TWEEDE TOONEEL.

Een vlakte bij Sint Edmund's Bury.

Gewapend komen op: Lodewijk, Salisbury, Melun, Pembroke, Bigot,

met Soldaten.

LODEWIJK. Laat, graaf Melun, hiervan een afschrift nemen;

Dit worde ter herinn'ring goed bewaard;

En geef 't oorspronklijk stuk den lords terug,

Opdat èn zij èn wij, 't verdrag bezittend,

Bij 't overlezen weten, wat wij saâm,

Bij 't nemen van het sacrament, bezwoeren,

En vast, onwrikbaar zijn in onze trouw.

SALISBURY. Wij zullen onzerzijds die nimmer breken.

En, eed'le prins, al zweren wij u hier

Vrijwill'gen ijver, ongedwongen trouw

Bij uwe zaak, geloof mij toch, dauphijn,

't Verheugt mij niet, dat zulk een kwaal des tijds

Een pleister door verfoeiden opstand zoekt,

En de' ouden kanker ééner wonde heelt,

Door velen er te maken. 't Grieft mijn ziel,

Dat ik dit ijzer van mijn zijde trekken

En weeuwen maken moet; o! en juist daar,

Waar eed'le redding, kloeke tegenweer

Den naam van Salisbury tot leuze heeft.

Maar zoo groot is 't verderf van dezen tijd,

Dat voor 't herstel en 't welzijn van ons recht

Wij niets vermogen, dan juist door de hand

Van warr'lend onrecht, ongerechte strengheid.--

O, is 't geen jammer, mijn gekrenkte vrienden,

Dat wij, de zoons en kindren van dit eiland,

Geboren zijn tot zulk een bitter uur,

Dat we in 't gevolg van vreemde legerscharen

Die moeder op den teed'ren boezem treden,

Haars vijands rijen vullen,--'k ga ter zijde,

De smet van dien gedwongen kamp beschreiend,--

Om de' adel op te luistren van een ver,

Vreemd land, hier vreemde vanen te verzellen?

Wat! hier? O volk, dat gij verhuizen kondt!

Neptunus' armen, die u dicht omstrenglen,

U voerden, waar ge uzelven niet meer kent,

En vast u haakten aan een heidensch strand,

Waar deez' twee christenlegers 't wrokkend bloed,

In steê van 't onbuurschapp'lijk te vergieten,

Vereenden in één bondgenootenaâr!

LODEWIJK. Die taal is spiegel van uw eed'len aard;

Die boezemstrijd van dwang en liefde brengt

Een aardeschudding voort van adeldom.

O welk een eed'len kamp hebt gij gestreden

Van dwang des tijds en ridderlijk gevoel!

Sta toe, dat ik dien eed'len dauw u afwisch,

Wiens zilver over uwe wangen vloeit.

Bij vrouwetranen smolt mijn harte vaak,

En die zijn toch een daaglijksche overstrooming;

Maar deze vloed van zulke een mannedroppen,

Die stortbui opgewaaid door zielestorm,

Vervaart mijn oogen en ontzet mij meer,

Dan zoo ik 's hemels hooge welving gansch

Met vuur'ge meteoren zag bemaald.

Hef op het hoofd, vermaarde Salisbury,

En dring met uw groot hart dien storm ter zij;

Laat zulke waat'ren aan die zuiglingsoogen,

Die nooit der reuzenwereld woeden zagen,

't Geluk nooit anders kenden dan van feesten,

Recht warm van bloed, van vreugd, van drok gesnap.

Kom, kom; want in des voorspoeds rijken buidel

Steekt gij voorwaar uw hand niet minder diep,

Dan Lood'wijk zelf;--dit doet gij allen, eed'len,

Die uwe spierkracht aan de mijne knoopt.

(Pandulf komt op, met Gevolg.)

Zie, is 't niet, of een engel dit mij ingaf?

De heilige legaat treedt ijlings nader,

En geeft ons volmacht van des hemels hand,

En stempelt op ons doen den naam van 't recht

Met heil'gen adem.

PANDULF. Heil, doorluchte prins!

Hoor dit nu:--Koning Jan heeft zich met Rome

Verzoend; zijn geest keerde in zichzelven in,

Die pas zoo uitvoer op de heil'ge kerk,

De groote bisschopsstad, den Roomschen stoel.

Daarom, rol thans uw fiere vanen op,

En tem den woesten geest des wilden krijgs,

Dat hij, een leeuw gelijk, die uit de hand

Is grootgebracht, aan vredes voet zich vlije,

Zacht, enkel naar zijn uitzicht nog geducht.

LODEWIJK. Hoogwaardige, vergeef; 'k wil niet terug.

Ik ben te hooggeboren voor lijfeig'ne,

Voor een, die staâg eens meesters wil volbrengt,

Of voor een bruikbaar dienstman, voor een werktuig,

Al waar' het van der wereld hoogsten troon.

Uw adem blies de doode kolen aan

Des krijgs van dit vernederd rijk en mij;

Gij bracht de brandstof aan om 't vuur te voeden,

En nu is 't veel te sterk om 't uit te blazen

Met zulk een zwakken wind als die 't ontstak.

Gij deedt het aanschijn van het recht mij kennen,

Gij toondet mij mijn aanspraak op dit land,

Ja, wierpt deze onderneming in mijn hart;

En komt gij nu vertellen: Jan heeft vrede

Gemaakt met Rome? Wat raakt mij die vrede?

