Van dit stuk is geen afzonderlijke uitgave bekend; het schijnt eerst in
de verzameling van Sh.'s dramatische werken, de Folio-uitgave van 1623,
verschenen te zijn. Het behoort onder de stukken, die Francis Meres
in 1598 in zijn Palladis Tamia vermeldt. Men mag naar de kenmerken,
die stijl en versbouw bieden, als zeker aannemen, dat het niet lang
vóór 1596 geschreven is, en, met de andere koningstukken vergeleken,
nà Hendrik VI en Richard III, maar vóór Richard II, Hendrik IV en
Hendrik V.
Terwijl Sh. voor de andere genoemde historiespelen vooral de kroniek
van Holinshed (waarover later) bezigde, ligt aan den Koning Jan een
ander, uit twee deelen bestaand drama, van een ongenoemden schrijver,
ten grondslag, dat in 1591 verscheen en blijkens de proloog, die
van Marlowe's Tamerlan gewag maakt, omstreeks 1590 gespeeld moet
zijn. Doch al heeft Sh. aan dit stuk ook den gang der gebeurtenissen
ontleend (echter nog met een menigte wijzigingen), hij heeft toch op
zijn Koning Jan zoo zeer den stempel van zijn geest gedrukt, dat het
als een geheel oorspronkelijk werk gelden mag. Aan het schrijven van
den ouderen Koning Jan heeft Sh. ongetwijfeld niet het geringste deel
gehad; het is zeker niet een arbeid zijner jeugd, al heeft ook een
uitgever, die het stuk in 1611 nog eens uitgaf en dat van Sh. niet
machtig kon worden, ter wille van het debiet op den titel gezet:
"geschreven door W. Sh."; ja, al noemt een derde druk, van 1622 (dus
nà Sh.'s dood, maar vóór de uitgave zijner gezamenlijke drama's in
het licht gegeven), zijn naam voluit op den titel.
Men ziet uit het bovenstaande reeds, dat historiestukken in dien
tijd gewild waren; daaraan hebben wij inderdaad die van Shakespeare
te danken [1]. Evenzoo zag men, met name in den tijd van het tweede
keizerrijk op de Parijsche volkstheaters in de voorsteden niet zelden
het leven van Napoleon voorgesteld in zeer eigenaardige stukken,
half drama's, half tableaux vivants. Een hoofdzaak was, dat er veel in
getrommeld en geschoten werd en dat de groote armee overwon; het volk
was tevreden, als het zijn grooten keizer met zijn staf van beroemde
veldheeren en met zijn dappere soldaten in hun bekende uniformen
weder voor zich zag, den keizer nogmaals bij Marengo en Austerlitz zag
zegevieren; het was geroerd, als het hem bij Fontainebleau nogmaals
den adelaar zijner garde zag omhelzen. Of bij dit alles de historische
waarheid streng in acht werd genomen, deed minder ter zake.
