ZEVENDE TOONEEL.

De kloostertuin der abdij van Swinstead.

Prins Hendrik, Salisbury en Bigot komen op.

PRINS HENDRIK. Het is te laat; het leven van zijn bloed

Is zwaar vergiftigd, en zijn helder brein,--

Het teeder huis, zoo meent men, van de ziel,--

Voorspelt reeds, door de wartaal, die het uit,

Het naad'rend einde zijner sterflijkheid.

(Pembroke komt op.)

PEMBROKE. Zijn hoogheid spreekt nog, en gelooft als zeker,

Dat, als hij in de vrije lucht gebracht wordt,

Het brandend knagen van het scherp vergif,

Dat hem bestookt, gelenigd worden zal.

PRINS HENDRIK. Zoo breng hem hierheen, in den kloostertuin.

(Bigot af.)

Is hij nog woest?

PEMBROKE. Hij is veel kalmer nu,

Dan toen gij hem verliet; hij zong daar zelfs.

PRINS HENDRIK. O, waan der ziekte! laatste felle kwalen

Gevoelen, bij haar duur, zichzelf niet meer.

De dood, die op de buitendeelen teerde,

Verlaat die, wordt onzichtbaar en berent

De ziel en geest, die hij doorpriemt en wondt

Door dolle phantasieën bij legioenen,

Die, dringend om de laatste veste, elkaar

Vertrappen. Vreemd is 't, dat de dood nog zingt!

Ik ben het zwaanjong van deez' bleeken zwaan,

Die bij zijn eigen dood een klaaglied aanheft,

En zoo, uit zijner zwakheid orgelpijp,

Zijn lijf en ziel ter eeuw'ge ruste zingt.

SALISBURY. Houd goeden moed, prins; gij toch zijt geboren,

Om orde en vorm te brengen in den bajert,

Dien hij zoo ruw en vormloos achterliet.

(Bigot komt terug, gevolgd door Dienaars, die den Koning op een

stoel binnendragen.)

KONING JAN. Ja, nu heeft mijne ziel weer elboogruimte;

Zij wilde niet door deur of vensters uit!

Er is zoo heet een zomer in mijn borst,

Dat al wat in mij is tot stof verbrokkelt;

Ik ben een teek'ning, met de pen gekrabbeld

Op perkament, en schrompel bij dit vuur

Nu gansch ineen.

PRINS HENDRIK. Hoe gaat het uwe hoogheid?

KONING JAN. Vergiftigd, dood, verlaten, uitgestooten!

En niemand uwer roept den winter hier,

Dat hij zijn ijshand in de keel mij steek';

En niemand laat mijns rijks rivieren stroomen

Door mijn verbrande borst, of doet het noorden

Met scherpen wind mijn dorre lippen kussen

En mij met koude laven! Weinig vraag ik,

Slechts kouden troost, en toch zijt gij zoo hard

En zoo ondankbaar, dat gij dien mij weigert.

PRINS HENDRIK. O, was er in mijn tranen een'ge kracht,

Die u verkwikte!

KONING JAN. 't Zilt er van verschroeit.

Er is in mij een hel, en het vergif

Is daar gelijk een duivel ingesperd,

Om 't bloed, dat redd'loos is verdoemd, te foltren.

(De Bastaard komt op.)

BASTAARD. O, ik ben gloeiend van het ijlend jagen

En de' ijver om uw majesteit te zien.

KONING JAN. O neef, gij komt, om 't oog mij toe te drukken;

De taak'ling van mijn hart is stuk, verbrand;

En al het want, waarmee mijn leven zeilde,

Is in één draad, in één dun haar verkeerd;

Met één arm koord slechts in mijn hart gestaagd,

Dat enkel houdt, zoolang ge uw tijding uit;

En dan is al, wat gij hier ziet, een stofklomp,

De vorm slechts van vernietigd koningschap.

BASTAARD. Ten marsch hierheen staat de dauphijn gereed;

En God weet, hoe wij hem ontvangen moeten;

De beste helft toch van mijn legermacht

Werd, toen ik opbrak met een goede kans,

Des nachts aan 't lage strand op 't onvoorzienst

Verzwolgen door den onverwachten vloed.

(De Koning sterft.)

SALISBURY. Uw doodsbericht klinkt in een oor, dat dood is.--

Mijn vorst!--Zoo even koning, en nu zóó.

PRINS HENDRIK. Zoo moet ook mijn loop, zoo mijn stilstand zijn.

Wat is der aarde vastheid, troost, macht, lof?

Dit was zoo even koning, en nu stof!

BASTAARD. Gingt gij zoo heen? Ik blijf hier enkel achter,

Om u den plicht der wrake te volbrengen,

En dan dient mijne ziel u in den hemel,

Zooals zij steeds op aard u heeft gediend.--

Gij sterren, wentlend in uw rechten kring,

Waar hebt gij uwe macht? Toont thans uw echte,

Herstelde trouw en volgt mij fluks terug,

Om van de zwakke deur van 't zwijmend rijk

Onheil en eeuw'ge schande weg te drijven.

Den vijand opgezocht, of hij zoekt ons!

Reeds woedt, ons op de hielen, de dauphijn.

SALISBURY. Gij weet, zoo schijnt het, niet zooveel als wij;

Daarbinnen is de kardinaal en rust;

Hij kwam voor nog geen uur van den dauphijn,

En brengt van hem een vredesaanbod over,

Dat eervol en geheel aanneem'lijk is,

Waarbij de krijg onmidd'lijk wordt gestaakt.

BASTAARD. Dit doet hij te eerder, als hij ziet, dat wij

Wèl toegerust zijn, om hem af te weren.

SALISBURY. Ja, en het is reeds min of meer begonnen;

Want vele wagens heeft hij naar de kust

Reeds heengezonden, en zijn zaak en twist

Den kardinaal ter reeg'ling toevertrouwd,

Met wien nu gij en ik en andre lords,

Als 't u behaagt, nog dezen nadenmiddag

De zaak tot heuglijk einde willen brengen.

BASTAARD. Zoo zij het, goed!--En gij, mijn eed'le prins,

Met andre prinsen, die beschikbaar zijn,

Draagt zorg voor de begraaf'nis van uw vader.

PRINS HENDRIK. Te Worcester wordt zijn lijk ter aard besteld;

Hij heeft het zoo beschikt.

BASTAARD. Zoo voert het derwaarts.

En tot geluk aanvaarde uw waarde hoogheid

Het erfrecht en de glorie van dit land!

Met need'rige onderwerping, op mijn knieën,

Wijd ik mijn trouwe diensten hier u toe,

En onderdanigheid voor heel mijn leven.

SALISBURY. En wij betuigen u gelijke liefde,

Die eeuwig zonder vlekken blijven moog'.

PRINS HENDRIK. Ik heb een vriendlijk hart, dat gaarne dankte,

Maar weet niet, hoe ik 't zonder tranen doe.

BASTAARD. O wijd den tijd niet meer rouw, dan volstaat;

Hij eischte als voorschot reeds veel smart ons af.--

Nooit lag dìt England en het zal ook nimmer

Aan eens verwinnaars trotsche voeten liggen,

Tenzij het eerst zichzelf verwonden hielp.

Nu hier zijn vorsten zijn teruggekeerd,

Koom' vrij de gansche wereld ons bespringen;

Wij trotsen haar. Niets brengt ons nood en rouw,

Blijft England slechts zichzelve steeds getrouw.

(Allen af.)

Koning Jan · 第 27 / 29 题