(VERHAAL UIT DE DUIZEND EN EEN NACHT)
IN HET NEDERLANDSCH VERTAALD DOOR
J. W. GERHARD, MET 24 ILLUSTRATIES VAN
SIDNEY H. HEATH
UITGEGEVEN VOOR DE
MIJ. VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR DOOR
G. SCHREUDERS AMSTERDAM
ALADDIN EN DE WONDERLAMP.
In een zeer rijke en groote hoofdstad van China, welker naam ik mij op
't oogenblik niet herinner, leefde een kleermaker, Moestafa genaamd,
die zich van andere menschenkinderen door niets anders onderscheidde
dan door zijn beroep. Deze kleermaker Moestafa was zeer arm, en zijn
arbeid bracht hem nauwelijks zooveel op, dat hij, zijn vrouw en een
zoon, dien God hun geschonken had, daarvan leven konden.
De opvoeding van dezen zoon, die Aladdin [1] heette, was zeer
verwaarloosd geworden, zoodat hij allerhande slechte neigingen
aangenomen had. Hij was boosaardig, eigenzinnig en ongehoorzaam jegens
vader en moeder. Nauwelijks was hij den kinderschoenen ontwassen,
of zijn ouders konden hem niet meer in huis houden. Hij ging reeds
's morgens vroeg de deur uit, en deed den ganschen dag niets, dan
op straten en pleinen met kleine dagdieven spelen, die jonger waren
dan hij.
Toen hij den leeftijd bereikt had, dat hij een handwerk moest leeren,
nam zijn vader, die niet in staat was, hem een ander te laten leeren
dan het zijne, hem bij zich op het werk, en begon hem in het hanteeren
van den naald te onderrichten. Maar alles was vergeefsch: noch goede
woorden, noch bedreigingen van den vader vermochten den wispelturigen
zin van den zoon te veranderen. Hij kon het niet zoover brengen,
dat hij zijn gedachten bijeen hield en vlijtig en aanhoudend aan den
arbeid bleef, zooals hij het wenschte. Nauwelijks had Moestafa hem den
rug toegekeerd, of Aladdin snapte weg en liet zich den heelen dag niet
meer zien. De vader tuchtigde hem, maar Aladdin was onverbeterlijk,
en Moestafa moest hem ten laatste tot zijn groote droefheid maar
aan zijn lichtzinnig leven overlaten. Dit veroorzaakte hem groot
harteleed, en de kommer daarover, dat hij zijn zoon niet tot zijn
plicht terugroepen kon, bezorgde hem een hardnekkige ziekte, waaraan
hij na eenige maanden stierf.
Daar Aladdin's moeder zag, dat haar zoon niet van plan was, zijns
vaders ambacht te leeren, zoo sloot zij de werkplaats, en maakte
al het gereedschap te gelde, om zoowel daarvan als van het weinige,
dat zij met boomwolspinnen verdiende, met haar zoon te kunnen leven.
Aladdin, die thans niet meer door vrees voor zijn vader binnen de
perken gehouden werd, bekommerde zich zoo weinig om zijn moeder, dat
hij zelfs de onbeschaamdheid had, haar bij de geringste vermaningen
te dreigen, en werd voortdurend lichtzinniger. Hij zocht nog meer
dan vroeger jongelieden van zijn leeftijd op, en speelde met hen
voortdurend nog hartstochtelijker dan tot nu toe. Dezen levenswandel
zette hij tot in zijn vijftiende jaar voort, zonder voor iets anders
zin te hebben, en zonder te bedenken, wat eens uit hem worden moest.
Op zekeren dag, toen hij als naar gewoonte met een troepje
schooljongens op een vrije plaats speelde, ging er een vreemdeling
voorbij die staan bleef en naar hem keek. Deze vreemde was een
beroemd toovenaar, en de geschiedschrijvers, die dit verhaal voor
ons opgeschreven hebben, noemen hem den Afrikaanschen toovenaar. Wij
willen hem eveneens met dezen naam aanduiden, en des te liever, daar
hij werkelijk uit Afrika geboortig en eerst sedert twee dagen hier
aangekomen was.
't Zij nu, dat de Afrikaansche toovenaar, die veel van de gelaatkunde
afwist, in Aladdin's gezicht iets opmerkte, dat tot uitvoering van
het plan, 'twelk hem hierheen gevoerd had, zeer dienstig leek,
't zij dat hij een anderen grond mocht hebben, genoeg, hij won
inlichtingen in, zonder dat het iemand opviel, naar zijne familie,
zijn stand en zijn neigingen. Toen hij van alles, wat hij wenschte,
behoorlijk op de hoogte was, ging hij op het jongemensch toe, nam
hem eenige passen van zijn kameraden af terzijde, en vroeg hem:
"Mijn zoon, is jouw vader niet de kleermaker Moestafa?"
"Ja, beste heer," antwoordde Aladdin, "maar hij is reeds lang dood."
Bij deze woorden viel de Afrikaansche toovenaar Aladdin om den hals,
omarmde hem en kuste hem al zuchtend herhaalde malen met tranen in
de oogen. Aladdin zag deze tranen en vroeg, waarom hij weende.
"Ach mijn zoon," riep de Afrikaansche toovenaar, "hoe zou ik mij kunnen
goed houden? Ik ben je oom, en uw vader was mijn geliefde broeder. Ik
ben reeds vele jaren op reis, en in het oogenblik, dat ik hier kom,
vol hoop, hem terug te zien en door mijn terugkomst te verblijden,
zeg je mij, dat hij dood is! Ik verzeker je, dat het mij bitter leed
doet, mij beroofd te zien van den troost, dien ik verwachtte. Wat
mijn droefheid alleen nog een weinig verzachten kan, is, dat ik,
voor zoover ik mij herinner, zijn trekken op jouw gezicht terugvind,
en ik zie, dat ik mij niet vergist heb, toen ik mij tot je wendde."
Hij vroeg hierop Aladdin, terwijl hij zijn beurs te voorschijn
trok, waar zijn moeder woonde. Aladdin lichtte hem terstond in en de
Afrikaansche toovenaar gaf hem tegelijk een handvol klein geld met de
woorden: "Mijn jongen, ga spoedig naar je moeder, groet haar van mij en
zeg haar, dat ik, voor zoover de tijd het mij veroorlooft, haar morgen
bezoeken zal, om mij den troost te verschaffen, de plek te zien, waar
mijn lieve broeder zoo lang geleefd en zijn dagen geëindigd heeft."
Zoodra de Afrikaansche toovenaar den neef, dien hij zich zooeven
zelf bezorgd had, verlaten had, liep Aladdin, vol vreugde over het
ontvangen geld, dat zijn oom hem geschonken had, naar zijn moeder.
"Moedertje", zeide hij bij 't binnentreden, "zeg mij asjeblieft,
of ik een oom heb."
"Neen, mijn jongen," antwoordde de moeder, "je hebt geen oom, noch
van je vaders kant noch van mijn kant."
"En toch", ging Aladdin voort, "heb ik zooeven een man gezien, die
zich voor mijn oom van vaders zijde uitgaf en verzekerde, dat hij een
broer van vader was. Hij heeft zelfs geweend en mij omhelsd, toen ik
hem vertelde, dat mijn vader dood was. Ten bewijze, dat ik de waarheid
spreek," voegde hij er bij, terwijl hij het ontvangen geld toonde,
"zie eens, wat hij mij geschonken heeft. Hij heeft mij bovendien
opgedragen, u uit zijn naam te groeten en u te zeggen, dat hij,
wanneer hij tijd heeft, morgen bij u zijn opwachting zal maken, om
het huis te zien, waar vader geleefd heeft en waar hij gestorven is."
"Mijn zoon", antwoordde de moeder, "het is waar, je vader had een
broeder, maar die is reeds lang dood en ik heb hem nooit hooren zeggen,
dat hij nog een anderen had."
Daarmee werd het gesprek over den Afrikaanschen toovenaar afgebroken.
Den volgenden dag naderde deze Aladdin voor de tweede maal, toen
hij op een ander plein in de stad met andere kinderen speelde. Hij
omarmde hem, als daags te voren, en drukte hem twee goudstukken in de
hand, met de woorden: "Mijn zoon, breng dit aan je moeder, zeg haar,
dat ik haar vanavond zal komen bezoeken, en zij moet daarvoor iets
koopen voor het avondmaal, opdat wij te zamen eten kunnen. Maar zeg
mij nu eerst, hoe ik het huis vinden kan."
Aladdin duidde 't hem uit, en de Afrikaansche toovenaar liet hem gaan.
