Aldaar. Een statiezaal in het paleis.
Koning Jan, gekroond; Pembroke, Salisbury en andere Lords komen op. De
koning zet zich op den troon.
KONING JAN. Hier zeetlen wij nog eens, nog eens gekroond,
En, zoo ik hoop, aanschouwd met blijde blikken.
PEMBROKE. Waar' dit "nog eens" niet uwer hoogheid wensch,
't Ware eens te veel; gij waart alreeds gekroond,
En 't koningschap was nooit aan u ontrukt,
Der mannen trouw door oproer nooit bevlekt,
En 't land ook niet beroerd door woelig streven
Naar nieuwe reegling of een beetren toestand.
SALISBURY. Daarom, met dubb'len praal een troon te sieren,
Een recht te omboorden, prachtig reeds omzoomd,
Fijn goud te gulden, lelies te overschildren,
't Viooltje met fijn reukwerk te oversprenklen,
Het ijs te gladden, bij den regenboog
Een nieuwe tint te voegen, en met kaarslicht
Het schitt'rend oog des hemels op te luistren,
Verkwisting is 't, belachlijke overdaad.
PEMBROKE. Uw hooge wil verlangde 't, anders waar'
Dit doen als een oud sprookje, op nieuw verteld,
Dat bij het laatst herhalen elk mishaagt,
Dewijl 't ontijdig opgedrongen wordt.
SALISBURY. Zoo wordt het waardig, welbekend gelaat
Van 't oud, eenvoudig, goed gebruik ontsierd,
En, als een omgeslagen wind een zeil,
Zwaait dit de richting der gedachten om,
Maakt overweging huiv'rig en bezorgd,
Gezonde meening krank, waarheid verdacht,
Door 't aandoen van een zoo nieuwmodisch kleed.
PEMBROKE. Wanneer een werkman 't beter maken wil
Dan goed, hij richt zijn kunst te grond door eerzucht;
Wanneer een fout met zorg ontschuldigd wordt,
Vaak wordt zij erger door de ontschuldiging,
Zooals een lap, die op een kleine scheur
Gezet wordt, juist door 't heelen de aandacht trekt,
En meer ontsiert dan de ongelapte scheur.
SALISBURY. In dien geest uitte, eer gij op nieuw gekroond werdt,
Zich onze raad, maar het behaagde uw hoogheid
Dien te verwerpen, en 't is allen goed,
Daar alles, ieder deel van wat wij wilden,
Geheel zich schikt naar uwer hoogheid wil.
KONING JAN. 'k Heb voor deez' dubb'le kroning enkle reed'nen
U meegedeeld, en houd die nog voor sterk;
Ik voeg er meer en beetre bij, zoodra
Mijn zorgen minder zijn;--doch vraagt inmiddels,
Verbeetring die gij wenscht, van wat niet goed is;
En ziet dan klaar, hoe gaarne ik uwe wenschen
Zoowel vernemen als verhooren wil.
PEMBROKE. Zoo vraag dan ik, als dezer eedlen tong,
Die aller hartewenschen stem verleent,
Zoo voor mijzelf als hen, maar, bovenal,
Voor uwe veiligheid, die hen en mij
Tot stâgen ijver aandrijft,--vraag van harte
Arthurs invrijheidstelling, daar zijn hechtnis
Thans der misnoegdheid lippen morren doet,
Hen opwekt tot dit ongewenscht betoog:
"Bezit gij rechtens wat ge in rust bezit,
Hoe kan dan vrees, die, naar men zegt, van 't onrecht
De schreden volgt, u drijven, dat ge uw neef
Opsluit, een teedren knaap? zijn jonge dagen
In grove onwetendheid verstikt, zijn jeugd
't Rijk voorrecht weigert van een eedle vorming?"
Opdat geen vijand uws bewinds ooit meer
Hieruit een wapen smeed', zij onze bede,
Dat gij ons zijne vrijheid hebt doen vragen,
Waardoor wij niets verzoeken voor onszelf,
Dan in zooverre ons heil, op u berustend,
Uw heil het acht, dat hij in vrijheid zij.
(Hubert komt op.)
KONING JAN. Zoo zij het dan, aan uwe leiding geef ik
Zijn jeugd nu over.--Hubert, brengt gij nieuws?
(Hubert fluistert den koning iets toe.)
PEMBROKE. Dat is de man, die 't bloedig stuk moest doen;
Hij liet een vriend van mij de volmacht zien.
De afspiegling van een zwarte booze daad
Leeft in zijn oog; dat saamgeplooid gezicht
Wijst op den storm van een ontroerd gemoed;
Ik vrees maar al te zeer, 't is reeds gedaan,
Wat wij zoo vreesden, dat hem was gelast.
