Northampton. Een vertrek in het slot.
Hubert en twee Dienaars komen op.
HUBERT. Maakt mij die ijzers heet, en schuilt dan weg
Daar achter 't wandtapijt; komt, als mijn voet
Der aarde boezem stampt, fluks voor den dag,
En bindt den knaap, dien gij dan bij mij vindt,
Vast aan den stoel; geeft acht! Nu heen, en luister!
EERSTE DIENAAR. 'k Hoop, dat uw volmacht toereikt voor die daad.
HUBERT. Onnooz'le twijfling! ducht gij niets, let op!
(De Dienaars af.)
Kom, jonge knaap; ik heb u iets te zeggen.
(Arthur komt op.)
ARTHUR. Goeden morgen, Hubert.
HUBERT. Goeden morgen, kleine prins.
ARTHUR. Zóó kleine prins,--hoe groot mijn aanspraak zij
Om meer te zijn,--als moog'lijk,--Gij ziet somber.
HUBERT. Ik ben wel vroolijker geweest.
ARTHUR. Mijn hemel!
Mij dunkt, geen mensch moest somber zijn dan ik;
Toch weet ik nog recht goed, ik zag in Frankrijk
Wel jeugdige eed'len somber als de nacht,
Uit grilligheid. Zoo waar ik christen ben,
Ware ik slechts vrij, al ware ik schapenhoeder,
Den lieven langen dag zou 'k vroolijk zijn;
Ja, 'k zou het hier zelfs zijn, als ik niet vreesde,
Dat mij mijn oom nog erger leed wil doen,
Want hij is bang voor mij en ik voor hem.
Kan ik het helpen, dat ik Godfrieds zoon ben?
Toch zeker niet; bij God, ik wenschte, Hubert,
Dat ik úw zoon was, als gij van mij hieldt.
HUBERT (ter zijde.) Spreek ik met hem, dan zal zijn kinderpraat
Mijn medelijden, dat nu dood is, wekken;
'k Wil daarom snel te werk gaan en het doen.
ARTHUR. Gij ziet er bleek uit, Hubert; zijt gij ziek?
Nu, 'k wenschte wel, dat gij 't een weinig waart,
Opdat ik heel de nacht bij u mocht waken;
Ik wed, gij zijt mij liever dan ik u.
HUBERT. Zijn praten neemt mijn boezem in bezit.--
Hier, lees dit, Arthur.
(Hij laat hem een papier zien.)
(Ter zijde.) Welk onnoozel vocht!
Wijst gij de deur aan onmeedoogend foltren?
'k Moet kort zijn, anders drupt mijn vast besluit
Mij de oogen uit in weeke vrouwetranen.--
Kunt gij 't niet lezen? is 't niet goed geschreven?
ARTHUR. Te goed, te goed voor zulk een boozen inhoud.
Moet gij met gloeiend ijzer beî mijn oogen
Uitbranden?
HUBERT. Knaap, ik moet.
ARTHUR. En wilt gij?
HUBERT. Ja.
ARTHUR. Hebt gij er 't hart toe? Toen gij pijn in 't hoofd hadt,
Bond ik u stijf mijn zakdoek om het hoofd,--
Mijn besten, mij door een prinses gewerkt,--
En heb dien nooit van u teruggevraagd.
'k Hield met de hand die nacht het hoofd u vast,
En, zooals waakzaam de minuten 't uur,
Verkortte ik u den loomen gang des tijds,
En vroeg: "Wat scheelt u?" en: "Waar hebt gij pijn?"
Of: "Wat kan ik nu doen om u te helpen?"
Ik denk, wel menig burgerkind waar' blijven liggen,
En had geen vriendlijk woord tot u gezegd;
Maar gij hadt voor uw ziekedienst een prins.
Gij denkt wellicht, mijn liefde was slechts sluwheid,
En noemt ze listig,--doe het als gij wilt;
Als God wil, dat gij mij mishand'len zult,
Dan moet gij 't doen.--Wilt gij mij de oogen blinden?
Die oogen, die op u nooit donker blikten,
En 't nimmer zullen doen?
HUBERT. Ik heb 't gezworen.
Uitbranden moet ik ze u met gloeiend ijzer.
ARTHUR. O, niemand deed het, waar 't geen ijz'ren tijd;
Dat ijzer zelf, hoewel roodgloeiend, zou,
Deze oogen naadrend, mijne tranen drinken
En zóó zijn vuur'ge drift en woede blusschen
In 't vocht, door weêrlooze onschuld voortgebracht;
Ja, zou daarna zichzelf in roest verteren,
Omdat zijn vuur mijn oogen had bedreigd,
En zijt gij harder dan gehamerd ijzer?