Op gelijke wijze gaven in het laatste gedeelte der zestiende eeuw
de Londensche schouwburgen reeksen van tooneelen te aanschouwen
uit de Engelsche geschiedenis, vooral uit de oorlogen met Frankrijk,
waarbij dan steeds de dapperheid der Engelschen boven die der Franschen
moest uitkomen. De voornaamste personen: Talbot, Heetspoor, Warwick,
Hendrik V, Richard III, enz., hoezeer aan het publiek langzamerhand
zeer bekend, werden telkens met genoegen op nieuw gezien en de
samensteller dezer stukken kon zich gerust allerlei gewaagde sprongen
en weglatingen veroorloven, de toeschouwers waren met het onderwerp
genoeg vertrouwd, om hem te volgen; het kwam er vooral op aan,
de zwaarden en schilden goed te laten kletteren en de hoogdravende
taal der koningen en grooten met boertige tooneeltjes af te wisselen,
opdat de toeschouwers van allerlei aard, ieder op zijn wijze, konden
genieten. Bij den aanvang van Sh.'s loopbaan was er naar zulke stukken
veel vraag en ook Sh. leverde, wat verlangd werd; hij dramatiseerde de
Engelsche geschiedenis en schikte zich naar de behandelingswijze zijner
voorgangers, evenals de groote Italiaansche meesters de kerkelijke
legenden schilderden in den trant, die gewenscht werd. Maar gelijk
deze door de hoogte hunner kunst verre stonden boven handwerkslieden,
die dezelfde onderwerpen penseelden, staat Sh., als dramatisch genie
van den eersten rang, hoog boven al zijn voorgangers en tijdgenooten,
door het leven, waarmede hij zijn personen weet te bezielen, door
zijn kunst, om de gebeurtenissen uit het karakter der menschen te doen
voortvloeien, door de levendigheid en natuurlijkheid zijner vroolijke
tooneelen. Men zie eens, hoe de Bastaard in den loop van dit stuk uit
een wakkere, stoute borst zich tot een patriot en held ontwikkelt. Toch
dragen deze stukken, met name de eerst geschrevene, duidelijke sporen
van hun oorsprong uit de genoemde volksdrama's; de hoogdravendheid,
die wij hier en daar opmerken, de soms zorgelooze samenstelling, de
stoutheid, waarmede gebeurtenissen in korte trekken worden saamgevat,
de breede, veel plaats innemende uitwerking van enkele episoden,
met name van comische tafereelen, dit alles wijst hierop terug. Men
kan dan ook deze stukken geen eigenlijke drama's noemen, waaraan een
eenheid van handeling ten grondslag moet liggen; zij zijn veeleer
een aaneenschakeling van dramatische tooneelen, die meermalen schier
alleen daardoor samenhangen, dat dezelfde personen er in optreden;
soms is een enkel bedrijf of tooneel een geheel op zichzelf, dan weder
behoeft de dichter meer dan één stuk om den oorsprong, voortgang en
afloop eener handeling of gebeurtenis te verzinnelijken.
Van zelve komt de vraag in ons op, in hoeverre de voorstelling,
die Sh. van de personen en gebeurtenissen geeft, met de historische
waarheid overeenkomstig is. Ik meen deze vraag, die zich onwillekeurig
aan iederen lezer opdringt, hier bij dit eerste koningsstuk niet
beter te kunnen beantwoorden, dan met de getuigenis, door een beroemd
geschiedschrijver, Ranke, hieromtrent afgelegd [2]. Sh. bracht,
zooals toen volstrekt niet ongewoon was, een reeks van personen uit
de Engelsche geschiedenis ten tooneele. Met den lof, hem zoo mild
toegezwaaid, dat hij ze met historische trouw heeft teruggegeven, kan
men moeilijk instemmen. Of wie zou willen beweren, dat zijn Koning Jan
en Hendrik VIII, zijn Gloucester en Winchester, of wel zijn Pucelle
gelijken op de origineelen, wier naam zij dragen? De schrijver
behandelt de groote vragen, waarom het te doen is; terwijl hij de
kroniek zoo na mogelijk op den voet volgt en haar karakteristieke
trekken opneemt, deelt hij toch aan de personen een rol toe, die aan
zijn bijzondere opvatting beantwoordt; hij verleent aan de handeling
levendigheid door beweeggronden, die de geschiedenis niet zou vinden
en niet zou mogen aannemen; de karakters, die volgens de berichten
en waarschijnlijk ook in de werkelijkheid nevens elkander stonden,
treden bij hem uit elkander en hebben ieder hun eigen en eigenaardige
wijze van zijn; eenvoudige omstandigheden, die anders slechts in het
bijzonder leven van invloed zijn, doorkruisen de politieke handeling
en werken daardoor poëtisch met verdubbelde kracht. Maar indien alzoo
