Aldaar. Het Fransche legerkamp.
Lodewijk komt op met een gevolg van Krijgslieden.
LODEWIJK. De zon des hemels, dunkt mij, zonk slechts dralend,
Maar toefde en deed den westerhemel blozen,
Toen Englands heer zijn eigen veld terugmat
In moeden aftocht. O, wat schoon besluit,
Toen wij, met laatst, maar nood'loos schutgevaarte,
Na 't bloedig dagwerk goede nacht hun wenschten,
En eervol onze vanen samenrolden,
Het laatst in 't veld en schier er meesters van!
(Een Bode komt op.)
BODE. Waar is de prins dauphijn?
LODEWIJK. Wat is er? Spreek.
BODE. De graaf Melun is dood, en de Engelsche eed'len
Zijn op zijn raad van u weer afgevallen;
En de versterking, lang door u gewenscht,
Strandde op de Goodwin-zanden en verging.
LODEWIJK. O vloek'bre, booze tijding!--Vloek op u!
Zoo droeve nacht verwachtte ik niet, als mij
Uw nieuws daar brengt.--Wie zeide, dat de koning
Het veld ontvlood, een uur of twee aleer
De plompe nacht de moede legers scheidde?
BODE. Wie 't ook gezegd hebb', het is waar, mijn vorst.
LODEWIJK. 't Zij zoo.--Van nacht de posten goed bezet!
De dag is wis zoo vroeg niet op als ik,
Om morgen ons geluk weer te beproeven.
(Allen af.)