Een geritsel in de varens vlak bij mijn tentje wekte mij uit een lichte
sluimering. Daar had je ’t weer. ’t Gerucht van een zwaar dier, dat
zich dicht bij me stilletjes door de ruigte trachtte te werken, terwijl
uit de richting van het oude houthakkerskamp midden in het open land
een zacht, knagend geluid opsteeg in den stillen nacht. In een oogwenk
zat ik overeind om te luisteren, maar ’t was weer stil geworden bij die
plotselinge beweging. De nachtelijke zwervers hadden mij gehoord en
waren op hun hoede.
Gij hoeft niet bang te zijn voor de dieren die ’s nachts op bezoek
komen. Zij zijn veel schuwer dan gijzelf en kunnen u beter zien, zoodat
ze uw slechte gezicht, als ge in den blinde op hen toeschiet, voor moed
houden en zich ijlings uit de voeten maken. Toen ik naar buiten trad,
snelde er wat weg in ’t struikgewas achter mijn tent, en bij ’t
schijnsel van de maansikkel zag ik nog net even een berin met haar jong
heenspringen, om in ’t bosch weg te schuilen.
Nog altijd hoorde ik het geknaag achter de oude schuur aan de rivier.
„Nog een jong!” dacht ik—want ik was nog nooit eerder in de groote
bosschen geweest—en sloop er heen om eens om den hoek te kijken van de
oude nederzetting, waar ik op het erf kampeerde, dien eersten nacht
buiten in de wildernis.
Net om den hoek lag een oud stroopvat met een opening die gitzwart leek
in ’t maanlicht, en uit de schaduw klonken de schrapende, knagende
geluiden maar gestadig voort. „Hij zit er in, en is bezig aan de
suikerkorst te knabbelen,” was mijn opwindende gedachte; „als ’k hem nu
eens kon krijgen...”
Stilletjes liep ik om de loods heen, om den dichten kant van het vat
tusschen mij en mijn buit te krijgen, sloop ademloos naderbij en hief
met een snellen zet het oude vat overeind—het beest zat er in. Een
bons, een verschrikt gekrabbel en gefrutsel, het vat dat ik neer
trachtte te houden begon hevig te schudden, en toen was alles in de val
weer rustig. „Ik heb hem!” dacht ik, de heele berenmoeder vergetend, en
riep Simmo toe dat hij de bijl mee zou brengen.
We sloegen een paalheg stevig om het vat heen, belastten het met zware
blokken en gingen weer naar binnen om te slapen.
Toen wij den volgenden morgen de zaak eens kalmer bekeken, kwamen wij
tot de slotsom, dat een berenjong toch te lastig is om als
speelkameraad in een tent te hebben; ik ging er dus met een geweer bij
staan, terwijl Simmo er de blokken aftilde, de palen doorhakte en mij
ondertusschen in ’t oog hield, om te zien in hoeverre hij zijn leven
aan mijn zelfbeheersching kon toevertrouwen. Daar viel een paal om, het
vat kantelde ondersteboven, door een duw van binnen; Simmo ging met een
schreeuw op den loop, en daar waggelde een groot stekelvarken te
voorschijn—zoo’n groot als ik nog nooit gezien had, dat er tuimelend
van doorging, regelrecht op mijn tent toe. De Indiaan achter hem aan!
Met lange armzwaaien poogde hij het stomme dier met zijn bijl te raken
en mopperend gaf hij aan zijn verachting lucht voor dat berenjong van
mij.
Halverwege de tent struikelde Unk-Wunk over een stukje zwoord en stond
stil om het kieschkeurig te besnuffelen. Ik greep Simmo bij zijn arm en
voorkwam den slag, die anders een eind zou hebben gemaakt aan het leven
van mijn slachtoffer. Toen ging Unk-Wunk tusschen ons in op zijn hurken
zitten, nam ’t zwoord in zijn voorpooten en zoog er het zout uit, alsof
er op de heele wereld geen zorg of geen vijand bestond. Een halfuur
later kwam hij in mijn tent neuzen, waar ik een van mijn
lievelingsvliegen, die ik voor zalmvisschen gebruikte en die een
hongerige forel aan flarden had getrokken, zat te verstellen—en
verdreef me zonder plichtplegingen uit mijn eigen gebied, op zoek naar
meer zout.