in bijzonderheden afwijkingen van de werkelijkheid zich voordoen,
zoo getuigt toch de keus der gebeurtenissen, die ten tooneele worden
gebracht, van een innig gevoel voor het historisch groote. Hij kiest
bijna altijd toestanden en verwikkelingen van de grootste beteekenis:
het ingrijpen der geestelijke macht in de burgertwisten, in Koning
Jan; den plotselingen val van een welgevestigd koningschap, wanneer
dit eenmaal de strenge lijn van het recht verlaat, in Richard II;
den tegenstand, door een met geweld ten troon gestegen vorst van de
vazallen, die hem ten troon hebben verheven, ondervonden, welke hem
door onophoudelijke zorg en inspanning den dood bereidt, in Hendrik
IV; het geluk van een voorspoedigen uitlandschen tocht, dien wij
van de eerste vastberaden voorbereiding volgen tot den gevaarlijken
strijd en de bevochten zege, en dan weer den ongelukkigen toestand,
waarin een door de natuur niet tot regent gevormde vorst tusschen de
naijverige en gewelddadige partijen geraakt, tot het zoo ver komt, dat
hij den herder benijdt, die bij zijn kudde rustige dagen doorleeft,
in Hendrik V en VI; eindelijk de weg der schrikverwekkende misdaad,
dien de voor den troon niet bestemde koningszoon betreedt, om dezen
toch te bestijgen; alles groote tafereelen in de geschiedenis der
staten, niet alleen voor Engeland van beteekenis, maar symbolisch voor
alle volken en hun vorsten. De vragen, in het parlement aanhangig,
of die van godsdienstigen aard, roert de dichter slechts zeer
zelden aan; en het mag wel opgemerkt worden, dat hij in Koning
Jan de groote belangen, die tot de Magna Charta voerden, zoo goed
als in het geheel niet vermeldt; daarentegen leeft hij en beweegt
hij zich in de persoonlijke twisten van den ouden vazallenstaat, de
wederkeerige rechten en plichten daarin. Een woord als dit: "zoo gij
koning zijt, ben ik Bolingbroke" (in Richard II) onthult ons geheel
het rechtsgevoel der middeleeuwen. De rede, die hij den bisschop van
Carlisle (mede in Richard II) in den mond legt, is voor alle tijden
geldig. De koningskroon, die de hoogste onafhankelijkheid verzekert,
schijnt den dichter de wenschelijkste van alle bezittingen; maar het
eerrijke goud verteert hem, die het draagt, door de onrustige zorg,
die het met zich brengt."
Met welk een vrijheid de dichter te werk gaat, kan zeer wel uit den
"Koning Jan" blijken. Niet alleen, dat hij vuurwapenen laat gebruiken
in een tijd, dat zij nog niet uitgevonden waren, en Richard Leeuwenhart
door den Hertog van Oostenrijk bij Limoges laat vallen, ook in
belangrijker opzichten is zijn voorstelling niet met de geschiedenis
in overeenstemming. Koning Jan en zijn grooten waren nog Fransche
Normandiërs, die in Engeland heerschten; de oudere Plantagenets
beschouwden hun groote leengoederen op het vasteland, waardoor zij
vazallen aan Frankrijk waren, maar een macht bezaten, grooter dan
die van hun leenheer, als hun eigenlijk vaderland; Engeland werd
toen inderdaad door Fransche koningen geregeerd; zijn belangen waren
geheel in strijd met die van zijn beheerders en het is voor Engeland
een geluk geweest, dat zijn zevende Fransche vorst, Koning Jan, een
nietige lafaard was, die zich uit Normandië liet verdrijven. Eerst toen
zijn Normandische edelen hadden moeten kiezen tusschen het vasteland
en het eiland, en door de zee op het laatste waren opgesloten,
begonnen de veroveraars en overwonnenen, die onder de heerschappij
van een slechten tyrannieken vorst, Koning Jan, dezelfde belangen te
verdedigen hadden, elkander in vriendschap te naderen en het aan Jan
afgedwongen Groot Charter was het eerste blijk hunner vereeniging,
uit welke het Engelsche volk geboren werd.--Toen deze eerste stap
gedaan was, werd in minder dan een eeuw de samenstelling voltooid;
en het onderscheid tusschen Saksers en Noormannen, bij het aanvaarden
der regeering door Jan nog zoo duidelijk zichtbaar, was tegen het
einde van de regeering zijns kleinzoons nagenoeg uitgewischt. Toen
Eduard III en na hem Hendrik V ter verovering van Frankrijk uittogen,
werd het een strijd van Engelschen tegen Franschen en de overwinningen
maakten een deel van Frankrijk tijdelijk tot een Engelsch wingewest,
de overwinnaars werden bij hun thuiskomst door het Engelsche volk
met geestdrift begroet.
