
Toen de avondmaaltijd geëindigd en alles afgeruimd was, kwam in plaats
van het muziekkorps een groep dansers en danseressen. Zij voerden naar
de zede van het land allerlei gefigureerde dansen uit en tot slot
traden een danser en een danseres op, die met verbazende lichtheid
dansten en bovenal veel zwier en behendigheid aan den dag legden.
Het was dicht bij middernacht toen Aladdin opstond, en volgens de
toenmaals heerschende mode in China, prinses Bedroelboedoer de
hand bood, om met haar te dansen en daarmee de huwelijksfeesten
te besluiten. Zij dansten zoo mooi, dat zij de bewondering van het
geheele gezelschap wekten. Toen dit voorbij was, hield Aladdin de
prinses bij de hand vast en gingen zij tezamen naar het vertrek waar
het huwelijksbed gespreid was. De slavinnen der prinses hielpen haar
zich van haar huwelijkskleed ontdoen en brachten haar te bed. Aladdins
dienaren deden met hem evenzoo en daarna verwijderden zich allen.
Zoo eindigden de feestelijkheden ter eere van het huwelijk van Aladdin
met prinses Bedroelboedoer.
Den volgenden morgen, toen Aladdin ontwaakte, kwamen zijn
kamerdienaren, om hem te kleeden. Zij trokken hem een ander, maar niet
minder rijk en prachtvol kleed aan, dan op den huwelijksdag. Hierop
liet hij zich een zijner rijpaarden voorbrengen, besteeg het en begaf
zich met een talrijk gevolg van slaven, die voor hem uitgingen,
achteraan- of terzijde reden, naar het paleis van den sultan. De
sultan ontving hem met dezelfde eerbewijzen als de eerste maal;
hij omarmde hem, liet hem naast zich op zijn troon zitten en beval
het ochtendmaal op te dragen. "Heer", sprak Aladdin, "ik smeek u,
mij heden deze eer niet aan te doen; ik kom om u te verzoeken, mij
de eer te willen bewijzen, met den grootvizier en de edelen van uw
hof in het paleis der prinses het middagmaal te komen gebruiken." De
sultan stemde hierin gewillig toe. Hij stond dadelijk op, en daar de
weg niet lang was, wilde hij zich te voet er heen begeven. Hij ging
dus op weg en aan zijn rechterhand ging Aladdin, aan zijn linker de
grootvizier en de grooten van het hof, terwijl vooruit de trawanten
gingen en de aanzienlijksten van de vorstelijke huishouding.
Hoe meer de sultan het paleis van Aladdin naderde, des te meer
verwonderde hij zich over de schoonheid daarvan. Nog hooger steeg
zijn bewondering, toen hij binnengetreden was, en bij elk vertrek
dat hij zag, betuigde hij luid zijn verbazing. Toen Aladdin hem
echter in de zaal met de vier en twintig vensters leidde, en hij
de versieringen daarvan, en in 't bijzonder de met de grootste en
heerlijkste diamanten, robijnen en smaragden getooide tralievensters
beschouwde, was hij daarvan zoo verrast, dat hij een poos onbeweeglijk
staan bleef. Eindelijk sprak hij tot den grootvizier, die naast hem
stond: "Is 't mogelijk vizier, dat in mijn koninkrijk en zoo dicht bij
mijn paleis een zoo prachtig gebouw staan kan, waarvan ik tot nu toe
niets geweten heb?" "Mijn heer en vorst", antwoordde de grootvizier,
"gij zult u herinneren, dat gij eergisteren Aladdin, toen gij hem als
uw schoonzoon aannaamt, verlof gegeven hebt, hier tegenover het uwe,
een paleis te bouwen. Toen stond bij zonsondergang geen paleis op deze
plaats, en gisteren had ik de eer u te melden, dat het paleis geheel
voltooid was." "Dat herinner ik mij heel goed", antwoordde de sultan,
"maar ik zou nooit geloofd hebben, dat dit paleis zulk een wereldwonder
zou worden. Waar ter wereld vindt men bouwwerken, waarvan de wanden
inplaats van steen of marmer, van zuiver goud en zilver zijn, en waar
de traliën der vensters met diamanten, robijnen en smaragden versierd
zijn? Iets dergelijks is op aarde nog niet voorgekomen."