Aladdin bracht de twee goudstukken aan zijn moeder, en zeide haar, wat
zijn oom van plan was te doen. Zij vertrok, om het geld te besteden,
kwam met goeden mondvoorraad terug, en daar het haar aan een groot
deel van 't noodige tafelgereedschap ontbrak, leende zij dat bij hare
buurvrouwen. Zij besteedde den heelen dag aan de voorbereiding van
het maal en 's avonds, toen alles gereed was, zeide zij tot Aladdin:
"Mijn zoon, je oom weet wellicht ons huis niet te vinden, ga hem
tegemoet, en breng hem hierheen, wanneer je hem ziet."
Ofschoon Aladdin den Afrikaanschen toovenaar het huis had uitgeduid,
wilde hij zich toch juist verwijderen, toen men aan de deur
klopte. Aladdin opende en herkende den Afrikaan, die met verscheidene
wijnflesschen en vruchten van allerlei soort binnentrad.
Nadat de Afrikaansche toovenaar dit alles aan Aladdin overhandigd had,
begroette hij zijn moeder en verzocht haar, hem de plek op de sofa te
wijzen, waar zijn broer gewoonlijk zat. Zij wees hem dien. Nu wierp
hij zich terstond op den grond neer, kuste de plek verscheidene malen
en riep met tranen in de oogen uit: "Arme broeder, hoe ongelukkig
voor mij, dat ik niet tijdig genoeg gekomen ben, om je voor je dood
nog eenmaal te omarmen!"
Hoe Aladdin's moeder hem daarom ook verzocht, hij wilde toch niet op
deze plaats gaan zitten.
"Neen", zeide hij, "ik zal wel oppassen, maar veroorloof mij, dat ik
daar tegenover plaats neem, opdat ik, wanneer mij ook al het genoegen
ontzegd is, hem persoonlijk als vader uwer mij zoo dierbare familie
te zien, mij ten minste inbeelden kan, dat hij daar nog zit."
Aladdin's moeder drong nu niet verder bij hem aan, maar liet hem
plaats nemen, waar hij wilde.
Toen de Afrikaansche toovenaar plaats genomen had, waar 't hem
behaagde, ving hij een gesprek met Aladdin's moeder aan.
"Lieve zuster", zeide hij tot haar, "verwonder je niet, dat je mij
gedurende al den tijd, dat je met mijn broeder, zaliger gedachtenis,
gehuwd was, nooit gezien hebt. Het is nu al veertig jaar geleden,
dat ik dit land, dat zoowel mijn geboortegrond als die van mijn
zaligen broeder is, heb verlaten. Sedert heb ik reizen gedaan naar
Indië, Perzië, Arabië, Syrië en Egypte, mij in de mooiste steden
dezer landen opgehouden, en ben toen naar Afrika vertrokken, waar ik
langen tijd verbleef. Daar het echter den mensch aangeboren is, zijn
geboortegrond, zoowel als zijn ouders en gezellen der jeugd ook in de
verste gewesten nooit uit 't geheugen te verliezen, zoo heeft ook mij
een zoo geweldig verlangen aangegrepen, mijn vaderland weder te zien
en mijn geliefden broeder te omarmen, thans, nu ik nog kracht en moed
voor zoo'n verren tocht in mij voelde, dat ik zonder verder uitstel
mijn toebereidselen nam, en mij op weg begaf. Ik zeg je niets van den
duur der reis, noch van de hindernissen, die mij in den weg kwamen,
noch van de vermoeienissen en ontberingen, die ik te overwinnen had,
eer ik hier aankwam. Ik zeg je alleen, dat mij op al mijn reizen
niets zoo diep gekrenkt en bedroefd heeft, als het bericht van den
dood eens broeders, dien ik steeds met echt broederlijke vriendschap
bemind had. Ik ontdekte eenige trekken van hem op het gezicht van mijn
neef, jouw zoon, en dit maakte, dat ik hem uit alle overige kinderen,
waarmee hij speelde, herkende. Hij heeft je wellicht verteld, hoezeer
het treurige bericht van den dood mijns broeders mij aangreep. Doch,
wat God doet, is welgedaan; ik troost mij, hem in zijn zoon terug te
vinden, die zoo'n opvallende gelijkenis met hem heeft."
Toen de Afrikaansche toovenaar zag, dat Aladdin's moeder bij de
herinnering aan haar man geroerd werd en opnieuw zich bedroefde,
brak hij het gesprek af, wendde zich tot Aladdin, en vroeg hem naar
zijn naam.
"Ik heet Aladdin", antwoordde deze.
"Welnu, Aladdin", ging de toovenaar voort, "wat voert gij uit? Versta
je ook een ambacht?"
Bij deze vraag sloeg Aladdin zijn oogen neer en werd verlegen. Zijn
moeder echter nam nu het woord en zeide, "Aladdin is een deugniet. Zijn
vader heeft, zoolang hij leefde, al 't mogelijke gedaan, om hem zijn
ambacht te leeren; maar hij kon zijn doel niet bereiken, en sedert hij
dood is, zwerft die jongen, ondanks al mijn dagelijksche vermaningen,
den ganschen dag op de straten rond en speelt met kinderen, zooals gij
gezien hebt, zonder te bedenken, dat hij geen kind meer is; wanneer
gij hem derhalve niet beschaamd en hij zich uwe vermaning niet ten
nutte maakt, dan geef ik alle hoop op, dat er nog ooit iets goeds uit
hem wordt. Hij weet, dat zijn vader geen vermogen heeft nagelaten,
en ziet zelf, dat ik met den heelen dag boomwol spinnen nauwelijks
het brood voor ons beiden verdienen kan. Ik ben besloten, de volgende
dagen eens de deur voor hem gesloten te houden en hem weg te zenden;
dan moet hij zijn onderhoud maar ergens anders zoeken."
Toen Aladdin's moeder onder vele tranen aldus gesproken had, zeide de
Afrikaansche toovenaar tot den jongen: "Dat is niet goed, mijn neef;
gij moet er aan denken, je zelf voort te helpen en je levensonderhoud
te verdienen. Er zijn immers zoovele beroepen in de wereld; denk er
eens over, of er niet één onder is, waarvoor je meer neiging gevoelt,
dan voor de andere. Wellicht bevalt alleen dat van je vader je niet
en zou je meer plezier in een ander vinden; verberg mij je wenschen
hieromtrent niet, ik wil immers alleen je eigen best."
Toen hij zag, dat Aladdin niets antwoordde, ging hij voort: "Bevalt
het je soms heelemaal niet, een handwerk te leeren en wil je een
aanzienlijk man worden, zoo wil ik voor je een winkel met kostbare
stoffen en fijne linnen goederen inrichten; je kunt dan deze waren
verkoopen, met het geld, dat je daarvoor ontvangt, weer den inkoop
van nieuwe waren bestrijden en op deze wijze een behoorlijk bestaan
vinden. Vraag jezelf nu af, en zeg mij openhartig, wat je denkt. Je
zult mij steeds bereid vinden, mijn belofte na te komen."
Dit aanbod streelde Aladdin zeer; elk handwerk verfoeide hij, en des
te meer, wijl hij opgemerkt had, dat zulke winkels, waarvan zijn oom
gesproken had, steeds aardig en sterk bezocht en de kooplieden goed
gekleed en zeer geacht waren.
Hij verklaarde daarom den Afrikaanschen toovenaar, dat zijn neiging
meer naar deze zijde gericht was, dan naar elke andere, en dat hij
hem zijn heele leven lang dankbaar zou zijn voor de weldaad, die hij
hem bewijzen wilde.
"Daar dit beroep je aanstaat", antwoordde de Afrikaansche toovenaar,
"zal ik je morgen meenemen, en je zoo fraai en rijk laten kleeden,
als het een der eerste kooplieden in deze stad betaamt; overmorgen
willen wij er dan aan denken, zulk een winkel te huren, als ik in
gedachten heb."
Aladdin's moeder, die nog maar niet geloofd had, dat de Afrikaansche
toovenaar de broeder van haar man was, twijfelde er na zulke
schitterende beloften niet meer aan. Zij bedankte hem voor zijn goede
gezindheid, en nadat zij Aladdin vermaand had, zich de weldaden,
die zijn oom hem in 't vooruitzicht stelde, waardig te toonen, diende
zij het avondmaal op. Het gesprek tijdens den ganschen maaltijd liep
steeds over hetzelfde onderwerp, totdat eindelijk de toovenaar zei,
dat de nacht al ver verstreken was. Hij nam afscheid van moeder en
zoon en ging naar huis.