Heeft Sh. hier alzoo de samensmelting der volksstammen te vroeg
als voldongen voorgesteld, heeft hij verder den valschen, laffen,
wreeden, steeds wankelenden koning Jan eigenlijk nog te gunstig
geteekend, toch is in dit stuk veel meer waarheid, dan men na het
gezegde vermoeden zou. Toen koning Richard gevallen was, stonden de
zaken inderdaad zoo, als hij ze schildert. Jan matigde zich, op een
uitersten wil van Richard Leeuwenhart steunende, de kroon aan; zijn
moeder Eleonore, een eergierige en schrandere vrouw, trok mede te velde
en verdedigde de Fransche provinciën bij afwezigheid van haar zoon;
de bekwame Philips August wierp zich ter bescherming van Arthur op,
onderhandelde persoonlijk met Jan en de vrede werd bezegeld door het
huwelijk van den Dauphijn met Blanca van Castilië, nicht van Koning
Jan; de kerk mengde zich inderdaad herhaaldelijk in de twisten;
Koning Jan brandschatte de geestelijkheid, verzette zich tegen de
benoeming van Stephen Langton tot aartsbisschop van Canterbury; door
Innocentius III werd het interdict over Engeland en kort daarna de
banvloek over den koning uitgesproken; adel en geestelijkheid vielen
van den koning af; het volk was gedrukt en angstig; Jan vernederde
zich voor den Paus en leide de kroon neder, om leenman van den Paus
te worden en haar uit handen van Archidiaconus (niet Kardinaal)
Pandulphus terug te ontvangen. Diens verbod vermocht evenwel niet,
den oorlog tusschen Frankrijk en Engeland te doen staken, die voor
Engeland een ongunstigen keer nam; hierbij kwam een opstand van den
adel, die met de onderteekening van het groot Charter eindigde, maar
door de trouweloosheid van Jan op nieuw ontbrandde en er toe leidde,
dat de Dauphijn, door den adel geroepen, als kroonpretendent in
Engeland landde en er zich twee jaren staande hield, den pauselijken
ban trotseerend. Dat hij van plan was de Engelsche edelen met ondank
te beloonen, en dat de graaf van Melun dit in zijn sterfuur zou
geopenbaard hebben, is aan de kronieken ontleend, maar niet zeker. Dat
koning Jan door een monnik der abdij van Swinstead vergiftigd zou
zijn, is een gerucht, dat reeds vroeg ontstaan is; maar inderdaad
stierf hij aan het onmatig gebruik van perziken en cider, toen hij
ziek en koortsig was. Prins Hendrik was toen nog zeer jong.
De bastaard Philip Faulconbridge (Richard Plantagenet) is een verdicht
persoon, maar wèl wordt in den strijd, waardoor onder de regeering
van Hendrik III de Dauphijn uit Engeland verdreven werd, een bastaard
van koning Jan, Richard geheeten, als dapper strijder en gelukkig
aanvoerder genoemd; misschien heeft de volksoverlevering dezen in een
bastaard van Leeuwenhart veranderd. De bastaarden speelden meermalen
een groote rol; de in dit stuk voorkomende graaf van Salisbury,
William Longsword, is mede een bastaard, namelijk van Hendrik II en
de schoone Rosamunde.
