Aldaar. De tent van den Koning van Frankrijk.
Koning Philips, Lodewijk, Pandulf en Gevolg komen op.
KONING PHILIPS. Zoo wordt op zee door 't loeien van een storm
Een gansche armada van vereende zeilen
Verspreid en hun verbond uiteengespat.
PANDULF. Houd moed, getroost! dra gaat weer alles goed.
KONING PHILIPS. Hoe kan dat goed gaan, wat zoo kwalijk loopt?
Wij zijn geslagen en Angers genomen;
Arthur gevangen, waarde vrienden dood;
En bloedig England weêrgekeerd naar England,
Frankrijk ten spijt, trots elke hindernis.
LODEWIJK. Wat hij veroverd heeft, heeft hij versterkt;
Zóó vuur'ge spoed, zóó door verstand bestuurd,
Zóó kalm beleid bij zulk een stout bedrijf
Is zonder wedergâ. Wie las of hoorde
Ooit van een krijgstocht, zooals deze was?
KONING PHILIPS. Ik zou dien lof aan England kunnen gunnen,
Als ik van onze schande een voorbeeld vond.
(Constance komt op.)
Zie, wie komt daar? een graf van eene ziele,
Dat in des bangen adems lagen kerker
Haars ondanks de' eeuw'gen geest besloten houdt.--
Vorstin, ik bid u, ga met mij van hier.
CONSTANCE. Nu ziet gij, ziet gij de uitkomst van uw vrede!
KONING PHILIPS. Bedaar, Constance; wees getroost, melieve!
CONSTANCE. Neen, ik versmaad alle andren raad en troost,
Dan 't eind van elken raad, den waren troost,
Dood! dood!--O lieve, schoone, zoete dood!
Gij heerlijk geur'ge stank! gezond verderf!
Verhef u van uw bed der eeuw'ge nacht,
Gij haat en schrik van wie voorspoedig is,
En kussen wil ik uw verfoeid gebeente,
Mijn oogen in uw leêge kassen drukken,
Mijn vingren met uw huisgewormte ringlen,
Deze adempoort met walglijk stof verstoppen,
En zulk een rif en monster zijn als gij.
Kom, grijns mij toe, 'k wil denken, dat gij glimlacht,
En als uw vrouw u kussen. Kom tot mij,
Ellendes liefste!
KONING PHILIPS. O schoone droef'nis, stil!
CONSTANCE. Neen, neen, zoo lang ik lucht heb, wil ik klagen.--
O, had de mond des donders mijne tong,
Dan zou mijn jammerklacht de wereld schokken,
En uit zijn slaap dat vreeslijk rif doen rijzen,
Dat eener vrouwe zwakken roep niet hoort
En lacht met een gewone geestbezwering!
PANDULF. 't Is dolheid, vrouwe, wat gij uit, geen kommer.
CONSTANCE. Onheil'ge man, die leugens van mij spreekt!
Ik dol! dit haar, waaraan ik ruk, is 't mijne;
Ik heet Constance; ik was de vrouw van Godfried;
Mijn zoon is Arthur, en hij is verloren!
Ik dol!--o, gave God, dat ik het waar'!
Want dan zou ik mijzelf wellicht vergeten;
O, kon ik dit, wat leed vergat ik dan!--
Gij, predik wijsheid, om mij dol te maken,
En heiligspreking loont u, kardinaal.
Nu ik niet dol, maar van mijn leed bewust ben,
Nu wijst mij mijn verstandlijk deel den weg,
Hoe ik mij van dat wee bevrijden kan,
En leert mij, mij te dooden, te verhangen;
Doch ware ik dol, ik zou mijn zoon vergeten
Of zag een pop van doeken aan voor hem.
Ik dol! o al te wel, te wel gevoel ik
Van ieder onheil het veelvuldig wee!
KONING PHILIPS. Bind uwe vlechten op.--O, welke liefde
Ontwaar ik in die rijke lokkenpracht!
Waar bij geval een zilvren druppel viel,
Daar hechten duizend dradendunne vrienden
Zich aan dien druppel in vereende smart,
Als echte, als onafscheidbre trouwe lieven,
Die vast elkaar omklemmen in den nood.
CONSTANCE. Naar England! wilt ge?
KONING PHILIPS. Bind uw haren op.
CONSTANCE. Dat wil ik, ja; en waarom wil ik 't doen?
Ik reet hen uit hun banden en riep luid:
"O, konde deze hand mijn zoon zoo slaken,
Als zij de vrijheid aan mijn haren schenkt!"
Doch nu misgun ik hun die schoone vrijheid
En wil hen weder in hun boeien slaan,
Wijl mijn lief kind een arm gevangene is.--
En, vader kardinaal, ik hoorde u zeggen,
Dat we in den hemel de onzen zien en kennen;
Is 't zoo, o, dan zie ik mijn zoon eens weer;
Want nooit sinds Kaïn, de eerste knaap, het licht zag,
Tot op den zuig'ling, die sinds gist'ren ademt,
Zag de aard een kind, zoo rijk begaafd als hij.
Nu zal de worm, het leed, mijn knop verderven,
Het jeugdig schoon verjagen van zijn wang,
En hol zal hij er uitzien als een spook,
Zoo bleek en mager als een koude koorts,
En zal zóó sterven, zoo ook weer verrijzen;
En als ik hem ontmoet in 't hemelhof,--
'k Zal hem niet kennen; daarom nimmer, nimmer,
Neen, nimmer zie 'k mijn lieven Arthur weer.
PANDULF. Gij geeft te zondig aan uw kommer toe.
