zijn aankomst niet had laten weten, en Aladdin zoodoende zijn plicht
maar ten halve kon vervullen, maar zeide tot hem: "Mijn zoon, ik kom
zelf, om u te vragen, waarom ge zulk een prachtige en zeldzame zaal,
als die in uw paleis, onvoltooid wilt laten."
Aladdin verborg den waren grond, namelijk dat de sultan niet rijk
genoeg was, om zulk een aantal edelgesteenten bijeen te brengen. Maar
om hem te toonen, hoe ver zijn paleis, zooals het nu was, niet alleen
dat van den sultan, maar ieder ander paleis ter wereld overtrof, daar
hij niet in staat was, zelfs het kleinste deel ervan te voltooien,
antwoordde: "Heer, 't is waar, gij hebt de zaal onvoltooid gezien,
maar ik bid u, zie nog eens en kijk of er iets aan ontbreekt."
De sultan ging op het venster toe, waarvan het traliewerk onvoltooid
was gebleven, en toen hij bemerkte dat het volkomen op de andere
vensters geleek als het eene ei op het andere, dacht hij zich vergist
te hebben. Hij bekeek niet alleen de twee vensters aan beide zijden,
maar ook nog alle andere één voor één en nadat hij zich overtuigd had,
dat het traliewerk waaraan zijn goudsmeden zoo lang gewerkt hadden,
in zoo korten tijd voltooid was, omarmde hij Aladdin en kuste hem
tusschen de oogen en op het voorhoofd. "Mijn zoon", zei hij vol
verwondering tot hem, "wat voor een man zijt gij toch, dat gij zulke
verwonderlijke werken tot stand brengt eer men zijn hand omdraait? Gij
hebt in de heele wereld uws gelijke niet, en hoe meer ik u leer kennen,
des te meer bewonder ik u."
Aladdin nam de lofspraken van den sultan met veel bescheidenheid aan
en antwoordde: "Heer, het is een groote eer voor mij, het welgevallen
en de goedkeuring van mijn vorst te verdienen; ook verzeker ik u, dat
ik steeds alles zal doen, om mij deze meer en meer waardig te maken."
De sultan keerde in zijn paleis terug, zooals hij gekomen was, zonder
Aladdin's begeleiding aan te nemen. De grootvizier wachtte hem daar
zelf op. Nog vol verbazing over het wonder, dat hij met eigen oogen
aanschouwd had, vertelde de sultan hem alles in bewoordingen, die hem
niet aan de waarheid van de zaak lieten twijfelen, maar hem evenwel
in zijn oorspronkelijk geloof bevestigden, dat Aladdin's paleis een
werk van tooverij was, wat hij reeds dadelijk, toen het voor zijn
oogen stond, tegen den sultan gezegd had. Hij wilde dat nu nog eens
herhalen, maar de sultan zei: "Dat hebt ge me reeds eenmaal verteld,
maar ik zie wel, dat gij het huwelijk mijner dochter met uw zoon nog
steeds niet vergeten zijt."
De grootvizier zag in, dat de sultan vooringenomen was, en liet het
erbij om niet met hem in strijd te geraken. De sultan echter begaf
zich regelmatig elken dag zoodra hij was opgestaan, naar een kamer
vanwaar hij Aladdin's paleis kon zien, en ging ook des daags meermalen
erheen om het te aanschouwen en te bewonderen.
Aladdin sloot zich intusschen niet in zijn paleis op; hij vertoonde
zich opzettelijk meermalen in de week in de stad, terwijl hij nu in
deze, dan in die Moskee ging, om zijn gebed te verrichten, of van
tijd tot tijd den grootvizier bezoek te brengen, die zich beijverde
hem op bepaalde dagen zijn opwachting te maken, of hij bewees somtijds
enkelen voornamen lieden van het hof, die hij meermalen in zijn paleis
te gast ontving, de eer hen in hun huis te bezoeken. Iederen keer,
dat hij uitreed, had hij een talrijk gevolg van slaven om zich heen,
en twee hunner moesten op de straten en pleinen, waar hij langs kwam
en waar steeds een groote volksmenigte stond, handen vol goudstukken
uitstrooien. Geen arme vertoonde zich aan de poort van zijn paleis,
of hij was ten zeerste voldaan over de giften die Aladdin hem had
laten uitreiken.
Aladdin had zijn tijd zoo ingedeeld, dat hij iedere week minstens eens
op de jacht ging, nu eens in de naaste omgeving van de stad, dan weer
verder in den omtrek, en hij toonde zich op de wegen en in de dorpen
even vrijgevig. Dit grootmoedig gedrag maakte dat het geheele volk
hem met zegenwenschen overlaadde en ten laatste niet duurder zwoer
dan bij Aladdin's hoofd. Ja men kan, zonder den sultan, dien hij zelf
zeer regelmatig kwam komplimenteeren, in de schaduw te stellen, wel
zeggen, dat Aladdin zich door zijn welwillendheid en vrijgevigheid
de liefde van het geheele volk verworven had, en in 't algemeen meer
bemind werd, dan de sultan zelf. Aan al deze schoone eigenschappen
paarde hij een dapperheid en een ijver voor het heil van den staat,
die men niet genoeg roemen kan. Daarvan gaf hij bewijs ter gelegenheid
van een oproer aan de grenzen des rijks. Nauwelijks had hij ervaren
dat de sultan een leger uitrustte, om het te dempen, of hij verzocht,
hem het opperbevel te geven, en verkreeg dit ook zonder moeite. Zoodra
hij nu aan de spits van het leger stond, voerde hij dit zoo snel en met
zulk een ijver in 't veld, dat de sultan de nederlaag, bestraffing en
verstrooiing van de oproerlingen nog eerder hoorde dan zijn aankomst
bij het leger. Deze daad, die zijn naam in het geheele rijk beroemd
maakte, bedierf toch zijn hart niet; hij keerde wel is waar gelauwerd
terug, maar bleef toch even mild en minzaam als te voren.
Aladdin had reeds verscheidene jaren op deze manier voortgeleefd,
toen de toovenaar, die hem zonder eraan te denken in staat gesteld
had, zulk een hooge vlucht te nemen, zich zijner herinnerde. Hoewel
hij tot nog toe in het vaste geloof geleefd had, dat Aladdin in het
onderaardsche gewelf te gronde was gegaan, kreeg hij toch plotseling
lust, nauwkeurig te onderzoeken hoe zijn uiteinde geweest was. Als
grootmeester in de punteerkunst, trok hij uit zijn kast een vierkante
gesloten doos te voorschijn, waarvan hij zich op zijn onderzoekingen
in de punteerkunst placht te bedienen. Hij zette haar op een sofa,
legde het vierkant voor zich, nam het deksel eraf, en nadat hij het
zand recht gelegd en geëffend had, om te ervaren of Aladdin in het
onderaardsche hol gestorven was of niet, maakte hij zijn punten, trok
zijn lijnen en zijn horoskoop. Nadat hij nu zijn geboortelot recht in
't oog gevat had, om er zijn gevolgen uit te trekken, ontdekte hij,
dat Aladdin niet alleen niet in het gewelf gestorven was, maar zich
eruit gered had, en in grooten glans en geweldigen rijkdom, en gehuwd
met een prinses, hoog geëerd en geacht leefde.
Nauwelijks had de Afrikaansche toovenaar door middel van zijn
duivelsche kunsten de ontdekking gedaan, dat Aladdin zoo hoog gerezen
was, of het bloed steeg hem in 't gezicht. Vol woede sprak hij bij
zichzelven: "Die ellendige kleermakerszoon heeft aldus het geheim en
de wonderkracht van de lamp ontdekt; ik hield zijn dood voor zeker
en nu geniet hij de vruchten van mijn arbeid en mijn doorwaakte
nachten! Maar eer wil ik zelf ten onder gaan, dan dat ik hem nog
langer zijn geluk laat." Hij had zijn besluit spoedig genomen,
besteeg dadelijk den volgenden morgen een berberhengst, dien hij
op stal had en begaf zich op weg. Zoo kwam hij van stad tot stad,
van land tot land, zonder zich ergens langer op te houden, dan zijn
paard om uit te rusten noodig had, tot hij eindelijk in China kwam
en vervolgens in de hoofdstad van den sultan, wiens dochter Aladdin
gehuwd had. Hier steeg hij in een chan of herberg af, en huurde
zich een kamer. Het overige deel van den dag en den volgenden nacht,
bleef hij in huis om van de vermoeienissen der reis te bekomen.
Den volgenden morgen wenschte de Afrikaansche toovenaar vóór alles te
ervaren, hoe men over Aladdin sprak. Terwijl hij door de stad wandelde,
trad hij een zeer beroemd en door voorname lieden druk bezocht huis
binnen, waar men tezamen kwam om een zekeren warmen drank te genieten,
en dat hij nog van zijn eerste reis kende. Nauwelijks had hij plaats
genomen, of men schonk hem een beker vol van dien drank in, en reikte
hem dien over.
Terwijl hij dronk, luisterde hij rechts en links en hoorde, dat men
van Aladdin's paleis sprak. Toen hij den beker leeggedronken had,
trad hij op een der sprekers toe, en nam het oogenblik te baat om
hem ter zijde te voeren en te vragen, wat dat toch voor een paleis
was, waarover men met zooveel roem sprak. "Vanwaar komt gij, mijn
vriend?" vroeg hem de aangesprokene. "Gij zijt zeker pas sinds kort
hier, als gij het paleis van prins Aladdin nog niet gezien hebt, of
tenminste daarvan nog niet hebt hooren spreken." Men noemde Aladdin
namelijk zoo, sinds hij met prinses Bedroelboedoer gehuwd was. "Ik zeg
niet", ging de man voort, "dat het een der wonderen van de wereld is,
maar ik beweer veel eer, dat het 't eenige wonderwerk op de wereld
is; want zeker heeft men nog nooit iets zoo grootsch, kostbaars en
prachtvols gezien. Gij moet van zeer ver komen, dat gij er nog niets
van gehoord hebt, want naar mijn meening moet men er over de geheele
wereld van spreken, zoodra het gebouwd was. Aanschouw het eenmaal zelf
en zeg dan of ik u niet de waarheid verteld heb."--"Vergeef mij mijn
onwetendheid", sprak de Afrikaansche toovenaar, "ik ben gisteren hier
aangekomen en ben inderdaad zeer ver weg geweest; ik kan wel zeggen
van het uiterste einde van Afrika, zoodat zijn roem nog niet tot mij
was doorgedrongen, toen ik afreisde. Daar ik wegens een dringende
zaak, die mij hierheen voert, geen ander doel voor oogen had dan
zoo gauw mogelijk hier te komen zonder mij onderweg op te houden,
of ergens kennis aan te knoopen, hoorde ik van de zaak niets anders,
dan gij mij zooeven verteldet. Intusschen zal ik niet nalaten, het
zelf te gaan zien; ja, mijn nieuwsgierigheid is zoo groot, dat ik haar
dadelijk wil bevredigen, als gij slechts de goedheid wildet hebben,
mij den weg te wijzen."
De man, tot wien de Afrikaansche toovenaar zich gewend had, wees hem
met alle genoegen den weg naar Aladdin's paleis, en de Afrikaansche
toovenaar stond dadelijk op en ging erheen. Toen hij was aangekomen
en het paleis van alle kanten nauwkeurig bekeken had, twijfelde hij er
niet langer aan, of Aladdin moest zich van de lamp bediend hebben, om
het te laten bouwen. Zonder verder den nadruk te leggen op Aladdin's
machteloosheid als zoon van een eenvoudig kleermaker, wist hij zeer
goed, dat zulke wonderwerken slechts door de geesten van de lamp,
wier bezit hem ontgaan was, tot stand gebracht konden worden. Vol
ergernis over het geluk en de grootheid van Aladdin, die niet veel
van die van den sultan verschilde, keerde hij naar de herberg terug,
waar hij was afgestegen.
Nu moest hij nog weten, waar de lamp was, of Aladdin haar bij zich
droeg of ergens bewaarde, en om dit te ontdekken moest de toovenaar
zijn punteerkunst te hulp roepen. Zoodra hij in zijn kamer gekomen was,
haalde hij zijn vierhoek met het zand weer te voorschijn, die hij op al
zijn reizen met zich mee voerde. Uit dit onderzoek kwam hij te weten,
dat de lamp in Aladdin's paleis was, en was hij buiten zich zelven
van vreugde over zulk een gewichtige ontdekking. "Ik moet haar in
mijn bezit krijgen, die lamp", sprak hij, "en 't zal mij benieuwen,
of hij mij verhinderen kan, haar aan hem te ontrukken en hem weer tot
zijn nederigen staat terug te brengen, waaruit hij omhoog is gestegen."
Het ongeluk wilde, dat Aladdin juist voor acht dagen op de jacht was
en pas drie dagen geleden was vertrokken; de Afrikaansche toovenaar
kwam dit op de volgende wijze te weten.