Hubert de Burgh is in de geschiedenis bekend als trouw aanhanger des
Konings, die zich zoowel op het vasteland als in Engeland door zijn
dapperheid onderscheidde, vooral door zijn gelukkige verdediging
van Dover tegen den Dauphijn. Toen in het jaar 1202 Arthur van
Bretagne,--die niet zoo jong was als hij in dit stuk voorkomt,--aan
Jan in handen viel, werd hij ter bewaking toevertrouwd aan Hubert
de Burgh, toen bevelhebber van het slot Falaise in Normandië. Toen
de koning zijn beulen naar Falaise zond, om Arthur de oogen uit
te steken, verspreidde Hubert, om hem te redden, het gerucht, dat
Arthur gestorven was, doch herriep dit weldra, toen Bretagne bij het
hooren hiervan in opstand kwam. De koning gaf Arthur toen aan een
ander toezicht over en liet hem naar Rouaan voeren, waar hij in het
jaar 1203 op raadselachtige wijze verdween, naar sommigen willen,
door koning Jan met eigen hand vermoord.
I. 1. 1. Frankrijk. Frankrijk beteekent den Koning van Frankrijk, op
gemeenzame wijze door Koning Jan zoo genoemd; de gezant daarentegen
drukt in zijn antwoord op de koninklijke waardigheid.
I. 1. 9. Arthur Plantagenet. Koning Hendrik II was gehuwd met Eleonore,
gescheiden gemalin van koning Lodewijk VII van Frankrijk. De kinderen
waren: 1. Hendrik ( 1183); 2. Koning Richard Leeuwenhart ( 1199);
3. Godfried van Bretagne, gehuwd met Constance, die één zoon naliet,
Arthur; 4. Koning Jan, wiens zoon Hendrik III werd; 5. Eleonore,
gehuwd met Alfonso van Castilië, uit welken echt Blanca gesproten is.
I. 1. 40. Ons is de macht van het bezit, en 't recht. Dat hij het
recht op zijn zijde heeft, wil Koning Jan anderen, en misschien
zichzelf diets maken; zijn moeder weet het beter en komt er voor uit.
I. 1. 92. Dat hij een half-gezicht heeft. De Bastaard neemt voor
zijn broeder het woord en beantwoordt den koning. Hij vergelijkt het
schrale, smalle gezicht van zijn broeder--diens halfgezicht--met
het koningsbeeld op een zilveren munt, dat en profil, dus half,
werd voorgesteld. Op oudere munten stond het koningsgelaat en face,
dus geheel; het voorstellen en profil is later opgekomen. Grooten (1
Groot = 4 stuivers of pence) met het koningsbeeld en profil, half-faced
groats, kwamen eigenlijk eerst onder Hendrik VII in Engeland voor.
I. 1. 145. Kijk eens, een tweeblanken-stuk. Look, where three-farthings
goes. Zeer dunne zilveren munten, met het beeld van koningin Elisabeth
en profil met een roos achter aan het hoofd; vandaar heette het
muntstuk, waarmede de bastaard het smalle gezicht van zijn broeder
vergelijkt, een three-farthings-rose. (Een farthing = 1/4 penny.)
I. 1. 184. Elk Grietje, iedere boerendeern.--Eenige regels later wordt
van tandenstokers gewaagd; deze waren in Sh.'s tijd een nieuwe mode,
van het vasteland overgekomen; aan het gebruik er van herkende men
den man van de wereld, die gereisd had en met uitheemsche manieren
thuis gekomen was; zij werden zelfs als sieraad zichtbaar gedragen.
I. 1. 218. Heeft zij geen man enz. De rijdende boden hadden steeds
een posthoorn bij zich, om hun komst aan te kondigen. Tevens bevat
deze regel een variatie op het thema, dat voor de dichters der periode
van koningin Elisabeth een onuitputtelijke bron van geestigheden was.
I. 1. 225. De Philistijnsche reus, de sterke man. Sh. noemt hier den
Deenschen reus Colbrand, die door balladen aan het volk even zoo goed
bekend was als wijlen Goliath aan ons is. Vondel zou gesproken hebben
van den Sparrewouwer reus.
