VIERDE TOONEEL.

Aldaar. Een ander gedeelte van het veld.

Salisbury, Pembroke, Bigot en Anderen komen op.

SALISBURY. Ik dacht den koning niet zoo rijk aan vrienden.

PEMBROKE. Op, op! nog eens! Den Franschen moed gegeven!

Verliezen wij het, dan zijn wij verloren.

SALISBURY. Die Faulconbridge, die bastaardduivel, maakt,

Trots wie hem trots', alleen de slag ons hachlijk.

PEMBROKE. Men zegt, zwaar ziek verliet de koning 't veld.

(Melun komt op, gewond, door Soldaten geleid.)

MELUN. Geleid mij hier naar de Engelsche rebellen.

SALISBURY. Wij heetten anders, in een beet'ren tijd.

PEMBROKE. Het is de graaf Melun.

SALISBURY. Ter dood gewond.

MELUN. Vlucht, lords, gij zijt verraden en verkocht.

Trekt uit het oog van 't oproer uwe draden,

En neemt de trouw weer op, die gij verwierpt.

Zoekt uwen koning op, valt hem te voet;

Schenkt deze dag aan den dauphijn de zege,

Dan loont hij, is zijn plan, u al uw moeite,

En laat uw hoofden vallen. 't Werd bezworen

Door hem, door mij, door velen nog met ons,

Op 't altaar van Sint Edmunds' Bury; ja,

Aan 't eigen altaar, waar wij pas aan u

Getrouwe vriendschap, eeuw'ge liefde zwoeren.

SALISBURY. Maar kan dit waar zijn? Kan dit moog'lijk zijn?

MELUN. Heb ik den gruwb'ren dood niet reeds voor oogen?

Slechts luttel levens rest mij, dat al bloedend

Reeds wegvloeit, evenals een wassen beeld

Bij 't vuur ras smelt en allen vorm verliest.

Wat kan ter wereld thans mij doen bedriegen,

Nu alle winst me ontgaat van elk bedrog?

Wat zoude ik liegen, nu ik toch in waarheid

Hier sterven moet en ginds door waarheid leven?

'k Herhaal: zoo Lood'wijk heden zegeviert,

Dan breekt hij zijnen eed, indien uw oogen

Nog eens den dag in 't oosten rijzen zien.

Nog deze nacht, wier zwarte, giftige adem

Alreeds den vuur'gen helm der oude, zwakke,

Van 't schijnen moede zon met smook omwalmt,

Nog deze booze nacht betaalt uw adem

De boete van 't geschat, verkocht verraad

Met de verradersboete van uw levens,

Zoo Lood'wijk door uw bijstand zegeviert.

Groet zeek'ren Hubert, volger van uw koning;

Vriendschap voor hem, en dit ook, dat ikzelf

Van mijn grootvader Engelsch bloed bezit,

Wekt mijn geweten, dit u mee te deelen.

Tot loon hiervoor, ik bid u, draagt mij weg,

Ver van dit woeste strijdgewoel, opdat ik

In ruste 't oov'rig deel van mijn gedachten

Uitdenken moge, en lijf en ziel doe scheiden

In overdenking en in vroom gebed.

SALISBURY. 'k Geloof u,--en,--straff' God mijn ziel!--mij zijn

De vorm en 't aanschijn welkom dezer schoone

Gelegenheid, om weer de schreden onzer

Doemwaarde vlucht terug, te niet te doen.

Laat ons, als een teruggetreden stroom,

Een wulpschen, regelloozen loop verzakend,

Weer duiken in de boorden, die we ontvloden,

En rustig vloeien in gehoorzaamheid

Naar de' oceaan, naar onzen koning Jan.--

Mijn arm zal helpen, om u weg te dragen;

Ik lees de bitt're doodspijn in uw oog.--

Dan nieuwe vlucht! Op, vrienden, heengesneld!

Dit nieuwe is goed, daar 't oud, goed recht herstelt.

(Allen af; Melun wordt weggedragen.)

Koning Jan · 第 24 / 29 题