Zoodra hij door zijn punteerkunst de blijde ontdekking gedaan had,
waar de lamp was, ging hij naar den eigenaar der herberg, onder
voorwendsel een weinig met hem te willen praten en hij had daar een
zeer natuurlijke aanleiding toe, zoodat hij niet lang naar woorden
behoefde te zoeken. Hij vertelde hem dat hij Aladdin's paleis gezien
had, en nadat hij in de uitbundigste bewoordingen alles geprezen had,
wat hem bewonderenswaardig was voorgekomen, en wat bovendien iedereen
ook het merkwaardigste vond, voegde hij erbij: "Mijn nieuwsgierigheid
strekt zich nog verder uit, en ik zal niet tevreden zijn, eer ik den
eigenaar van dit wondervolle gebouw zelf gezien heb."--"Dat zal niet
moeilijk wezen," antwoordde de eigenaar van de herberg, "want zoolang
hij in de stad is, geeft hij daartoe bijna iederen dag gelegenheid;
maar sedert drie dagen is hij op een groote jacht uitgetogen, die
acht dagen duren zal."
Meer wilde de Afrikaansche toovenaar niet weten; hij nam afscheid van
den man en zei tot zichzelf: "Het oogenblik is gunstig, ik mag het
niet laten voorbijgaan." Hierop ging hij den winkel van een koopman
in lampen binnen, en zei tot hem: "Meester, ik wilde twaalf koperen
lampen hebben; kunt ge mij die leveren?" De lampenkoopman antwoordde,
dat hij weliswaar nog eenige tekort kwam, maar als hij tot morgen
geduld wilde hebben, dan kon hij hem een vol dozijn op elk uur,
dat hij maar wilde, leveren. De toovenaar was hiermee tevreden, en
beval hem dat ze heel mooi en blank moesten zijn; nadat hij hem nog
een goede betaling beloofd had, ging hij naar zijn herberg terug.
Den volgenden dag werd het dozijn lampen den Afrikaanschen toovenaar
afgeleverd, die zonder te dingen, den verlangden prijs ervoor
betaalde. Hij legde ze in een mand, waarvan hij zich tot dit doel
voorzien had, ging met de mand aan den arm naar Aladdin's paleis
en begon, toen hij in de nabijheid was, te roepen: "wie wil oude
lampen tegen nieuwe ruilen?" Toen de kleine kinderen die op het plein
speelden, dit hoorden, kwamen zij met luid spottend gelach om hem heen
staan, want zij hielden hem voor een dwaas. Ook de voorbijgangers
lachten om zijn domheid, zooals zij het noemden. "Bij dezen man",
zeiden zij, "moet het in zijn bovenkamer niet pluis zijn, anders zou
hij geen nieuwe lampen voor oude aanbieden." De Afrikaansche toovenaar
liet zich noch door het gelach der kinderen, noch door alles wat
grooteren van hem zeiden, in de war brengen, maar ging voort, zijn
waar aan te bieden en luid te roepen. "Wie wil oude lampen tegen
nieuwe verruilen?" Hij herhaalde dit zoo dikwijls, terwijl hij het
plein voor het paleis op en neder liep, dat prinses Bedroelboedoer,
die juist in de zaal met de vier en twintig vensters was, de stem van
den man hoorde; daar zij echter door het geschreeuw der kinderen,
die hem achtervolgden en wier aantal ieder oogenblik grooter werd,
niet verstond wat hij riep, zond zij een harer slavinnen naar beneden
om te zien wat al dat leven beduidde.
De slavin kwam spoedig weder luid lachende in de zaal. Ze lachte zoo
hartelijk, dat de prinses, toen zij haar aankeek, ook lachen moest.
"Nu, dwaze meid", zei ze eindelijk, "zou je me niet zeggen, waarom
je zoo lacht?"--"Meesteres", antwoordde de slavin, steeds lachende,
"hoe kan men anders, als men een dwaas ziet, die een mand vol mooie,
gloednieuwe lampen aan den arm heeft, en ze niet verkoopen, maar
tegen oude verruilen wil. Het leven, dat gij echter hoort, komt van
de kinderen, die hem bespotten en zoo dicht om hem heen dringen,
dat hij bijna niet voort kan komen."
Op dit bericht nam een andere slavin het woord en zei: "Daar er van
oude lampen gesproken wordt, weet ik niet of de prinses al gemerkt
heeft, dat er hier op dien rand een staat. De eigenaar zal het wel niet
kwalijk nemen, als hij in plaats van de oude een nieuwe vindt. Als de
prinses het goed vindt, dan kan zij de grap hebben te probeeren of de
gek werkelijk zot genoeg is, een nieuwe lamp voor een oude te geven,
zonder iets toe te verlangen."
De lamp waarvan de slavin sprak, was juist de wonderlamp, die Aladdin
aan al zijn grootheid geholpen had, en hij zelf had haar, voor hij
op de jacht ging op de kroonlijst van de zaal gezet, om haar niet
te verliezen: een voorzorgsmaatregel, dien hij telkens nam, als hij
met dit doel uitging. Maar noch de slavinnen, noch de bedienden,
noch zelfs de prinses hadden haar ooit gedurende zijn afwezigheid
opgemerkt. Behalve als hij ter jacht ging, droeg hij haar steeds bij
zich. Men zal zeggen, deze voorzichtigheid van Aladdin was zeer te
prijzen, maar hij had haar nu ook moeten wegsluiten. Dit is nu alles
goed en wel, maar dergelijke nalatigheden zijn te allen tijde gepleegd,
worden nog dagelijks begaan en zullen ook altijd gepleegd worden.
Prinses Bedroelboedoer, die van de groote waarde der lamp niets afwist,
en niet kon denken, dat het voor Aladdin, die er volstrekt nooit over
sprak, van zooveel belang zou zijn, dat men haar onaangeroerd liet,
en goed bewaarde, ging op de grap in en beval een der bedienden,
haar te krijgen en om te ruilen. De bediende gehoorzaamde, ging de
trap af en was nauwelijks de poort van het paleis uit, toen hij den
Afrikaanschen toovenaar bemerkte. Hij riep hem, en toen hij naderbij
kwam, toonde hij hem de oude lamp en zei: "Geef mij eene nieuwe voor
deze lamp hier."
De Afrikaansche toovenaar twijfelde er niet aan, of dit was de lamp,
die hij zocht, want, daar alle huisraad in Aladdin's paleis van goud
en zilver was, kon er niet nog een dergelijke wezen. Hij nam haar den
bediende snel uit de hand, verborg haar onder zijn kleed, en reikte
hem dan zijn mand over, opdat hij naar believen een zou uitzoeken. De
bediende zocht er een uit, verliet den toovenaar en bracht de nieuwe
lamp aan de prinses. Nauwelijks echter was de ruil geschied, of ook
de kinderen op het plein hieven een luid gelach aan en maakten pret
over de domheid van den toovenaar.
De Afrikaansche toovenaar liet ze schreeuwen zooveel ze wilden. Zonder
zich langer in de nabijheid van Aladdin's paleis op te houden, maakte
hij zich geheel ongemerkt en zonder verdere drukte uit de voeten,
d.w.z. hij riep niet meer, dat hij oude lampen tegen nieuwe wilde
omruilen. Hij wilde nu geen andere meer, dan hij al had, en daar hij
zweeg, gingen ook de kinderen uiteen en lieten hem gaan.
Zoodra hij het plein tusschen de beide paleizen verlaten had,
ontsnapte hij door een weinig bezochte straat, en daar hij nu noch
de andere lampen noch de mand meer noodig had, zette hij de mand
met de lampen op straat, waar juist niemand voorbijging. Hierop
sloeg hij een andere straat in en liep haastig voort tot hij een der
stadspoorten bereikte. Nu ging hij door een lange voorstad, waar hij
eenige levensmiddelen inkocht.
Zoodra hij buiten was, week hij van den hoofdweg af naar een afgelegen
plek, waar niemand hem kon bespieden, en hier wachtte hij het gunstige
oogenblik af, om zijn plan geheel te volvoeren. Wat was hem nu nog
aan zijn berberhengst gelegen? dezen liet hij in de herberg achter,
want hij meende zich door den schat, dien hij zooeven verworven had,
rijkelijk schadeloos gesteld.
De Afrikaansche toovenaar bracht de rest van den dag hier door, tot
één uur 's nachts, wanneer de duisternis het grootst is. Toen haalde
hij de lamp uit zijn kleed te voorschijn en wreef haar. Op dit bevel
verscheen de geest dadelijk. "Wat wilt gij?" vroeg hij; "ik ben bereid
u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in
de hand hebben; ik en de andere slaven van de lamp."--"Ik beveel u",
antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "dat gij oogenblikkelijk het
paleis, dat gij of de andere slaven van de lamp in de stad gebouwd
hebt, zoo als het is, met al zijn levende bewoners opneemt en tegelijk
met mij naar dat en dat oord in Afrika verplaatst." Zonder iets te
antwoorden, zette de geest met behulp van de overige dienende geesten
van de lamp in zeer korten tijd, zoowel hem zelf als het geheele
paleis met prinses Bedroelboedoer op de bepaalde plaats in Afrika
neer. Wij zullen nu evenwel den Afrikaanschen toovenaar en de prinses
in Afrika laten, en alleen van de verbazing des sultans spreken.
Toen de sultan was opgestaan, begaf hij zich als gewoonlijk naar den
open uitbouw, om zich het genoegen te verschaffen, Aladdin's paleis te
aanschouwen en te bewonderen. Hij richtte zijn blikken naar de plek,
waar hij gewoon was, het te zien, en aanschouwde niets dan een leege
plaats, juist zooals het vóór den bouw geweest was. Aanvankelijk
meende hij zich te vergissen en wreef de oogen uit; evenwel zag hij
net zoo min iets als de eerste maal, hoewel het weder zeer helder,
de hemel onbewolkt, en het morgenrood reeds aan de kim was, zoodat hij
alles duidelijk waarnemen kon. Hij keek rechts en links door de beide
openingen en zag nog steeds niets. Zijn verbazing was zoo groot, dat
hij langen tijd als vastgenageld op dezelfde plaats bleef staan, zijn
oogen star op het punt gericht waar het paleis tot nu toe gestaan had,
maar het thans niet meer te zien was; want het was hem onmogelijk te
begrijpen, hoe een zoo groot en aanzienlijk paleis als dat van Aladdin,
dat hij sinds den dag, waarop hij toestemming tot den bouw had gegeven,
met eigen oogen en ook gisteren nog gezien had, zoo op eens spoorloos
verdwenen zou zijn. "Ik kan mij niet vergissen", zei hij tot zich zelf,
"het stond daar op die plek. Indien het ingestort was, zouden er toch
nog puinhoopen liggen, en had de aarde het verzwolgen, dan moest men
daar toch een spoor van kunnen zien." Het ging zijn verstand te boven,
te ontraadselen, hoe het toegegaan was, en hoe vast hij ervan overtuigd
was, dat het paleis er niet meer stond, wachtte hij toch nog eenigen
tijd om zich te overtuigen, dat hij zich niet vergiste. Eindelijk ging
hij heen en, nadat hij nog eenmaal had omgekeken, begaf hij zich naar
zijn vertrekken. Toen liet hij den grootvizier roepen en ging zitten,
terwijl zijn geest door de meest uiteenloopende gedachten bestormd
werd, zoodat hij niet wist wat te doen.
De grootvizier liet zich niet lang wachten. Hij kwam met zulk een
haast, dat hij noch zijn gevolg in het voorbijgaan merkten, dat
Aladdin's paleis niet op zijn plaats stond. Zelfs de deurwachters
hadden het niet bemerkt, toen zij de poorten van het paleis
openden. De grootvizier sprak den sultan aldus aan: "Heer, de haast
waarmede men mij heeft laten roepen, doet mij besluiten, dat er
iets buitengewoons moet zijn voorgevallen; want gij weet wel, dat
er heden raadszitting is, en dat ik overeenkomstig mijn plicht mij
toch binnen weinige oogenblikken hier zou hebben bevonden."--"Ja",
antwoordde de sultan, "er is werkelijk iets buitengewoons gebeurd,
dat zult gij zelf moeten erkennen. Spreek, waar is Aladdin's
paleis?"--"Aladdin's paleis?" hernam de grootvizier zeer verbaasd,
"ik ging er zooeven nog voorbij, en mij docht, het stond nog op zijn
oude plaats. Zulke reusachtige gebouwen als het zijne, veranderen niet
licht van plaats."--"Kijk eens naar buiten", antwoordde de sultan,
"en zeg mij dan, of gij het gezien hebt."
De grootvizier begaf zich in den open uitbouw, en het ging hem als
den sultan. Toen hij zich volmaakt overtuigd had, dat Aladdin's
paleis er niet meer stond, en ook niet het minste spoor ervan te
ontdekken was, trad hij weder voor den sultan. "Nu, hebt gij Aladdin's
paleis gezien?" vroeg deze.--"Heer", antwoordde de grootvizier, "gij
herinnert u wellicht, dat ik de eer had u te zeggen, dat het paleis,
welks onmetelijke rijkdommen zoozeer uw bewondering wegdroegen,
slechts een werk van tooverij kon zijn; maar gij wildet er toen geen
acht op slaan."