I. 1. 231. Philip! noem een musch zoo. Gurney, met de naamsverandering
van den Bastaard nog onbekend, noemt hem met zijn ouden naam. Philip,
Phip werd meermalen gebezigd, om de tjilpende musschen aan te duiden.
I. 1. 244. Knaap?--Ridder, ridder; goede moeder, ja. Het woord knaap,
in het Engelsch knave, beteekent zoowel een dienaar van een ridder,
als schelm. In het Engelsch zegt de Bastaard: "Ridder, ridder, goede
moeder, evengoed als Basilisco." Basilisco is een vechtersbaas,
een pochhans, uit het in Sh.'s tijd aan ieder bekende tooneelstuk
"Soliman en Perseda", die zich "ridder" noemt, maar door den hansworst
(clown) van het stuk met den naam van knave (knaap, schelm) bestempeld
wordt. Deze toespeling, die hedendaagsche lezers onverschillig laat,
is natuurlijk weggelaten.
I. 1. 266. Zelfs de onverschrokken leeuw niet kampen kon. Naar het
volksverhaal had Richard Leeuwenhart een leeuw bestreden, hem het
hart uit het lijf gerukt en zijn vel als mantel gedragen. Een ballade
hield dit verhaal bij het volk levendig.
II. 1. 2. Voorzaat. Niet letterlijk op te vatten; Richard was de
broeder van Arthurs vader.--Richard viel niet, zooals reg. 5 zegt,
door den hertog (toen nog niet aartshertog) van Oostenrijk, maar bij de
belegering van Chaluz, in den strijd tegen den Vicomte van Limoges. Dat
hier, als in het ouder stuk van Koning Jan, de Hertog van Oostenrijk
in de plaats treedt van den Vicomte van Limoges, levert een goeden
grond op voor den wrok van den Bastaard tegen den Hertog, die het
leeuwenvel, zijn buit bij het dooden van Richard, als mantel, draagt.
II. 1. 134. Hoort den roeper daar; den roeper, die bij openbare
terechtzittingen stilte gebiedt.
II. 1. 288. Sint George, de schutspatroon van Engeland, prijkte zeer
dikwijls op de uithangschilden van herbergen.
II. 1. 378. Doet als de muiters in Jeruzalem. De Joden waren in
het door Titus belegerde Jeruzalem in drie partijen verdeeld,
maar vereenigden zich tot een gemeenschappelijken uitval tegen de
belegeraars.
II. 1. 503. In harer oogen schoone lijst gevat. In het Engelsch
spreekt de dauphijn van zijn beeld, dat hij in het oog van Blanca
teruggespiegeld, als het ware geteekend, drawn, ziet; hierop volgt
een woordspeling van den bastaard met een andere beteekenis van drawn,
"voortgesleurd".
II. 1. 573. Scheef overwicht der wereld, the bias of the world,
de verzwaring van een kogel buiten het middelpunt, zoodat hij,
voortgeworpen of gerold, een scheeve richting krijgt; de wereld wordt
met zulk een rollenden kogel vergeleken.
II. 1. 590. Als hij zijn eng'len me in de hand wil drukken. Gouden
engelen, van tien shillings waarde, zijn bedoeld. In het
oorspronkelijke staat: "wanneer zijn schoone engelen mijn handpalm
willen begroeten". Zulke engelen zijn ook bedoeld III. 3. 8.
III. 1. 1. Gaan huwen? De graaf van Salisbury, tot wien Constance
spreekt, is blijkbaar de bode, door Koning Jan afgezonden, om haar
uit te noodigen, zie II. 1. 554.
III. 1. 69. Want leed is trotsch, het buigt, die 't heeft, ter
aard. Het, als persoon gedachte, leed is overmoedig en onderwerpt aan
zich hen, die het bezitten, het drukt die ter aarde, zoodat zij aan
geen andere bevelen gehoor geven. Deze plaats is misschien bedorven;
velen lezen met Hanmer stout voor stoop.