Den volgenden morgen verzuimde de Afrikaansche toovenaar niet, volgens
afspraak weer een bezoek bij de weduwe des kleermakers Moestafa te
brengen. Hij nam Aladdin met zich mede naar een grooten koopman, die
alleen gemaakte kleeren van alle mogelijke stoffen en voor menschen
van elken leeftijd en stand verkocht. Hij liet zich verscheidene
hiervan toonen, die voor Aladdin pasten, en nadat hij had uitgezocht,
wat hem het beste beviel en de andere, die niet zoo mooi waren, als
hij wenschte, op zij geschoven had, zei hij tot Aladdin: "Beste neef,
kies nu uit al deze kleeren dat uit, wat je het beste bevalt." Aladdin,
die over de mildheid zijns nieuwen ooms heelemaal verrukt was, koos
er een uit, en de toovenaar kocht het met alles, wat erbij behoorde,
tegen bare betaling, zonder af te dingen.
Toen Aladdin zich van het hoofd tot de voeten zoo prachtig gekleed
zag, bedankte hij zijn oom met de grootste hartelijkheid en de
toovenaar beloofde hem, hem ook voor 't vervolg niet te verlaten,
maar hem steeds bij zich te houden. Werkelijk bracht hij hem nu in de
drukste buurten der stad, vooral in die, waar de winkels der rijkste
kooplieden waren, en in de straat waarin de winkels met de mooiste
stoffen en het fijnste linnengoed zich bevonden, zeide hij tot Aladdin:
"Wijl je spoedig ook zulk een koopman zult zijn, als deze hier, is
het goed dat je hen bezoekt, opdat ze je leeren kennen." Hij wees hem
ook de prachtigste en grootste moskeeën en bracht hem in de "Chan"
[2] waar de vreemde kooplieden woonden, en naar alle plaatsen in
het paleis van den Sultan, waar men vrijen toegang had. Eindelijk
nadat zij te zamen de schoonste deelen der stad doorkruist hadden,
kwamen zij in de "Chan", waar de toovenaar woonde. Daar waren eenige
kooplieden met wie hij sedert zijn aankomst kennis gemaakt had, en
die hij opzettelijk uitgenoodigd had, om hen goed te onthalen en hen
zijn zoogenaamden neef voor te stellen.
Het gastmaal eindigde eerst in den laten avond. Aladdin wilde van zijn
oom afscheid nemen, om naar huis terug te keeren, maar de Afrikaansche
toovenaar wilde hem niet alleen laten gaan, en geleidde hem zelf tot
zijne moeder terug. Toen deze haar zoon in zulke prachtige kleeren
zag, was zij buiten zich zelven van vreugde, en hield maar niet op,
zegeningen over het hoofd des toovenaars af te smeeken, die voor haar
zoon zooveel geld uitgegeven had.
"Grootmoedige zwager", zeide zij tot hem, "ik weet niet hoezeer ik
u voor uw goedheid danken zal, maar dat weet ik, dat mijn zoon de
weldaden, die gij hem bewijst, niet verdient, en hij zou ze volkomen
onwaardig zijn, zoo hij niet dankbaar ware, en de goede bedoelingen
welke gij met hem hebt, hem een zoo schitterende zaak te geven, niet
beantwoordde. Ik voor mijn persoon," voegde zij er bij, "dank u van
ganscher harte en wensch u een lang leven om getuige te zijn van de
dankbaarheid van mijn zoon, die haar niet beter aan den dag kan leggen,
dan wanneer hij zich door uw goede raadgevingen leiden laat".
"Aladdin is een goede jongen," antwoordde de Afrikaansche toovenaar;
"hij luistert naar mij en ik geloof, dat wij iets flinks van hem maken
kunnen. Het doet mij slechts leed, dat ik al niet morgen mijn belofte
houden kan. Het is immers Vrijdag, waarop alle winkels gesloten zijn,
en men er niet aan behoeft te denken, er een te huren en van waren
te voorzien; want de kooplieden denken op dezen dag slechts aan
allerlei genietingen. Daarom zullen wij de zaak tot Zaterdag moeten
uitstellen. Overigens zal ik hem morgen weer meenemen en in de tuinen
laten wandelen, waar men gewoonlijk de groote wereld aantreft. Hij
heeft wellicht nog geen begrip van de genoegens, die men daar geniet;
tot nu toe was hij steeds nog maar met kinderen te zamen, thans moet
hij ook volwassen menschen zien".
De Afrikaansche toovenaar nam eindelijk afscheid van moeder en zoon
en vertrok. Aladdin echter, die reeds zoo uitermate blij was met
zijn mooie kleederen, verheugde zich bij voorbaat in de heerlijke
wandeling in de omgeving der stad. Inderdaad was hij nog nimmer
buiten de poort geweest en had hij nog nimmer de omstreken gezien,
die bijzonder mooi en bekoorlijk waren.
Den anderen morgen stond Aladdin zeer vroeg op en kleedde zich aan,
om klaar te zijn als zijn oom hem zou komen afhalen. Nadat hij, zooals
hij dacht, lang gewacht had, opende hij eindelijk vol ongeduld de deur
en ging naar buiten om te zien of hij er nog niet aankwam. Zoodra hij
hem bemerkte, zeide hij het aan zijn moeder, nam afscheid van haar,
sloot de deur en snelde hem tegemoet.
De Afrikaansche toovenaar verwelkomde Aladdin allervriendelijkst.
"Komaan, mijn beste jongen", zei hij met een lachend gezicht tot hem,
"vandaag zal ik je mooie dingen laten zien".
Hij voerde hem een poort uit, voorbij groote en mooie huizen, of
liever langs prachtige paleizen, waarvan elk een zeer mooien tuin
had, waarin men vrij mocht rondwandelen. Bij elk paleis dat zij
voorbij kwamen vroeg hij Aladdin, of het hem beviel, en Aladdin,
die hem gewoonlijk vóór was, zeide, zoodra hij weer een ander zag:
"Oh! lieve oom! dit is nog veel prachtiger dan alle vorige!"
Ondertusschen gingen zij steeds verder en de listige toovenaar,
die dit slechts deed, om het plan, dat hij in zijn hoofd had, te
kunnen uitvoeren, trad eindelijk een dezer tuinen in. Hij zette zich
neer naast een groot bekken, waarin door een bronzen leeuwenmuil
kristal-helder water stroomde, en hij hield zich vermoeid, opdat
Aladdin eveneens zou gaan uitrusten.
"Beste neef", zeide hij tot hem, "je zult wel even vermoeid zijn als
ik; laat ons hier wat gaan uitrusten, om nieuwe krachten te verzamelen;
wij zullen daarna met nieuwen moed onze wandeling kunnen voortzetten."
Toen zij zich gezet hadden, haalde de Afrikaansche toovenaar uit
een doos, die aan zijn gordel bevestigd was, koeken en allerlei
soorten van vruchten, die hij als mondvoorraad meegenomen had, en
spreidde alles op den rand van het bassin uit. Hij deelde een koek met
Aladdin, en uit de meegebrachte vruchten liet hij hem naar welgevallen
kiezen. Tijdens dit kleine maal maande hij zijn zoogenaamden neef aan,
zich los te maken van den omgang met kinderen, daarentegen zich aan te
sluiten bij wijze en verstandige mannen, naar dezen te luisteren en uit
hunne gesprekken leering te putten. "Spoedig", zei hij tot Aladdin,
"zul je een man zijn, gelijk zij, en je kunt je er niet vroeg genoeg
aan gewennen, naar hun voorbeeld verstandig te redeneeren."
Toen zij den kleinen maaltijd geëindigd hadden, stonden zij op en
zetten hun wandeling dwars door de tuinen voort, die van elkaar slechts
door smalle greppels gescheiden waren, welke de grens vormden, zonder
nochtans de verbinding te belemmeren. Het wederzijdsch vertrouwen, dat
de bewoners dezer stad jegens elkaar hadden, deed hen alle verdere
voorzorgsmaatregelen om booswillige benadeelingen te voorkomen,
als onnoodig beschouwen. Ongemerkt voerde de Afrikaansche toovenaar
Aladdin tamelijk ver buiten de tuinen en doorwandelde met hem de
vlakte, die hen langzamerhand in de nabijheid der bergen voerde.