Zoo’n wijsgeer, die door geen gevangenis uit zijn gemoedsrust is te
brengen en wien geen gevaar van zijn bescheiden genoegens kan berooven,
verdient meer aandacht dan de zoölogen hem ooit geschonken hebben. Ik
nam oogenblikkelijk het besluit hem nauwkeuriger te bestudeeren. Maar,
alsof hij elke poging in die richting wilde afschrikken en zichzelf tot
mikpunt van mijn geweer maken, vernielde hij den volgenden nacht mijn
kano bijna, door een gat dwars door het omhulsel en de ribben heen te
knagen, omdat ’t er ergens naar zout scheen te ruiken, wat alleen zoo’n
begeerige neus als de zijne kon hebben ontdekt.
Eens dat hij op ’t pad was ontmoette ik hem een eind van ’t kamp af, en
omdat ik niets beters te doen had, trachtte ik hem naar mijn tent te
drijven. ’t Was mijn bedoeling geweest gastvrij met hem te deelen, hem
een stuk spek te geven en hem gade te slaan, terwijl ik zelf aan ’t
eten was. Nauwelijks had hij in de gaten dat hij voortgedreven werd, of
hij keerde zich om, kwam recht op mijn beenen aan en voordat ik hem
ontsnappen kon, had hij me een venijnigen klap met zijn staart gegeven
en een paar van zijn pennen in me achtergelaten. Toen dreef ik hem de
tegenovergestelde richting uit, waarop hij zich omkeerde en langs me
heenschoot; en toen ik in ’t kamp aankwam, was hij druk bezig den steel
van Simmo’s bijl te beknabbelen.
Hoe men hem ook neemt, Unk-Wunk is en blijft iets geheimzinnigs. Een
onbeantwoorde vraag is zijn bestaan, een vraagstuk, dat hoe langer hoe
raadselachtiger wordt naarmate gij het tracht op te lossen.
Hij is het eenige in ’t wild levende dier dat niet bang voor den mensch
is en dat zijn nabijheid nooit leert schuwen: niet door zijn instinct
en niet door zijn ondervinding. Overal in de wildernis houdt hij zich
op, totdat hij ’t eens anders in zijn kop krijgt (overleggen zou hij
het zelf misschien noemen) en dan is hij spoorloos verdwenen, kunt ge
hem nergens vinden. Hij geniet van de eenzaamheid en geeft niets om
zijn soortgenooten, maar toch zou ’t u wel eens een paar maal kunnen
gebeuren dat ge plotseling voor een heele verzameling stekelvarkens
kwaamt te staan, aan den voet van een rotsigen heuvel, waar ze loopen
rond te boemelen, met hun pennen te klapperen, hun naam: Unk-Wunk,
Unk-Wunk, te knorren en den heelen, lieven, langen dag niets anders
uitvoeren.
Den eenen dag dat ge hem tegenkomt is hij zoo bang als een wezel, en
den volgenden dringt hij maar brutaalweg uw tent binnen, en als hij u
toevallig snapt, zonder dat er een dikke stok bij de hand is, jaagt hij
er u uit. Een bepaald doel of een vaste bezigheid heeft hij nooit.
Wanneer doet er niet toe, maar probeer hem eens tegen te houden; dan
zal hij er zijn leven voor wagen om nog net even een duimbreed verder
te komen. Tracht hem dan nog een eindje die richting uit te drijven, en
hij zal terugspringen, zoo eigenwijs als een varken dat naar stal moet,
zoo’n Jantje Contrarie, en zich liever laten dooden, dan den weg te
nemen dien hij nog geen oogenblik geleden uitging. Hij zal geen
schepsel kwaad doen, maar als de bloeddorstige vischmarter hem aanvalt,
gaat hij stilliggen om hem dood te slaan, en zoo doet hij zelfs met den
grooten Canadeeschen lynx, wien geen andere boschbewoner aan zou
durven.
Maar boven al deze raadselachtige tegenstrijdigheden staat toch de
vraag die het eerst bij ons opkomt: hoe de natuur er ooit toe kwam
zoo’n wezen te scheppen, en wat ze toch met hem voorhad? Want hij
schijnt eigenlijk voor niets te dienen, nergens te passen in het
natuurlijk verband der dingen. In Maine [7] is onlangs een wet
uitgevaardigd, waarbij het schieten van stekelvarkens verboden werd,
heel eigenaardig op grond hiervan, dat een stekelvarken het eenige
makkelijk te vangen dier in de natuur is en zonder gevaar kan worden
afgemaakt, zoodat iemand die in het bosch verdwaald is niet behoeft te
verhongeren. Wanneer men het zuiver uit een oogpunt van nuttigheid
beschouwt, is dit tot nog toe het eenige wat er op zou kunnen wijzen
dat Unk-Wunk geen vergissing is, integendeel, wel eens zijn nut zou
kunnen hebben.