SALISBURY. De kleur des konings komt en gaat; 't geweten
En 't moordplan zendt die heen en weer, zooals
Geschaarde legers 't hun herauten doen.
Zijn spanning stijgt; de buil is rijp, gaat bersten.
PEMBROKE. En breekt zij open, 'k vrees, dan komt als etter
De dood er uit van een beminn'lijk kind.
KONING JAN. Ik kan de sterke hand des doods niet keeren.--
Mijn beste lords, mijn wil tot geven leeft nog,
Maar wat gij hebt verzocht, is weg, is dood;
Hij meldt ons: Arthur overleed van nacht.
SALISBURY. Wij vreesden 't reeds, zijn kwaal was ongeneeslijk.
PEMBROKE. Wij hoorden 't reeds, dat hij den dood nabij was,
Nog eer 't kind zelf iets van een ziekte wist;
Dit moet verantwoord worden, hier of ginds.
KONING JAN. Wat richt ge op mij zoo fiere, strenge blikken?
Denkt gij, dat ik de schaar van 't noodlot voer
En over 's levens pols heb te bevelen?
SALISBURY. Hier is valsch spel gespeeld, en schandlijk is 't,
Dat hoogheid dit zoo grof te spelen waagt;
Heb bij uw spel geluk en vaar nu wel!
PEMBROKE. Wacht nog, lord Salisbury, ik ga met u,
En zoek het erfdeel op van 't arme kind,
Het kleine koninkrijk, 't ontijdig graf.
Die recht had op dit eiland, wijd en zijd,
Erlangt drie voet er van! O booze tijd!
Dit is zoo niet te dulden; wat ons krenkt,
Barst zeker uit, en spoedig, eer men 't denkt.
(De Lords af.)
KONING JAN. In verontwaardiging ontgloeid! 't Berouwt mij;
Geen hechte grondslag wordt op bloed gevest,
Geen zeker leven ooit op andrer dood.
(Een Bode komt op.)
Uw oog duidt schrik aan. Spreek, waar is dat bloed,
Dat ik in uwe wangen wonen zag?
Zoo zwarte wolken klaart niets op dan storm;
Ontboei uw vlaag!--Hoe gaat het ginds, in Frankrijk?
BODE. Uit Frankrijk ras naar England.--Zulk een macht
Werd nooit voor een'gen krijgstocht naar den vreemde
En binnen de' omvang van een land gelicht.
Zij leerden 't, uwe snelheid na te bootsen;
Want nu gij hooren moest: zij rusten toe,
Komt reeds de boodschap: zij zijn aangeland.
KONING JAN. Waar dronk zich ginds de waakzaamheid een roes?
Waar sliep zij dan? Waar is mijn moeders zorg,
Dat Frankrijk zulk een leger saam kon trekken
En zij het niet vernam?
BODE. Mijn vorst, haar oor
Heeft stof verstopt. Op de' eersten van April
Stierf uw vereerde moeder; en ik hoorde,
Drie dagen vroeger stierf vorstin Constance
In razernij; doch enkel bij geruchte
Vernam ik dit; of 't waar is, weet ik niet.
KONING JAN. Weerhoud uw spoed, gij schrikk'lijke verwikk'ling!
Treed met mij in verbond, tot ik verzoend ben
Met mijn misnoegde pairs.--Mijn moeder dood!
Hoe wild zal 't in mijn Fransch gebied dan toegaan!--
Wie is er aan het hoofd van 't Fransche leger,
Dat, zoo gij waarheid meldt, hier is geland?
BODE. 't Is de dauphijn.
(De Bastaard komt op, met Peter van Pomfret.)
KONING JAN. Gij hebt mij 't hoofd doen duiz'len
Door uw bericht.--Nu, neef, wat zegt de wereld
Van uw bedrijf? vervul mijn hoofd niet verder
Met nog meer booze tijding; 't is reeds vol.
BASTAARD. Zijt gij bevreesd het ergste te zien komen,
Dan valle 't onvoorziens u op het hoofd.
KONING JAN. Verschoon mij, neef, 'k was overstelpt, verbijsterd
Door zulk een vloed, maar nu schep ik weer adem,
't Hoofd boven water, en kan iedre tong
Gehoor verleenen, spreek' zij, wat zij wil.
BASTAARD. Hoe ik geslaagd ben met de geestlijkheid,
Moge u het geld, dat ik bijeenbracht, melden.
Maar op mijn reis door 't land hierheen vond ik
Het volk ter prooi aan vreemde geestverbijstring,
Bezeten van geruchten, ijdle droomen,
Niet wetend, wàt zij vreezen, maar vol vrees.
En hier is een profeet, dien ik uit Pomfret
U medebreng; ik vond hem daar op straat,
Waar honderden hem op de hielen volgden;
Hij zong hun voor, in ruwe, boersche rijmen,
Dat op aanstaande Hemelvaart, 's voormiddags,
Uw hoogheid afstand doen zou van de kroon.
