KONING JAN. Hadt gij het hoofd geschud, een poos gezwegen,
Toen ik van mijn bedoeling duister sprak,
Een twijflend oog op mijn gelaat gericht,
Alsof ge een duidlijk woord van mij verlangdet,
Dan had wis schaamte mij verstomd, gestuit,
En uwe vrees had vrees in mij verwekt.
Doch gij verstondt mij daadlijk uit mijn wenk,
En traadt door wenken in verbond met zonde;
Ja, zonder aarz'len was uw hart bereid;--
En zoo voltrok uw ruwe hand de daad,
Die geen van beider mond had durven noemen.
Uit mijn gezicht, en zie mij nimmer weer!
Mijn adel valt mij af; uitheemsche krijgers
Trotseeren mijn gezag tot voor mijn poort;
Ja, binnen 't lichaam van dit vleeschlijk land,
Dit vorstendom, dit rijk van bloed en adem,
Heerscht krijg, inwendige opstand; mijn geweten
Bestrijdt er fel den dood van mijnen neef.
HUBERT. Weer gij die andren af, die u bestrijden,
Want ik verzoen uzelven met uw ziel.
Prins Arthur leeft; en deze mijne hand
Is schuldloos nog, een maagdlijk reine hand,
Niet met de purperkleur van bloed bevlekt.
En evenmin kwam in mijn borst de neiging,
De gruwel van een moordgedachte ooit op.
Natuur hebt gij belasterd in mijn vorm,
Die, schoon uitwendig ruw, het hulsel is
Van eene ziel, te goed om met den moord
Van een onschuldig kind zich te bezoedlen.
KONING JAN. Leeft Arthur nog? O spoed u naar de pairs!
Werp dit bericht voor hun ontvlamde woede,
En breng hen tot gehoorzaamheid terug.
Vergeef, wat mij de hartstocht zeggen deed
Van uwe trekken; blind was daar mijn woede;
En oogen, vol van bloedgezichten, schetsten
U veel meer schrikverwekkend dan gij zijt.
O, antwoord niet, maar breng de toornige eedlen
Aan 't hof; dat hen uw drang tot ijlen noop';
'k Bezweer u langzaam, sneller zij uw loop!
(Beiden af.)