Aladdin, die in zijn leven nog nooit zoo'n verren weg afgelegd had,
voelde zich door dezen marsch zeer vermoeid en zeide tegen den
Afrikaanschen toovenaar: "Waarheen gaan wij dan, lieve oom? Wij
hebben de tuinen reeds ver achter ons gelaten en ik zie niets meer
dan bergen. Wanneer wij nog langer zoo voortgaan, weet ik niet,
of ik nog kracht genoeg zal hebben, om naar de stad terug te keeren."
"Verlies den moed maar niet", antwoordde de valsche oom; "ik wil
je nog een anderen tuin laten zien, die alle, welke je tot nu toe
gezien hebt, verre overtreft; hij is slechts een paar schreden hier
vandaan, en wanneer wij eenmaal daar zijn, dan zul je zelf zeggen,
dat het je erg gespeten zou hebben, als je hem niet gezien had,
na er zoo dicht bij te zijn gekomen." Aladdin liet zich overreden,
en de toovenaar voerde hem nog zeer ver, terwijl hij hem met allerlei
aardige verhalen onderhield, om hem den weg minder vervelend en de
vermoeidheid dragelijker te maken.
Eindelijk kwamen zij tusschen twee bergen van middelmatige hoogte, die
tamelijk gelijk en slechts door een smal dal gescheiden waren. Dit was
't merkwaardige oord, waarheen de Afrikaansche toovenaar Aladdin had
willen brengen, om een groot plan met hem uit te voeren, ter wille
waarvan hij van het uiterste eindje van Afrika naar China gereisd was.
"Hier zijn we, waar wij wezen moeten", zeide hij tot Aladdin; "ik
zal je hier buitengewone dingen toonen, die alle overige stervelingen
onbekend zijn. Wanneer je ze gezien zult hebben, zul je er mij dankbaar
voor zijn, dat ik je tot getuige van zoovele wonderdingen gemaakt heb,
die behalve jij nog nooit iemand gezien heeft. Terwijl ik nu met het
staal vuur maak, leg je hier zooveel droge takjes op elkaar, als je
slechts vinden kunt, opdat wij een vuur kunnen aanmaken."
Er lag hier zooveel droog hout, dat Aladdin weldra een meer dan
voldoenden hoop ervan bijeen had, terwijl de toovenaar een zwavelstokje
aanstak. Hij maakte daarmee het vuur aan, en op het oogenblik, dat
het hout opvlamde, wierp de toovenaar er allerlei reukwerken op,
die hij reeds gereed had gehouden. Een dikke rook steeg omhoog,
dien hij nu eens dezen, dan weer genen kant uitwendde, terwijl hij
allerlei tooverwoorden uitsprak, waarvan Aladdin niets verstond.
Plotseling dreunde de aarde een beetje, opende zich voor den
toovenaar en Aladdin, en liet een steen te voorschijn komen, die
omstreeks anderhalve voet in 't vierkant, ongeveer een voet dik was,
en waterpas lag, met een in het midden vastgemaakten bronzen ring,
om hem daaraan op te tillen. Aladdin schrok hevig van alles, wat voor
zijn oogen gebeurde, en wilde op de vlucht gaan. Maar hij was voor
deze geheimzinnige handeling noodwendig en daarom hield de toovenaar
hem vast, schold hem duchtig uit en gaf hem een zoo harde oorvijg,
dat hij op den grond viel; het scheelde weinig, of hij had hem de
voorste tanden uitgeslagen en zijn mond bloedde hevig. Sidderend en
met tranen in de oogen riep de arme Aladdin: "Maar oom, wat heb ik
dan gedaan, dat gij mij zoo gruwzaam slaat?"
"Ik heb er mijn redenen voor", antwoordde de toovenaar. "Ik ben je
oom, die thans je vader's plaats bij je inneemt, en je mag mij in
niets tegenspreken. Maar", voegde hij er op wat zachteren toon bij,
"je behoeft niet bang te zijn, mijn zoon; ik verlang alleen, dat je
mij stipt gehoorzaamt, indien je je de groote voordeelen die ik je
schenken wil, wilt waardig maken en ze gebruiken".
Deze mooie beloften van den toovenaar stelden den verschrikten en
vertoornden Aladdin een beetje gerust, en toen de toovenaar hem weer
heel goed geluimd zag, ging hij voort: "Je hebt gezien, wat ik vermag
door de kracht van mijn reukwerk en de woorden, die ik sprak. Verneem
nu, dat hier onder dezen steen een schat verborgen ligt, die voor
jou bestemd is, en je eenmaal rijker zal maken, dan de grootste
koningen der aarde. Dit is zoo zeker waar, dat het geen mensch op de
gansche wereld buiten jou geoorloofd is, dezen steen aan te raken,
of op te tillen, om hier binnen te komen. Ja, ik zelf mag hem ook niet
aanraken of ook zelfs een voet in dit schatgewelf zetten, wanneer het
geopend zal zijn. Derhalve moet gij precies en punt voor punt doen,
wat ik zeg, zonder iets te verzuimen. Deze zaak is zoowel voor jou
als voor mij van groot belang."
Aladdin, immer nog vol verwondering over alles wat hij zag, en den
toovenaar van een schat hoorende spreken, die hem voor altijd gelukkig
maken zou, vergat alles wat er was voorgevallen.
"Welnu, lieve oom", zeide hij tot den toovenaar, terwijl hij opstond,
"wat moet ik doen? Beveel slechts, ik ben bereid te gehoorzamen."
"Het verheugt mij zeer, lieve kind", zeide de Afrikaansche toovenaar,
terwijl hij hem omarmde, "dat gij hiertoe besloten zijt. Kom hier,
grijp dezen ring en til den steen in de hoogte."
"Maar oom", antwoordde Aladdin, "ik ben te zwak, om hem op te tillen;
gij moet mij daarbij helpen."
"Neen", sprak de Afrikaansche toovenaar, "jij hebt mijn hulp niet
noodig en wij zouden beiden niets uitrichten, wanneer ik je hielp;
jij moet hem heelemaal alleen opheffen. Spreek slechts den naam van
je vader en van je grootvader uit, als je den ring in de hand neemt,
en til hem in de hoogte; je zult zien, dat hij zonder moeite zal
meegeven!"
Aladdin deed, zooals de toovenaar hem gezegd had, hief den steen met
gemak op en legde hem terzijde.
Toen de steen weggenomen was, zag hij een drie tot vier voet diep
hol met een kleine deur en een trap, om nog verder af te dalen.
"Mijn zoon", sprak thans de Afrikaansche toovenaar tot Aladdin,
"let nu goed op alles wat ik je ga zeggen. Daal in dit hol af en
wanneer je beneden op de laatste trede gekomen bent, dan zul je een
open deur zien, die je in een groote gewelfde ruimte zal voeren,
welke in drie groote, op elkaar volgende zalen verdeeld is. In elk
daarvan zal je rechts en links vier bronzen vazen, zoo groot als
tobben, vol goud en zilver zien staan; maar zorg er wel voor, er
niets van aan te raken. Eer je de eerste zaal binnentreedt, til je
je mantel op en sluit hem eng om je lichaam. Wanneer je daar binnen
bent, ga dan zonder je op te houden, recht door naar de tweede,
en vandaar, eveneens zonder stil te staan, naar de derde zaal. Pas
voor alles op, niet te dicht bij de wanden te komen, of ze zelfs met
je kleeren aan te raken; want in dat geval zou je op de plaats dood
blijven. Daarom heb ik je gezegd, je mantel dicht tegen je aan te
drukken. Aan het einde der derde zaal is een deur, die je in een met
prachtige en rijk beladen vruchtboomen beplanten tuin voeren zal. Ga
dan steeds rechtuit, en dwars door den tuin zal een weg je naar een
trap van vijftig treden voeren, langs welke je op een terras klimmen
kunt. Zoodra je boven op het terras gekomen bent, zul je een nis voor
je zien en daarin een brandende lamp. Neem deze lamp op, blusch haar
uit, gooi de pit benevens de brandbare vloeistof op den grond, stop
haar dan tusschen je kleeren op de borst, en breng ze mij. Vrees niet,
je kleeren daardoor vuil te maken, want de vloeistof is geen olie, en
de lamp zal terstond droog zijn, zoodra je haar leeggegoten hebt. Heb
je trek in de vruchten in den tuin, dan kun je er gerust van nemen
zooveel ge lust; dit is je niet verboden."
Zoo sprekende, trok de Afrikaansche toovenaar een ring van zijn vinger,
en stak hem aan den vinger van Aladdin.