CONSTANCE. Zoo spreekt een man, die nooit een zoon bezat.
KONING PHILIPS. Gij mint uw smart niet minder dan uw kind.
CONSTANCE. Smart vult de plaats van mijn afwezig kind,
Ligt in zijn bed, gaat op en neêr met mij.
En bootst zijn blikken, praat zijn woorden na,
Brengt al zijn lieflijkheid mij voor den geest,
Vult met zijn vorm zijn leege kleedren op;
En heb ik dan geen grond, de smart te minnen?--
Vaartwel, waart gij als ik beroofd, ik zou
U beter kunnen troosten, dan gij mij.--
Ik wil geen tooisel dulden op mijn hoofd,
Als zulk een stoornis heerscht in mijnen geest.
O God! mijn knaap, mijn Arthur, mijn lief kind!
Mijn hart, mijn heil, mijn levensbrood, mijn alles!
Mijn weduwtroost, mijn heulsap in het leed!
(Constance af.)
KONING PHILIPS. Ik vrees een wanhoopsdaad en wil haar volgen.
(Koning Philips af.)
LODEWIJK. Niets, niets ter wereld kan mij meer verheugen;
Het leven is langwijlig als een sprookje,
Een slaap'rig man tweemaal in 't oor gereld;
Een bittre smaad vergalt de zoete wereld,
Zoodat zij smaad en bitterheid slechts schenkt.
PANDULF. Kort vóór 't genezen van een erge kwaal,
Als heeling volgt en nieuwe kracht, is de aanval
Het heftigst; en een kwaad, dat afscheid neemt,
Toont bij het heengaan juist zich op zijn ergst.
Wat ging te loor, toen gij den dag verloort?
LODEWIJK. De roem, de vreugd, ja, al 't geluk mijns levens.
PANDULF. Dat waar' gebeurd, zoo gij gewonnen hadt.
Neen, neen, wanneer Fortuin den mensch wil goeddoen,
Dan blikt zij hem met dreigende oogen aan.
't Is ongelooflijk, hoeveel Jan verloor
Door wat hij louter winst acht. U is 't leed,
Wiet waar, dat Arthur hem in handen viel?
LODEWIJK. Gewis, zooveel als hem de vangst verblijdt.
PANDULF. Uw geest is even jong nog als uw bloed.
Doch hoor, wat mijn profetengeest u zegt;
Want de adem zelfs, van wat ik zeggen wil,
Zal ieder stofje of halm, den kleinsten aanstoot,
Wegblazen van het pad, dat uwen voet
Naar Englands troon zal voeren; daarom hoor.
Jan heeft thans Arthur weggevoerd; onmooglijk
Kan de overweldiger des troons, kan Jan,
Zoolang warm leven in 's kinds aad'ren speelt,
Een uur, een ademtocht zelfs rust genieten.
De hand, die tegen 't recht een scepter greep,
Behoeft geweld voor 't hoeden, als voor 't winnen;
Wie op een gladde helling staat, versmaadt
Geen steun, hoe slecht ook, zoo die helpen kan.
Zoo Jan wil blijven staan, moet Arthur vallen;
Zoo zij het, want het kan niets anders zijn.
LODEWIJK. En wat kan ik door Arthurs val ooit winnen?
PANDULF. Gij kunt in naam van Blanca, van uw gade,
Zijn rijk voor u dan eischen, als nu Arthur.
LODEWIJK. En rijk, lijf, alles derven, als nu Arthur.
PANDULF. Wat zijt gij groen en jong in de oude wereld!
Voor u wroet Jan; de tijd spant saam met u;
Wie zijn geluk in bloed, echt bloed, gaat domp'len,
Vindt slechts een bloedig en onecht geluk.
Die boos bedreven daad zal 't hart verkoelen
Van heel zijn volk, hun ijver doen bevriezen;
En juub'lend groeten zij de kleinste kans,
Die opkomt, om zijn troon omver te stooten;
Er komt geen luchtverheev'ling aan den hemel,
Geen werking der natuur, geen donk're dag,
Geen bolle wind, geen alledaagsch verschijnsel,
Waarvan zij niet den waren aard miskennen,
Ze meteoren, wond'ren, teekens noemend,
Voorboden, wangeboorten, hemelstemmen,
Verkondigers der wraak, die Jan bedreigt.
LODEWIJK. 't Kan wezen, dat hij Arthurs leven spaart,
Door zijn gevangenschap zich veilig reek'nend.
PANDULF. O, prins, wanneer hij van uw naad'ring hoort,
En Arthur nog niet uit den weg geruimd is,
Dan sterft hij op die tijding, en dan keert
Heel 't volk het hart vol weerzin van hem af,
Kust onbekenden ommekeer de lippen,
En zuigt uit Jans bebloede vingertoppen
Gerechte gronden tot verzet en wraak.
En, o! wat broedt de tijd nog beet're dingen
Dan deze u uit! De bastaard Faulconbridge
Is thans in England, brandschat daar de kerken
En krenkt de vromen; ware een twaalftal Franschen
Gewapend ginds, zij waren als een lokstem,
Die tienmaal duizend Engelschen hun handvol
Versterken deed, gelijk een vlokje sneeuw
Voortrollend tot een berg wordt. O, dauphijn,
Ga met mij naar den koning. 't Is verbazend,
Wat zich uit hun misnoegdheid smeden laat,
Nu aller hart tot aan den rand vol wrok is.
Naar England dus; ik spoor den koning aan.
LODEWIJK. Ja, kom! een klemmend woord geeft hand'len klem,
En zegt gij ja, wacht dan geen neen van hem.
(Beiden af.)