EERSTE TOONEEL.

Aldaar. Een zaal in het paleis.

Koning Jan, Pandulf met de kroon, en Gevolg komen op.

KONING JAN. Zoo heb ik dan den haarband van mijn glorie

In uwe hand gelegd.

PANDULF (de kroon teruggevend.) Aanvaard op nieuw

Uit deze mijne hand, als leen des pausen,

Uw koninklijke hoogheid en gezag.

KONING JAN. Houdt thans uw heilig woord; ga tot de Franschen;

Gebruik uw volmacht van zijn heiligheid,

En stuit hun tocht, eer alles hier ontvlamt.

In opstand zijn onze onvernoegde graven,

In tweedracht ligt het volk met zijnen plicht,

Daar 't onderdanentrouw en liefde zweert

Aan uitlandsch bloed, aan vreemde koningsmacht.

Die overstrooming van ontaarde sappen

Te breid'len, staat in uwe macht alleen.

Dus draal niet, want zoo krank is deze tijd,

Dat, zoo men de arsenij niet spoedig toedient,

't Verderf ras ongeneeslijk wezen zal.

PANDULF. Mijn adem was het, die den storm verwekte,

Wijl gij den paus hardnekkig hadt weerstaan;

Maar nu, daar ge een berouwvol zondaar zijt,

Zal ook mijn tong dien oorlogsstorm bezweren,

Schoon weder schenken aan 't geteisterd land.

Herdenk: op dezen dag, op Hemelvaart,

Nadat gij aan den paus uw leeneed zwoert,

Legt Frankrijk bij mijn komst de waap'nen neder.

(Pandulf af.)

KONING JAN. Is 't Hemelvaart? Wat zeide de profeet?

Dat ik op Hemelvaart voor 't middaguur

De kroon zou nederleggen? 'k Heb 't gedaan.

Dit zou door dwang geschieden, dacht ik toen;

Doch, Gode dank, 't geschiedde slechts vrijwillig.

(De Bastaard komt op.)

BASTAARD. Gansch Kent gaf zich reeds over; enkel 't slot

30

Van Dover kon 't nog houden; Londen heeft

Blij den dauphijn ontvangen met zijn krijgers;

Uw eed'len luistren niet naar u, maar hebben

Den vijand reeds hun diensten aangeboden;

En blinde radeloosheid rent in 't rond

Bij 't klein getal van uw onzeek're vrienden.

KONING JAN. En wilden mijne lords niet wederkeeren,

Toen zij vernamen, dat prins Arthur leeft?

BASTAARD. Zij vonden dood hem liggen op den weg,

Een ledig kastje, waar 't juweel des levens

Uit was gestolen door een vloekb're hand.

KONING JAN. Die booswicht Hubert zeide, dat hij leefde.

BASTAARD. Nu, bij mijn ziel, hij sprak naar wat hij wist.--

Doch waarom buigt gij 't hoofd en ziet gij somber?

Wees groot in 't handlen, als uw denken 't was.

Laat niet de wereld vrees en droef mistrouwen

In de' oogopslag ontwaren van een vorst.

Wees rustloos als de tijd, vuur tegen vuur,

Bedreig den dreiger, overtrots den trots

Van snoevende verschrikking, opdat de oogen

Van laag'ren, die zich steeds naar hoog'ren richten,

Door uwen voorgang schittrend, met den glans

Van wakk'ren, onversaagden moed zich tooien.

Van hier! en glans, gelijk de god des oorlogs,

Wanneer hij 't sieraad zijn wil van het veld;

Toon stoutheid en een hoopvol zelfvertrouwen.

Wat! zullen ze in zijn hol den leeuw bestoken,

Daar schrik aanjagen, daar hem sidd'ren doen?

O, dat dit niemand zegg'!--Vooruit! zwerf rond,

En zoek den opstand op, ver van uw deur,

En grijp hem aan, eer hij u nader komt!

KONING JAN. De pauslijke legaat is hier geweest,

En 'k heb met hem een blijden zoen getroffen;

En hij nam op zich, 't leger des dauphijns

Naar huis te zenden.

BASTAARD. O onteerende afspraak!

Wat! zullen wij op eigen grond en erf

Nu zoete woordjes géven, ons verdragen,

Flikflooiend smeeken, laf een vrede sluiten

Met ingedrongen waap'nen? zal een melkbaard,

Een zijden pronker, Englands velden trotsen,

Zijn moed op onzen strijdb'ren bodem koelen,

De lucht met ijdel vaangewapper hoonen,

En zonder weerstand? Neen, mijn vorst, te wapen!

Wellicht mislukt den kardinaal de vrede,

En zoo ook niet, dan moog' men zien en zeggen:

"Zij stonden reeds gereed tot tegenweer!"

KONING JAN. U zij de leiding dezes tijds vertrouwd.

BASTAARD. Op dan, met goeden moed! Want weet, ik acht,

Zelfs stouter vijand vlood voor onze macht!

(Allen af.)

Koning Jan · 第 21 / 29 题