III. 1. 102. Ten strijd gerust enz. Het oorspronkelijke zegt: Gij
kwaamt gewapend (in arms), om het bloed mijner vijanden te vergieten,
maar nu versterkt gij het, arm in arm (in arms), of elkaar omarmend,
met het uwe.
III. 1. 129. En hang een kalfsvel om die vuige leden. Een kalfsvel
liet men in Sh.'s tijd vaak door narren dragen.
III. 1. 270. Want dat, wat gij bezweert, verkeerd te doen,
Is niet verkeerd meer, als gij 't goed verricht.--Goed verricht,
overeenkomstig uw plicht, dus op tegengestelde wijs, dus in het geheel
niet verricht. De geheele redeneering van den pauselijken legaat kan
een proefje gerekend worden van geslepen casuistiek.
III. 1. 323. Paai Tijd de klokkeman. De Tijd is, volgens den Bastaard,
een oude koster, en daarom is het zijn taak het uurwerk te regelen
en de klok te luiden.
III. 2. 4. Terwijl de bastaard adem schept. In het oorspronkelijke
wijst de bastaard zichzelf aan met zijn ouden naam Philip, gelijk
ook in den volgenden regel Koning Jan hem er mee aanspreekt.
III. 3. 12. Klok, boek en kaarsen drijven mij niet weg; de banvloek
der kerk zal mij niet afschrikken. Bij een banvloek werden de klokken
geluid, werd de bijbel opgeheven en werden drie brandende kaarsen
uitgebluscht.
III. 4. 2. Een gansche armada. Blijkbaar een toespeling van Sh. op
de onoverwinlijke vloot van 1588.
IV. 2. 42. Zoodra mijn zorgen minder zijn. Koning Jan meent: zoodra
ik minder bezorgd ben voor Arthurs aanspraken op den troon. Koning
Jan heeft zich werkelijk tweemaal laten kronen, om allen twijfel aan
de rechtmatigheid van zijn koningschap te doen ophouden. De kroning
was, naar de beschouwingswijze der middeleeuwen, meer dan een vorm;
eerst door haar werd zelfs hij, die de rechtmatigste aanspraak op
den troon had, werkelijk koning.
IV. 3. 11. Ik zal hem bij Sint Edmund's Bury treffen. Salisbury
meent den Dauphijn, die door graaf Melun en den legaat Pandulf
onderhandelingen had aangeknoopt met de onvergenoegde lords.
IV. 3. 123. Geen geest der hel zal zoo afzichtlijk zijn. De verdoemden
waren afzichtelijker, naarmate hun schuld grooter was.
V. 2. 93. Naar de eere van mijn huwlijksbed; als gemaal van Blanca
van Castilië, wier moeder een zuster was van koning Jan.
V. 2. 144. Als uw landskraai kraaien ging: Even at the crying of your
nations crow. De Bastaard spreekt, spelend met het woord crow, dat
kraai en gekraai beteekent, verachtelijk van den Gallischen haan.--Een
oogenblik later, als hij reg. 152 de oproerige lords Nero's noemt,
denkt hij bepaald aan Nero als moeder-moorder.
V. 2. 176. Op zijn voorhoofd zetelt Het hongrig rif des doods. De
dood wordt als het helmteeken van Koning Jan gedacht.
V. 3. 11. Goodwin's zanden. Deze zandbanken aan de monding van de
Theems zijn ook in den Koopman van Venetië, III. 1. 4. vermeld.
V. 7. 53. Al het want, waarmee mijn leven zeilde. Het want is het
touwwerk ter zijde en achter den mast, de stag het touw, dat van den
boeg naar den mast loopt en dezen tegen het achterovervallen steunt.
V. 7. 97. Andre prinsen, die beschikbaar zijn, die het best ontbeerd
of gemist kunnen worden bij de onderhandelingen met den Dauphijn,
zouden het lijk naar Worcester (tweelettergrepig: Wôrster, met zeer
zachte r) brengen.