De sultan, die dit niet kon loochenen, geraakte in des te meer toorn,
als zijn vroegere ongeloovigheid gebleken was. "Waar is hij", riep hij,
"die bedrieger, die schurk? Ik laat hem het hoofd afslaan."--"Heer",
antwoordde de grootvizier, "hij heeft voor eenige dagen afscheid van
u genomen. Men moet hem laten vragen, waar zijn paleis gebleven is,
want hij alleen kan het weten."--"Dat zou veel te mild voor hem zijn",
antwoordde de sultan: "Ga en zendt dertig van mijn ruiters af, dat
zij hem in ketenen voor mij voeren." De grootvizier bracht den ruiters
het bevel van den sultan over, en onderrichtte hun aanvoerder hoe hij
zich te gedragen had, opdat Aladdin hun niet mocht ontsnappen. Zij
vertrokken en troffen hem vijf of zes uur van de stad, op weg naar
huis. De aanvoerder reed op hem toe, en zei dat de sultan groot
verlangen had, hem weder te zien, en daarom had hij hen gezonden om
hem dit te melden en naar huis te begeleiden.
Aladdin had niet het geringste vermoeden van de ware oorzaak, waarom
deze afdeeling van des sultans lijfwacht hem tegemoet was gekomen, en
reed getroost verder. Toen hij echter nog een half uur van de stad af
was, omringde de ruiterschaar hem, en de aanvoerder nam het woord en
zei: "Prins Aladdin, tot onzen grooten spijt hebben wij van den sultan
het bevel gekregen, u gevangen te nemen en als staatsmisdadiger voor
hem te brengen; wij verzoeken u, het niet kwalijk te nemen, en als
wij onzen plicht vervullen, het ons te willen vergeven."
Aladdin was uiterst verrast door deze verklaring, want hij voelde
zich onschuldig. Hij vroeg den aanvoerder of deze ook wist van welke
misdaad hij beticht werd; maar deze antwoordde, dat noch hij, noch
een zijner ruiters er iets van wisten.
Daar Aladdin zag, dat zijn troepje veel zwakker was, dan de
ruiterschaar, en hem zelfs verliet, steeg hij van zijn paard en zei:
"Hier ben ik, voldoe aan het bevel. Overigens kan ik u verzekeren dat
ik mij geen schuld bewust ben, noch jegens de persoon des sultans,
noch tegenover den staat." Men wierp hem dadelijk een dikken en
langen ketting om den hals en bond dezen ook midden om zijn lichaam,
zoodat hij de armen niet vrij had. De aanvoerder stelde zich nu weer
aan het hoofd van den troep; een der ruiters echter vatte het eene
uiteinde van den ketting, en voerde zoo, achter den aanvoerder,
Aladdin mee voort, die te voet volgen moest. In dezen toestand,
werd hij de stad binnengeleid.
Toen de ruiters in de voorstad kwamen, en men Aladdin als
staatsmisdadiger zag meevoeren, dacht ieder dat het hem het hoofd zou
kosten. Daar hij echter algemeen bemind was, grepen eenigen sabels en
andere wapenen, en zij, die er geen hadden, wapenden zich met steenen,
en volgden de ruiters. Eenigen der achtersten zwenkten om en maakten
aanstalten, de menigte uiteen te drijven; de volksmassa werd evenwel
zoo groot, dat de ruiters het geraden vonden, geen ergernis te laten
blijken, en zich gelukkig achtten, als zij slechts het paleis van
den sultan mochten bereiken, zonder dat Aladdin hun ontrukt werd. Om
dit tot stand te brengen, namen zij de geheele breedte der straat in
beslag, terwijl zij nu eens wijder uit elkaar gingen, dan weer zich
nauwer aaneen sloten, al naar de straat breeder of nauwer was. Zoo
kwamen zij eindelijk op het plein voor het paleis, waar zij zich op
een rij plaatsten en tegen de gewapende volksmenigte front maakten,
tot hun bevelhebber en de ruiter, die Aladdin leidde, het paleis waren
binnengereden, en de wachters de poort achter hen gesloten hadden,
om het volk terug te houden.
Aladdin werd dadelijk voor den sultan gebracht, die hem met den
grootvizier op zijn balkon afwachtte. Zoodra hij hem zag, beval hij een
beul, die ook hier ontboden was, hem het hoofd af te houwen, zonder dat
hij hem wilde aanhooren, of eenige opheldering van hem hebben wilde.
De beul maakte zich van Aladdin meester, nam hem den ketting, dien
hij om den hals droeg af, spreidde terstond een leeren huid, die met
het bloed van tallooze misdadigers bevlekt was, op den grond, liet
hem nederknielen en blinddoekte hem. Hierop trok hij zijn zwaard,
beschreef er een wijden kring mee, liet het driemaal door de lucht
flikkeren, en maakte zich gereed den doodelijken slag toe te brengen,
terwijl hij nog slechts op een teeken van den sultan wachtte om
Aladdin het hoofd af te slaan.
Op dit oogenblik bemerkte de grootvizier, dat het volk de ruiters
overweldigd had, en het slotplein binnengedrongen was, ja zelfs dat
eenigen de muren van het paleis met ladders hadden beklommen en reeds
een aanvang maakten de muren af te breken, ten einde een opening
te maken. Daarom zei hij tot den sultan, eer hij het teeken gaf:
"Heer, ik bid u den stap, dien gij thans doen wilt, eerst rijpelijk
te willen overleggen. Gij loopt gevaar, uw paleis bestormd te
zien, en als dit ongeluk gebeurt, dan kan het noodlottige gevolgen
hebben."--"Mijn paleis bestormd!" hernam de sultan, "wie durft zoo
iets onderstaan?"--"Heer", antwoordde de grootvizier, "werp slechts
een blik op de muren van het paleis en op het voorplein, dan kunt
gij u van de waarheid mijner woorden overtuigen."
Toen de sultan de heftige beweging onder zijn volk zag, schrok hij
zoo, dat hij den beul oogenblikkelijk bevel gaf, zijn zwaard weder in
de scheede te steken, Aladdin's blinddoek af te nemen en hem vrij te
laten. Tegelijkertijd beval hij zijnen herauten, rond te bazuinen, dat
hij Aladdin genade schonk, en ieder zich nu spoedig moest verwijderen.
Toen zij, die reeds op de muren geklauterd waren, zagen, wat er
gebeurde, gaven zij hun voornemen op. Zij daalden snel af, ten
hoogste verblijd, dat zij een man, dien zij waarlijk lief hadden,
het leven hadden gered, en deelden den omstanders de tijding mede. Ze
verbreidde zich van mond tot mond onder de gansche menigte, die zich op
het plein voor het paleis verzameld had, en de omroepers bevestigden
het van boven af. Toen nu het volk zag, dat de sultan Aladdin recht
liet wedervaren en hem genade schonk, ontwapende zich zijn toorn,
het oproer bedaarde en allen gingen één voor één naar huis.
Zoodra Aladdin zich weder in vrijheid zag, keek hij omhoog naar het
balkon, en toen hij den sultan zag, riep hij hem op roerenden toon toe:
"Heer, ik smeek, bij de reeds geschonken genade nog eene te willen
voegen, en mij te laten weten, wat mijn misdaad is."--"Wat die is,
schurk!" hernam de sultan; "weet gij het nog niet? Kom hierheen,
dan zal ik ze je toonen."
Aladdin begaf zich op het balkon bij den sultan. "Volg mij", sprak
deze tot hem en ging hem voor, zonder hem aan te zien. Hij voerde hem
naar den open uitbouw, en toen hij bij de deur was, zei hij tot hem:
"Ga, en kijk; gij moet toch weten waar uw paleis stond; zie naar alle
zijden en zeg mij wat ervan geworden is."
Aladdin keek rond, en zag niets. Hij aanschouwde wel de geheele
plek, waarop vroeger zijn paleis gestaan had, maar daar hij niet kon
begrijpen, hoe het had kunnen verdwijnen, deed hem deze zeldzame en
verrassende gebeurtenis zoo verbaasd en verslagen staan, dat hij den
sultan met geen enkel woord kon antwoorden.
De sultan herhaalde vol ongeduld de vraag: "Zeg mij toch, waar het
paleis en mijn dochter zijn?" Eindelijk verbrak Aladdin het stilzwijgen
en zeide: "Heer, ik zie wel en moet ook erkennen, dat het paleis
dat ik liet bouwen niet meer op zijn plaats staat; ik zie, dat het
verdwenen is, maar kan u toch niet zeggen, waar het zijn kan. Slechts
dit kan ik u verzekeren, dat ik part noch deel aan de zaak heb."
"Er is mij niets aan het verdwijnen van uw paleis gelegen", antwoordde
de sultan. "Mijn dochter is mij duizendmaal liever. Gij moet haar mij
teruggeven, anders laat ik u zonder verdere overwegingen het hoofd
afslaan."--"Heer", antwoordde Aladdin, "ik bid u, geef mij veertig
dagen tijd, om mijne maatregelen te nemen en gelukt het mij in dien
tijd niet, dan geef ik u mijn woord, dat ikzelf mijn hoofd aan den
voet van uw troon zal komen neerleggen, opdat gij er naar welgevallen
mee moogt handelen."--"Ik geef u die veertig dagen", antwoordde de
sultan; "maar denk niet dat gij misbruik kunt maken van mijn genade,
en aan mijn toorn ontkomen kunt. In welken schuilhoek ter wereld gij
u ook verstoppen moogt, ik zal u wel weten te vinden."
Aladdin ging geheel gedeemoedigd en in een waarlijk beklagenswaardigen
toestand uit het gezicht des sultans. Met gebogen hoofd liep hij over
de pleinen van het paleis, en was zoo beschaamd, dat hij het niet
waagde, de oogen op te slaan. De voornaamste hofdienaren, waarvan
hij geen enkelen beleedigd had en die vroeger zijn vrienden waren
geweest, waren er nu ver van af, naar hem toe te gaan of hem een
onderdak aan te bieden; neen, zij keerden hem den rug toe, opdat zij
hem niet zouden behoeven te zien of te herkennen. Maar wanneer zij
zelfs naar hem toe gegaan waren, om hem troost in te spreken, of hem
hun diensten aan te bieden, zoo zouden zij Aladdin nauwelijks herkend
hebben; hij kende nauwelijks zichzelven meer, en was op het punt zijn
verstand te verliezen. Dit bleek ook wel, zoodra hij buiten het plein
gekomen was; want zonder te bedenken wat hij deed, vroeg hij aan alle
deuren en aan alle menschen die hij tegenkwam, of ze zijn paleis niet
gezien hadden en hem er geen bericht over geven konden.
Zulke vragen brachten ieder in de meening, dat hij zijn verstand
verloren had. Eenigen lachten erom, maar de verstandigsten, en in
't bijzonder zij die in vriendschappelijke betrekking tot hem hadden
gestaan werden door een oprecht medelijden bevangen. Hij bleef drie
dagen in de stad, waar hij zich nu eens hier, dan weer daarheen
wendde, en niets at dan wat medelijdende menschen hem toereikten,
maar overigens kwam hij tot geen besluit.
Eindelijk, daar hij in dezen ellendigen toestand niet langer in de
stad wilde blijven, waar hij vroeger den voornamen heer gespeeld had,
verwijderde hij zich van daar en sloeg den weg naar het vrije veld
in. Hij vermeed de groote verkeerswegen, en nadat hij in schrikkelijke
onrust over verscheidene velden gedwaald had, kwam hij bij het
aanbreken van den nacht aan den oever eener rivier. Hier werd hij
door vertwijfeling overmand. "Waar zal ik nu mijn paleis zoeken?" zei
hij tot zich zelven. "In welke provincie, welk land, welk werelddeel
zal ik mijn veelgeliefde prinses weerom vinden, zooals de sultan
van mij eischt? Dit zal mij nooit gelukken; daarom is het beter,
ik onttrek mij in eens aan deze pogingen, die toch tot niets leiden,
en aan de bittere smart die aan mijn hart knaagt." Reeds had hij het
besluit genomen, zich in de rivier te storten, maar dacht toch als
goed en vroom Muzelman dit niet eer te kunnen doen, dan na zijn gebed
verricht te hebben. Toen hij zich daartoe gereed maakte, trad hij
aan den rand van het water, teneinde zich naar landsgebruik handen
en aangezicht te wasschen. Daar de grond daar evenwel een weinig
afgebrokkeld en nat was, gleed hij uit en zou in het water gevallen
zijn, als hij zich niet nog aan een klein rotsblok had vastgehouden,
dat daar ongeveer twee duim omhoog stak. Gelukkig had hij nog den
ring, dien de Afrikaansche toovenaar hem aan den vinger gestoken
had, eer hij in het onderaardsche gewelf afdaalde, om de kostbare
lamp te halen, die hem nu weder ontrukt was geworden. Dezen ring
schuurde tamelijk hard langs de rots toen hij zich daaraan vasthield,
en oogenblikkelijk stond dezelfde geest voor hem, die hem in het
onderaardsche gewelf verschenen was, waar de Afrikaansche toovenaar
hem had ingesloten. "Wat wilt gij?" vroeg de geest; "ik ben bereid u
te gehoorzamen als uw slaaf, en als de slaaf van allen, die den ring
aan den vinger hebben, ik zoowel als de andere slaven van den ring."