Ik eisch, naar de eere van mijn huwlijksbed,

Na Arthurs dood dit land voor mij als 't mijne,

En nu het half veroverd is, moet ik

Terug, wijl Jan met Rome vrede sloot?

Ben ik dan Rome's slaaf? Wat penning gaf,

Wat manschap, welke waap'nen zond mij Rome,

Om mij te steunen? Ben ikzelf het niet,

Die alle lasten draag? Wie, dan ikzelf

En zij, die mijn bevelen volgen, zwoegt

Bij dezen tocht en zet den oorlog door?

Hoorde ik mij door deze eilandsteden niet

Met "Vive le Roy!" luid groeten, waar ik aankwam?

Heb ik de beste troeven niet in handen,

Om 't spel, dat om een kroon gaat, licht te winnen?

En zou ik dit gewonnen spel nu geven?

Neen! op mijn eer, dit geeft men nooit mij na.

PANDULF. Gij ziet de zaak alleen van buiten aan.

LODEWIJK. Van buiten of van binnen,--ik blijf hier,

Totdat mijn veldtocht zooveel roems verwierf,

Als aan mijn fiere hoop was toegezegd,

Eer ik dit wakker krijgsheer samenbracht,

En van alom die vuur'ge harten uitlas

Om zege te overtrotsen, roem te winnen,

Zelfs in de kaken van gevaar en dood.

(Trompetgeschal).

Wat kloeke krijgstrompet klinkt daar ons toe?

(De Bastaard komt op, met Gevolg.)

BASTAARD. Verleent mij naar 't gebruik der hoff'lijkheid

Alhier gehoor; ik spreek als afgezant.--

Mij zendt de koning, heil'ge kardinaal,

Ter kondschap, wat gij voor hem hebt bewerkt;

En naar uw antwoord ken ik grens en volmacht,

Waaraan mijn tong zich hier te houden heeft.

PANDULF. 'k Vind den dauphijn te stug en wederstrevend;

Hij weigert aan mijn aandrang zich te storen,

En zegt ronduit, dat hij den krijg niet staakt.

BASTAARD. Bij al het bloed, dat ooit in woede blaakte,

Hij heeft gelijk.--Zoo hoort nu Englands koning;

Want die spreekt hier zijn koningstaal door mij.

Hij staat bereid, en heeft er reden toe;--

Deze aperij, dit onbeleefd bezoek,

Die malle pret, die maskerade in 't harnas,

Dien melkbaardmoedwil en dit kinderkrijgsvolk,

Belacht de koning, en hij staat gereed

Dien knapenoorlog, die pygmeën-waap'nen

Te zweepen uit den omtrek van zijn rijk.

Die hand, wier kracht u voor uw eigen deur

Afroste, en over de onderdeur deed springen,

Als emmers in gedekte putten duiken,

In 't stroo van uwe stallen kruipen deed,

Als panden u in kist of koffer bergen,

In 't varkenskot, in kerkers en gewelven

U veiligheid deed zoeken, u deed beven

En rillen, als uw landskraai kraaien ging,

Wijl 't u de stem scheen van een Engelsch krijger;--

Zou nu die overwinnaarshand verslapt zijn,

Die in uw kamers u getuchtigd heeft?

Neen, weet, de dapp're heerscher is gewapend,

En als een arend zweeft hij over 't nest,

Om neer te schieten, zoo dat nest bedreigd wordt.--

En gij, ontaarde, ondankb're oproerlingen,

Bloedgier'ge Nero's, die het lichaam oprijt

Van uwe moeder England, gloeit van schaamte!

Want ziet, uw vrouwen en uw bleeke meisjes

Zijn Amazonen, tripp'len bij de trom,

Verruilen vingerhoed voor stalen handschoen;

Voor lansen hare naalden, 't zachte hart

Voor woesten moed en lust tot bloedvergieten.

LODEWIJK. Staak uw gepoch, en ga in vreê van hier;

In 't schelden zijt gij ons de baas. Vaarwel!

Te kostlijk is mijn tijd, om hem te spillen

Met zulk krakeel.

PANDULF. Veroorloof mij te spreken.

BASTAARD. Neen, ik wil spreken.

LODEWIJK. 'k Hoor naar geen van beiden.--

De trom geroerd! de tong des krijgs bepleite

Thans ons belang en 't recht van hier te zijn.

BASTAARD. Uw trommen schreeuwen 't uit, als men ze slaat;

Dan zult ook gij, geslagen, doen. Roep vrij

Een echo op door 't schreeuwen van uw trom!

Nabij u is een trom, en goed gespannen,

Die even luid als de uwe klinken zal;

Roer vrij een tweede, een andre tweede zal

Zoo luid als de uwe, in 't oor van 't luchtwulf raat'len,

Des donders stem bespotten; want nabij,--

Dien sluipenden legaat wantrouwend, dien

Hij meer uit scherts gebruikt heeft dan uit nood,--

Is krijgsheld Jan, en op zijn voorhoofd zetelt

Het hongrig rif des doods, wiens taak het is

Veel duizend Franschen heden te verslinden.

LODEWIJK. Komt, roert de trom! wij zoeken dat gevaar.

BASTAARD. Ja, zoek, Dauphijn; gij wordt het dra gewaar.

(Allen af.)

Koning Jan · 第 22 / 29 题