"Dit", zeide hij, "is uw voorbehoedmiddel tegen alle ongeluk, dat je
zou kunnen treffen, indien gij slechts stipt alle voorschriften in acht
neemt. En ga nu, mijn zoon", voegde hij er bij, "daal onbevreesd den
trap af. Dan hebben wij beiden voor ons gansche leven geld als water."
Aladdin sprong met lichten voet het hol in en ging den trap af. Hij
vond de drie zalen, die hem de Afrikaansche toovenaar beschreven
had, en ging er uiterst behoedzaam doorheen, wijl hij anders
vreesde te moeten sterven, indien hij niet precies deed, wat hem
was voorgeschreven. Zonder uit te rusten, ging hij den tuin door,
klom naar het terras op, nam de brandende lamp uit de nis, gooide de
pit en de brandbare vloeistof op den grond, en toen hij haar droog
zag, zooals de toovenaar hem gezegd had, verborg hij haar op zijn
borst en daalde den trap weer af. In den tuin verwijlde hij bij 't
aanschouwen der vruchten, die hij voorheen slechts in 't voorbijgaan
gezien had. De boomen in dezen tuin droegen alle zeer buitengewone
vruchten, en wel ieder weer van een andere soort. Men zag er witte,
helglinsterende en als kristal doorzichtige; roode, deels donker,
deels hel; groene, blauwe, violette, gele, en zoo van alle mogelijke
kleuren. De witte waren parelen, de helglinsterende en doorzichtige
diamanten, de donkerroode robijnen, de groene smaragden, de blauwe
turkooizen, de violette amethysten, de gele saffieren enz. En deze
vruchten waren alle zoo groot en volkomen, dat men op de gansche wereld
niets dergelijks gezien heeft. Aladdin, die hare waarde niet kende was
om den aanblik dezer vruchten, die niet naar zijn smaak waren, weinig
verheugd; vijgen, druiven en andere edele fruitsoorten, die in China
inheemsch zijn, waren hem liever geweest. Hij had echter ook nog niet
den leeftijd bereikt, dat men van zulke zaken veel verstand heeft,
en zoo verbeeldde hij zich, dat deze vruchten slechts geschilderde
glazen waren, en verder geen waarde hadden. Trots dat alles wekte
de verscheidenheid der mooie kleuren en de buitengewone grootte
en schoonheid van elke vrucht, de begeerte bij hem op, van iedere
soort eenige te plukken. Hij nam daarom van elke kleur verscheidene,
vulde daarmee zijn beide zakken en twee heel nieuwe tasschen, die
de toovenaar tegelijk met de kleeren, die hij hem geschonken had,
gekocht had, opdat hij niets anders dan nieuwe zaken hebben zou;
en daar de beide tasschen geen plaats meer vonden in zijn zakken,
die reeds geheel vol waren, maakte hij ze aan zijn gordel vast,
aan elke zijde één. Ook stopte hij nog enkele vruchten in de vouwen
van zijn gordel, die van blauwe zijde en dubbel gevoerd was; en borg
voorts nog ettelijke op zijn borst tusschen zijn kleed en het hemd.
Nadat hij zich zoo, zonder het te weten, met rijkdommen beladen
had, keerde Aladdin snel door de drie zalen weer terug, om den
Afrikaanschen toovenaar niet te lang te laten wachten; hij ging met
dezelfde behoedzaamheid als de eerste maal, klom weer op, waar hij
eerst was afgedaald en vertoonde zich aan den ingang van het hol, waar
de Afrikaan hem met ongeduld wachtte. Zoodra Aladdin hem zag, riep hij
hem toe: "Lieve oom, ik bid u, geef mij een hand, en help mij eruit."
"Mijn zoon", antwoordde hem de Afrikaansche toovenaar, "geef mij
eerst de lamp; ze kan je hinderlijk zijn."
"O neen, beste oom, ze hindert mij volstrekt niet", zeide Aladdin;
"ik zal ze u geven, zoodra ik boven ben."
De Afrikaansche toovenaar stond er op, dat Aladdin hem eerst de
lamp zou overhandigen, eer hij hem uit het hol hielp, en Aladdin,
die de lamp met alle vruchten, die hij bij zich gestoken had,
verpakt had, weigerde volstrekt, ze hem te geven, eer hij uit het
hol was. Toen geraakte de Afrikaansche toovenaar, van ergernis over
de weerspannigheid van den jongen Aladdin in een vreeselijke woede,
wierp eenig reukwerk op het vuur, dat hij zorgvuldig onderhouden had,
en nauwelijks had hij twee tooverwoorden gesproken, of de steen, die
als deksel voor de opening van het hol diende ging van zelf, benevens
de aarde daarover, op zijn vorige plaats terug, zoodat alles weer in
denzelfden toestand kwam als vóor de aankomst van den Afrikaanschen
toovenaar en Aladdin.
De Afrikaansche toovenaar was inderdaad geen broeder van den kleermaker
Moestafa, waarvoor hij zich uitgegeven had, en derhalve ook niet
Aladdin's oom. Hij was werkelijk geboortig uit Afrika, en daar Afrika
een land is, waar men meer dan ergens anders op tooverij verzot is,
zoo had hij zich van zijn jeugd af daarop toegelegd, en nadat hij zich
ongeveer 40 jaar lang met tooneelkunsten, met de punteerkunst, [3]
met reukoffers en met de lectuur van tooverboeken had bezig gehouden,
was hij eindelijk tot de ontdekking gekomen, dat er in de wereld een
tooverlamp was, welker bezit hem machtiger dan alle koningen der aarde
maken zou, indien hij haar in zijn bezit kon brengen. Door een laatste
proef met de punteerkunst had hij gevonden, dat deze lamp zich op een
onderaardsche plaats midden in China bevond, en wel in de streek en
met al de omstandigheden die ons reeds bekend zijn. In het vast geloof
aan de waarheid zijner ontdekking was hij, zooals gezegd is, van het
uiterste einde van Afrika gereisd en na een langen, moeitevollen tocht
in de stad gekomen, welke in de nabijheid van zijn schat lag. Maar
ofschoon de lamp zich zeer zeker op die bewuste plaats bevond, was
't hem toch niet veroorloofd, haar zelf te halen of persoonlijk in
het onderaardsche verblijf te treden, waar zij te vinden was. Een
ander moest er in afdalen, haar halen en hem overhandigen. Daarom had
hij zich tot Aladdin gewend dien hij voor een onbeduidenden jonkman
hield, zeer geschikt, hem den noodigen dienst te bewijzen; daarbij
was hij vast besloten, zoodra hij de lamp in handen zou hebben, het
laatste reeds genoemde reukoffer te doen, de twee tooverwoorden uit
te spreken, die de reeds bovengenoemde werking zouden hebben, om zoo
den armen Aladdin aan zijn hebzucht en zijn boosheid op te offeren, en
geen getuige meer in hem achter te laten. De oorvijg dien hij Aladdin
gaf, en het gezag dat hij zich op hem aangematigd had, moesten dezen
er alleen aan gewennen hem te vreezen en hem stipt te gehoorzamen,
opdat hij hem de beroemde tooverlamp terstond zou overhandigen,
zoodra hij het verlangde.
Intusschen gebeurde juist het tegendeel van dat, wat hij beoogd
had. Bovendien haastte de boosaardige zich alleen daarom zoo zeer,
den armen Aladdin in het verderf te storten, wijl hij vreesde, wanneer
hij nog langer met hem twistte, dat wellicht deze of gene het hooren
kon, en zijne belangrijke geheimen openbaren.
Toen de Afrikaansche toovenaar zich in zijn stoutste en schoonste
verwachtingen voor immer teleurgesteld zag, bleef hem niets anders
over dan naar Afrika terug te keeren, 't geen hij dan denzelfden
dag ook deed. Hij maakte een omweg om niet meer de stad aan te doen,
welke hij met Aladdin verlaten had; want hij moest werkelijk vreezen,
dat meerdere personen die hem met dezen jongen hadden zien heengaan,
het nu vreemd zouden vinden, hem thans alleen terug te zien komen.
Naar alle waarschijnlijkheid was Aladdin verloren. Maar hij, die hem in
't verderf poogde te storten, had er niet aan gedacht, dat hij hem zelf
een ring aan den vinger gestoken had, die tot zijn redding dienen kon.
En werkelijk werd Aladdin, door dezen ring, welks kracht hij niet
kende, gered, en het is te verwonderen, dat dit verlies, te zamen
met dat der lamp, den toovenaar niet in de grootste wanhoop gestort
heeft; maar toovenaars zijn zoo zeer aan tegenspoeden en aan het niet
verwezenlijken hunner wenschen gewoon, dat zij, zoo lang zij leven,
niet ophouden zich te verblijden met luchtkasteelen en hersenschimmen.