Aladdin, die in zijn wanhopigen toestand door deze verschijning
aangenaam verrast was, antwoordde: "Geest, red mij ten tweeden male
het leven en wijs mij waar het paleis staat, dat ik liet bouwen,
of zorg dat het oogenblikkelijk weer op zijn oude plaats worde
teruggebracht."--"Wat gij hier verlangt", antwoordde de geest, "staat
niet in mijne macht, ik ben slechts de slaaf van den ring; wend u
daarvoor tot den slaaf van de lamp."--"Als dat zoo is," zei Aladdin,
"dan beveel ik u uit naam van den ring, verplaats mij dadelijk naar
het oord, waar mijn paleis is, waar het ook zijn moge, en breng mij
onder de vensters van prinses Bedroelboedoer." Nauwelijks had hij deze
woorden gesproken, of de geest nam hem op en droeg hem naar Afrika naar
een groote weide, waarop het paleis, niet ver van een groote stad,
stond; hij zette hem dicht onder de vensters der prinses en liet
hem toen alleen. Dit alles was het werk van een oogenblik. Trots de
duisternis herkende Aladdin zeer goed zijn paleis en de kamers van
prinses Bedroelboedoer. Daar het intusschen al diep in den nacht
en alles in het paleis in rust was, ging hij een weinig ter zijde
en zette zich onder een boom. Hier gaf hij zich aan nieuwe hoopvolle
verwachtingen over, en terwijl hij zich in beschouwingen verdiepte over
zijn geluk, dat hij aan een bloot toeval dankte, werd zijn gemoed veel
rustiger gestemd dan het ooit geweest was sedert den dag, waarop hij
gevangen genomen, voor den sultan gebracht en uit dreigend doodsgevaar
verlost geworden was. Hij ging eenigen tijd in deze aangename gedachten
op, maar daar hij sedert vijf of zes dagen geen oog meer geloken had,
overmande hem ten laatste de slaap en sluimerde hij aan den voet van
den berg in.
Toen den volgenden dag het morgenrood aanbrak, werd Aladdin zeer
aangenaam gewekt door het gezang der vogels, die deels op den boom,
waaronder hij lag, deels ook op de dichtbebladerde boomen in den tuin
van zijn paleis den nacht hadden doorgebracht. Hij sloeg dadelijk een
blik op dit bewonderenswaardige gebouw en voelde een onuitsprekelijke
vreugde, dat hij nu weer de hoop kon voeden, er heer en meester van
te worden en opnieuw zijn dierbare prinses Bedroelboedoer te bezitten.
Hij stond op en naderde de kamer der prinses; daarna ging hij onder
haar vensters een poosje op en neer wandelen en wachtte tot zij zou
ontwaken en zich zou vertoonen. Ondertusschen dacht hij erover na,
waar wel de oorzaak van zijn ongeluk mocht schuilen, en nadat hij er
lang over gepeinsd had, twijfelde hij er niet meer aan of zijn heele
ongeluk kwam daarvan, dat hij zijn lamp uit het oog had verloren. Hij
deed zich zelf verwijten over zijn nalatigheid en dat hij geen zorg
gedragen had haar geen oogenblik uit zijn handen te laten gaan. Wat
hem nog meer in verlegenheid bracht, was, dat hij volstrekt niet kon
bedenken wie naijverig op zijn geluk zou geweest zijn. Dit zou hem wel
duidelijk zijn geworden, als hij geweten had, dat hij en zijn paleis
zich in Afrika bevonden; maar de slaaf van den ring had hem dat niet
gezegd, en hij had er ook niet naar gevraagd. Anders had reeds de
naam Afrika alleen hem dadelijk aan den Afrikaanschen toovenaar,
zijn vijand, herinnerd.
Prinses Bedroelboedoer stond ditmaal vroeger op dan zij gewoon was,
sedert haar ontvoering en verplaatsing naar Afrika, door de listen
van den Afrikaanschen toovenaar, wiens aanblik zij tot nog toe eens
per dag had moeten dulden, daar hij de heer van het paleis was;
zij had hem echter telkens zoo stug behandeld, dat hij het nog niet
gewaagd had, zijn woning erin op te slaan. Toen zij aangekleed was,
zag een harer vrouwen toevallig door het tralievenster, bemerkte
Aladdin en meldde het dadelijk aan hare meesteres. De prinses, die
deze tijding niet gelooven kon, liep snel naar het venster, bespeurde
Aladdin eveneens en opende het traliewerk. Door het gedruisch, dat
daardoor ontstond, hief Aladdin het hoofd omhoog, herkende haar en
begroette haar met een gebaar waarin zijn uitbundige vreugde zich
afspiegelde. "Om geen tijd te verliezen", zei de prinses tot hem,
"heb ik voor u de geheime deur laten openmaken, ga daardoor en kom
hier." Na deze woorden sloot zij het venster weder.
De geheime deur bevond zich onder de kamers der prinses. Aladdin
vond haar open en snelde de trap op. Het is onmogelijk de vreugde
te beschrijven welke de beide echtgenooten ondervonden, toen zij
elkander, na een scheiding, die zij voor eeuwig gehouden hadden,
eindelijk terugzagen. Zij omhelsden elkander verscheidene malen en
gaven elkander alle bewijzen van liefde en teederheid, die men na
een zoo treurige en onverwachte scheiding als de hunne maar bedenken
kan. Na deze omarming, die met vreugdetranen gepaard ging, zetten zij
zich neder, en Aladdin sprak: "Prinses, vóor wij over iets anders
spreken, bezweer ik u in naam van God, zoowel ter wille van uzelf,
als om uw vereerden vader, den sultan, en in 't bijzonder om mijns
zelfs wil, zeg mij, wat is er van mijn oude lamp geworden, die ik,
voor ik op jacht ging, in de zaal met de vier en twintig vensters op
de kroonlijst gezet heb."
"Ach, dierbare gemaal", antwoordde de prinses, "ik heb wel al gedacht,
dat ons wederzijdsch ongeluk met die lamp in verband stond, en wat mij
ontroostbaar maakt is, dat ik er zelve de schuld van ben."--"Prinses,"
hernam Aladdin, "geef uzelve de schuld niet, zij is geheel aan mijn
kant, want ik had de lamp zorgvuldiger moeten bewaren. Laat ons er
nu echter alleen aan denken, de schade weer te herstellen en doe mij
daarom het genoegen en vertel mij uitvoerig hoe zich de zaak heeft
toegedragen en in welke handen de lamp gevallen is."
Prinses Bedroelboedoer vertelde daarop aan Aladdin alles; onder welke
omstandigheden zij de oude lamp tegen de nieuwe, die zij hierop aan
hem liet zien, verruild had, en hoe zij den daaropvolgenden nacht de
verplaatsing van het paleis bemerkt en zich in een geheel vreemd land
bevonden had, 't zelfde waar zij nu waren en dat Afrika heette. Dit
laatste had zij uit den mond van den schurk zelf gehoord, die haar
door zijn tooverkunst hierheen verplaatst had.
"Prinses", onderbrak Aladdin haar, "ge hebt mij den schurk duidelijk
genoeg aangeduid, met te zeggen dat wij in Afrika zijn. Hij is de
afschuwelijkste van alle menschen; het is er nu de tijd noch de
gelegenheid voor u zijn slechtheden omstandig te verhalen, en ik
verzoek u alleen mij te zeggen, wat hij met de lamp uitgevoerd en waar
hij haar verborgen heeft."--"Hij draagt haar zoo goed mogelijk in zijn
boezem verstopt", hernam de prinses, "dat kan ik vast zeggen, daar hij
haar in mijn tegenwoordigheid te voorschijn gehaald en onthuld heeft,
om zich er tegen mij op te verhoovaardigen."
"Geliefde mijns harten", zei Aladdin hierop, "vergeef mij, als ik
u door veel vragen vermoei: het is voor u en mij van het hoogste
gewicht. Maar om nu te komen op wat mij bijzonder na aan 't hart ligt,
bezweer ik u mij te zeggen, hoe deze slechte en trouwelooze man u
behandeld heeft."--"Sinds ik hier ben", antwoordde de prinses, "heeft
hij zich maar eens per dag aan mij vertoond, en ik ben overtuigd, dat
het slechte gevolg dat hij van zijn bezoeken gehad heeft, hem er van
zal terughouden mij nog vaker lastig te vallen. Al zijn toespraken,
die hij tot mij richt, hebben ten doel mij er toe te brengen, mijn
woord aan u te breken en hem tot mijn gemaal te nemen. Daarbij geeft
hij mij te verstaan, dat ik nimmer meer behoef te hopen u weder te
zien, want gij waart niet meer in leven en de sultan, mijn vader, had
u het hoofd af laten houwen. Tot zijn rechtvaardiging voegt hij erbij,
dat gij een ondankbaar schepsel zijt, die al zijn geluk aan hem te
danken hebt, en zoo nog allerlei dingen meer, waarop ik niet eens acht
sloeg. Daar hij nu van mij geen verder antwoord krijgt dan klachten,
zuchten en tranen, moet hij zich telkens even onbevredigd verwijderen
als hij gekomen is. Ondertusschen twijfel ik er niet aan, of hij heeft
het plan, mijn levendigste smart eerst voorbij te laten gaan, in de
hoop dat ik tot andere gedachten mag komen, en eindelijk zal hij geweld
gebruiken als ik in mijn verzet volhard. Maar uwe tegenwoordigheid,
mijn dierbare gemaal, heeft al mijn zorgen reeds verdreven."
"Prinses", onderbrak haar Aladdin, "ik koester het vertrouwen, dat gij
niets meer te vreezen hebt, en geloof een middel te hebben gevonden,
om ons beiden van den gemeenschappelijken vijand te bevrijden. Hiertoe
moet ik evenwel noodzakelijk de stad ingaan. Ik zal tegen den middag
terugkomen, en u dan mijn plan meedeelen, en wat ge zelf te doen hebt,
om tot het welslagen ervan bij te dragen. Maar dit zeg ik u vooruit,
verwonder u niet als ge mij in een andere kleeding ziet terugkomen,
en geef 't bevel dat men mij, als ik aan de geheime deur klop, niet
lang laat wachten." De prinses beloofde dat men hem aan de deur zou
opwachten en snel openen.
Toen Aladdin nu uit de kamer van de prinses en weer buiten het paleis
gekomen was, keek hij naar alle kanten rond en bemerkte een landman,
die naar 't veld ging.
Daar de boer tamelijk ver van het paleis af was, liep Aladdin snel
om hem in te halen, en deed hem het voorstel met hem van kleeren te
verwisselen, waarop de boer eindelijk ook inging. De ruil geschiedde
achter eenige struiken, en toen zij van elkander scheidden, sloeg
Aladdin den weg naar de stad in. Zoodra hij daar was, sloeg hij
de straat in die van de poort afliep, en ging van daar een van de
drukste straten in, tot hij aan een plein kwam, waar kooplieden
en handwerkslieden van allerlei soort hun afzonderlijk straatje
hadden. Hij trad nu het straatje van de drogistenhandelaars binnen,
ging in den grootsten en best-voorzienen winkel en vroeg den koopman,
of deze niet een zeker poeder had, dat hij hem opnoemde. De koopman,
die uit Aladdin's kleeren opmaakte, dat hij arm was en geen geld genoeg
had om hem te betalen, antwoordde dat hij het wel had, maar dat het
heel duur was. Aladdin ried zijn gedachten, haalde zijn buidel uit
den zak, liet eenige goudstukken klinken en verlangde toen een halve
drachma van dat poeder. De koopman woog het af, pakte het in en gaf het
aan Aladdin en eischte een goudstuk daarvoor. Aladdin overhandigde het
hem, en zonder zich in de stad langer op te houden, dan noodig was om
eenig voedsel tot zich te nemen keerde hij in zijn paleis terug. Hij
behoefde aan de geheime deur niet lang te wachten, zij werd dadelijk
voor hem geopend, en zoo ging hij naar boven in de kamer van prinses
Bedroelboedoer. "Liefste", zoo sprak hij haar aan, "hoewel gij zulk
een afkeer van uw ontvoerder hebt, zal het u toch zwaar vallen den
raad te volgen, dien ik u geef. Bedenk echter, dat gij u noodwendig
eenig geweld moet aandoen, als gij u van zijn aanzoeken bevrijden,
en den sultan uwen vader en mijnen gebieder de vreugde wilt bereiden
u ooit weder te zien. "Volg alzoo mijn raad", voer Aladdin voort,
"tooi u dadelijk met uw schoonste kleederen, en als de Afrikaansche
toovenaar komt, ontvang hem dan zoo vriendelijk mogelijk. Gij moet
echter niet laten merken dat gij u geweld aandoet, maar gij moet hem
een vriendelijk gezicht toonen, zoodat hij moet besluiten, dat, zoo er
nog eenige droefenis bij u is achtergebleven, deze ook mettertijd wel
verdwijnen zal. Geef hem dan in uw gesprekken te kennen, dat ge alle
moeite doet mij te vergeten; en om hem volkomen van uw oprechtheid te
overtuigen, noodigt gij hem aan den avondmaaltijd, en geeft den wensch
te kennen, den besten wijn van zijn land eens te probeeren. Hij zal
dan dadelijk wegloopen, om u dien te halen. Terwijl gij nu op zijn
terugkomst wacht, en gij den schenktafel in gereedheid laat brengen,
stort gij in een der bekers die aan den uwen gelijk is, dit poeder,
zet hem dan terzijde en beveel degene van uw vrouwen, die met het
schenken belast is, u dezen beker op een afgesproken teeken vol wijn
te brengen, en er wel acht op te geven, dat zij zich niet vergist. Als
dan de toovenaar terugkomt, en, gij beiden aan tafel zit, en naar
hartelust gegeten en gedronken hebt, laat gij u den beker met het
poeder brengen en verwisselt gij uwen beker met den zijnen. Hij zal
dit als zulk een hooge eer beschouwen, dat hij het niet zal weigeren
en den beker tot op den bodem zal ledigen; nauwelijks echter zal hij
hem uitgedronken hebben, of gij zult hem achterover zien zinken. Mocht
gij het al te afschuwelijk vinden, uit zijn beker te drinken, houd
u dan maar zoo of gij drinkt, en gij hebt er niets bij te vreezen;
want het poeder zal zulk een snelle uitwerking hebben, dat hij geen
tijd zal hebben om op te merken of gij drinkt of niet."