De sultan bewonderde nu de schoonheid der vier en twintig
tralie-vensters. Doch terwijl hij ze telde, vond hij dat slechts drie
en twintig zoo rijk versierd waren, en verwonderde hij zich zeer dat
men het vier en twintigste onvoltooid had gelaten. "Vizier", sprak
hij, want het was de plicht van den grootvizier niet van zijn zijde te
wijken, "ik moet er mij over verbazen, dat een zoo prachtvolle zaal op
deze plaats onvoltooid is gebleven." "Heer", antwoordde de grootvizier,
"Aladdin was ongetwijfeld te zeer gehaast, en hem ontbrak de tijd,
dit venster aan de vorige gelijk te laten maken; toch laat het zich
denken dat hij de noodige edelgesteenten daartoe bezit, en er zoo
spoedig mogelijk aan zal laten arbeiden."
Aladdin, die den sultan verlaten had, om eenige bevelen te geven,
trad intusschen weer binnen. "Mijn zoon", sprak de sultan, "dit is de
bewonderenswaardigste zaal die in de gansche wereld te zien is. Maar
over iets moet ik mij toch verwonderen, namelijk dat het tralievenster
hier onvoltooid gebleven is. Is dit door vergeetachtigheid gebeurd,
of uit nalatigheid, of hebben misschien de werklieden geen tijd gehad,
aan dit wonder van bouwkunst de laatste hand te leggen?"--"Heer",
antwoordde Aladdin, "het tralievenster is om geheel andere reden
zoo onvoltooid gebleven, als gij ziet. Het is opzettelijk gebeurd,
en op mijn bevel hebben de werklieden het niet aangeroerd. Ik
wenschte namelijk, dat gijzelf den roem zoudt hebben, zaal en paleis
te voltooien, en nu verzoek ik u mijn wensch genadig te vervullen,
opdat ik mij op uwe gunst en genade beroemen kan."--"Als gij het
met dit doel gedaan hebt", antwoordde de sultan, "dan ben ik u
daarvoor dank schuldig, en zal oogenblikkelijk de noodige bevelen
geven". Werkelijk liet hij dadelijk de best gesorteerde juweliers en
de bekwaamste goudsmeden uit de hoofdstad roepen.
De sultan verliet intusschen de zaal en Aladdin geleidde hem in
die waar hij en prinses Bedroelboedoer op den huwelijksdag het maal
gebruikt hadden. De prinses verscheen een oogenblik later en ontving
den sultan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat zij
met haar huwelijk zeer wel tevreden was. Twee tafels stonden gereed,
met de kostelijkste spijzen bedekt, en het tafelgerei was van louter
goud. De sultan zette zich aan de eerste en gebruikte daar het maal
met de prinses, zijn dochter, met Aladdin en met den grootvizier. De
overige aanzienlijken van het hof werden aan den tweeden disch bediend,
die zeer lang was. De sultan vond de spijzen buitengewoon smakelijk
en bekende, dat hij nog nooit heerlijker gegeten had. Hetzelfde zei
hij van den wijn, die inderdaad zeer kostelijk was. Wat hij nog verder
bewonderde, waren vier groote aanrechttafels met een menigte flesschen,
schalen en bekers, alle van zuiver goud en rijkelijk met edelgesteenten
versierd. Ook over de muziek, die in de zaal was opgesteld, was hij
zeer goed te spreken, terwijl het geschetter der trompetten, pauken
en trommels met behoorlijke tusschenpoozen van buiten weerklonk.
Toen de sultan van tafel was opgestaan, meldde men hem dat de juweliers
en goudsmeden, die hij had laten roepen, er waren. Hij ging met hen in
de zaal van de vier en twintig vensters en liet hun het onvoltooide
zien. "Ik heb u laten komen", zei hij, "opdat gij dit venster zoudt
voleindigen en het net zoo schoon maken, als de andere zijn. Beschouwt
deze nauwkeurig en laat geen tijd verloren gaan, met aan den arbeid
te beginnen; het moet echter den anderen volkomen gelijk zijn."
