Een open vlakte bij de abdij van Swinstead.
De Bastaard en Hubert komen op, elkander ontmoetend.
HUBERT. Wie daar? spreek! ho! spreek daad'lijk, of ik schiet.
BASTAARD. Goed volk.--En wat zijt gij?
HUBERT. Ik ben voor England.
BASTAARD. Waar gaat gij heen?
HUBERT. Gaat u dat aan? kan ik niet even goed
U naar uw plannen vragen, als gij mij?
BASTAARD. Hubert, naar ik geloof?
HUBERT. Een goed geloof.
Ik waag het dan en denk van u, dat gij
Een vriend zijt, daar gij aan mijn stem mij kent.
Maar wie zijt gij?
BASTAARD. 'k Ben wien gij wilt, maar wilt gij
Mij een genoegen doen, zoo denk, dat ik
Wel eenig bloed heb der Plantagenets.
HUBERT. O lomp geheugen! gij en zwarte nacht
Doen mij beschaamd staan;--dapp're held, vergeef,
Dat eenig woord, van uwe tong gevloeid,
Aan 't scherp erkennen van mijn oor ontsnapte.
BASTAARD. Kom, kom; geen omhaal! zeg veeleer: wat nieuws?
HUBERT. En ìk loop in de duistre nacht hier rond,
Om u te zoeken!
BASTAARD. Kort toch, wat is 't nieuws?
HUBERT. O, beste heer, nieuws, voor de nacht recht passend,
Zwart, vreeslijk, zonder troost en afschuwwekkend.
BASTAARD. Toon mij de ontbloote wond van uw slecht nieuws;
Ik ben geen meisje, en val er niet van flauw.
HUBERT. De koning is vergiftigd door een monnik,--
Zoo vrees ik,--is schier spraakloos;--ik vloog heen
Om u bericht te doen, opdat gij beter
U voor den drang van 't oogenblik kunt waap'nen,
Dan als u 't onheil later werd gemeld.
BASTAARD. Hoe kreeg hij 't in? wie heeft hem voorgeproefd?
HUBERT. Een monnik; wel een vastberaden schurk;
Hem barstte plotseling 't ingewand. De koning,--
Hij spreekt nog, komt misschien het nog te boven.
BASTAARD. En wie bleef nu zijn majesteit verplegen?
HUBERT. Wat! weet gij 't niet? de lords zijn weer terug;
Zij kwamen met prins Hendrik, op wiens bede
De koning hun vergiff'nis heeft geschonken;
Die zijn nu allen om zijn majesteit.
BASTAARD. Weerhoud, almachtig hemel, uwen toorn;
Beproef ons niet met al te zwaren last!
Hubert, mijn halve macht is deze nacht,
Op 't strand hier, overvallen door den vloed,
En Lincoln's wadden hebben hen verzwolgen;
Te nauwernood ben ik te paard ontsnapt.
Van hier, ga voor, geleid mij tot den koning;
Zeer vrees ik, dat hij dood is, eer ik kom.
(Beiden af.)