Daarop antwoordde de prinses: "Ik beken dat het mij een groote
overwinning op mijzelf zal kosten, den toovenaar op deze wijze tegemoet
te komen, waarvan ik toch de noodzakelijkheid inzie. Waartoe is men
niet in staat tegenover zulk een gruwzamen vijand. Ik zal dus doen
wat gij mij aanraadt, daar zoowel mijn als uw veiligheid daarvan
afhangt." Na deze afspraak nam Aladdin afscheid van de prinses en
bracht het overige deel van den dag in den omtrek van het paleis door
met het plan zich met het aanbreken van den nacht weer aan de geheime
deur te bevinden. Prinses Bedroelboedoer, ontroostbaar dat zij niet
alleen van haar geliefden gade, dien zij van den beginne af meer uit
ware liefde dan uit gehoorzaamheid aan haren vader gehuwd had, maar
ook van den sultan, haar vader, wiens teedere liefde zij met dezelfde
teederheid beantwoordde, gescheiden was, had sinds het oogenblik der
smartelijke scheiding haar uiterlijk zeer verwaarloosd. Ja, zij had
zelfs de reinheid uit het oog verloren, die toch haar geslacht zoo
bijzonder goed staat, in 't bijzonder sinds de Afrikaansche toovenaar
haar voor de eerste maal bezocht had, en zij van haar vrouwen, die
hem herkenden, gehoord had, dat het dezelfde was die de oude lamp
tegen eene nieuwe verruild had; want door dit afschuwelijk bedrog was
hij haar tot een gruwel geworden. Nu echter, daar zich de gelegenheid
voordeed, de verdiende wraak op hem te nemen, en zelfs vroeger dan zij
had durven hopen, besloot zij Aladdin's wensch te volvoeren. Zoodra
hij zich daarom verwijderd had, zette zij zich voor haar kaptafel,
liet zich door haar vrouwen zoo prachtig mogelijk kleeden en koos het
rijkste en bij haar voornemen 't best passende staatsiegewaad uit. Haar
gordel was van louter goud, en met de grootste en kostbaarste diamanten
bezet; om den hals droeg zij een snoer van slechts dertien paarlen,
waarvan echter de zes paarlen aan den kant tot de middelste, die
de grootste en kostbaarste was, in zulke verhouding stonden, dat de
grootste sultanen en koninginnen zich gelukkig zouden gerekend hebben,
indien zij slechts een volledig snoer van de grootte der beide kleinste
paarlen in het halssnoer der prinses bezeten hadden. De armbanden,
die met robijnen en diamanten bezet waren, kwamen treffend overeen
met den rijkdom van den gordel en van het halssnoer.
Toen prinses Bedroelboedoer geheel gekleed was, haalde zij haar spiegel
te voorschijn, vroeg haren vrouwen hoe zij er uitzag en daar zij zich
overtuigd had, dat haar geen der bekoorlijkheden ontbrak, die den
dwazen hartstocht van den Afrikaanschen toovenaar konden prikkelen,
ging zij op de sofa zitten en wachtte zijn komst.
De toovenaar verzuimde niet, op het gewone uur te komen. Zoodra
de prinses hem de zaal met de vier en twintig vensters, waar zij
hem verwachtte, zag binnentreden, stond zij op in al den glans harer
bekoorlijkheid, wees hem met de hand de eereplaats die hij zou innemen,
en zette zich dan tegelijk met hem: een zeer bijzondere hoffelijkheid,
die zij hem tot dusver nog niet bewezen had.
Den Afrikaanschen toovenaar verblindde meer de glans uit de schoone
oogen der prinses, dan de stralende edelgesteenten, waarmee zij zich
getooid had, zoodat hij geheel verrast was. Haar koninklijke houding
en de vriendelijke minzaamheid waarmee zij hem ontving, terwijl zij
hem tot nog toe zoo stug had teruggewezen, maakten zulk een indruk op
hem dat hij nauwelijks bij zijn zinnen bleef. Hij wilde aanvankelijk
op het uiterste randje van de sofa plaats nemen; maar toen hij zag dat
de prinsese niet eer ging zitten voor hij had plaats genomen waar zij
wenschte, gehoorzaamde hij. Toen de Afrikaansche toovenaar zich gezet
had, nam de prinses, om hem uit de verlegenheid te helpen, het woord,
en terwijl zij hem aankeek op een manier die hem moest doen besluiten
dat hij haar niet meer zoo hatelijk was als tot nog toe, sprak zij tot
hem: "Gij zult u zonder twijfel verwonderen, dat gij mij thans geheel
anders aantreft, dan vroeger, maar ge zult het u verklaren kunnen,
als ik u zeg dat mijn gansche gemoedsgesteldheid zoodanig is, dat zij
een afkeer heeft van alle treurigheid, zwaarmoedigheid, bedroefdheid
en zorgen; en dat ik die altijd zoo spoedig mogelijk van mij afschud,
zoodra ik er geen gegronde oorzaak meer voor zie. Ik heb alles wat
gij mij van Aladdin's lot verteld hebt, wel overlegd, en daar ik het
karakter van mijn vader zeer goed ken, ben ik er met u van overtuigd,
dat hij aan de verschrikkelijke gevolgen van zijn toorn niet ontkomen
is. Als ik er nu op wilde staan, mijn heele verdere leven om hem te
weenen, zie ik toch wel in dat mijn tranen hem niet in het leven terug
zouden roepen. Daarom geloof ik, dat ik, na hem alle liefde, ook in
het graf, bewezen te hebben, nu ook alle middelen moet te baat nemen
om mij te troosten. Dit zijn de gronden voor de verandering, die gij
bij mij bespeurt. Om nu dadelijk elke aanleiding tot treurigheid te
verwijderen, die ik besloten ben ook voorgoed te verbannen, heb ik een
avondmaaltijd laten bereiden, waarbij ik hoop dat gij zoo vriendelijk
zult zijn mij gezelschap te houden. Daar ik echter slechts Chineeschen
wijn heb en mij toch in Afrika bevind, heeft mij de lust bekropen,
den hier te lande groeienden te proeven, en ik twijfel niet, of gij
zult den besten weten uit te kiezen, als hier goede mocht zijn."
De Afrikaansche toovenaar, die het geluk, zoo snel en zoo gemakkelijk
prinses Bedroelboedoer's gunst te winnen, voor onmogelijk gehouden had,
zei dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijn dank genoegzaam
uit te drukken, en om dit gesprek, waarbij hij nog immer zeer in
verlegenheid was, spoedig te besluiten, bracht hij het snel op den
Afrikaanschen wijn, waarover zij gesproken had, en zeide onder alle
voorrechten waarop zich Afrika kon beroemen, stond een voortreffelijke
wijn bovenaan, en de allerbeste groeide in dat deel van het land, waar
zij zich thans bevonden; hij had een vat, dat al zeven jaar gevuld
en nog niet aangestoken was, en hij dacht niet te veel te zeggen,
als hij beweerde, dat de qualiteit van dezen wijn die van elken
anderen op de heele aarde overtrof. "Als mijn prinses het mij wil
vergunnen", voegde hij erbij, "dan wil ik er twee flesschen van halen
en oogenblikkelijk weer terug zijn."--"Het zou mij leed doen, als ik
u zooveel moeite veroorzaakte", zei de prinses, "gij zoudt wel iemand
kunnen sturen".--"Neen", antwoordde de Afrikaansche toovenaar, "ik moet
noodzakelijk zelf gaan; niemand buiten mij weet, waar de sleutel van
dezen kelder is; ook weet niemand het geheim, hem te openen."--"Als
dat zoo is", zei de prinses, "ga dan zelf, en kom spoedig terug. Hoe
langer gij uitblijft, des te grooter zal mijn ongeduld zijn, u weer
te zien, en zoodra gij terugkomt zetten wij ons aan tafel."
De Afrikaansche toovenaar, vol hoop op zijn vermeend geluk, liep niet
maar vloog om zijn zevenjarigen wijn te halen, en kwam zeer spoedig
terug. Ondertusschen had de prinses, die er niet aan twijfelde of
hij zou zich zeer haasten, het poeder dat Aladdin haar gebracht
had, in een beker geworpen, dien zij daarna aan den kant zette,
en liet nu dadelijk opdragen. Zij zetten zich tegenover elkander
aan tafel, zoodat de toovenaar met den rug naar de schenktafel toe
zat. De prinses legde hem van alles het beste voor en zei tot hem:
"Als gij het verlangt, zal ik muziek laten maken en laten zingen;
maar daar wij hier beiden alleen zijn, denk ik dat wij meer genoegen
zullen smaken, als wij tezamen wat praten." De toovenaar beschouwde
deze keus der prinses als een nieuwe gunst.
Nadat zij eenige beten genuttigd had, verlangde de prinses te
drinken. Ze dronk op de gezondheid des toovenaars en zei dan tot
hem: "Gij hadt alle recht uwen wijn te prijzen; ik heb nog nooit zoo
kostelijken wijn gedronken."--"Bekoorlijke prinses", antwoordde hij,
"terwijl hij den beker die hem gereikt werd, in de hand hield, "mijn
wijn krijgt door uw bijval een nieuwe voortreffelijkheid."--"Drink
op mijn gezondheid", zei de prinses, "dan zult gij zelf zien dat ik
hem beoordeelen kan." Hij dronk op de gezondheid der prinses, zag
dan den beker aan, en zei: "Prinses, ik acht mij gelukkig dat ik dit
vat voor zulk een goede gelegenheid bewaard heb; ik beken zelf dat ik
mijn heele leven nog zoo'n voortreffelijken wijn niet gedronken heb."
Toen zij nog meer gegeten en nog driemaal gedronken hadden, gaf
eindelijk de prinses die den Afrikaanschen toovenaar door haar
vriendelijkheid en lieftalligheid het hoofd geheel op hol gebracht
had, de vrouw die met schenken belast was, het afgesproken teeken,
en terwijl men haar den beker met wijn bracht, beval zij ook dien
van den toovenaar te vullen en hem over te reiken.
Toen nu beiden den beker in de hand hadden, sprak zij tot den
Afrikaanschen toovenaar: "Ik weet niet, hoe het bij u te lande onder
minnenden die met elkander drinken de gewoonte is; bij ons in China
verwisselen beiden hun bekers met elkander en drinken elkanders
gezondheid." Met deze woorden reikte zij hem den beker over, dien
zij in de hand hield, en strekte de andere hand uit om den zijnen in
ontvangst te nemen.
De Afrikaansche toovenaar haastte zich met des te meer vreugde haar
wensch na te komen, daar hij het als een zeker teeken beschouwde,
dat hij het hart der prinses nu geheel veroverd had, en hield zich
voor den gelukkigste aller stervelingen. Eer hij dronk, zei hij met
den beker in de hand: "Prinses, wij Afrikanen zijn lang niet zoo ver
in de kunst, de liefde met alle mogelijke voorkomendheden te kruiden,
als de Chineezen en terwijl ik hier iets leer, wat ik nog niet wist,
voel ik tegelijkertijd hoe hoog ik deze gunst te schatten heb. Nooit
zal ik vergeten, beminnelijke prinses, dat ik uit uw beker gedronken
en daarmee tevens het leven teruggevonden heb, waarvan ik reeds niets
meer gehoopt had, als gij nog langer in uw wreedheid volhard hadt."