Aladdin, die na zoovele liefkoozingen en geschenken op deze slechtheid
van zijn zoogenaamden oom in 't geheel niet verdacht was, bevond
zich in een ontsteltenis, die zich gemakkelijker denken, dan met
woorden beschrijven laat. Toen hij zich zoo opeens levend begraven
zag, riep hij duizendmaal zijn oom bij den naam en verklaarde, dat
hij hem de lamp gaarne zou geven; maar zijn roepen was tevergeefs,
hij kon niet meer gehoord worden en moest alzoo in zwarte duisternis
blijven. Eindelijk, nadat hij zijn tranen gedroogd had, klom hij weer
langs den trap van het hol naar omlaag, om in den tuin, waardoor hij
reeds gekomen was, en in het heldere daglicht te geraken. Maar de
muur, die zich voor hem door tooverij geopend had, had zich intusschen
door een nieuwe tooverij weer gesloten en bijeen gevoegd. Hij poogde
meermalen rechts en links vooruit te komen, zonder nochtans een deur
te vinden. Nu begon hij opnieuw te huilen en te snikken en zette zich
eindelijk op de treden van het hol neer, zonder hoop, ooit weer het
daglicht te zien, maar integendeel met de treurige zekerheid uit de
duisternis, waarin hij zich thans bevond, in die van een spoedigen
dood over te gaan.
Twee dagen bleef Aladdin in dezen toestand zonder te eten of
te drinken. Eindelijk op den derden dag, toen hij zijn dood als
onvermijdelijk beschouwde, hief hij de gevouwen handen omhoog en
riep met volle gelatenheid in Gods wil uit: "Er is geen kracht en
geen macht dan bij God den allerhoogsten en grootsten!"
Terwijl hij zoo de handen gevouwen had, wreef hij, zonder er bij
te denken, tegen den ring, dien hem de Afrikaansche toovenaar aan
den vinger gestoken had en welks kracht hij nog niet kende. Weldra
steeg voor hem een geest als uit de aarde, van ongehoorde grootte
en schrikwekkend uiterlijk, die met zijn hoofd den bovenrand van 't
hoogste gewelf aanraakte en sprak de volgende woorden tot Aladdin:
"Wat wilt gij? Ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als de
slaaf van al degenen, die den ring aan den vinger hebben, zoowel ik
als de andere slaven van den ring."
Op elken anderen tijd en bij iedere andere gelegenheid zou Aladdin,
die aan dergelijke verschijningen niet gewoon was, bij den aanblik
eener zoo buitengewone gestalte door schrik zijn aangegrepen, zoodat
hij de spraak verloren zou hebben. Thans echter, nu hij alleen aan
het gevaar dacht, waarin hij zweefde, antwoordde hij zonder schroom:
"Wie gij ook zijn moogt, verlos mij uit dit oord, indien het in uw
macht staat." Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de aarde
opende zich, en hij bevond zich buiten het hol, juist op de plaats,
waarheen de toovenaar hem gevoerd had.
Men zal het niet bevreemdend vinden, dat Aladdin, die zoolang in de
diepste duisternis gebleven was, in het eerst het daglicht nauwelijks
verdragen kon. Eerst langzamerhand gewende hij zich er aan, en toen
hij rondkeek, was hij zeer verbaasd, geen opening in de aarde te zien;
het was hem onbegrijpelijk, op welke wijze hij zoo ineens uit haren
schoot te voorschijn was gekomen. Slechts aan de plek, waar het hout
verbrand was geworden, herkende hij de plaats weer, waaronder het hol
zich bevond. Toen hij zich hierop naar de stad toekeerde, zag hij
haar te midden der haar omringende tuinen, en herkende ook den weg
langs welken hem de Afrikaansche toovenaar hierheen gevoerd had. Hij
wandelde dienzelfden weg weer terug en dankte God, dat hij zich nog
eens op de aarde terugzag, nadat hij reeds de hoop opgegeven had,
meer daarop terug te komen. Zoo bereikte hij de stad en sleepte zich
met veel moeite voort tot aan zijn woning. Toen hij in de kamer zijner
moeder trad, viel hij uit vreugde over het wederzien, verbonden met
de door zijn driedaagsch vasten veroorzaakte zwakte, in een onmacht,
die eenigen tijd duurde. Zijn moeder, die hem reeds als verloren of als
dood beweend had, liet het thans, nu zij hem in dezen toestand zag,
aan geen oppassen en aan geen middel ontbreken, om hem weder in 't
leven terug te brengen. Eindelijk kwam hij weer bij, en zijn eerste
woorden waren: "Lieve moeder, geef mij asjeblieft vóór alles wat
eten; ik heb sedert drie dagen nog niets over de lippen gehad." Zijn
moeder bracht hem, wat zij juist had, zette 't hem voor en zeide:
"Beste jongen, eet niet te haastig, want het kan je schaden; eet
heel langzaam en op je gemak, en neem je wel in acht, hoe hongerig je
ook bent. Ik verlang niet eens, dat je al tegen mij zult spreken. Je
hebt immers nog tijd genoeg, mij je lotgevallen te vertellen, wanneer
je weer heelemaal hersteld bent. Na de groote droefheid, waarin ik
sinds Vrijdag verkeerd heb, en na de onzeggelijke moeite, die ik mij
gegeven heb, om onderzoek naar je te doen, toen het nacht werd en je
niet naar huis kwam, ben ik volkomen tevreden, je maar weer te zien."
Aladdin volgde den raad zijner moeder, at langzaam en kalm, en
dronk evenzoo. Toen hij klaar was zeide hij: "Lieve moeder, ik kon u
eigenlijk bittere verwijten doen, dat ge mij zonder eenige bedenking
aan een man toevertrouwd hebt, die het plan had, mij in 't verderf te
storten, en op dit oogenblik er vast van overtuigd is, dat ik niet
meer in leven ben, of tenminste elk oogenblik sterven kan; doch gij
hebt geloofd, dat het mijn oom was, en ik geloofde dit ook. Hoe hadden
wij ook anders kunnen denken van een man, die mij met liefkoozingen
en geschenken overlaadde en mij zulke schitterende beloften deed. Gij
moet echter weten, lieve moeder, dat hij een verrader, een booswicht,
een schurk is. Hij heeft mij alleen daarom zooveel geschenken en
beloften gegeven, wijl hij mij in 't verderf wilde storten, zonder
dat gij noch ik in staat waren, de oorzaak te raden. Ik van mijn
kant kan verzekeren, dat ik hem nimmer de minste reden gegeven heb,
mij te mishandelen. U zult dit zelf kunnen beoordeelen uit 't juiste
verhaal dat ik u thans van alles vertellen zal, wat van onze scheiding
of tot de uitvoering van zijn heilloos plan voorgevallen is."
Aladdin begon zijn moeder te vertellen, wat er met hem sedert Vrijdag
gebeurd was; waar de toovenaar hem afgehaald had, om de paleizen en
tuinen buiten de stad met hem te bezien; verder, wat hem onderweg tot
aan de plaats tusschen de twee bergen, waar de groote tooverij gebeuren
zou, overkomen was, en hoe tengevolge van een reukwerk, dat in 't vuur
geworpen werd en eenige tooverwoorden de aarde zich oogenblikkelijk
geopend had, en de ingang van een hol zichtbaar geworden was, dat
naar een onmetelijken schat gevoerd had. Ook de oorvijg vergat hij
niet, en de manier, waarop de toovenaar, nadat hij weer wat kalm
geworden was, hem door groote beloften en door de schenking van een
ring overgehaald had, in het hol af te dalen. Daarna vertelde hij
uitvoerig, wat hij op zijn heen- en terugweg in de drie groote zalen,
in den tuin en op het terras gezien en hoe hij daar de lamp gehaald
had. Tegelijkertijd haalde hij haar uit zijn boezem te voorschijn en
toonde haar aan zijn moeder, benevens de doorzichtige en bontgekleurde
vruchten, die hij op zijn terugweg in den tuin afgeplukt had. Ook
gaf hij haar de twee volle buidels, waarom zij echter weinig gaf. En
toch waren deze vruchten edelgesteenten, welker flonkerende glans bij
het schijnsel der lamp, dat de kamer verlichtte, op hun groote waarde
opmerkzaam had moeten maken; maar Aladdin's moeder had van dergelijke
dingen even weinig verstand als haar zoon. Zij was in groote armoede
opgegroeid en haar man was niet vermogend genoeg geweest, haar zulke
kostbaarheden te schenken; ook bij haar buurvrouwen en vriendinnen
had zij nooit zulke zaken gezien. Geen wonder alzoo, dat zij ze voor
waardelooze dingen aanzag, die hoogstens daarvoor goed waren, de oogen
te verlustigen door de verscheidenheid hunner kleuren; vandaar ook,
dat Aladdin ze weglegde achter een der kussens van de sofa, waarop
hij zat. Hij voltooide daarna het verhaal zijner avonturen, en zeide,
hoe hij weer uit het hol had willen komen, hoe de toovenaar de lamp
opgeëischt had, en hoe daarna, op zijn weigering door het reukwerk,
dat de toovenaar in het nog brandende vuur geworpen had, en eenige
daarbij gesproken woorden, de opening van het hol zich oogenblikkelijk
weer gesloten had. Niet zonder tranen kon hij haar den ongelukkigen
toestand schilderen, waarin hij zich bevonden had, toen hij zich
in het fatale hol levend begraven zag, tot het oogenblik, dat hij
tengevolge van de aanraking met den ring, welks eigenschappen hij nog
niet gekend had, weer te voorschijn en om zoo te zeggen voor de tweede
maal op de wereld gekomen was. Toen hij zijn vertelling geëindigd had,
zeide hij tot zijn moeder: "Het overige behoef ik u niet te vertellen,
het is u bekend. Gij ziet thans welke avonturen en gevaren ik sedert
onze scheiding beleefd heb."