KONING JAN. Gij ijdle droomer, waarom zegt gij dit?
PETER. Ik weet vooruit, dat dit gebeuren zal.
KONING JAN. Hubert, voer gij hem weg, breng hem in hechtnis;
En op dien middag, dat ik, zoo hij zegt,
De kroon zal nederleggen, moet hij hangen.
Breng hem in zekerheid en kom terug,
Ik heb u noodig.
(Hubert af, met Peter.)
O mijn beste neef,
Hebt gij gehoord, wie aangekomen zijn?
BASTAARD. De Franschen, heer, dit is in aller mond;
'k Trof ook lord Bigot en lord Salisbury,
Met oogen, rood als pas ontglommen vuur,
En andren meer; zij zochten Arthurs graf,
Die, zeggen zij, van nacht is omgebracht
Op uwen wensen, uw last.
KONING JAN. Mijn lieve neef,
Ga, meng u in hun kring, ik weet een middel,
Om weder mij hun liefde te herwinnen.
Ga, breng hen tot mij.
BASTAARD. 'k Wil hen zoeken, heer.
KONING JAN. Ja, spoed u, zet uw besten voet nu voor.
O, thans geen vijand uit mijn onderdanen,
Nu vreemde tegenstanders hier mijn steden
Doen sidd'ren door een fellen, stouten inval!
Wees mijn Merkuur, hecht vleugels aan uw voet,
En vlieg als een gedachte tot mij weer.
BASTAARD. De geest des tijds moet vuur'gen spoed mij leeren.
(De Bastaard af.)
KONING JAN. Gesproken als een man van wakkren geest.--
IJl gij hem na; wellicht is hem een bode
Recht welkom tusschen hem en gindsche pairs;
Wees gij die.
BODE. Ja, mijn vorst, van ganscher harte.
(De Bode af.)
KONING JAN. Mijn moeder dood!
(Hubert komt terug.)
HUBERT. Mijn vorst, men zegt, er werden
Vijf manen deze nacht bijeen gezien;
Vier stonden er van stil, de vijfde omzwierde
Die andre vier met wonderbaren loop.
KONING JAN. Vijf manen?
HUBERT. Grijze mannen, oude vrouwen
Voorspellen op de straat er onheil uit.
Prins Arthurs dood is reeds in aller mond,
En bij 't bespreken schudden zij het hoofd,
En fluistert de een den ander iets in 't oor;
En hij, die spreekt, vat dan des hoorders pols,
En uit des hoorders trekken spreekt ontzetting
Door knikken, wenkbrauwfronsen, rollende oogen.
Ik zag een smid, zoo, met zijn hamer staan,
Terwijl zijn ijzer op zijn aanbeeld koud werd,
Met open mond des snijders nieuws verslindend,
Die, met zijn schaar en maatreep in de hand,
En op zijn muilen, die zijn vlugge haast
Aan de verkeerde voeten had geworpen,
Van vele duizend Fransche krijgers sprak,
Die reeds in Kent geheel slagvaardig stonden.
Een ander schraal en haav'loos ambachtsman
Valt plots'ling in en spreekt van Arthurs dood.
KONING JAN. Wat tracht gij dezen angst mij mee te deelen?
Wat komt gij weer terug op Arthurs dood?
Uw hand versloeg hem; ik had groote reden
Hem dood te wenschen, gij voor 't moorden niet.
HUBERT. Niet, Heer? hebt gij er mij niet toe gedreven?
KONING JAN. Dat is der vorsten vloek, gediend te worden
Door slaven, die in luimen volmacht zien
Tot inbraak in des levens bloedig huis,
Uit de' oogwenk van 't gezag een wet zich maken,
En wanen van verbolgen majesteit
Den wil te kennen, als die 't voorhoofd rimpelt
Misschien veel meer uit luim dan overleg.
HUBERT. Hier is uw hand en zegel voor mijn daad.
KONING JAN. O, als de reek'ning tusschen aarde en hemel
Gesloten wordt, dan zal die naam, dat zegel
Getuigen ter verdoemnis tegen ons.
Hoe vaak bewerkt het zien van 't booze werktuig
De booze daad! Waart gij daar niet geweest,
Een knaap, gekozen door natuur, gemerkt,
Gestempeld om een schanddaad te begaan,
Nooit waar' die moord mij in den zin gekomen;
Doch toen ik acht sloeg op uw gruwlijk uitzicht,
U bruikbaar dacht voor snood en bloedig werk,
Gezind, geschikt voor doodsgevaarlijk doen,
Toen repte ik even, zacht, van Arthurs dood;
En gij, om in eens konings gunst te dringen,
Zaagt tegen 't moorden van den prins niet op.