Prinses Bedroelboedoer, wie het nuttelooze gepraat van den toovenaar
verveelde, viel hem in de rede en zei: "Laat ons nu drinken, later kunt
gij verder spreken." Tegelijkertijd voerde zij den beker aan den mond,
raakte hem echter slechts met de lippen aan, terwijl de Afrikaansche
toovenaar zich beijverde haar vóór te zijn, en den zijnen ledigde
zonder er een droppel in te laten. Daar hij bij het uitdrinken zijn
hoofd wat achterover geneigd had, om zijn ijver te toonen, bleef hij
nog een wijle in deze houding, tot de prinses, die nog steeds den
rand van den beker aan hare lippen hield, zag, dat zijn oogen zich
verdraaiden en hij zonder bewustzijn ruggelings achteroverzonk.
De prinses behoefde niet lang te bevelen, dat men Aladdin de
geheime deur zou openen. Haar vrouwen, met wie alles van te voren
was afgesproken, hadden zich op behoorlijke afstanden van de zaal
tot onder aan de trap opgesteld, zoodat de geheime deur bijna op
hetzelfde oogenblik geopend werd, waarin de Afrikaansche toovenaar
in elkaar gezakt was.
Aladdin kwam boven en trad de zaal binnen. Toen hij den Afrikaanschen
toovenaar op de sofa uitgestrekt zag, en prinses Bedroelboedoer hem vol
vreugde met open armen tegemoet snelde, hield hij haar terug en zei:
"Het is daarvoor nu nog geen tijd, prinses; doe mij het genoegen
en begeef u naar uw kamer en zorg ervoor dat men mij alleen laat,
terwijl ik mijn voorbereidingen tref om u even snel weer naar China
terug te brengen, als gij vandaar ontvoerd zijt."
Zoodra de prinses met haar vrouwen en bedienden de zaal verlaten had,
sloot Aladdin de deur, ging op het ontzielde lichaam van den toovenaar
toe, opende zijn kleed en haalde er de lamp uit, die nog zoo omhuld
was als de prinses hem beschreven had. Hij wikkelde haar los, wreef
haar en dadelijk verscheen de geest met zijn gewonen groet. "Geest",
zei Aladdin, "ik heb u geroepen, om u in naam der lamp, uw meesteres
die gij hier voor u ziet, te bevelen dat gij dit paleis weer naar
China laat terugbrengen en wel op dezelfde plaats, vanwaar het
vervoerd is." De geest gaf door een hoofdknik te verstaan, dat hij
zou gehoorzamen en verdween. De verplaatsing geschiedde werkelijk en
men bespeurde haar slechts aan twee zeer kleine schokken: één, toen
het paleis van zijn plaats in Afrika werd opgenomen, en een toen het
weder in China tegenover het paleis van den sultan werd neergelaten;
dit alles was het werk van een paar oogenblikken.
Aladdin ging nu naar de kamer van de prinses, omhelsde haar en zei
tot haar: "Prinses, ik kan u verzekeren, dat uw vreugde en de mijne
morgen volmaakt zullen zijn." Daar de prinses haar avondmaaltijd
nog niet beëindigd had en Aladdin naar eten verlangde, liet zij uit
de zaal met de vier en twintig vensters de spijzen, die daar waren
klaargezet, doch nauwelijks aangeraakt waren, op haar kamer brengen. De
prinses en Aladdin aten nu tezamen en dronken van den goeden wijn van
den Afrikaanschen toovenaar. Ik zal niets van hun verder onderhoud
meedeelen, dat niet anders dan zeer vergenoegd zijn kon, en voeg er
slechts bij dat zij zich eindelijk ter ruste begaven.
Sinds de ontvoering van het paleis en van prinses Bedroelboedoer
was de sultan, haar vader, ontroostbaar, daar hij haar voor immer
verloren waande. Hij kon dag noch nacht rust vinden, en in plaats
van alles te vermijden wat zijn smart nieuw voedsel kon verschaffen,
zocht hij dat als 't ware op. Terwijl hij bijvoorbeeld vroeger alleen
's morgens naar den open uitbouw van zijn paleis was gegaan, om zijn
oogen aan den aanblik te vergasten, waarvan hij maar niet zat kon
worden, ging hij nu meermalen overdag erheen om zijn tranen vrijen
loop te laten en zich immer weer in zijn droefheid te verdiepen door
te denken dat hij alles wat hem voorheen zoo welgevallig geweest was,
nooit weer zou zien, en het liefste dat hij ter wereld bezeten had, hem
voor altijd ontrukt was. Ook op den morgen, dat Aladdin's paleis weer
op zijn oude plaats was teruggebracht, vertoonde zich nauwelijks het
morgenrood aan den horizont, of de sultan ging in zijn uitbouw. Hij
was zoo in zichzelven gekeerd en zoo doordrongen van zijn smart,
dat hij zijn oogen treurig naar den kant wendde waar hij slechts een
ledige ruimte en geen paleis meer dacht te zien. Toen hij nu opeens
deze plaats weer gevuld zag, hield hij het voor een nevel. Eindelijk
echter, nadat hij opmerkzamer gekeken had, erkende hij dat het heel
zeker Aladdin's paleis was. Vreugde en blijdschap maakten zich nu
na langen kommer en treurigheid van zijn hart meester. Hij keerde
ijlings naar zijn kamer terug en beval dat men hem een paard zou
voorbrengen. Hij wierp zich in den zadel, reed voort, en het was hem
als kon hij maar niet vlug genoeg bij Aladdin's paleis komen.
Aladdin, die dit wel voorzien had, was met het krieken van den dag
opgestaan, had een zijner prachtigste gewaden aangetrokken en zich toen
in de zaal met de vier en twintig vensters begeven vanwaar hij den
sultan ook zag aankomen. Hij snelde weg en kwam nog net vroeg genoeg
om hem onder aan den hoofdtrap op te wachten en hem te helpen van
't paard stijgen. "Aladdin", sprak de sultan tot hem; "ik kan niet
met u spreken alvorens mijn dochter te hebben gezien en omhelsd."
Aladdin voerde den sultan in de kamer van prinses Bedroelboedoer,
die juist met kleeden gereed was; want Aladdin had haar bij het
opstaan eraan herinnerd, dat zij niet meer in Afrika, maar in China,
in de hoofdstad van den sultan, tegenover zijn paleis was. De sultan
omhelsde zijn dochter meermalen, terwijl hem de vreugdetranen over
de wangen liepen, en de prinses, van haar kant, bewees hem op alle
mogelijke wijzen, hoe blij zij was, hem weerom te zien.
De sultan was een tijdlang sprakeloos van ontroering nu hij zijn
geliefde dochter, die hij reeds zoo lang beweend had, weerom gevonden
had, en ook de prinses vergoot veel tranen van blijdschap nu zij haar
vader, den sultan, terugzag. Eindelijk nam de sultan het woord en
sprak: "Geliefde dochter, ik wil gelooven dat de vreugde des wederziens
u in mijn oogen zoo vroolijk en weinig veranderd doet schijnen, alsof
u heelemaal niets onaangenaams gebeurd was, en toch ben ik overtuigd,
dat gij veel hebt uitgestaan. Men wordt niet zoo snel met zijn heele
paleis verplaatst, zonder dat daarmede een schrikkelijke onrust en
groote angst gepaard gaan. Ik wensch nu dat ge mij vertelt, hoe de
zaak zich heeft toegedragen, en gij mij niets verzwijgt.
De prinses schiep er behagen in, den wensch van den sultan, haar vader,
gehoor te geven. "Heer", sprak zij tot hem, "als ik u zoo onveranderd
lijk, bid ik u wel te bedenken, dat ik reeds sinds gistermorgen
vroeg weer ben begonnen te leven, toen ik mijn dierbaren gemaal en
bevrijder aanschouwde, dien ik reeds verloren gewaand en beweend
heb, terwijl de gedachte, u te mogen omarmen, elk spoor van vroeger
verdriet van mij heeft weggevaagd. Om het vrij te zeggen, mijn heele
ongeluk bestond daarin, dat ik mij aan u en mijn gemaal ontrukt zag;
ook was ik niet slechts in angst om het verlies van mijn echtgenoot,
maar vooral om de treurige gevolgen van uw toorn, waaraan hij, hoe
onschuldig ook, zonder twijfel moest zijn blootgesteld. Minder heb ik
van de onbeschaamdheid van mijn ontvoerder geleden, die tot mij sprak
op een wijze die mij niet beviel. Ik wist mij dadelijk zulk een gezag
over hem te verschaffen, dat ik hem tot zwijgen bracht. Overigens
werd mij even weinig dwang aangedaan als op dit oogenblik. Wat mijn
ontvoering betreft, daaraan heeft Aladdin niet de minste schuld;
ik zelf ben er de oorzaak van, maar op een hoogst onschuldige
wijze." Om den sultan van de waarheid harer woorden te overtuigen,
vertelde zij hem uitvoerig, hoe de Afrikaansche toovenaar zich als een
lampenkoopman verkleed had, die oude lampen tegen nieuwe inruilde,
en hoe zij hem voor den grap Aladdin's lamp, waarvan zij de geheime
kracht niet gekend had, tegen een nieuwe had ingeruild, waarop het
paleis met haar en de overige bewoners was opgeheven, en met den
Afrikaanschen toovenaar naar Afrika was overgebracht; den laatsten
hadden twee harer vrouwen en de bediende, die de lamp geruild had,
dadelijk herkend, toen hij de onbeschaamdheid gehad had, zich aan
haar voor te stellen na het gelukkig welslagen van zijn onderneming,
en haar een huwelijksaanbod te doen; verder vertelde zij van de
herhaalde aanzoeken, die zij tot Aladdin's komst had moeten verduren,
en van de maatregelen die zij gezamenlijk getroffen hadden, om hem de
lamp die hij bij zich droeg, te ontrukken; hoe hun dit gelukt was,
doordat zij zichzelve geweld aangedaan had en hem op haar kamer aan
den avondmaaltijd had uitgenoodigd, waar zij hem dan den vergiftigden
wijn had toegediend. "Omtrent het overige", voegde zij erbij, "moge
Aladdin u inlichten."
Aladdin maakte zijn verhaal kort. "Toen men mij", zei hij, "de
geheime deur geopend had, ging ik snel naar de zaal met de vier en
twintig vensters en daar ik den verrader door de werking van het
poeder dood op de sofa zag liggen, verzocht ik de prinses, daar
een langer verblijf haar zeker niet welkom was, met haar vrouwen en
bedienden naar haar vertrekken te gaan. Ik bleef nu alleen achter,
haalde de lamp uit het gewaad van den toovenaar en gebruikte haar
geheime kracht, waarvan hij zich bediend had, om de prinses en het
paleis te rooven. Zoo heb ik 't dan gedaan gekregen dat het paleis
weer op zijn plaats staat, en ben zoo gelukkig u volgens uw bevel de
prinses terug te brengen. Alles, wat ik u daar vertel, is de zuivere
waarheid, en als gij u naar boven in de zaal begeven wilt, zult gij
zien, dat de toovenaar naar verdienste gestraft is."
Om zich geheel te overtuigen, ging de sultan naar boven, en toen
hij den Afrikaanschen toovenaar dood, en zijn gezicht geheel
blauwzwart door de werking van het vergift vond, omhelsde hij
Aladdin met veel teederheid en zeide hij tot hem: "Mijn zoon, neem
mij mijn gedrag tegenover u niet kwalijk; slechts mijn vaderliefde
was daaraan schuld, en ge moet mij de overijling, tot welke ik mij
liet verleiden, vergeven."--"Heer", antwoordde Aladdin, "ik heb niet
de minste reden, mij over u te beklagen; gij hebt slechts gedaan,
wat gij doen moest. Die schandelijke toovenaar, dat uitvaagsel der
menschheid, was de eenige oorzaak, dat ik uw gunst verloor. Als gij
eens gelegenheid hebt, zal ik u van een andere snoodheid vertellen,
die hij mij heeft aangedaan, en die niet minder verschrikkelijk is,
dan zijn laatste, waarvoor mij Gods bijzondere genade bewaard heeft."
"Ik zal zorgen dat deze gelegenheid spoedig komt", antwoordde de
sultan, "en wel heel spoedig. Laat ons er nu evenwel aan denken
vroolijk te zijn, en te zorgen dat dit gehate lichaam hier vandaan
komt."
Aladdin liet het lijk van den toovenaar wegbrengen en op den mesthoop
werpen, ten einde den vogelen des velds tot voedsel te strekken. De
sultan gaf echter bevel door trommels, pauken, trompetten en andere
instrumenten het teeken tot een algemeene vreugde te geven, en liet
een tiendaagsch vreugdefeest aankondigen, om den terugkeer van prinses
Bedroelboedoer en Aladdin te vieren.
Zoo ontkwam Aladdin ten tweeden male aan een doodsgevaar; maar het
was nog niet het laatste, en hij moest nog een derde, even gevaarlijke
beproeving doorstaan, die wij hier uitvoerig verhalen zullen.