Om die wet te keuren en om vast mijn voorzorgen te nemen tegen
mogelijke gebeurtenissen in de toekomst, heb ik Unk-Wunk ook eens op
mijn spijslijst gezet: een verachtelijke, kwalijkriekende aanwinst,
waar een liefhebber van sterke kaas waarschijnlijk verrukt over zou
zijn. ’t Is stellig een uitstekende wet, maar ik kan me nu niemand meer
voorstellen die er dankbaar voor wezen zou, of hij moest
onvoorwaardelijk hebben te kiezen tusschen dood of stekelvarken.
De roofdieren die in de wouden rondsluipen zouden niets liever dan hem
opeten, maar dit wordt hun streng belet. Ze kunnen hem zelfs niet
aanraken of ze ondervinden er de gevolgen van. ’t Lijkt wel alsof de
natuur, toen ze dit aartsdomme wezen in een vernuftige wereld schiep,
zulke teedere voorzorgen met hem nam als ze voor een halfwijs of idioot
kind zou hebben gedaan. Hij is het eenige dier dat het vreeselijke van
hongersnood niet kent. Het heele bosch is zijn voorraadschuur. In den
tijd van knoppen en jonge loten geniet hij daarvan, en wanneer de
bittere kou gaat nijpen en een dikke sneeuwlaag alles bedekt en alle
andere dieren mager en bloeddorstig van den honger worden, hoeft
Unk-Wunk slechts in den eersten den besten boom te klimmen, met zijn
sterke tanden het buitenste van den ruwen bast af te knagen en hij kan
zich verzadigen aan den zachten binnenkant. Dan stapt hij zeer voldaan
heen met een burgemeestersbuikje.
Voor hongerige dieren kent Unk-Wunk geen vrees. Ze laten hem gewoonlijk
wel met rust, want ze weten dat het nog dommer zou zijn hem aan te
raken dan in een zonnevisch of een „brompietje” [8] te happen. Wanneer
ze in die moordende Maartsche dagen door den honger gedreven begeerig
op hem afkomen, rolt hij zich doodgewoon op en blijft liggen. Hij wordt
door een harnas beschermd, waar alleen een stalen handschoen zich
veilig aan zou kunnen wagen en waar zelfs ’t scherpste oog geen voegje
in zou kunnen ontdekken.
Een sluwe lynx of een wezel, door ondervinding wijs geworden, maar
radeloos van den honger, laat zich wel eens naast Unk-Wunk plat op den
grond vallen en werkt zijn neus voorzichtig onder het vreeselijke
stekelomhulsel, om hals of onderkant van het lichaam, waar geen pennen
zijn, te zoeken. Een greep van de sterke kaken, even den smaak van het
bloed in den uitgehongerden bek—dan is ’t met allebei gedaan; want
Unk-Wunk bezit een verdedigingsmiddel waar geen boschroover ooit op
rekent, en dat is zijn breede, zware staart, met honderden weerhaken
gewapend, wel kleiner dan die op zijn rug, maar ook veel sneller den
dood veroorzakend, en hij zwaait dit wapen met dezelfde vlugheid als
waarmee de boosaardige ratelslang op haar prooi toeschiet. Soms bedekt
Unk-Wunk zijn snuit er mee als hij wordt aangevallen, maar meestal
steekt hij zijn kop onder een boomwortel of in een hollen boomstronk en
houdt zijn staart buiten klaar om toe te slaan. Nauwelijks raakt zijn
vijand hem dan aan, of zoo vlug als de wind komt de staart vinnig neer,
links, rechts, en drijft hem kop en flanken vol pennen. Er is geen
ontkomen aan den dood, want zijn pijnlijk ineenkrimpen, zijn wrijven,
elk zijner pogingen drijft ze dieper en dieper naar binnen, tot ze in
hart of hersens terecht komen en hun taak volbrengen.