O, zoo een engel mij verschenen waar',
En had gezegd, dat Hubert mij zou blinden,
Hem had ik niet geloofd, niemand dan Hubert.
HUBERT. Komt hier.
(Hij stampt.)
(De Dienaars komen terug met hoorden, ijzers, enz.)
Doet wat ik u gebood.
ARTHUR. Help, Hubert, help! mijn oogen zijn reeds uit,
Reeds door den woesten blik dier booze mannen.
HUBERT. Geeft hier het ijzer, zeg ik, bindt hem vast.
ARTHUR. O God, waartoe behoeft gij zoo te woeden?
'k Wil doodstil staan, ik zal niet tegenspartlen.
Om Gods wil, Hubert, bind, neen, bind mij niet.
Neen, hoor mij, Hubert, jaag die mannen weg;
Stilzitten wil ik dan, stil als een lam,
Niet deinzen, geen woord zeggen, zelfs niet rillen,
Ja, ook niet toornig naar het ijzer zien.
Drijf slechts die mannen weg, en ik vergeef,
Wat martling gij mij dan ook aandoen wilt.
HUBERT. Gaat heen, van hier; laat mij alleen met hem.
EERSTE DIENAAR. 't Is goed, liefst ben ik ver van zulk een daad.
(De Dienaars af.)
ARTHUR. O wee, een vriend heb ik daar weggekeven!
Zijn blik is donker, maar zijn hart is zacht.--
Roep hem terug, opdat zijn deernis leven
Aan de uwe geev'.
HUBERT. Kom, knaap, maak u gereed.
ARTHUR. Geen uitkomst dus?
HUBERT. Geen; gij verliest uw oogen.
ARTHUR. O, hemel, zat er in uw oog een splinter,
Een stofje, een zwevend haartje, een mug, een korrel,
Of een'ge stoornis in dat kost'lijk zintuig!
Dan voeldet gij, hoe fel daar 't minste steekt,
En wat gij voor hebt, kwame u gruw'lijk voor.
HUBERT. Hebt gij mij dit beloofd? Bedwing uw tong.
ARTHUR. Hubert, het smeeken van twee tongen schoot
Te kort bij 't pleiten voor een oogenpaar.
Eisch niet, dat ik mijn tong betoom, neen, Hubert;
Of als ge wilt, snijd mij de tong uit, Hubert,
Zoo dit mijn oogen redt! O spaar mijn oogen,
Al moeten zij ook niets meer zien dan u.
Zie, op mijn woord, het werktuig is reeds koud,
En zou geen leed mij doen.
HUBERT. Ik kan 't weer gloeien.
ARTHUR. Neen, neen, voorwaar; het vuur is dood, van droefnis,
Dewijl 't, voor troost geschapen, onverdiend
Tot gruwlen wordt gebezigd; zie slechts zelf;
In deze kool hier huist geen boosheid meer;
Des hemels adem blies den geest er uit,
En strooit berouwvolle asch haar op het hoofd.
HUBERT. Mijn adem kan haar doen herleven, knaap.
ARTHUR. Zoo gij dit doet, dan doet gij haar slechts blozen,
Van schaamte gloeien, Hubert, om uw doen;
Zij zal misschien uzelf in de oogen spatten,
Gelijk een hond, dien men tot vechten drijft,
Ook naar zijn meester, die hem aanhitst, bijt.
Elk ding, waar gij mij mee wilt schaden, weigert
Zijn dienst u; u alleen ontbreekt de deernis,
Die 't grimmig vuur en ijzer toonen,--wezens,
Voor deernislooze plannen steeds gebruikt.
HUBERT. Nu,--zie, opdat gij leeft; ik raak uw oogen
Voor al de schatten van uw oom niet aan;
En toch, ik zwoer, en was besloten, knaap,
Ze, met dit ijzer hier, u uit te gloeien.
ARTHUR. Nu ziet ge er uit als Hubert; al dien tijd
Waart gij vermomd.
HUBERT. O stil! niets meer. Vaarwel!
Uw oom mag niet vermoeden, dat gij leeft;
Aan die verspieders disch ik sprookjes op.
En nu, lief kind, slaap zonder zorg, gerust,
Dat Hubert u, voor al der wereld schatten,
Geen leed ooit doet.
ARTHUR. O God, ik dank u, Hubert.
HUBERT. Geen woord meer; sluip mij na, in stilte, schuw;
In veel gevaar begeef ik mij voor u.
(Beiden af.)