De Afrikaansche toovenaar had nog een jongeren broeder, die in de
tooverkunst niet minder bedreven was dan hij; ja, men kan zeggen dat
hij dezen nog in boosheid en listen overtrof. Daar zij niet steeds
tezamen of in dezelfde stad leefden, en de een zich menigmaal in het
oosten bevond terwijl de andere in het westen was, lieten zij niet
na door middel der punteerkunst eens per jaar uit te vinden in welk
deel der wereld ieder van hen leefde, hoe het hem ging en of hij ook
de hulp van den ander noodig had.
Korten tijd nadat de Afrikaansche toovenaar bij zijn aanslag tegen
Aladdin's geluk den dood gevonden had, wilde zijn jongere broeder die
sinds jaar en dag geen bericht van hem had ontvangen, en zich niet in
Afrika maar in een zeer ver afgelegen land ophield, weten waar hij zich
ter wereld bevond, hoe hij het maakte en wat hij uitvoerde. Evenals
zijn broeder had hij overal waar hij ging zijn punteer-vierhoek bij
zich. Hij nam nu dezen vierhoek, effende het zand, maakte de punten,
trok de figuren en lijnen en stelde de horoscoop. Terwijl hij nu alle
afzonderlijke figuren doorliep, vond hij door de eene dat zijn broeder
niet meer leefde, door de andere, dat hij vergiftigd was geworden
en plotseling gestorven was, door de derde dat dit in China, door
de vierde dat het in een hoofdstad van China, daar en daar gelegen,
gebeurd was, en eindelijk dat hij die hem vergiftigd had, een man
van nederige afkomst was, die een prinses van den sultan gehuwd had.
Toen de toovenaar op deze wijze het treurige uiteinde van zijn
broeder ervaren had, verloor hij geen tijd met nuttelooze klachten,
waardoor zijn broeder toch niet levend had kunnen worden, maar
besloot oogenblikkelijk, zijn dood te wreken, steeg te paard en begaf
zich op weg naar China. Hij moest over vlakten, rivieren, bergen,
woestenijen; en na een lange reis kwam hij eindelijk, nadat hij zich
onderweg nergens had opgehouden en na ongeloofelijke moeielijkheden,
in China aan en was spoedig daarop in de hoofdstad die hij door zijn
punteerkunst had weten uit te vinden. Daar hij zeker wist dat hij zich
niet vergist, en dit koninkrijk niet met een ander verwisseld had,
bleef hij in de hoofdstad en sloeg er zijn zetel op.
Den dag na zijn aankomst ging de toovenaar uit en wandelde door de
stad, niet zoozeer om hare schoonheden te bewonderen, die hem hoogst
onverschillig waren, als om dadelijk op maatregelen te zinnen voor
de uitvoering van zijn verderfelijk plan; daarom ging hij naar de
meest bezochte plaatsen en luisterde begeerig naar alles wat er
gesproken werd. Op een plaats waar men zich met allerlei spelen
den tijd verdreef, en waar, terwijl de eenen speelden, de anderen
zich met de nieuwtjes van den dag of met hun eigen geschiedenissen
bezighielden, hoorde hij zeer merkwaardige dingen vertellen van de
deugd en vroomheid, ja zelfs van de wonderdaden van een, der wereld
afgescheidene vrouw, Fatime genaamd. Daar hij geloofde, dat deze
vrouw hem bij zijn voornemen wellicht behulpzaam zou kunnen zijn,
nam hij een van het gezelschap ter zijde om iets naders omtrent die
heilige vrouw en hare wonderen te vernemen.
"Wat", zei de aangesprokene tot hem, "gij hebt deze vrouw nog nooit
gezien en ook niet van haar hooren spreken? Zij is door haar vasten,
haar strenge levenswijze en het voorbeeld dat zij geeft, een voorwerp
van algemeene bewondering in de geheele stad. Behalve Maandags en
Vrijdags, verlaat zij haar kleine kluis niet en de dagen waarop zij
zich in de stad vertoont, doet zij oneindig veel goeds; ook geneest
zij ieder die met hoofdpijn behept is, door oplegging der handen."
De toovenaar verlangde op dit punt niet meer te weten, maar vroeg
alleen nog in welk deel der stad haar eenzame woning te vinden
was. De man beschreef hem de plek nauwkeurig; de toovenaar echter,
nadat hij deze mededeeling ontvangen en het verderfelijke plan, waarvan
wij zoo dadelijk zullen spreken, had opgevat en ontworpen, bespiedde,
om van zijn taak nog zekerder te zijn, reeds den eersten dag, dat zij
uitging, al haar schreden en verloor haar niet uit het oog tot hij
haar 's avonds in haar eenzame woning zag terugkeeren. Toen hij zich
de plaats goed ingeprent had, begaf hij zich naar een der reeds boven
genoemde huizen, waar men een zekeren warmen drank gebruikte en als men
lust had ook den nacht kon doorbrengen, voornamelijk bij groote hitte,
wanneer men in deze warme landen liever op matten dan in bedden slaapt.
Tegen middernacht betaalde de toovenaar den waard zijn kleine
vertering en ging rechtstreeks naar de eenzame woning van Fatime,
de heilige vrouw, want onder dien naam was zij in de heele stad
bekend. Hij opende zonder moeite de met een klink gesloten deur,
trad binnen en deed de deur heel zachtjes weder toe; daarbinnen zag
hij bij het helle maanlicht Fatime liggen die in de open lucht op een
sofa sliep. Hij naderde haar, trok een dolk, die hij in zijn gordel
droeg en wekte haar.
Toen de arme Fatime haar oogen opsloeg, schrok zij vreeselijk bij
het zien van een man, die op het punt stond haar te vermoorden. Hij
zette haar de dolk op de borst, maakte een gebaar, alsof hij wilde
toestooten en zei tot haar: "Als ge schreeuwt, of slechts het minste
gedruisch maakt, dan zijt gij een kind des doods; sta nu echter op,
en doe wat ik u zeggen zal."
Fatime, die zich gekleed ter ruste had gelegd, stond sidderend en
bevend op. "Vrees niet", sprak de toovenaar tot haar, "ik verlang
alleen uw kleed; geef het mij en neem daarvoor het mijne." Zij ruilden
hun kleeren, en nadat de toovenaar Fatime's kleed had aangetrokken zei
hij: "Verf mij nu het gezicht, zoodat ik er uitzie als gij en zorg dat
de verf niet uitwischt." Daar hij zag, dat zij nog steeds sidderde,
zeide hij om haar gerust te stellen, en opdat zij des te nauwkeuriger
zijn wensch vervullen mocht, nogmaals tot haar: "Vrees niets; ik zweer
u bij den naam van God, dat ik u in het leven zal laten." Fatime liet
hem toen in haar cel treden, stak haar lamp aan, nam een penseel en
een zeker sap dat zij in een vat had staan, wreef hem daarmee het
gezicht in en verzekerde hem toen dat zijn gezicht geheel op het hare
geleek en dat de kleur niet verdwijnen zou. Hierop zette zij hem hare
hoofdbedekking op en deed hem haar sluier voor en wees hem hoe hij zich
op zijn gang door de stad het gezicht ermee bedekken moest. Eindelijk,
nadat zij hem nog een grooten rozenkrans, die vóór aan haar gordel
hing, om den hals had geslagen, gaf zij hem denzelfden staf, dien zij
gewoonlijk droeg in de hand, hield hem toen een spiegel voor en zei:
"Zie nu zelf hoe gij mij gelijkt, als het eene ei op het andere." De
toovenaar vond alles naar wensch, maar hield de goede Fatime den eed
niet, dien hij zoo plechtig had afgelegd. Opdat men geen bloedsporen
zou zien, als hij haar doorstak, worgde hij haar, en toen hij zag,
dat zij den geest gegeven had, sleepte hij haar lijk bij de voeten
naar de waterton van de kluis en wierp haar daar in.
Na de volvoering van dezen gewetenloozen moord bracht de als Fatime
verkleede toovenaar het overige van den nacht in de eenzame kluis
door. Den volgenden morgen ging hij, hoewel dit geen gewone uitgaansdag
van de heilige vrouw was, toch uit, want hij meende dat wel niemand
hem ernaar zou vragen, en zoo ja, dan zou hij hem wel te woord
staan. Daar hij bij zijn aankomst vóór alle dingen naar Aladdin's
paleis gevraagd had, en omdat hij daar zijn rol wenschte te spelen,
sloeg hij dadelijk den weg daarheen in.
Iedereen hield hem voor de heilige vrouw, en zoo was hij spoedig
door een groote menigte omringd. Eenigen smeekten dat hij hen in zijn
gebeden mocht gedenken, anderen kusten hem de hand, weer anderen, die
nog eerbiediger waren, kusten den zoom van zijn kleed, en nog anderen,
die of werkelijk hoofdpijn hadden, of zich daartegen wilden vrijwaren,
bogen zich voor hem opdat hij hun zijn handen mocht opleggen, wat hij
ook deed terwijl hij eenige woorden prevelde die op een gebed leken;
kortom, hij bootste de heilige vrouw zoo goed na, dat ieder hem voor
haar aanzag. Nadat hij meermalen onderweg was blijven staan, om die
lieden te bevredigen, die van deze manier van handenopleggen, voor-
noch nadeel hadden, kwam hij eindelijk op de plaats voor Aladdin's
paleis, waar zich nog meer volk verzameld had, zoodat het veel moeite
kostte, tot hem te naderen. De sterksten en begeerigsten drongen zich
met geweld door het gewoel en daarover verhieven zich klachten en
zulk een geschreeuw, dat men het in de zaal met de vier en twintig
vensters hooren kon.
De prinses vroeg wat dat leven te beteekenen had, en daar niemand
het haar zeggen kon, beval zij eens te gaan zien en 't haar mede te
deelen. Een harer vrouwen keek, zonder de zaal te verlaten, door een
venster en meldde haar dat het lawaai van een volksmenigte kwam, die
de heilige vrouw omgaf, om zich door handen opleggen van hoofdpijn
te bevrijden.
De prinses, die reeds lang veel goeds van de heilige vrouw gehoord,
maar haar nog niet gezien had, was nieuwsgierig met haar kennis te
maken en met haar te spreken. Zoodra zij daarvan iets liet merken,
zeide de opperste harer dienaren, die aanwezig was, als zij het
wenschte, zou hij de vrouw boven roepen; zij had slechts te bevelen. De
prinses stemde toe en vaardigde dadelijk vier bedienden af met het
bevel de zoogenaamde heilige vrouw naar boven te leiden.
Zoodra de bedienden de poort van Aladdin's paleis uitkwamen en op
het punt toeliepen, waar de Afrikaansche toovenaar stond, week de
menigte uiteen, en toen deze nu zichzelf vrij en de bedienden op
zich zag toekomen, ging hij hun met te meer vreugde een eindweegs
tegemoet daar hij dacht dat zijn schelmstuk reeds een goeden aanvang
nam. Een van de dienaren nam het woord en zei: "Heilige vrouw, de
prinses wenscht u te spreken; kom en volg ons."--"De prinses bewijst
mij veel eer", antwoordde de zoogenaamde Fatime; "ik ben bereid te
gehoorzamen." Met deze woorden volgde hij de bedienden, die reeds
den terugweg naar het paleis hadden ingeslagen.
Toen de toovenaar, die onder een heilig kleed een duivelsch hart
verborg, in de zaal met de vier en twintig vensters kwam en de
prinses bemerkte, begon hij met een gebed dat een lange reeks
wenschen voor haar welzijn, haar geluk en de vervulling van al haar
begeerten bevatte. Hierop ontplooide hij al zijn leugenachtige
en huichelachtige redeneerkunst, om zich onder den dekmantel van
groote vroomheid in het hart der prinses een plaats te veroveren,
wat hem zooveel te gemakkelijker gelukte, daar de prinses met haar
natuurlijke goedhartigheid de overtuiging had, dat alle menschen
even goed waren als zij zelf, vooral echter die mannen en vrouwen,
die het voor hun plicht hielden, God in de eenzaamheid te dienen.
Toen de gewaande Fatime haar lange toespraak geëindigd had, zei de
prinses tot haar: "Mijne goede moeder, ik dank u voor uwe schoone
gebeden, ik stel er een groot vertrouwen in en hoop dat God ze moge
verhooren. Kom dichterbij en zet u hier neder." De gewaande Fatime
nam met gehuichelde bescheidenheid plaats. Hierop nam de prinses
weder het woord en zei: "Goede moeder, ik vraag u om iets, dat ge
mij moet bewilligen en wat ge niet moogt afslaan, namelijk dat ge bij
mij blijft, mij de geschiedenis van uw leven vertelt en mij door uw
goede voorbeeld leeren zult hoe ik God moet dienen."
"Prinses", zei hierop de pseudo-Fatime, "ik bid u, verlang
niets van mij, dat ik niet bewilligen kan, zonder mij geheel te
verstrooien en van mijn gebeden en vrome oefeningen de aandacht af te
wenden."--"Dat behoeft u niet te verontrusten", hernam de prinses,
"ik heb verschillende kamers die niet bewoond worden, kies er u een
uit, dat u het beste bevalt, dan kunt gij daar uw oefeningen even
rustig houden als in uw afzondering."