De juweliers en goudsmeden bekeken de drie en twintig andere vensters
zeer nauwkeurig en nadat zij met elkander beraadslaagd, en vastgesteld
hadden welk deel van den arbeid ieder op zich nemen zou, traden zij
weder voor den sultan en nam de hofjuwelier het woord. "Heer, wij
zijn bereid, alle moeite en vlijt aan te wenden, om u te gehoorzamen;
maar, oprecht gesproken, wij allen, zooals wij hier staan, hebben
samen noch zulke kostbare, noch zooveel edelgesteenten, als voor een
zoo omvangrijken arbeid noodig zijn."--"Ik heb er zelf eenige", zei
de sultan, "en zelfs meer dan ik gebruiken zal; komt in mijn paleis,
dan zal ik ze u laten zien, opdat gij kiezen kunt."
Toen de sultan in zijn paleis was teruggekeerd, liet hij al zijn
edelgesteenten brengen, en de goudsmeden namen er vele van, en in 't
bijzonder van die, welke Aladdin hem geschonken had. Zij gebruikten
ze voor het venster, zonder dat men veel voortgang in hun arbeid kon
bespeuren, en kwamen herhaalde malen terug om nieuwe te halen, maar
in een maand hadden zij nog niet de helft van het werk af. Eindelijk
gebruikten zij alle edelgesteenten van den sultan, die bovendien nog
van den grootvizier leende, maar kregen hoogstens de helft van het
venster klaar.
Aladdin, die wel zag dat de sultan zich te vergeefs beijverde, dit
venster volkomen gelijk aan de andere te laten maken, en dat hij er
niet veel eer mee inoogstte, zeide hun niet alleen met hun arbeid
op te houden, maar ook wat zij tot dusverre gewrocht hadden weer uit
elkaar te nemen, en den sultan en den grootvizier hun edelgesteenten
terug te geven.
Zoo werd dan het werk, waaraan de juweliers en goudsmeden zes weken
lang gearbeid hadden, in enkele uren vernietigd. Zij verwijderden
zich en Aladdin bleef alleen in de zaal achter. Hij haalde de lamp te
voorschijn, die hij bij zich droeg, wreef haar en dadelijk verscheen
de geest. "Geest", sprak Aladdin, "ik had bevolen, een der vier en
twintig tralievensters van de zaal onvoltooid te laten, en gij hebt
dit bevel opgevolgd: thans heb ik u laten komen, opdat gij het aan
de overige gelijk zoudt maken." De geest verdween en Aladdin ging
uit de zaal. Toen hij een poos daarna weer binnenkwam vond hij het
tralievenster af en geheel gelijk aan de anderen.
Intusschen kwamen de juweliers en goudsmeden in het paleis, werden
in de audiëntie-zaal gevoerd, en voor den sultan geleid. De eerste
juwelier overhandigde hem de edelgesteenten, die zij terugbrachten en
zei uit aller naam tot hem: "Beheerscher des aardrijks, gij weet hoe
lang wij reeds uit alle macht arbeidden om het werk te volbrengen,
dat gij ons hadt opgedragen. Het was al heel ver gevorderd, toen
Aladdin ons beval, niet alleen ermee op te houden, maar alles wat
wij tot stand hadden gebracht, weder te vernietigen en u uwe en des
grootviziers edelgesteenten terug te brengen." De sultan vroeg of
Aladdin hun ook een reden daarvoor had opgegeven, en toen zij dit
ontkenden, gaf hij dadelijk bevel een paard voor te brengen. Dit
geschiedde; hij besteeg het en reed zonder eenig gevolg dan enkele
zijner lieden, die hem te voet begeleidden, weg. Aan het paleis van
Aladdin gekomen, steeg hij onder aan den trap af, die naar de zaal met
de vier en twintig vensters voerde. Hij trad binnen, zonder Aladdin
ervan kennis te geven, maar deze kwam nog juist te rechter tijd om
den sultan aan de deur van de zaal te ontvangen.