Mooween, de beer, is de eenige boschbewoner die het kunstje geleerd
heeft om Unk-Wunk aan te vallen zonder dat hij zelf kwaad kan. Als hij
heel hongerig is en hij vindt een stekelvarken, dan gaat hij het nooit
dadelijk te lijf—daarvoor kent hij den doodelijken steek van de
weerhaken te goed—, maar plaagt en tergt het door het met zand te
gooien, tot het eindelijk al zijn pennen opsteekt en ineengerold blijft
liggen. Dan schuift Mooween met de uiterste omzichtigheid een poot
onder hem en smakt hem met een vluggen zwaai tegen den eersten den
besten boom, en nog eens, en nog een keer, tot al het leven uit hem
gegooid is. Wanneer hij Unk-Wunk in een boom ontdekt, zal hij hem soms
achternaklimmen, tot hij net zoo dicht bij hem staat als de bovenste
takken het veroorloven, en dan uit alle macht gaan schommelen en rukken
om hem er uit te schudden. Al die drukte is gewoonlijk vergeefsch, want
het beest, dat in de boomtoppen zorgeloos vast door den storm heen
slaapt, bekommert zich niet hard om het geschud van een loggen beer. In
zoo’n geval zal Mooween, als hij er dicht genoeg bij kan komen zonder
gevaar te loopen—doordat de te dunne twijgen hem niet hielden—naar
beneden te vallen, dien tak waar Unk-Wunk op ligt te slapen afbreken en
hem op den grond gooien. Dit is gewoonlijk ook vergeefsche moeite, want
voordat hij hem achterna kan klauteren naar beneden, ligt Unk-Wunk al
weer in een anderen boom op een anderen tak te slapen, alsof er niets
gebeurd was.
Andere roofdieren, minder sterk en geslepen dan Mooween, bekomt het
gewoonlijk slecht, als de honger hen noopt dezen nutteloozen
boschbewoner, voor wien de natuur toch zoo liefderijk zorgt, aan te
vallen. „Trappers” [9] hebben me verteld dat ze in den nawinter,
wanneer de honger het felst is, wel eens een wilde kat of een lynx of
vischmarter in hun vallen gevonden hebben, met bek en flanken vol
pennen van ’t stekelvarken; duidelijk bewijs hoe radeloos ze in ’t nauw
waren gedreven om toch maar aan eten te komen. Die paar gevangen dieren
doen ons denken aan menige verborgen worsteling, waarvan slechts de
boomen en de sterren getuigen zijn; en de val van den „trapper”, die
snel en zeker neerslaat, is slechts het genadige besluit van een
langen, tragen, smartelijken lijdensweg, die ten leste toch onder een
neerhangenden sparretak, gedekt door de sneeuw, zou zijn ten einde
geloopen.
Den vorigen zomer vond ik op een open plekje in de wildernis twee
geraamten naast elkaar liggen: het een van een stekelvarken, het ander
van een grooten lynx. In dat van den laatste lagen drie pennen, op de
plaats waar de keel gezeten had; een andere schacht stond recht
overeind in een ledige oogkas; nog een stuk of twaalf lagen er zóó
omheen, dat het onmogelijk was na te gaan langs welken weg zij waren
binnengedrongen. Er was geen groot voorstellingsvermogen toe noodig om
daaruit de geschiedenis te lezen van een uitgehongerden lynx—te
radeloos om eenige voorzichtigheid in acht te nemen—en een maaltijd die
een leven kostte.
Ik heb ook eens een merkwaardig staaltje van dierenopvoeding gezien,
waarbij Unk-Wunk betrokken was. In de vallende schemering waren twee
jonge uilen onder leiding van hun moeder onder langs een heuvelrij aan
’t jagen. Van mijn kano uit zag ik een van de jongen plotseling
neerstrijken op iets in ’t kreupelhout aan den oever. Even later volgde
de groote moeder-uil hem met een boozen, doordringenden
waarschuwingskreet: hoe-hoe-hoe-hoe! Het jong liet zich in ’t
kreupelhout vallen, maar de moeder sloeg hem in haar suizende vlucht
gewoon van zijn wild weg en bracht hem toen stilletjes naar het bosch.
Ik toog dadelijk naar het kreupelhout waar de uil gestooten had, en
vond er een jong stekelvarken, terwijl er een eind verder aan den oever
nog twee aan ’t knabbelen waren van de leliestengels.
Kookooskoos, die instinctmatig op elk bewegend ding stoot, heeft
waarschijnlijk van wijzeren geleerd dat het maar verstandiger is
sommige dingen zorgvuldig te vermijden.
