Aldaar.
Strijdgedruisch, aanvallen, terugtocht. Koning Jan, Eleonore, Arthur,
de Bastaard, Hubert en Edellieden komen op.
KONING JAN (tot Eleonore). Zoo zij het; uwe hoogheid blijv' hier
achter,
Met sterke wacht.--(Tot Arthur.) Zie niet zoo treurig, neef;
Grootmoeder heeft u lief en oom zal ook
Voor u zoo goed zijn, als uw vader was.
ARTHUR. O, dit verdriet zal wis mijn moeder dooden.
KONING JAN. (tot den Bastaard). Gij neef, spoed u naar Engeland,
ons vooruit;
En schud, vóór onze komst, de buidels leêg
Van pottende abten; stel gevangen englen
In vrijheid, want ik moet mijn hong'rig krijgsvolk
Nu met des vredes vette ribben spijzen.
Rek onze volmacht uit, zoover zij reikt.
BASTAARD. Klok, boek en kaarsen drijven mij niet weg,
Als goud en zilver mij tot komen wenken.
Vaarwel, mijn vorst.--Grootmoeder, ik wil bidden--
Als ik eens de' inval krijg van vroom te zijn--
Voor uw geluk, en kus u thans de hand.
ELEONORE. Vaarwel, mijn waarde kleinzoon.
KONING JAN. Neef, vaarwel.
(De Bastaard af.)
ELEONORE. Kom hier, mijn kleine nazaat; luister eens.
(Zij neemt Arthur ter zijde.)
KONING JAN. Treed nader, Hubert. O, mijn beste Hubert,
Wij zijn in uwe schuld; dit huis van vleesch
Omsluit een ziel, die u schuldeischer weet,
En uwe trouw met rente u wil betalen;
En uw vrijwillige eed, mijn lieve vriend,
Leeft hier, met zorg verpleegd, in deze borst.
Geef mij de hand. Ik had u iets te zeggen,--
Maar zoek nog steeds een beter melodie.
Hubert, bij God, ik ben bijna beschaamd
Te zeggen, hoe ik u genegen ben.
HUBERT. Ik ben uw majesteit recht veel verplicht.
KONING JAN. Nog hebt gij, vriend, geen grond om zoo te spreken,
Doch heb geduld;--hoe traag de tijd ook kruip',
Toch komt de dag, dat ik u goed zal doen.
Ik had u iets te zeggen,--maar toch, neen,
't Is heldre zonneschijn; de trotsche dag,
Omstuwd van de vermaken van de wereld,
Is veel te speelsch, te vol van bonten pronk,
Om 't oor te leenen. Zoo te middernacht
De klok, met ijz'ren tong en bronzen mond,
Voortgalmde in 't loome sluipen van de nacht,--
Zoo 't hier een kerkhof ware, waar wij staan,
En gij door duizend krenkingen bezeten,--
Of zoo die sombre geest, melancholie,
Uw bloed verdroogd had, zwaar en dik gemaakt,
Dat kitt'lend anders de aad'ren op- en afloopt
En naar het oog dien zotskap, 't lachen, drijft,
Die dan de wangen spant tot ijd'len lust,
Een stemming, bij mijn plannen diep gehaat,--
Of, zoo gij zonder oogen mij kondt zien,
Mij hooren zonder oor, en zonder tong
Mij antwoord geven, met gedachten slechts,
Oor, oog noch boozen woordenklank gebruikend,--
'k Zou, trots het waakzaam broeden van den dag,
U mijn gedachten in den boezem storten.
Maar ach, ik wil niet;--toch ben ik uw vriend,
En meen, voorzeker, dat ook gij mijn vriend zijt.
HUBERT. Zoo zeer, dat, wat gij mij gebiedt te doen,
Al moest de dood ook volgen op de daad,
Ik toch, bij God, het doen zou.
KONING JAN. Wist ik 't niet?
Vriend Hubert! Hubert,--Hubert, werp uw blik
Op gindschen jongen knaap. Verneem, mijn vriend,
Hij is een echte slang op mijnen weg,
En waar mijn voet zich heenwendt, hij ligt vóór mij,
Steeds, overal. Verstaat gij mij? 'k Vertrouwde
Hem aan uw hoede.
HUBERT. Ik wil hem zoo behoeden,
Dat uwe hoogheid niets te duchten heeft.
KONING JAN. Dood.
HUBERT. Mijn vorst?
KONING JAN. Een graf.
HUBERT. Hij leve niet.
KONING JAN. Genoeg.
Nu kan ik vroolijk zijn. Hubert, ik ben
Uw vriend; wat ik u toedenk, zeg ik niet;
Houd in gedachten!--Eedle vrouw, vaarwel;
De krijgsmacht, u beloofd, zend ik u toe.
ELEONORE. Mijn zegen ga met u!
KONING JAN. Kom, neef, naar England!
Hubert zij thans uw dienaar, begeleide u
Met echte trouw!--Komt, op nu, naar Calais!
(Allen af.)