DERDE TOONEEL.

Aldaar. Een slagveld.

Strijdgedruisch. Koning Jan en Hubert komen op.

KONING JAN. Hoe is de dag voor ons? O meld het, Hubert!

HUBERT. Slecht, vrees ik. Doch hoe is 't uw majesteit?

KONING JAN. De koorts, die reeds zoo lang mij heeft geplaagd,

Drukt zwaarder mij dan ooit; mijn hart is krank.

(Een Bode komt op.)

BODE. Mijn vorst, de dapp're Faulconbridge, uw neef,

Vraagt, dat uw majesteit het veld verlate

En hem bericht' door mij, waarheen gij gaat.

KONING JAN. Zeg hem, naar Swinstead, naar de abdij daar ginds.

BODE. Houd goeden moed; de krachtige versterking,

Die de dauphijn alhier verbeidde, leed

Op Goodwins zanden voor drie nachten schipbreuk.

Sir Richard heeft zoo juist dit nieuws gehoord.

De Franschen vechten mat en zijn aan 't wijken.

KONING JAN. Ach, door die booze koorts word ik verteerd;

Ik kan dit heuglijk nieuws niet welkom heeten.

Naar Swinstead! voer mij naar mijn draagstoel heen;

Mijn zwakte neemt nog toe, 'k ben uitgeput.

(Allen af.)

Koning Jan · 第 23 / 29 题