Dat het hem wel degelijk geleerd moet worden bleek ten duidelijkste aan
een uil, dien mijn vriend eens in schemerdonker schoot. Een pen van een
stekelvarken was bijna over de heele lengte in zijn poot gedrongen; nog
twee werkten zich langzaam maar zeker in zijn lijf en de schacht van
een vierde stak uit den hoek van zijn bek. Of het een jonge uil was,
die nog geen les had gehad, of dat hij door den honger genoopt allen
wijzen raad maar in den wind had geslagen en op Unk-Wunk gestooten had,
zal nooit worden opgelost. Dat hij zoo’n groot beest als het
stekelvarken aanviel, wees er wel op dat hij evenals de lynx er
waarschijnlijk door den honger toe gedreven was de moederlijke lessen
in den wind te slaan.
Wat Unk-Wunk betreft, die weet maar zoo weinig, dat het gerust
betwijfeld mag worden of hij ooit de schooltucht in ’t bosch gevoeld
heeft. Of hij zich uit instinct als een kastanjebolster oprolt, zooals
de opossum zich dood houdt, of dat het een zaak is van langzamerhand
leeren staat nog te ontdekken.
Of zijn groote onbenulligheid, die zijn vijanden ontwapent en hem uit
tallooze gevaren redt, waar slimheid niet baten zou, evenals die
schijnheilige onnoozelheid van den opossum slechts een masker is voor
de diepste wijsheid; of dat hij net zoo dom is als hij er uitziet en
handelt, is ook nog niet opgelost. Ik begin meer en meer tot de eerste
mogelijkheid over te hellen. Onbewust heeft hij geleerd hoe veilig het
is stil te blijven liggen. Wel duizend geslachten van dikke, gezonde
stekelvarkens hebben hem leeren inzien hoe dwaas al die zorg, al dat
gedraaf en getob in een andermans wereld toch is, waar die ander
klaarblijkelijk ook de verantwoordelijkheid voor heeft. Hij geeft zich
dus maar geen moeite en leeft in ongestoorde rust. Juist dit feit
echter doet ook weer een vraag bij u oprijzen, die u misschien meeneemt
over de zee om de wijsheid der Hindoes te bestudeeren. Het gaat er zoo
mee: hebt ge één vraag gesteld bij uw eerste ontmoeting met Unk-Wunk,
dan zult ge er twintig hebben nadat ge hem eens een maand of wat hebt
waargenomen. Zijn kolom in de boschcourant begint met een vraagteeken
en eindigt met een vraagteeken, en puntjes staan er voor wat nog
ongeschreven bleef. Het eenige, wat mij er bij Unk-Wunk op scheen te
wijzen dat hij zich moeite gegeven, overleg gepleegd had, was toen hij
twee jongen de eenvoudige kunst van zwemmen leerde—waarvan
stekelvarkens, tusschen twee haakjes, zelden gebruik maken en die ze
niet erg noodig schijnen te hebben.
Ik dreef in mijn kano langs den oever, toen mijn aandacht getrokken
werd door een moeder-stekelvarken met twee jongen op een boomtronk, die
gedeeltelijk in ’t meer lag. Een stekelig spannetje! Zij had ze daar
gebracht om ze eens van de lelieknoppen te laten proeven, zoodat haar
de taak van ’t spenen wat lichter viel. Toen ze alle knoppen en
stengels die ze maar bereiken konden bij elkaar hadden gegaard en
opgegeten, duwde ze de beide kleintjes doodkalm het water in. Als ze
terug poogden te krabbelen, stootte ze hen weer van den kant af en
daarna liet ze zichzelf ook in ’t water zakken, om ze een eind stroomaf
naar een anderen boomstam te brengen, waar nog meer leliebladen dreven.
Al die holle pennen maakten dat ze als op kurken hoog op het water
dreven, en ’t zwemmen kostte hun lang zoo’n moeite niet als andere
jonge dieren, die ik verder wel eens in ’t water gezien heb. Het blijft
echter de vraag nog of dit nu eigenlijk een zwemles was, of een ruwe
vingerwijzing hoe ze zichzelf maar moesten redden en hun eigen eten
vinden. Dit was het eenige blijk van een beetje voorzorg en aardig
overleg, dat ik ooit bij een stekelvarken heb aangetroffen. Een
uitzondering echter maakte die eenzame, oude slimmerd, die er een
merkwaardige manier op nahield om zichzelf te vermaken en alle andere
boschbewoners een schrik op ’t lijf te jagen.