De toovenaar die geen ander doel had, dan in Aladdin's paleis te komen,
daar het hem veel gemakkelijker moest vallen, zijn schelmstuk uit te
voeren, wanneer hij onder begunstiging van de bescherming der prinses
daar zelf woonde, dan dat hij telkens van zijn eenzame huis naar het
paleis, en vandaar weer terug had moeten loopen, maakte geen groote
tegenwerpingen meer op het vriendelijke aanbod der prinses en nam
het aan. "Prinses", sprak hij tot haar, "hoe vast ook het besluit
van een arme onaanzienlijke vrouw, als ik ben, van de wereld met haar
genietingen afstand te doen, moet staan, waag ik het toch niet den wil
en den wensch van een zoo vrome en milddadige prinses te weerstreven."
Op dit antwoord van den toovenaar stond de prinses op en zeide tot hem:
"Sta op en kom met mij mee, dan zal ik u mijn leege kamers wijzen,
opdat gij er een kunt uitzoeken." Hij volgde prinses Bedroelboedoer en
koos uit haar vertrekken, die alle zeer mooi en prachtig gemeubileerd
waren, het minst mooie terwijl hij op huichelachtigen toon zei,
dat het nog veel te mooi voor hem was en hij het alleen koos om de
prinses een plezier te doen.
De prinses wilde nu den schurk naar de zaal met de vier en twintig
vensters terugbrengen, opdat hij bij haar het middageten zou
gebruiken. Daar hij echter bij het eten zijn tot nu toe steeds
gesluierd gezicht had moeten ontblooten, en daar hij vreesde dat de
prinses zou merken dat hij niet de heilige vrouw Fatime was waarvoor
zij hem hield, verzocht hij haar zoo dringend hem daarvan vrij te
stellen, daar hij toch slechts brood en gedroogde vruchten at, en
hem toe te staan zijn kleinen maaltijd op zijn kamer tot zich te
nemen, dat zij het hem toestond. "Goede vrouw", zeide zij tot hem,
"het hangt geheel van uw eigen goedvinden af; gij kunt doen alsof
gij in uwe kluis waart. Ik zal u het eten laten brengen; maar vergeet
niet, dat ik u terug verwacht zoodra gij uw maaltijd geëindigd[**typo
verbeterd] hebt."
De prinses gebruikte den maaltijd, en de gewaande Fatime liet niet na,
zich weder bij haar aan te melden, zoodra zij door een der bedienden
had laten weten, dat zij van tafel was opgestaan. "Mijn goede moeder",
zei de prinses tot haar, "ik ben zeer verheugd een heilige vrouw,
als gij zijt, bij mij te zien, die dit paleis zeker ten zegen zal
verstrekken. Wel hoe bevalt u het paleis? Eer ik het u evenwel kamer
voor kamer laat zien, zeg mij eerst hoe vindt gij deze zaal?"
De valsche Fatime, die om haar rol beter te kunnen spelen, tot nog
toe steeds met neergeslagen oogen gestaan had, en haar hoofd rechts
noch links gewend had, hief het bij deze vraag eindelijk op, keek de
heele zaal van het eene eind tot het andere met een onderzoekenden
blik rond en toen zij genoeg gekeken had, zei ze: "Prinses, deze
zaal is werkelijk bewonderenswaardig en uitnemend schoon. Intusschen
komt het mij voor, voor zooveel een kluizenaarster, die van dat wat
de wereld voor schoon houdt geen verstand heeft, beoordeelen kan,
dat een enkel ding eraan ontbreekt."
"En wat dan, mijn goede moeder?" vroeg prinses Bedroelboedoer;
"ik bezweer u, zeg het mij. Ik voor mij heb steeds geloofd en ook
altijd gehoord, dat de zaal in alle opzichten volmaakt was. Maar als
er iets aan ontbreekt, dan wil ik dit gebrek herstellen."
"Prinses", antwoordde de valsche Fatime, "vergeef mij, dat ik zoo vrij
ben. Mijn meening, als u daaraan wat gelegen is, zou namelijk wezen,
dat als van uit het midden van dezen koepel het ei van den vogel Rock
hing, deze zaal in geen enkel deel der aarde haars gelijke zou hebben,
en het paleis werkelijk een wereldwonder zijn."
"Goede moeder", vroeg de prinses, "wat is dan die Rock voor een vogel,
en hoe kan men er een ei van krijgen?"
"Prinses", antwoordde de gewaande Fatime, "het is een vogel van
bewonderenswaardige grootte, die op den hoogsten top van den Kaukasus
woont; de bouwmeester van dit paleis zal u zulk een ei wel kunnen
verschaffen."
Prinses Bedroelboedoer dankte de valsche Fatime voor den, zooals
zij meende, goeden raad, en sprak met haar nog over een menigte
andere dingen; toch vergat zij het Rock-ei niet, en nam zich voor met
Aladdin erover te spreken zoodra hij van de jacht terug zou zijn. Hij
was namelijk juist sedert zes dagen weg en de toovenaar, die dit
zeer goed wist, had van zijne afwezigheid gebruik gemaakt. Aladdin
kwam nog denzelfden dag 's avonds terug, toen de gewaande Fatime
juist afscheid van de prinses had genomen, en zich naar haar kamer
begeven had. Hij ging dadelijk naar de kamer der prinses, die daar
juist was teruggekeerd en begroette en omhelsde haar; het scheen hem
echter, alsof zij hem eenigszins koel ontving. "Dierbare prinses",
sprak hij tot haar, "ik vind u niet zoo vroolijk als anders. Is
er in mijn afwezigheid iets gebeurd, dat u mishaagd of verdriet of
onaangenaamheid veroorzaakt heeft? Ik bezweer u, zeg het mij, want ik
wil alles doen wat mij mogelijk is uwe wenschen te vervullen."--"Het
is maar een kleinigheid", antwoordde de prinses, "en de zaak hindert
mij zoo weinig, dat het mij onbegrijpelijk is, hoe gij uit mijn gelaat
iets hebt kunnen opmaken. Daar gij echter tegen mijn verwachting een
verandering hebt waargenomen, wil ik u de oorzaak ervan meedeelen,
ofschoon het niets van beteekenis is."
"Ik had", ging de prinses voort, "evenals gij, tot nu toe steeds
geloofd dat ons paleis het heerlijkste, prachtigste en volmaaktste op
de wereld was. Maar nu moet ik u toch zeggen, wat mij bij nauwkeurige
bezichtiging van de zaal in de gedachten is gekomen. Denkt gij ook
niet, dat er niets te wenschen over zou zijn, als er midden in het
koepelgewelf een Rock-ei hing?"
"Prinses", antwoordde Aladdin, "zoodra gij vindt, dat er nog een
Rock-ei aan ontbreekt, dan vind ik het ook, en uit de haast waarmee
ik dit gebrek zal verhelpen, zult gij u overtuigen, dat er niets is,
wat ik niet uit liefde voor u zou willen doen."
Aladdin verliet oogenblikkelijk prinses Bedroelboedoer, ging naar
de zaal met de vier en twintig vensters, haalde de lamp, die hij
sinds het gevaar dat hij door haar te veronachtzamen geloopen had,
overal met zich meedroeg uit zijn boezem te voorschijn en wreef
haar. Dadelijk verscheen ook de geest. "Geest", sprak Aladdin hem aan,
"er ontbreekt aan dezen koepel nog het ei van den vogel Rock, dat in
het midden hangen moet; ik beveel u in naam van de lamp, die ik hier
in de hand houd, dat gij dit gebrek verhelpt."
Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest hief zulk
een luid en ontzettend geschreeuw aan, dat de zaal ervan beefde
en Aladdin tuimelde ontsteld achteruit, zoodat hij bijna op den
grond viel. "Wat, ellendeling!" zei de geest op een toon tot hem,
die ook den meest onverschrokken mensch zou hebben doen ontstellen,
"is het u niet genoeg, dat mijn gezellen en ik ter wille van u alles
gedaan hebben? Moet gij ook nog, met een ondankbaarheid, die haars
gelijke niet heeft, bevelen dat ik u mijn meester breng en midden in
dezen koepel ophang? Dit misdrijf verdiende, dat gij en uw vrouw en
uw paleis terstond tot stof en asch verteerdet. Tot uw geluk zijt
ge echter niet zelf op deze gedachte gekomen, en de wensch komt
niet onmiddellijk uit u zelven voort. Ge moet namelijk weten, dat
hij komt van den broeder des Afrikaanschen toovenaars, uw vijand,
dien gij verdelgd hebt, zooals hij verdiende. Hij bevindt zich in uw
paleis in de kleeding van de heilige vrouw Fatime, die hij vermoord
heeft, en hij heeft uw vrouw het verderfelijke verlangen ingegeven,
dat gij tegen mij geuit hebt. Zijn doel is, u om te brengen, wees
daarom wel op uw hoede." Met deze woorden verdween hij.
Aladdin ontging geen der woorden van den geest. Hij had van de heilige
vrouw Fatime gehoord, en wist zeer goed, hoe zij volgens het algemeene
geloof, hoofdpijnen genas. Hij ging nu naar de kamer van de prinses
terug, en zonder een woord te spreken van datgene, wat hem zooeven
wedervaren was, ging hij zitten met het hoofd in de hand, en zei dat
hij plotseling door hevige hoofdpijn was overvallen. De prinses beval
dadelijk de heilige vrouw te roepen, en terwijl deze gehaald werd,
vertelde zij Aladdin hoe zij in het paleis gekomen was en hoe zij
voor haar een kamer had ingeruimd.
De valsche Fatime kwam, en zoodra zij er was zei Aladdin tot haar:
"Treed nader, mijn goede moeder; het verheugt mij u te zien, gij
zijt juist tot mijn geluk hier gekomen. Ik ben zooeven door een
afschuwelijke hoofdpijn overvallen, en in het vertrouwen op uw gebeden
bid ik u om hulp, want ik hoop, dat gij de weldaad, die gij reeds
aan zoovele met hoofdpijn-bezochten bewezen hebt, ook mij niet zult
weigeren." Met deze woorden stond hij op en boog het hoofd; de valsche
Fatime naderde hem, terwijl ze tegelijkertijd met de hand naar een dolk
greep, die zij onder haar kleed in den gordel droeg. Aladdin echter,
die haar nauwkeurig gadesloeg, voorkwam haar nog voor zij van leder
getrokken had, en doorboorde haar met zijn dolk, zoodat zij dood ter
aarde stortte.
"Wat hebt gij gedaan, mijn dierbare gemaal?" riep de prinses vol
angst, "gij hebt de heilige vrouw gedood!"--"Neen, geliefde prinses",
antwoordde Aladdin met groote kalmte; "ik heb niet Fatime gedood,
maar een schurk, die mij zou vermoord hebben, als ik hem niet was
voorgekomen. De booswicht, dien gij hier ziet", ging hij voort,
terwijl hij hem onthulde, "heeft de echte Fatime geworgd en zich in
hare kleederen gestoken, om mij te vermoorden; in 't kort, hij was
de broeder van den Afrikaanschen toovenaar, uwen ontvoerder." Aladdin
vertelde daarop, hoe hij al deze omstandigheden vernomen had, en liet
toen het lijk wegbrengen.
Alzoo werd Aladdin van de vervolgingen der beide toovenaars
bevrijd. Weinig jaren daarna stierf de sultan in hoogen ouderdom. Daar
hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, volgde hem prinses
Bedroelboedoer als rechtmatige erfgename op den troon op en deelde
de heerschappij met Aladdin. Zij regeerden vele jaren met elkander
en lieten een beroemde nakomelingschap achter.
Men zal zonder twijfel bemerkt hebben, dat in den persoon van den
Afrikaanschen toovenaar een mensch is voorgesteld, die door een
matelooze begeerigheid was aangegrepen, schatten te verwerven op
alle mogelijke wijzen; daardoor heeft hij ze ook ontdekt, maar is
toch niet in het bezit ervan gekomen, daar hij zich de schatten
onwaardig betoonde. In Aladdin daarentegen, ziet men een man, die,
van nederige afkomst zich tot de koninklijke waardigheid verheft,
en wel door middel van dezelfde schatten, die hem zonder dat hij ze
zoekt in handen vallen, en die hij slechts dan begeert als hij ze
ter bereiking van een hooger doel noodig heeft. Aan den sultan zelf
kan men ervaren, hoe gemakkelijk zelfs een goed, rechtvaardig en
weldenkend vorst, gevaar loopt zijn troon te verliezen, als hij het
waagt door een daad van schreeuwende onrechtvaardigheid en tegen alle
regelen van billijkheid, uit onverstandige overijling een onschuldige
te veroordeelen, zonder zijn rechtvaardiging te willen aanhooren. Den
diepsten afschuw echter zullen de beide schurken van toovenaars hebben
gewekt, van wie de een zijn leven opoffert om schatten te verwerven,
de andere leven en geloof te gelijk om een schurk als hij zelf is,
te wreken, en beiden het verdiende loon voor hun boosheid ontvangen.