Aladdin's moeder had geduldig deze wonderbare en zeldzame, tevens
echter voor een moeder, die haar zoon trots al zijn gebreken teeder
liefheeft, zoo droevige geschiedenis aangehoord.
Alleen bij de roerendste gedeelten, waar de boosheid van den
Afrikaanschen toovenaar zoo duidelijk aan 't daglicht kwam, kon zij
haar afschuw niet verbergen. Thans echter, nu Aladdin geëindigd had,
liet zij zich in duizend smaadwoorden tegen den bedrieger uit; zij
noemde hem een verrader, een schurk, een onmensch, een sluipmoordenaar,
leugenaar, toovenaar, een vijand en verderver van het menschelijk
geslacht. "Ja, mijn zoon", voegde zij er bij, "het is een toovenaar, en
de toovenaars zijn een ware pest der menschheid; zij hebben, dank zij
hun toovenarijen en hekserijen, verkeer met de booze geesten. God zij
geloofd, die verhoed heeft, dat zijn vreeselijke slechtheid haar doel
bij je bereikte. Gij zijt hem voor de genade, die hij je bewezen heeft,
grooten dank schuldig; je dood ware onvermijdelijk geweest, wanneer
je je zijner niet herinnerd, en hem om hulp aangeroepen hadt." Zoo
sprak zij nog veel meer, om haar afschuw over het verraad van den
toovenaar uit te drukken. Eindelijk echter bemerkte zij, dat Aladdin,
die sedert drie dagen niet geslapen had, de rust noodig behoefde; zij
bracht hem daarom te bed en legde zich spoedig daarop eveneens neder.
Aladdin, die in het onderaardsch verblijf, waar hij moorddadigerwijze
begraven geweest was, geen rust genoten had, sliep den ganschen nacht
vast en ontwaakte den volgenden morgen eerst zeer laat. Hij stond op,
en het eerste, dat hij tot zijn moeder zeide, was, dat hij honger had,
en dat zij hem geen grooter genoegen kon doen, dan wanneer zij hem
een ontbijt gaf.
"Ach, beste jongen", antwoordde zij, "ik heb ook geen enkelen
hap brood; je hebt gisteravond 't weinige dat nog in huis was,
opgegeten. Maar heb slechts even geduld, dan zal ik spoedig iets
brengen. Ik heb wat boomwol gesponnen, dat wil ik verkoopen om brood
en iets voor het middagmaal aan te schaffen."
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "bewaar uw wol voor een anderen
keer en geef mij de lamp, die ik gisteren meebracht. Ik wil haar
verkoopen, en wellicht krijg ik er zooveel voor, dat wij ontbijt
en middageten, en misschien nog zelfs iets voor den avond er voor
koopen kunnen."
Aladdin's moeder haalde de lamp en zeide tot haar zoon: "Daar heb je
ze, ze is echter vuil. Ik zal haar eerst wat oppoetsen, dan zal ze nog
wel wat meer waard zijn." Zij nam water en fijn zand om haar blank
te maken, maar nauwelijks was zij begonnen de lamp te wrijven, toen
oogenblikkelijk in tegenwoordigheid van haar zoon een afschuwelijke
geest van reusachtige grootte voor haar verscheen en met donderende
stem tot haar sprak: "Wat wilt gij? Ik ben bereid, u te gehoorzamen als
uw slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben,
zoowel ik als de andere slaven der lamp."
Aladdin's moeder was niet in staat te antwoorden. Haar oogen konden de
afschuwelijke en verschrikkelijke gestalte van den geest niet verdragen
en zij was al bij zijn eerste woorden van angst in onmacht gevallen.
Aladdin daarentegen, die reeds in het hol een dergelijke verschijning
gezien had, raapte snel, zonder den tijd of de bezinning te verliezen,
de lamp op, en antwoordde in plaats van zijn moeder op vasten toon:
"Ik heb honger, breng mij wat te eten."
De geest verdween, maar kwam in een oogenblik weer terug met een
groote zilveren schaal op het hoofd, waarin zich twaalf gedekte
schotels van hetzelfde metaal, vol met de uitgezochtste spijzen,
benevens zes brooden van het fijnste meel bevonden, en twee flesschen
met den kostelijksten wijn, benevens twee zilveren drinkschalen in
de hand. Hij plaatste alles te zamen op de sofa en verdween terstond.
Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin's moeder nog niet
tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal
verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was,
haar water in 't gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen;
maar 't zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren,
't zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets
toe bijdroeg, in 't kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.
"Lieve moeder", zeide Aladdin tot haar, "er gebeurt verder niets meer,
sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken en
tevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke
spijzen niet koud laten worden, maar eten."
Aladdin's moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal,
de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de
twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit
alle schotels opsteeg.
"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "waar komt deze overvloed vandaan,
en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht
de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons thans aan tafel
zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik
beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben."
Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak,
als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene
tafel bevonden hadden.
Onder den maaltijd kon Aladdin's moeder niet ophouden, de schaal en
de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed
wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon
was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen
de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering
bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.
Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen
te nuttigen, zaten op 't uur van 't middagmaal nog aan tafel. De
heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en
daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen,
wanneer zij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van
tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was,
bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar
ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.
Toen Aladdin's moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was
gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats
en zeide tot hem: "Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn
nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult."
Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht
tusschen den geest en hem voorgevallen was.
Aladdin's moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal
van haar zoon en de verschijning van den geest.
"Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?" vroeg
zij. "Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand
van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is
deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot
mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het
schattenhol verschenen is?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "de geest, die aan u verschenen
is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige
gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken
en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en
behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren,
dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik
aan den vinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide,
dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof
echter niet, dat u 't gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in
onmacht viel, zoodra hij begon te spreken."
"Wat!" riep Aladdin's moeder, "dus je lamp is schuld, dat deze
verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot
jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en
verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder
laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar
aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien
ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels
en onze profeet heeft het gezegd."
"Met uw verlof, lieve moeder", antwoordde Aladdin, "zal ik er thans
wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn,
te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet,
wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet
ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt
u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche
oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre
en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer
wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en
zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik,
zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende
de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets
van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toeval ons haar
geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke
gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen
niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten
uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan,
als ik haar noodig heb, wijl gij zulk 'n grooten angst voor de geesten
hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder
dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of
niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me
dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste
behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal
een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien,
en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!" Daar Aladdin's opmerking zeer
juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.
"Lieve zoon", zeide zij tot hem, "je kunt doen, wat je voor goed
houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik
verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit
meer met je daarover spreken zal."
Den volgenden dag, na 't avondeten, was er van al de heerlijke spijzen,
die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang
wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden
morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om
hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem
even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.
De koopman, een sluwe en doortrapte kerel, onderzocht hem, en daar
hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin,
wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en
nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel
't best zou weten wat 't ding waard was, en dat hij zich heelemaal op
zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid
door Aladdin's openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde
zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk
uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de
werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam
't geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand
hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde
winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat
hij Aladdin's volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel
niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in
verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets
van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel,
en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.
Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan,
kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker
voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan
zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige
levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.
Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht
achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor
den eersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige
minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een
goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten
schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote
schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde
haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen
moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen;
deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien
goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.
Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven
der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij
aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen
toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij
bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere
menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor
de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam
naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos
ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven
hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.
Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn
toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op,
welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het
zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond
verscheen weer dezelfde geest, die zich reeds eenmaal vertoond had;
wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder,
sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger:
"Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en
als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik,
als de andere slaven der lamp."
Aladdin antwoordde hem: "Ik heb honger; breng mij te eten." De
geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een
zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en
verdween weder.
Aladdin's moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende,
met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis
te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed
bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp
bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich
aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er
de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.
Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld
meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman,
dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij
voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig
en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte
hem, en riep hem toe, binnen te treden.
"Mijn zoon", zeide hij toen tot Aladdin, "ik heb je reeds verscheidene
malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien
koopman opzoeken en spoedig daarna met leege handen terugkomen. Dat
heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen
keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel
een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag,
en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je
dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien,
wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste
waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan
wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen."
In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde
Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem
den goudsmid. De grijsaard, die op 't eerste gezicht al zag, dat hij
van 't fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan
den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin
vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man
hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.
"Ha! die schurk!" riep de goudsmid uit. "Mijn zoon", voegde hij erbij,
"wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken;
maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel,
die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden
is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft."
De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin
de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij
hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig
goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.
"Daar heb je", zeide hij, "het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer
je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van
onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is,
dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op
het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en
daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk."
Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij
hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo'n groot voordeel getrokken
had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de
schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar
't gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke
geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar
hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten,
zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde
Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen
en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te
schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets
meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere
leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin
voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had,
lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van
het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.
In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te
zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels
der voornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen,
kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan
hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand
alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij
de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten,
welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets
dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare
edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten
van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar
hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en
mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij
in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had,
een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig
genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet,
en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk
te danken, tot hetwelk wij hem in 't vervolg onzer geschiedenis zullen
zien opklimmen.
Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met
luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel
en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest,
totdat de prinses Bedroelboedoer [4], de dochter van den sultan,
die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn. [5]
Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses
ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende
opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem
echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar
weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn
nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel,
dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het
badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht
tot aangezicht zien moest.
Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij
beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon,
zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot
aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter
haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam
zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk
was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist
op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met
ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit
zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de
schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord,
dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook
nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer
zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.
Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de
onjuistheid in van zijn tot nog toe gekoesterde meening, dat
alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere
gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje
de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses
ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij
had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en
zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond,
rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende
lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk
en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo
zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw
waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze
volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze
houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied
inboezemde.
Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos
geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het
heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn
hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning,
en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was,
en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar
bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den
rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te
verlaten en zich te verwijderen.
Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet
zoo verbergen, dat zijn moeder er niets van merkte. Zij was zeer
verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en
vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich
onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich
op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten,
voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses
Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het
avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was,
plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar
zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg,
zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote
moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding
veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer
terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat
het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te
krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak
van deze buitengewone verandering mede te deelen.
Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan
toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en
Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in 't minst tevreden gesteld
te hebben.
Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en
bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht
hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen,
dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn
moeder, die tegenover hem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het
volgende gesprek aanving.
"Lieve moeder", zeide hij tot haar, "ik wil thans het stilzwijgen
verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen
heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar
zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog
voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet
ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan,
dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.
"Het is", ging Aladdin voort, "in deze buurt niet bekend geworden,
en zoo kan u 't ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter
van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het,
toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit,
dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis
begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar
in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik
niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid,
haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur
van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor
het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur
geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk
zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij
voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn
onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge,
moeder, dat is de oorzaak van den toestand, waarin gij mij gisteren
gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond
niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet
beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt,
zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses
Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben,
haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken."
Aladdin's moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met
groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van
plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij
niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin
wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide
tot hem:
"Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat
je zulke dingen zeggen kunt?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik kan u verzekeren, dat ik niet
waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren
gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal
me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit
vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen."
"Waarlijk mijn zoon," antwoordde de moeder zeer ernstig, "ik kan niet
nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij
ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je
het kan wagen, je verzoek te laten doen."
"Door niemand anders dan door uzelf," antwoordde de zoon zonder
bedenken.
"Door mij!" riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; "en aan den
sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk 'n onderneming in
te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen", voer zij voort, "dat je
de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan
op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste
kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere
afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan
sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering
te komen?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "ik heb u reeds gezegd, dat ik
alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet
ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden,
noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik
heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses
Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u
met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren,
wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male
het leven te schenken."
Aladdin's moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de
hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan
vasthield.
"Mijn zoon", zeide zij nogmaals tot hem, "ik ben je moeder en als een
goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat
verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig
was, voor jou de dochter van een onzer buren tot vrouw te begeeren,
die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als
jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles
doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen
of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te
bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het
eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van
te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en
je armoede te denken, wil je je op 't hoogste toppunt van het geluk
verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en
gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven
en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft,
want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je
maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat
mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen
opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je
zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had,
ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn
geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over
te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts
toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik
aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg
jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens
aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan
te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan,
wanneer men om gerechtigheid smeekt, en dat hij ze zijn onderdanen
gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook,
dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt,
zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar
verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient
te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat
heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor
heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk
een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig
bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts
den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn
majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den
mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man,
jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid
vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon,
waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan,
wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een
geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit
goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek
afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk
geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat,
dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben,
in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan
hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert,
dat je onmogelijk verkrijgen kunt."
Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van
zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij
haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk
het woord en sprak: "Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote
vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer
ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang,
bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de
noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te
verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht,
welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen,
wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven
kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij
u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik
ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor
de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat
als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.
"U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor
den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou
zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe,
dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft,
dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik
toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij
een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer
zeker veel vreugde zullen bereiden. Ik spreek namelijk van de steenen
in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor
gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik
zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die
slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb
ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven:
alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met
de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat,
en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is
waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag
zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn,
dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft
daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past;
breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als
wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken."
Aladdin's moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten
uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking,
welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden
glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en
zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden;
want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een
lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem
vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was
destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts
als speelgoed beschouwd en ze alleen om deze reden meegenomen zonder
eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.
Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden,
nam Aladdin weder het woord en zeide: "U heeft thans geen uitvlucht
meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij
geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u
zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal."
Ofschoon Aladdin's moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en
zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht
ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in
dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam
zij steeds weer op Aladdin's verzoek terug, dat door het geschenk
gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.
"Mijn zoon", sprak zij tot hem, "ik begrijp wel, dat je geschenk een
goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal;
maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik
van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.
"Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het
geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren
zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen,
dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en
je zult zien, dat het zoo uitkomt."
"Maar", liet zij erop volgen, "onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld
kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht
genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt,
dan zal toch zeer zeker de sultan zich vroolijk over mij maken en
mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn
uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn."
Aladdin's moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon
op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses
Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat
hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom
bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den
een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar
tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.
Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor
den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd
de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken
van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen
in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots
alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet
overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen,
dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.
"Mijn zoon", zeide zij tot Aladdin, "wanneer de sultan mij zoo
welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij
ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan
denkt naar je vermogen en je stand te vragen--en dat zal hij voor alles
wenschen te vernemen--zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?"
"Lieve moeder", antwoordde Aladdin, "wij willen ons niet van te
voren om een zaak bekommeren, die wellicht heelemaal niet zal
voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en
welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat,
wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te
vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige
jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal."
Aladdin's moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat
de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten
kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar
gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van
hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan
te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide
tot haar: "In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan
hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen."
Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde
en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin's gemoed
vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw
op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten
spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis
gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en
de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting
van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.
Aladdin's moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de
met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een
dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen en sneeuwwitten, en toen
in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de
vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde
van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De
grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren
van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort
kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden,
was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was
bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang;
zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den
grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en
links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen,
op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend,
en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist,
tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan
stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terug naar zijn
kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en
leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die
wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat
zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in
't ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak
in een volgende zitting zou voorkomen.